REIZEN IN MIJN KAMER

dsc_0322

De elfde dag ziek. Eergisteren ging het beter, gisteren hervallen. Niezen, hoesten, piepende ademhaling, vooral erg moe. Het ergste is, geloof ik, het leven buiten te moeten missen: concerten (Jim James), theater (Rosas, Theatergroep Stan, Needcompany), een afspraak met een goede vriend, bioscoopbezoek (Roma wilde ik nog heel graag zien), tentoonstellingen, wandelingen. Het stadsleven. Enige troost bieden boeken, hoewel met mondjesmaat. Het meeste plezier beleef ik aan ‘Sferen’ van Peter Sloterdijk, enkele bladzijden per dag, meer gaat niet. In Edward Said’s ‘Ontheemd’ – autobiografisch werk over zijn jeugd – heb ik me meermaals herkend. Curzio Malaparte’s ‘Dagboek van een vreemdeling in Parijs’ wekt bij mij ergernis op maar het is vaak ook grappig. Een man die ’s nachts meeblaft met de honden! Liefst van al in Frankrijk doet hij dat, schrijft hij.

Voor muziek ben ik te zwak en te onrustig. Ik geloof dat het de eerste keer is dat muziek tijdens een ziekte mij niet weet te troosten of te ontroeren. ’s Ochtends kijk ik een uur of twee naar foto’s die ik maakte op reizen naar Umbrië, Andalusië, Wenen, Berlijn. En dan voel ik me schuldig omdat ik mijn leven toch nogal wat heb gevlogen. Maar ik heb nooit een auto gehad, zelfs geen rijbewijs, en heb veel met de trein en de bus gereisd, in Duitsland, Italië, Spanje, Frankrijk, Oostenrijk, Tsjechië (toen het nog een deel was van Tsjechoslowakije), Hongarije en de Verenigde Staten (maar daar moest ik wel eerst met het vliegtuig naar toe). Nee, die schuldgevoelens zijn nergens voor nodig. Ik laat ze achterwege en geef mij over aan de mooie herinneringen.

26 1 2019

Afbeelding: Martin Pulaski, Umbrië, 2009.

TROEBELE HERINNERINGEN AAN TROUWE HONDEN [1]

me and laika in lanaken (2)

Ik keer terug naar de Gomera Lounge via Carretera de Playa del Inglés. Voor een voetbalsupporterskroeg in Calle Normara staat een groepje Duitse televisievoetbalfans al rokend een match te becommentariëren. Ze gaan niet voor me uit de weg, of wat had je gedacht? Lompe mensen heb je hier ook, maar ze vormen gelukkig slechts een kleine minderheid. De meeste inwoners en toeristen hier zijn vriendelijk en hoffelijk.

Waarom zijn de herinneringen aan mijn kinderjaren zo troebel? Van mijn eerste acht levensjaren, de tijd die ik bij mijn ouders op het schip doorbracht, herinner ik me bitter weinig. Alleen vage indrukken zijn overgebleven. Ook de volgende periode, die van het internaatsleven van mijn achtste tot mijn negentiende, is gedeeltelijk in mist gehuld. Oude vrienden als Ivan P. en Henry J. herinneren zich nog de kleinste details: niet alleen namen van leerkrachten, ‘opvoeders’ en medeleerlingen; ze herinneren zich ook wat we precies deden, welke rotzooi we in het internaat te eten kregen, hoe we gekleed waren, wie onze vrienden waren en wie onze ‘vijanden’, welke cafés we bezochten en wat we daar dronken. Van die cafés herinner ik me voornamelijk nog welke liedjes er op de jukebox stonden. Zelfs de meeste namen van de meisjes met wie ik danste ben ik vergeten. Mijn allereerste hond, Jimpy, herinner ik me wel nog vrij goed, Suzy, mijn tweede, nog beter.
Mijn eerste hond had mijn vader toen ik twaalf was – het was het jaar van mijn plechtige communie – doodgeschoten in de buurt van een scheepswerf in het bierdorp Bocholt. Niet dat mijn vader een dierenhater was. Jimpy, een cocker spaniël, was altijd al een zwakke hond geweest. Om de drie maanden ongeveer kreeg hij een epilepsieaanval. Hij maakte dan eerst een aantal rondjes om de keukentafel, ging vervolgens op zijn buik liggen, strekte zijn poten uit, zijn ogen draaiden weg, er kwam kwijl uit zijn bek. Na een tiental minuten leek het of er niets gebeurd was. Maar later kreeg hij een donker gezwel op de buik. Soms barstte het open; een vieze smurrie maakte donkere vlekken op het vloerkleed. Aangezien ik op internaat zat, heb ik dat gelukkig niet vaak meegemaakt. Op den duur was het niet houdbaar, vonden mijn ouders. Jimpy had ongetwijfeld ook veel pijn. Mijn vader was bang voor geneesheren en alles wat zij vertegenwoordigden. Als ik ziek was, ik kreeg geregeld astma-aanvallen, werd er soms een dokter bijgeroepen. Mijn vader maakte zich dan uit de voeten. Hij bleef buiten staan wachten tot de arts weer weg was. Zelf bezocht hij nooit een dokter. Als hij door hevige tandpijn geplaagd werd, naast rugpijn de enige kwaal die hij soms had, trok hij de verduivelde tand zelf uit. Zo ging het ook met Jimpy: geen dierenarts, maar het karabijn.

