HIJ ZEI DAT HET EEN NARE DROOM WAS

lakens-nacht-droom

And if my thought-dreams could be seen
They’d probably put my head in a guillotine
But it’s alright, Ma, it’s life, and life only
Bob Dylan

Ongeveer een maand geleden was ik voor een raadpleging bij professor Pattyn in het UZ Gent. Ik zou moeten beslissen of ik binnenkort, dit jaar nog, een Zenker-Divertikel chirurgisch zou laten verwijderen. Eind 2012 is in het UZ Brussel een endogene ingreep mislukt. Uiteraard is zo’n invasieve operatie in de hals en slokdarm risicovol.Niet alleen omdat ik door andere operaties verzwakt ben, maar ook omdat een divertikel van Zenker erg zeldzaam is. Per jaar krijgen ongeveer 2 op 100.000 mensen de diagnose. Medici hebben er bijgevolg weinig ervaring mee. Professor Pattyn, een chirurg die al na één blik in de ogen vertrouwen inboezemt, stelde me gerust. Het divertikel wordt niet snel groter. Als ik er niet te veel last van heb kan ik nog lange tijd wachten met een ingreep, jaren zelfs. Het grootste risico zijn longontstekingen.

Vorige nacht droomde ik dat ik een rondleiding kreeg in het ondergronds labyrint van een groot ziekenhuis. Alles was er opgetrokken uit wit, synthetisch materiaal. De gids – die tevens geneesheer was – had me toevertrouwd dat professor Pattyn me niet de waarheid had durven zeggen. Die was dat ik ten laatste over vier maanden zou moeten geopereerd worden. Mijn kamer was al gereserveerd. Die was gelegen helemaal op het einde van een lange gang. Dat stuk van het ziekenhuis gaf uit op een lager gedeelte van de stad. Vanuit de mij toegewezen kamer was er uitzicht op een middeleeuws , donker straatje met hier en daar een oude lantaren, overblijfsels uit de periode dat J.K Huysmans zijn boeken schreef en zich tot het katholicisme bekeerde. Heel pittoresk, en door de contrastwerking met het klinische interieur goed voor mijn gemoed. Er zal uitstekend voor je gezorgd worden, zei de gids. Je bent hier in verzorgende handen. Je zal spionageromans kunnen lezen en naar alle rockmuziek van de wereld luisteren, zelfs je eigen playlists samenstellen. Houd ik wel van rockmuziek, dacht ik, ik ben dezer dagen toch meer begaan met jazz en modern klassiek, gisteren beluisterde ik nog The Modern Jazz Quartet en Debussy? Maar ik hield deze bedenking voor me.

Weer op de gang, de deur van de voor mij bestemde luxekamer al toe, klampte een Aziaat de gids aan. De man had ook een kamer nodig, in dezelfde vleugel waar die van mij was gelegen. Eigenlijk had hij zijn oog laten vallen op mijn vertrek, zo mooi wit en synthetisch! Geen goed idee, zei de gids tegen de Aziaat, jij komt toch uit het Noorden? Dan zal een houten kamer je veel meer deugd doen. Daarbij knipoogde hij naar me. Hij wilde me doen geloven dat ‘synthetisch’ een hogere categorie is dan ‘hout’, dat ik bijgevolg een voorkeurbehandeling genoot en de Aziaat gediscrimineerd werd. De Aziaat leek met het voorstel in te stemmen. Het zal zeker een gevaarlijke ingreep worden, zei de gids nog. Je zou kunnen sterven. Maar je hebt vier maanden om je erop voor te bereiden.

Vier maanden om me voor te bereiden op de dood. Opeens besef ik dat ik een heilige soldaat ben. Mijn opdracht is over vier maanden te zullen sterven. Ik behoor tot de groep van de zuiveren. Mijn gedachten zijn rustig, weloverwogen, rationeel. Ik zal gezond moeten leven, volgens de regels van het Boek. Discipline, oefeningen, vasten, gebed. Volgens de regels die eeuwen geleden werden opgetekend en nog steeds even geldig zijn. Transparante voorschriften voor een transparant, dienstbaar en strijdend leven. Je zal je leven moeten veranderen, gaat het door mijn hoofd.
Ik voer lange gesprekken over de juiste weg, de via perfectionis en de via humilitatis*, met een andere uitverkorene. Wie hij is weet ik niet. Hij lijkt op mij.  Misschien is hij mijn spiegelbeeld? Beiden streven we naar het goede (ἀγαθός), het leven in evenwicht. We hebben het nooit over geweld of oorlog, alleen maar over getrouwheid aan de leer, over zuiverheid. Vier maanden resten ons om in zuiverheid te zullen sterven.

Maar wat vreemd toch dat ik nu in het hoofd van een terrorist zit, ik Martin Pulaski,  de man die me vanuit de spiegel aankijkt. Hoe kan dat? Neen, dat ben ik niet, die stem in mij. Het is de stem van een verzonnen personage. Ik ben een acteur, ik speel een personage uit een pas verschenen boek. Pas verschenen? Dat is dan wel heel vlug gegaan. Hoe kan de auteur al zo kort na de verschrikkingen van 22 maart zo’n indringende roman klaar hebben? Over de gebeurtenissen in Brussel, over de denkwereld van de zelfmoordterroristen, over hun mentale voorbereiding? Is het een werk van Thomas Mann? Maar die schrijver is al lang dood? Hoe ongeloofwaardig ook, toch denk ik dat het om een roman van de grote Duitse schrijver gaat, vooral omdat de dialogen doen denken aan die van de humanist Settembrini en de jezuïet Naphta in ‘De Toverberg’.

