ENKELE NOTITIES BIJ ‘THE VIETNAM WAR’

vietnam 1

Als puntje bij paaltje komt zwijgen de slechtere mensen. Je hoort ze niet. Ze spreken niet. Hebben ze niets geweten of hebben ze alleen maar geen geweten?
Alleen de goede mensen praten. De betere.
De mensen met een geweten, degenen die na reflectie tot inkeer gekomen zijn.

Waar zijn de woorden van de wapenfabrikanten? Hoor je ze? De woorden van de presidenten, senatoren, generaals (wastemoreland noemden we de oorlogsmisdadiger generaal Westmoreland), van de politie-oversten die de bevelen gaven? Van degenen die ‘onze jongens’ een afschuwelijke dood instuurden. Van degenen die ‘onze studenten’ lieten vermoorden. Van de rechters die de monsters van My Lai weigerden te straffen. Van degenen die honderden duizenden Vietnamezen lieten uitroeien alleen maar omdat ze, net zo goed als de Amerikanen en de rest van de wereld, naar vrijheid snakten. Naar vrijheid en een beter leven voor zichzelf en meer nog voor hun kinderen.

Ω

Notities na het zien van de de twaalfdelige serie ‘The Vietnam War’.
“Producenten Ken Burns en Lynn Novick werkten tien jaar aan de reeks en laten tachtig getuigen van alle betrokken partijen aan het woord: Amerikaanse veteranen, en militairen en burgers uit Noord- en Zuid-Vietnam. De focus ligt daarbij eerder op gewone mensen die de oorlog van dichtbij hebben meegemaakt, dan op experts en historici.” (Canvas)

KOORZANG: DYAB ABOU JAHJAH

colin-wilson-in-sleeping-bag-1956-2.jpg

Leven we in een tragische tijd? De vele koorzangen die je op menige plek hoort zouden er op kunnen wijzen. Maar uit hun vaak weinigzeggend en repetitief karakter kun je net zo goed afleiden dat we een grote komedie bijwonen. Dat is geen nieuwe vaststelling. Een boek van Slavoj Zizek kreeg als titel mee ‘Eerst als tragedie, dan als klucht’, waar hij de inspiratie voor vond in ‘Bijdrage tot de kritiek op Hegels Rechtsfilosofie’ van Karl Marx. Een moeilijke en onzekere tijd is dit zeker wel. Velen onder ons sluiten zich af, ontvluchten wat de realiteit wordt genoemd. We zoeken een vertrouwde omgeving op, reizen af naar die schaarse plekken waar we hopen nog wat schoonheid of sporen van iets pastoraals te zullen aantreffen. Of we blijven gewoonweg thuis, in een hoek met een boek, of troost zoekend in de vluchtigheid van muziek en film. Sommigen worden radeloos, een kleine minderheid gaat over tot brutaliteiten, in sommige gevallen tot geweld. Geweld dat we weigeren te begrijpen. Geweld dat we altijd zullen verwerpen, zelfs al zouden we bereid zijn het toch in een begrijpelijke context te plaatsen.

Kritiek op de zwakke plekken van anderen is alleen maar mogelijk als je in jezelf ook zulke plekken aantreft. Je weet bijvoorbeeld heel goed dat je net zo goed meedoet aan het vals zingende koor, zelfs al doe je je uiterste best om te zwijgen.  Je bent geen schone ziel, je hebt altijd op zijn minst een beetje vuile handen.

De voorbije dagen bezong het koor de wederwaardigheden van Dyab Abou Jahjah en zijn ondervrager Thomas Erdbrink. Ik wilde afzijdig blijven. Maar vind mijn zwijgen hoe langer hoe moeilijker vol te houden. Ik wilde me vooral afzijdig houden omdat ik Dyab Abou Jahjah eigenlijk niet zo ken. Ik bedoel: ik heb geen duidelijk idee van zijn politieke strijd en van zijn werk. Ik heb alleen maar enkele opiniestukken van hem gelezen, die ik meestal pertinent vond. Deze aflevering van Zomergasten nu was verrassend goed. Alleen de inquisitoire toon van debutant Thomas Erdbrink werkte me danig op de zenuwen. Had de man last van plankenkoorts, zag hij in zijn gesprekspartner een vijand, had hij duidelijke instructies gekregen om zijn gast zoveel mogelijk te onderbreken en hem strak aan de leiband te houden? Kennelijk waren er nogal wat kijkers die zich hadden geërgerd aan het vooruitzicht drie uur lang naar deze ‘outsider’ te moeten luisteren (en kijken). Was het daarom dat de gast zo hard werd aangepakt? Erg hoffelijk was het allemaal niet.