Enkele jaren later kozen we een tweede hond. Die gingen we, zoals eerder Jimpy, op de Vogelenmarkt in Antwerpen kopen. Daar hadden ze de beste en de trouwste honden, werd ons op het hart gedrukt. Voor mij heeft Suzy nooit de plaats van Jimpy kunnen innemen. Mijn emotionele band met mijn eerste hond was veel sterker. Dat kwam omdat ik met die hond was opgegroeid. Tot mijn achtste was hij mijn enige echte vriend. Meermaals viel ik op de vloer van de stuurhut in slaap, met mijn hoofd op zijn warm, langharig lijf. Wat hield ik van zijn lange flaporen. Maar Suzy was ook een goede hond. Als ik de kans zag ging ik met hem wandelen. Ik heb altijd graag met honden gewandeld, hoewel dat nu lang geleden is. De laatste keer dat ik met een hond ging wandelen was met Laïka. Dat was een paar dagen voor de dood van mijn moeder. Laïka was de hond van mijn broer; na zijn echtscheiding was mijn broer samen met zijn hond weer ingetrokken bij mijn ouders. Na de dood van mijn vader zorgde hij zo goed als het ging voor mijn moeder. Zij werd stilaan dement, op den duur dacht ze dat mijn broer mijn vader was en mij hield ze voor mijn broer. Tot ze helemaal niemand meer herkende. Laïka is gestorven op de dag dat mijn moeder begraven werd. Hoe Laïka aan zijn naam is gekomen weet ik niet. Mijn broer heeft zijn geheugen in de bars en cafés van Lanaken en Neerharen achtergelaten. Het heeft weinig zin dat ik het aan hem nu nog zou vragen. Waar Suzy’s naam vandaan kwam weet ik nog goed, zoals ik al zei. Mijn moeder en ik waren in de keuken. De soep stond op; ik herinner me de heerlijke geur van bouillonvlees, selder en laurier. Hoe gaan we die hond nu noemen, vroeg ik. Ook Jimpy, stelde mijn moeder voor. Nee, dat kan niet, zei ik. Er kan maar één Jimpy zijn, ook al is hij dood. In de keuken stond altijd een transistorradio aan, vaak op de piratenzender Radio London afgestemd. Op dat ogenblik weerklonk ‘Hello Suzie’ van Amen Corner, een Britse popgroep die toen populair was. Hun ‘(If Paradise Is) Half As Nice’ vind ik nog altijd een mooi en warm liefdeslied. Voilà, zei ik, we hebben een naam: Suzy. Mijn moeder was een goede vriend van me. Hoewel we veel ruzieden kon ik haar ongeveer alles vertellen, zelfs mijn diepste geheimen. Ze was het zeker niet altijd eens met wat ik deed en zei. Ik mocht bijvoorbeeld niet in mijn hemd, zonder onderlijfje, in de regen gaan fietsen, hoewel ze terwijl ze het zei al wist dat ik het toch zou doen. Nu echter ging ze meteen akkoord. Ja, Suzy, dat is een geschikte naam voor die hond, zei ze. Ik heb nu al zin in die soep, zei ik.

neerharen12 001

[1] Dit is deel 10 van een reeks impressies van een reis naar Valle Gran Rey in La Gomera, Canarische Eilanden. Lees het als een raamvertelling.

ZAAD VOOR ANTONIN ARTAUD

kinderjaren 001 (7).jpg

EEN MONOLOOG

Al vroeg op mijn reis zette ik een wankele stap op je braakliggende grond.
Een vreemde man die ik wilde kennen en niet wilde kennen.
Een vreemde man van de Indianen en de Mexicanen
en het voortdurende feest van de dood.
Een wrede engel die braakt in het gezicht van wie in de pas loopt.
Ik wilde zoals jij zijn – me aan je puriteinse wreedheid spiegelen.
Hoe ik naar je wreedheid verlangde.
Maar hoe ik mijn eigen haat en wreedheid vervloekte.

Ik verwierp de liefde van moeder en vader.
Ik verwierp de liefde van broer.
Ik verwierp de liefde van de zusters van liefde en haat.
Ik verwierp de liefde van de doctoren.
Ik verwierp de liefde van de chirurgen.
Ik verwierp de liefde van onderwijzers en gemeentesecretarissen.
Ik verwierp de liefde van vrederechters, monniken en hoeren.
Ik verwierp de liefde van sergeanten en onderpastoors.
Ik verwierp hun verlangen naar verwoesting.
Ik verwierp de liefde van tuinders en boeren en boswachters.
Ik verwierp de liefde van kunstenaars en dichters.
Ik verwierp hun stichtende ordonnantie en hun misprijzen.
Ik verwierp de liefde van allen die me leerden vergéten.
Ik verwierp de liefde van allen die me van het leven vervreemdden.
Ik verwierp je wreedheid Antonin Artaud.
Ik verwierp mijn eigen wreedheid en mijn eigen liefde.
Liefde was geen liefde, zij was oorlog en haat.

Later in de woestijn aanbeland en verloren
zag ik in een plas helder water van een oase
in een ogenblik van bezinning je blik even troebel
als mijn blik – en ik zag je troebele ziel.
Je hoofd door ordelijke wraakzucht getekend.
Je huid als in een woestijnfilm verbrand.
En alles in mij brandde – niet in een film maar in het echt
en om mij heen brandden de woorden en de namen
van wat in het zand groeit en kruipt
en van alles wat ik me herinneren kon.
Alles brandde en brandde beter en feller dan dor struikgewas.
Alles brandde met meer wreedheid dan het vuur dat de aarde verschroeit.

Later in slecht verlichte straten van mijn stad verloren gelopen.
Een hoofd vol drugs en brandewijn heb ik je opnieuw ontmoet.
Jij die in de kerkers van mestkevers zo vaak was gemolesteerd.
Jij die door burgerfantomen negen jaar lang de mond was gesnoerd
met elektriciteit en vergif – met adoratie en welsprekendheid.
Met satanische missen en schietgebeden van lamme prelaten.
Het ware vuur nog steeds woekerend aan de rand op de purperen heide
en in de harten van wilde meisjes op zoek naar lust en profetieën.
Vooral in hun meest gekoesterde dromen – onuitgesproken.
Hun verlangen naar jouw donkere onkruidadem en magere armen Antonin Artaud.
Naar het gekras van de raven en de slechte opium in je stem.
Het gekras dat Edgar Allan Poe Lautréamont en Baudelaire je schonken.
Het enige cadeau zonder waarde maar hoger aangeslagen dan agaat.
Ja hoger aangeslagen dan agaat uit Egypte.

In vijandige bars omhelsde je me terwijl dronkenlappen met hun stierenkoppen
me leken te willen villen zoals in 1958 de jongens in de Kolonie.
Daar waar ik voor altijd van iedereen afscheid nam –
en leerde beminnen omdat ik onder datzelfde gesternte
een in stilte razende gek werd – en in het geheim nog altijd.
Een spion in het huis van de valse liefde – nooit opgesloten.
Zo erg geschonden en zo vaak verslonden maar toch onkwetsbaar.

Hard is een leven van falen en dwalen en ziekte en elke dag doodgaan
maar sterk is de wil van verzet en niet gillen maar doorgaan
met wat restjes met wat as van verbrande zinnen en woorden
en zachte machines en wapens van liefde en verheffing.
Met het heilige dat soms mijn woord wordt als ik nog eens droom
van wat een paradijs lijkt – of van een spoor ernaartoe.