zomergasten, dyab abou jahjah, outsiders, colin wilson, radeloos, geweld, brutaliteit, vluchten, koor, tragedie, komedie, klucht, slavoj zizek, thomas erdbrink, vpro, onvolwassen gedrag, luisterbereidheid, onverdraagzaamheid, zionisme, antisemtisme, racisme, black panthers, belgië, staat, belgische politie, religie, atheïsme, agnosticisme, brussel, jacques brel, romantiek, optimisme, la bataille d'alger, gllo pontecorvo

De aflevering van Zomergasten was desondanks verrassend goed dank zij Abou Jahjahs verhaal en de beelden die hij had meegebracht. Maar wanneer is iets goed? Voor mij is iets goed als ik er mij in kan herkennen, als er (ziels)verwantschap is. Dat begon al goed met Colin Wilson, een schrijver en mysticus die op mij als jonge knaap ook veel indruk heeft gemaakt. Wilson heeft mij helpen beseffen dat ik een outsider was; wat ik altijd ben gebleven. De kritiek op het zionisme leek mij behoorlijk onderbouwd. Abou Jajah wordt uitgescholden voor racist en antisemiet. Daar heb ik in deze aflevering van Zomergasten niets van gehoord. Er is toch een duidelijk onderscheid tussen de ideologische term ‘zionist’ en het woord ‘jood’? Hoewel ik extreem gevoelig ben voor antisemitisme, de joodse cultuur is voor mij bij wijze van spreken heilig, heb ik er niets van gemerkt. Ik geloof dat ik nochtans aandachtig geluisterd heb. Het hoofdstukje over de Black Panthers wordt wel vaker getoond. Maar dat mag en moet zelfs. De uitroeiing van de Black Panther-beweging toont de macht van de staat aan, een macht die zich als zuivere negativiteit kan manifesteren. Een ander voorbeeld van dergelijke negativiteit van de staat is het gedrag van de Belgische politie, dat in sommige gevallen ronduit racistisch is (zonder te willen veralgemenen). Ondanks de paniekerige, schreeuwerige en naar het mij leek wat emotioneel verwarde Erdbrink bleef Abou Jahjah rustig en beheerst. Zijn uitspraken waren weloverwogen, ter zake. Ik zag erg mooie en ontroerende fragmenten, onder meer van een Tunesische zangeres, van Leonard Cohen en van Jacques Brel. Opvallend was dat in heel wat van het gekozen beeldmateriaal de spot werd gedreven met de georganiseerde godsdienst. Of dat die sterk in twijfel werd getrokken, zoals in ‘True Detective’. Uiteindelijk kwam ik tot de slotsom dat Dyab Abou Jajah een volbloed romanticus is en een onverbeterlijke optimist. Zijn pleidooi voor Brussel als een nieuw Babylon – denk aan de utopie van Constant Nieuwenhuys – gaf mij meteen zin om mijn verdoemde stad met nieuwe ogen te gaan verkennen. Ik ben echter minder optimistisch. ‘La Bataille d’Alger’ van Gillo Pontecorvo is te realistisch, te levensecht, te zeer van deze tijd om mij toe te staan met gerust gemoed door onze straten te flaneren of onnadenkend een glas te gaan drinken in een coole bar.

zomergasten, dyab abou jahjah, outsiders, colin wilson, radeloos, geweld, brutaliteit, vluchten, koor, tragedie, komedie, klucht, slavoj zizek, thomas erdbrink, vpro, onvolwassen gedrag, luisterbereidheid, onverdraagzaamheid, zionisme, antisemtisme, racisme, black panthers, belgië, staat, belgische politie, religie, atheïsme, agnosticisme, brussel, jacques brel, romantiek, optimisme, la bataille d'alger, gllo pontecorvo

HET BOEK ASTRID

neerharen5 001

Boeken zou je kunnen schrijven over Astrid. Maar wat ik schrijf zijn kronieken. Of is één enkele, doorlopende kroniek, een dag-tot-dag relaas met onderbrekingen. Die onderbrekingen drukken de dagen, weken uit waarin er niets gebeurt of waarin wat gebeurt niet tot opflakkeringen of ‘oplevingen‘* van het bewustzijn leidt.