Want ik heb me uit je omhelzing losgerukt Antonin Artaud.
Ik ben geworden wie ik al was van toen de sterren begonnen
en het woord vlees werd neergeschreven door ik weet niet wie.
Het woord dat een vrucht was een eicel een zaadcel een embryo.
Het woord dat woekert onder de grond en sterk maakt als ik ervan drink
of erop kauw en ook nog als ik het daarna uitspuw.

En dan opeens worden de dagen helder.
Het braakliggend terrein open en vruchtbaar en klaar voor wat het toekomt.
Wat valt er nu nog te verwensen?
Wat valt er  nu nog te verwerpen?
De dwaze mensen in mijn leven waren maar korreltjes zand
in die woestijn waar ik verloren liep en van waar ik mijn weg vond naar hier.
Hier waar ik nog altijd alleen ben en eenzaam en vreemder dan ooit.
Maar het geeft niet dat weet je – het geeft niet.
Want vandaag is mijn hart harder en sterker en blauwer dan agaat
en ook is het een Mijn van ongehoorde, onontgonnen liefde en opstand.

anton artaud, artaud, monoloog, zaad, reis, ontmoeting, identificatie, afscheid, psychoanalyse, symboliek, biijdschap in de vernietiging, verwerpen, verwerping, taal, semiotiek, semiologie, chora, terugkeer, liefde, opstand

Dit is de eerste monoloog die ik schreef voor ‘Omtrent Antonin Artaud’. Het is een soort verslag van mijn ontmoeting met Antonin Artaud. Van hoe ik me in hem herkende, me tot op zekere hoogte met hem identificeerde, en hoe ik hem uiteindelijk verwierp om te kunnen leven, lust te voelen en lief te hebben. Tegelijk is het een liefdesbrief gericht aan de taal waaruit ik, net zoals Kaspar Hauser, ontstaan ben. Een universum waarin Artaud opnieuw een plaats heeft gekregen.

Elk leven is een reis door ruimte en tijd. Elk reis bestaat uit een reeks ontmoetingen, identificaties, ‘verwerpingen’. Altijd is er het afscheid.

De leestekens – vooral punten – en witregels horen niet bij de aanvankelijk ononderbroken woordenstroom. Ze zijn er bewust aan toegevoegd als breekpunten en openingen. Om dezelfde reden werden tijdens het (her)schrijfproces aanvankelijk zinvolle en ‘mooie’ woorden en zinnen verworpen. Die bevinden zich nu buiten de monoloog, in de marge of er ver weg van.

Ω

Over Artaud en de verwerping, zie Julia Kristeva, “Le sujet en procès”, in ‘Artaud-Colloque de Cerisy-la-Salle, 1972.

ONGESCHREVEN

large_last_tango_in_paris_blu-ray_1.jpg
Marlon Brando en Maria Schneider in ‘Laatste Tango In Parijs’.

Waar ik vorige week over wilde schrijven:

‘Profession: Reporter’ van Michelangelo Antonioni – het landschap en de architectuur.
Maria Schneider in ‘Profession: Reporter’ en ‘Laatste Tango In Parijs’ (van Bernardo Bertolucci).
‘Laatste Tango In Parijs’: de eindscène.
Verraad en verlatingsneurose.
Paranoia.
‘The Panic In Needle Park’ van Jerry Schatzman.
De cameraman (director of photography) Laszlo Kovacs.
De romantiek van Mercury Rev.
Yo La Tengo: ‘This Is The Day’ en andere oorstrelende songs.
Stendhal en de romantische liefde.
Obessies bij Pascal Mercier.
Een vreemde leeservaring: Ian McEwan’s ‘Sweet Tooth’.

Ziekte (vooral een hinderlijke hoest, maar ook de nasleep van een operatie) heeft weer een keer roet in het eten gegooid. Maar er komen betere tijden.

800__last_tango_in_paris_blu-ray_subs_.jpg

POP 2011: UITVERKOREN

Trees_Outside_the_Academy-Thurston_Moore.jpg

Aan mijn jaar ontbreken drie maanden. Niet alleen heb ik gedurende die zomerperiode in het ziekenhuis niet geleefd – tenzij je afzien en hallucineren ook leven noemt, ik heb ook geen muziek gehoord, geen films gezien en slechts één boek (Juliet, Naked van Nick Hornby) gelezen. Veel van de platen die ik voor midden mei heb aangeschaft heb ik vanaf ongeveer oktober opnieuw beluisterd. Ik herinnerde me er nog nauwelijks iets van. Eind augustus kreeg ik The Harrow & The Harvest cadeau. Bij de eerste beluistering vond ik het gezeur. Een tweede draaibeurt heb ik lang uitgesteld. Maar het ging al beter. Tot ik uiteindelijk de beste plaat van het jaar hoorde.

jessesykes.jpg
Jesse Sykes & The Sweet Hereafter

Met Jesse Sykes is ongeveer hetzelfde gebeurd (maar die heb ik zelf gekocht). Ik vind het vreemd dat Jesse Sykes zo weinig populair is. Ze is een muzikant in hart en nieren, doordrongen van folk, country en vooral sixties acid rock. De band klinkt zelfs beter dan Quicksilver Messenger Service. Naar Low ben ik intens gaan luisteren voor ik naar hun concert ging, in het Koninklijk Circus, enkele weken geleden. Wellicht is het hun beste werk. Van Thurston Moore had ik nooit zulke mooie kamermuziek verwacht. Zou dat door de helpende hand van Beck komen? Eerlijk gezegd zou die plaat ook op nummer één mogen staan. Maar de vrouwen hebben mijn voorkeur gekregen. Wilco’s The Whole Love vond ik meteen een meesterwerk, maar dat heb ik altijd met een nieuwe plaat van Wilco. Nu is mijn enthousiasme wat afgenomen, maar ik blijf er van houden. Door Bill Callahan en Josh Pearson live te zien, ben ik hun opgenomen songs nog veel meer gaan waarderen. Het zijn troubadours, dichters, ze lijden aan bepaalde vormen van waanzin en hebben iets profetisch. Bon Iver, moeten we die nog doorgronden? Ry Cooder is boos en zorgt voor de enige vrolijke noot.

amy-winehouse-lioness-hidden-treasures.jpg

Op zaterdag 23 juli had ik de dood al drie keer voor ogen gehad, maar het ergste was achter de rug. Op die dag is Amy Winehouse gestorven, een vreselijk verlies – dat me zeer heeft aangegrepen. Misschien is Lioness een beetje een samenraapsel, maar ik vind het toch een fijne plaat, die me droef en vrolijk maakt. Ze staat hier zeker ook als huldbetoon. PJ Harvey’s Let England Shake heb ik al van in februari of daaromtrent in huis (ik ben geen boekhouder). Ik begreep er niets van. Vond het vervelende muziek. Vorige week heb ik ze vijf keer beluisterd: je ziet het resultaat. De muziek en de teksten verdienen zelfs beter. Maar ik blijf problemen hebben met sommige politieke standpunten die PJ Harvey inneemt. Waarom keert ze zich tegen Europa? Het is toch overal even erg?
The Decemberists maken gewoonweg mooie muziek, in de voetsporen van R.E.M. En R.E.M. zet een punt achter zijn discografie met een overtuigend Collapse Into Now.
Bij de rest heb ik weinig commentaar. Ik zou maar in herhaling vallen. Alleen vind ik dat Vetiver te weinig aandacht krijgt. Andy Cabic heeft van Sara Lee Guthrie & Johnny Irion’s Bright Examples een fraaie popplaat gemaakt. Alleen al daarom verdient hij waardering. Dit is, overduidelijk, de lijst:

1.Gillian Welch & David Rawlings – The Harrow & The Harvest

2. Jesse Sykes & the Sweet Hereafter – Marble Son

3. Low – C’mon

4. Thurston Moore – Demolished Thoughts

5. Bill Callahan – Apocalypse

6. Josh T. Pearson – Last Of Country Gentlemen

7. Wilco – The Whole Love

8. Bon Iver – Bon Iver

9. Ry Cooder – Pull Up Some Dust And Sit Down

10. Amy Winehouse – Lioness: Hidden Treasures

11. The Decemberists – The King Is Dead

12. PJ Harvey – Let England Shake

13. The Walkabouts – Travels In The Dustland

14. R.E.M. – Collapse Into Now

15. Bonnie Prince Billy – Wolfroy Goes To Town

16. Buddy Miller’s Majestic Silver Strings

17. Beirut – The Rip Tide

18. Vetiver – The Errant Charm

19. Israel Nash Gripka – Barn Doors And Concrete Floors

20. My Morning Jacket – Circuital

Wie ontbreken hier? Ontbreken hier opvallend? Ryan Adams, Lucinda Williams, Paul Simon, Emmylou Harris en Steve Earle. Onder meer. Verzamelingen vervelende songs, vond ik. Misschien denk ik er volgend jaar of in een volgend leven anders over. Dat er geen rap, hip hop, blues, r&b in mijn lijst voorkomt betekent niet dat ik een racist ben. Maar ik ken de genres te weinig, hoe goed ook, om er een beetje samenhangende uitspraken over te doen. In alle eerlijkheid gezegd: ik houd meer van soul dan van alles wat in mijn top-20 staat.

En van welke muziek heb ik in 2011 het meest genoten? Ongetwijfeld van Thurston Moore, van the Smiths, van the Rolling Stones. Meer nog van Rumer’s Seasons Of My Soul, voor mij de plaat van dit jaar (ze is vorig jaar verschenen, geloof ik). Een soort van extase bereikte ik alleen maar met George Jackson’s Don’t Count Me Out – The Fame Recordings, volume 1. Fantastisch. En al dat werk is nooit eerder uitgebracht: meer dan veertig jaar in de kelder van Fame in Muscle Shoals blijven liggen. Op Ace is nog een mooi plaatje uitgebracht met oude hits en non-hits waarop James Burton verbluffend en economisch gitaar speelt (James Burton – The Early Years 1956-1969).
georgejackson2.jpg

Over de boxen Smile van The Beach Boys en American Trilogy van Mickey Newbury kan ik kort blijven. Ik ben blij dat ze er eindelijk zijn. Ik zal ze vaak ter hand nemen. Brian Wilson en Mickey Newbury zijn al heel lang persoonlijke helden. Zoals Tim Buckley. Een dag zonder Tim Buckley is niet volledig.

Het ellendigste en wellicht droevigste jaar van mijn leven en toch zoveel mooie muziek. En die bomen in de tuinen en bossen blijven maar groeien. Binnenkort staan ze weer te pronken met hun bloesem.

gerhard_richter_tweebomen.jpg

Gerhard Richter, Twee bomen

OVERWOEKERDE PADEN

bassani.jpg
Giorgio Bassani.

Vier uur lang slenterde ik door het centrum, van het Sint-Katelijneplein naar de Oude Graanmarkt, naar de Passaporta, waar ik slaperig als ik me voelde ‘Slaap’ heb gekocht, een verhaal van Murakami met mooie illustraties, en een roman van Arthur Japin, de auteur die ik op dit ogenblik het liefst lees. Telkens als ik uit een boekwinkel kom heb ik wat surrealisme aangeschaft; nu was dat ‘Onbevlekte Ontvangenis’ van André Breton en Paul Eluard. En na dat uur of zo van boekgengestreel vervolgde ik mijn wandeling over de Adolphe Maxlaan, naar Waterstone’s voor wat tijdschriften, tot in het voorgeborchte* van de hel dat Fnac heet. De moed ontbrak me om op een van de gezellige terrassen te gaan zitten. Met niemand om mee te praten, en niet wetend wat gedronken. Ik zag me daar in betere tijden samen met vrienden praten, lachen, een Westmalle of een Orval drinkend, een met de bron van het leven.  Wat waren we destijds gelukkig (ook al wisten we het niet), zoals veel mensen die daar nu zaten.

Die avond was ik moe van in de stad rond te dolen, op zoek naar mezelf. Ik zat op het terras naar de sterren te kijken, maar die waren te ver weg om me te kunnen troosten. Een heerlijke zomeravond, maar ik voelde me ellendig, heel precies door de bijna magische weersomstandigheden, en omdat ik me al die mooie dagen en avonden met mijn vrienden bleef herinneren. Ik heb lang in het donker gewacht op slaap. Eerst had ik geprobeerd Vittorio De Sica’s ‘Il Giardino Dei Finzi-Contini’ te bekijken, een film die ik waardeer, net als de gelijknamige roman van Giorgio Bassani waarop hij is gebaseerd. Lang heb ik niet gekeken, mijn gedachten dwaalden af naar zomervelden in Limburg, naar al lang overwoekerde paden.