Deze kroniek heeft in 2005 de vorm aangenomen van een blog. Tot dan was de kroniek bijna altijd privé geweest, nu werd hij openbaar. Tot dan kon ik schrijven wat ik wilde over wie of wat ik wilde. Rekening houden met wat of wie dan ook was niet nodig. Dat was een mooie compensatie voor het dagelijks leven waarin ik voortdurend met alles en iedereen rekening houd, wat mij jarenlang tot passiviteit, die soms extreem was, heeft gedwongen. In mijn schrijven was ik in zekere zin vrij: ik was nergens verantwoordelijk voor. Ik kon van reële of verzonnen personages tot in de kleinste details hun slechtheid beschrijven, maar net zo goed kon ik hun vaak onbestaande schoonheid en heiligheid bezingen. Dat laatste deed ik doorgaans in wat ik ‘gedichten’ noemde. Voor de wereld buiten mij maakte het geen verschil. Tot 2005 kon ik beslissen of ik mijn kroniek – of delen ervan – al dan niet openbaar zou maken. Of uitgevers konden dat doen, in het geval ik me tot hen richtte, wat zelden gebeurde. Dat laatste waarschijnlijk omdat ik vooraf wist dat ze mij de vrijheid die ik in het schrijven bezat, als het enigszins wilde lukken, zouden afnemen door het in een leesbare vorm te gieten, of mij daar toe te dwingen.

Sinds 2005 is de kroniek een blog. Hoewel ‘blog’ een lelijk woord is ben ik sindsdien gedwongen al wat ik schrijf daar naar te richten. Het gaat om een kracht, een verlangen, waar ik geen vat op heb, om een soort van zinsverbijstering. Soms verlang ik in extreme mate naar die uitingen, naar die in zekere zin toch erg banale vorm van openbaar maken: er bestaan miljoenen blogs. Maar gaandeweg heeft de vrijheid van het schrijven, van de kroniek mij bang gemaakt. Deze openbaarheid legt mij evenzeer aan banden. Een blog is net zo goed een keurslijf als een boek uitgegeven bij een gerespecteerde of verwenste uitgever. De vorm moet niet noodzakelijk leesbaar zijn, hoewel je toch altijd, en steeds meer, gelezen wilt worden. Omdat een blog openbaar is moet je vooral rekening houden met de inhoud, met de beschrijving van je personages, met wat je het ‘reële’ zou kunnen noemen – hoewel filosofen beweren dat je het ‘reële’ het zwijgen oplegt zodra je het in een relaas onderbrengt. Het is onmogelijk om in de openbaarheid om het even wat te doen. Dat geldt ook voor het schrijven. Ik heb het niet eens over de banaliteit van het legale, maar over de ernst van de morele verantwoordelijkheid.

Zoveel woorden heb ik nodig om te zeggen dat ik er aangaande Astrid, mijn overleden ex-schoonzus, grotendeels het zwijgen moet toe doen. Een bloemrijke elegie zal nog wel worden toegestaan (zou ik mezelf toestaan). Wat ik vanuit de vrijheid die ik me nog enigszins kan voorstellen zeer betreur. Zoals ik betreur dat ik in de openbaarheid niet over mezelf kan schrijven, over mijn** vrouwen, over de vrouwen naar wie ik verlangde en verlang, over mijn vrienden, over mijn ouders, over de hele mikmak die het echte leven wordt genoemd. Het enige wat ik kan doen is van Astrid en van alle anderen een andere maken. Haar een masker opzetten, een ander lichaam geven en een andere naam. Dat zou ik kunnen doen. Zoals, bijvoorbeeld, Boris Vian deed, toen hij zich Vernon Sullivan noemde. Een van zijn onder dat pseudoniem uitgebrachte boeken draagt de titel: ‘J’irai cracher sur vos tombes’. Maar ben ik dan nog een kroniekschrijver? Is mijn tekst dan nog een relaas en ben ik dan nog een heel klein beetje vrij?

astrid,dood,herinneringen,kroniek,blog,schrijven,vrijheid,openbaarheid,leugen,waarheid,verzinsel,uitgeven,zwijgen,stilte,maskerade,2005,relaas,verlangen,vorm,inhoud,dwang,zinsverbijstering,leesbaarheid,personages,fictie,moraal,zedelijkheid,verantwoordelijkheid,ethiek,elegie,boris vian,boeken,kroniekschrijver

*Martha Nussbaum noemt het ‘upheavals’.
**Het bezittelijk voornaamwoord drukt hier uiteraard geen bezit uit.

Foto’s:

Boven: Astrid schiet Jean-Pierre in de rug.
Onder: Mijn broer en ik.

STILTE VOOR DE STORM

IMG_1284.JPG

Stilte. Tijdens elke periode van stilte, van zwijgen in mijn leven, denk ik onwillekeurig aan Hölderlin. Aan zíjn lange tijd van zwijgen, aan de toren in Tübingen, aan zijn kamer daar en het uitzicht op de Neckar. De kamer die ik ooit als een soort van bedevaarder bezocht, liftend via Keulen en Stuttgart. Duitse automobilisten met afgrijzen naar me kijkend vanuit hun Mercedes of BMW, alsof ik een lid was van de Baader-Meinhof-Groep. Misschien begrijpelijk want het was kort na de Duitse Herfst. In het tijdschrift Aurora had ik teksten geschreven met verwijzingen naar de ellendige Heinrich Von Kleist en naar zijn zuster Ulrike. Misschien had de geheime dienst haar naam met die van Ulrike Meinhof verward? Onwillekeurig ook denk ik aan de onderdanige brieven aan zijn moeder: uw gehoorzaamste zoon, Hölderlin. Verzeihen Sie, liebste Mutter! Wenn ich mich Ihnen nicht für sie verständlich machen können.

Altijd denk ik als ik niet spreken kan aan hem. Niet aan Rimbaud, niet aan Nietzsche, niet aan Virginia Woolf, niet aan Gérard de Nerval. Waarom heb ik me zo aan hem gehecht? Ik weet het echt niet. Maar ik ben er wel dankbaar voor. Want ik denk liever aan hem dan aan de stilte zelf en aan de dood, waar zij zo op lijkt. En dankbaar ben ik ook de hemel, de wolken, die ik vanuit mijn kamer zie. Soms hangen ze stil, alsof ze slapen, maar even later komen ze weer in beweging. Op dit ogenblik hangt er sneeuw in de lucht en morgen woedt er misschien een storm, die met de hoeden aan de haal gaat en zelfs de wilgen en berken uit de grond rukt.

FLOWER POWER – EEN NOODZAAK

flowerpower1

Al weken vind je geen woorden meer. Is dit weer eens een writer’s block? Of is er een duidelijke (en kortstondige) oorzaak? Maakt al het geweld in de wereld je woorden overbodig? Of komt het doordat je met bijna niemand spreekt? Misschien is er een verband tussen het zwijgen en het niet-schrijven. Lezen doe je ook nauwelijks. Je zou het een verlammende melancholie kunnen noemen. Of misschien is de band met de muze verbroken. De vraag is of je ooit in het verhaal van de muzen hebt geloofd. Kennelijk wel. Dat je naar een andere muze op zoek gaat, daar is geen sprake van. Banden kunnen en moeten worden hersteld, en elke muze moet op z’n minst zeven jaar tijd krijgen om je te inspireren. Het lijkt een beetje op een huurcontract, maar het is veel minder formeel. De relatie tussen een dichter en zijn muze berust op heilige wetten, geen wereldse. Dezelfde wetten waarop Antigone zich baseerde toen ze in opstand kwam tegen Creon. Robert Graves heeft hierover een mooi en diepgravend boek geschreven, een bijbel voor dichters, The White Goddess.

Hoe het ook zij (en er zijn zoals je ziet veel verklaringen mogelijk): op dit ogenblik laten de woorden het afweten. Zij dringen elders andere hoofden binnen en tonen daar hun schoonheid, hun waarheid; of ze doen net het omgekeerde, laten zien hoe lelijk het allemaal is, en liegen de mensen maar wat voor.

Omdat je desondanks de noodzaak voelt iets mee te delen plaats je hieronder enige foto’s van bloemen. Je zat toch al een tijdje te dagdromen van een nieuw flowerpowertijdperk, een nieuwe summer of love. De foto’s, van recente datum, werden gemaakt in de Jardin van de Villa Ephrussi de Rothschild, in Saint-Jean-Cap-Ferrat, een schiereilandje nabij Nice.

flowerpower2

flowerpower3

flowerpower4

flowerpower5

flowerpower6

Alle foto’s copyright 2010, Martin Pulaski.