andre breton,giorgio bassani,ferrara,finzi-contini,vittorio de sica,cesare pavese,knut hamsun,nostalgie,eenzaamheid,wandelen,de wandelaar en zijn schaduw,brussel,stad,droefheid,vrienden,liefde,ziekenhuis,slaap,murakami,sterren,troosteloosheid,tijdverspilling,facebook,surrealisme,dérive

Dominique Sanda, in Il Giardino dei Finzi-Contini

Sinds ik thuis ben uit het ziekenhuis ben ik niet meer blij, niet meer gelukkig. Ik heb het gevoel dat niemand meer van me houdt. Misschien is het niet waar, misschien is het een obsessie van me, maar ik zak dieper en dieper weg en ik weet niet hoe ik verder moet. Ik sta op een kruispunt, zonder zelfs een ziel om aan de duivel te verkopen. Was er maar een duivel, was er maar iets. Maar er is niets, er is niemand.

Hoe traag ik nu ben. De geringste inspanning is mij te veel. Meermaals zet ik het op een bijna hysterisch huilen omdat ik de eenvoudigste dingen niet kan doen. Denk ik. Als ik hard genoeg ben voor mezelf kunnen veel dingen toch wel. Er wordt gezegd dat ik sterk ben, omdat ik de beproevingen in het hospitaal overleefd heb, maar ik voel me extreem zwak. Het is heel moeilijk om je dat voor te stellen.

Ik zit hier maar de hele dag, te wachten op ik weet niet wat. Als de zon schijnt zoals vandaag word ik bijna gek van onbestemde emoties, van rusteloosheid, van het verlangen om ver weg te zijn van hier, met vrienden te praten en te lachen. Alles wat er niet is. Ik denk dan aan de melancholische romans van Cesare Pavese, en aan het lot dat in het midden van zijn leven op hem wachtte. En dan overvalt mij wanhoop, troosteloosheid. Ik verval in negativiteit, kan niet meer lachen, schrijf een slecht gedicht of verspil mijn tijd met zinloos gedoe op Facebook. Binnenkort ga ik weer met de kaarten spelen, of Domino.Stoer

surrealisten.jpg

Surrealisten. André Breton: bovenste rij, midden.

 

*Cfr. Paus Gregorius I.

FINIS GLORIAE MUNDI

Andy-s-Chest-andy-warhol.jpg
Andy’s Chest.


Het voordeel van bijna dood te zijn en vooral van in coma te liggen is dat de tijd stil blijft staan. Zo komt het dat ik niet verjaard ben op mijn verjaardag, 2 juni, ondanks de honderden gelukwensen op facebook. Niet dat het de wereld of mijn eigen kleine leven verandert. Maar ik ben er toch tevreden mee: een jaar langer om te leven. Andy Warhol, waar ik vaak aan denk, heeft dat geluk niet gehad. Hij is voor een routineoperatie naar het ziekenhuis gegaan en is er wegens allerlei verwikkelingen niet meer levend uitgekomen. Hij was nochtans sterk. In juni 1968 overleefde hij een drietal kogels in de borst, afgevuurd door de gefrusteerde feministe Valerie Solanas. Warhol leek wel trots op die immense littekens op zijn borst, littekens van de incisies langs waar ze de kogels hadden verwijderd. Ondanks de lange en zware strijd die ik heb geleverd – je bent twee keer door het oog van een naald gegaan, zeggen mijn vrienden – heb ik maar een klein litteken, waar ik niet trots op ben.

Ik zit hier nu te herstellen en te hopen dat ik herstel, hoewel ik geen Volvo ben noch een BMW; ik ben een simpele mens, die er geen idee van heeft wat hem nog allemaal te wachten staat. Zal ik ooit nog bergwandelingen kunnen maken, zal ik nog kunnen dansen, zal ik feest kunnen vieren met mijn vrienden, ’s nachts in de straten van Brussel, Antwerpen, Cadiz, Porto, Barcelona, Berlijn verdwalen? Zal ik nog zonder angst voor de dood kunnen leven? Het leven is kort. Ik mag niet alleen aan feest denken, maar ook aan ernst, aan werk. Zal ik nog iets van al mijn onafgewerkte werk kunnen voltooien?

 

Groeten uit kamer 428