HET ZWIJGEN VAN MIJN VRIENDEN

“It seems the songs we’re singing are all about tomorrow.
Don’t make promises that you can’t keep.”
Tim Hardin

Het zwijgen van mijn vrienden met wie ik de wereld zou veranderen.
Hoe verklaar ik het zwijgen van mijn vrienden en dat van mezelf?
Het zwijgen van de innemende postzegelverzamelaar die me
Als aan een sterfbed de les spelde in verband met de opheffing van mijn mythische zelf
Terwijl ik toch een koning was geweest en de helderste sterren had aanbeden.
Hoe het mogelijk was dat ik alle antinomieën had opgegeven
En gezonde waanzin voor zelfverlies en onzekerheid had ingeruild.
Waren de magere heiligen dan uit mijn geheugen gewist
En stond ik niet langer te huppelen in de marge
Maar gaf ik me grimmig over aan een van overhand opgelegde lobotomie
Die net zo goed als alle mensenwetten tot mislukken was gedoemd?

Ik zweeg zonder reden omdat ik nergens mijn plaats vond.
Een keuze was niet gauw gemaakt tussen slecht en minder slecht
Of tussen vals, laf, onooglijk, beheersbaar en schijnheilig.
Ik zweeg omdat mijn vrienden zwegen ook als ze spraken
Of hun werelden met hun creaties kleurden,
Zij het zonder woede of verdriet, alleen maar uit zinloze begeerte.

Het zwijgen van mijn vrienden nu ik een oude koning dreig te worden
Van het verlies, de dorre grond, de vergetelheid en van wat verder onbekend is
Nu ik dreig te gaan wauwelen maar met veel te heldere woorden.
Niet zoals toen ik een prins was die de mist inging zonder aan winst te denken.
Het zwijgen van mijn vrienden nu ik eenzaam ben en vaak de minuten tel
Nu pijn en zelfbeklag me gaan verminken en verraden.
Nu de zon het zaligste lied staakt en middag donker is als middernacht
Nu de uil die mij soelaas had kunnen brengen bij de uitgestorvenen staat geboekstaafd
En de beelden kwellingen, schaarste, rampen en oorlogen laten zien

Het zwijgen van mijn vrienden laat mij niet met rust en laat me niet rusten.
Ik zwijg nu al zo lang – waarom zou ik nu nog spreken, en tegen wie?
Ik ben toch niet bang voor paradoxen? Ik vrees geen einde en geen nieuw begin?
Ik blijf in mijn kamer en ga niet naar de bergen en ga niet naar de zee.
Ik kus geen beminnelijke vrouw en ga met niemand mee.
Geen muziek klinkt uit mijn mond. De muzen hebben geen inspraak
Nu ik een oude koning dreig te worden zonder zelfs een dochter
Die me zou kunnen tegenspreken en zeggen hoezeer ik een bedelaar blijf.

Het zwijgen van mijn vrienden met wie ik de wereld zou veranderen.
Hoe verklaar ik het zwijgen van mijn vrienden en dat van mezelf?

 

KORTE BRIEF OVER STIJL

the trial 2

De ambtenaar in kwestie zit niet te schrijven maar te rekenen. Wel is het waar dat niet ver van het blonde meisje haar rechterhand een blocnote ligt, met pen erbij… Wat ik daar ontwaar zou wel eens geschrift kunnen zijn, een briefje misschien, tijdens een verloren moment aan het mooie ministerpapier toevertrouwd. Zeker zullen we het nooit weten, want het is in lang vervlogen tijden gebeurd, toen de kantoorwanden nog het zalige geluid van ratelende machines weerkaatsten. Je ziet: de rijmdwang speelt ook mij soms parten. Al probeer ik de laatste jaren Spartaans te zijn, een aparte stijl, een van nietszeggendheid, uit te vinden, een beetje zoals Kafka in zijn laatste notities, maar dan wel met meer goesting. Misschien moet ik mij tot de doctoren wenden om een andere richting in te slaan en het stromen van de Ganges in mij te bevorderen. Maar op wat moet ik rijmen? Op mezelf, op mijn vrienden, op jou? Of op de hele wereld, ‘which is going insane’? Je bedrevenheid (waar je naar verwijst) is onbetwistbaar, maar ik zie je vooral gedreven door goede demonen; misschien dat ik de boze duivels niet wens te zien. Geen ‘double bind’ voor mij. Maar dat is gemakkelijker gezegd dan verzwegen.

 

Illustratie: uit ‘The Trial’ van Orson Welles.