Nu ik besef dat ik niet werkelijk de heilige soldaat ben, de terrorist, en dat ik zelfs niet over vier maanden moet sterven, voel ik een lichtheid zich van mij meester maken zoals ik die naar mijn weten nooit eerder heb ervaren, een onmetelijke euforie, misschien vergelijkbaar met die van een gelovige aan het eind van de negentiende eeuw die een zware zonde aan zijn biechtvader heeft opgebiecht en de absolutie gekregen. (Maar mijn lichtheid is niet die van een vervlogen tijd: ik begin niet met gebogen hoofd en gevouwen handen vurig te bidden.)

odilon redon fallen-angel-1872.jpg

*”waarbij de adept zichzelf leegmaakt vanuit de veronderstelling dat het absolute zelf of het absolute Niets vroeg of laat de plaats zal innemen van het oude ik.”
Peter Sloterdijk, Je moet je leven veranderen

Mikhail_Nesterov_001.jpg

Afbeeldingen: Martin Pulaski; Odilon Redon; Mikhail Nesterov

HET WONDERMIDDEL

drunkenangel2

drunkenangel1
Een waargebeurd verhaal, in een ziekenhuiskamer in Brussel.

Meer dan twee jaar later zou ik Kurosawa’s ‘Drunken Angel’ opnieuw bekijken, een film over de intense en toch ook wel bizarre relatie tussen een aan de alcohol verslaafde arts en een aan tbc lijdende yakuzi Matsunaga. Mijn aandacht zou al vanaf de eerste beelden groot zijn, de film zou me in een roes brengen, bijna hypnotiseren. Als de goede dokter vraagt om wierook te gaan halen om de muggen waar hij zoveel last van heeft te verjagen zou ik me een hallucinatie herinneren die ik in de zomer van 2011, in een – onbewuste – strijd tegen de dood, meermaals had.

Vanuit mijn kamer keek ik uit op een plein omringd door wat vervallen flatgebouwen. Ik bevond me in een buitenwijk van Tokyo. Op het plein stond een hijskraan en er was een lange balk opgesteld, die wat leek op een balk in de gymles, maar veel groter. Elke dag kwamen er jonge Japanners, meisjes en jongens, een show voor me opvoeren. Ze haalden allerlei acrobatische toeren uit, misschien om me te vermaken, om me te helpen de tijd – waar ik me niet van bewust was – te doden; hun blikken waren ernstig. Nooit werd er gelachen. Ze herhaalden steeds weer dezelfde, bijna rituele handelingen. Toch keek ik altijd nieuwsgierig toe, vooral vanwege een van de meisjes, in vurige kleuren, dat me soms recht in de ogen keek als om me te troosten.

Verpleegsters kwamen mijn kamer binnen en gingen weer weg. Ik dacht aan een koel glas Manzanilla uit Sanlucar de Barrameda, aan een hele fles, maar mocht niet drinken. Helemaal niets, zelfs geen water. Dat vergat ik altijd. Ik kon moeilijk ademhalen, alsof ik maar een klein stuk van één long meer overhad, de rest verteerd door de tbc, een ziekte waar zoveel mooie liedjes over bestaan. De hoofdverpleegster, die in Woodstock nog met Jimi Hendrix had gejamd, kwam met een middel om mijn ademhaling minder moeizaam te maken. Ze hield iets wat op een wierookstokje leek onder mijn neusgaten; gretig inhaleerde ik de zoete rook. Het was een geur die ik nooit eerder geroken had. Heel even voelde ik minder pijn. Dan ging de hoofdverpleegster weer weg. Soms kwamen drie of vier verpleegsters mijn kamer binnen om me vast te binden. Mijn linkerarm zwol een keer zo erg op dat hij op een ballon leek, een heel zware ballon, groter dan mijn hele koortsige romp. Een van de verpleegsters was ook Japans. Tijdens een treinreis had ze met mij willen vrijen, maar ik vond haar niet aantrekkelijk. Sindsdien was ze altijd een beetje venijnig tegen me. Ja, ik maakte veel treinreizen in die dagen. Soms werd mijn wagon losgekoppeld. Ik bleef dan helemaal alleen achter: de verpleegsters gingen naar een party en ook een keer naar een optreden van Bruce Springsteen. Dan moest ik, mijn bed achter mij aanslepend over de sporen, weer in mijn kamer zien te raken.

Nu was ik verslaafd aan de rookstokjes. Als ik er niet van nam kon ik onmogelijk nog ademhalen. Ze waren het enige middel om me in leven te houden. De verpleegsters schenen dat niet te beseffen. Ze hadden het te druk met mij vast te binden of weer los te maken als ze zagen dat mijn arm te dik werd of zo.
’s Nachts moest ik daarom mijn kamer verlaten langs een geheime deur (of opening) achter mijn boekenkast. Ik moest dan alleen nog maar een smalle straat oversteken: daar was een felverlichte kroeg waar het zelden druk was. Meestal zat er niemand. Een oude vriend van me had zich vermomd als jeugdwerker. Hij zei dat hij destijds geneeskunde had gestudeerd, maar dat had ik nooit geweten. Hij wist van meet af aan heel goed wat ik nodig had. Kom maar mee naar mijn kamer, dan zal ik je helpen, zei hij. Hij woonde in een appartement vlakbij het café. Daar liet hij me muziek horen, the Doors en dergelijke, en gaf mij een dosis van de rook, zodat ik er weer even tegen kon.

Elke nacht begaf ik me naar de eenzame, trieste kroeg. Mijn oude vriend, Anton was zijn naam, werd almaar bitsiger. Met veel tegenzin hielp hij me nu uit de nood. Soms moest ik uren op hem wachten, zoals de junkie in ‘Waiting For My Man’. Ik zat daar dan helemaal alleen en miste mijn geliefde. Wat miste ik haar! Nog meer dan het wondermiddel miste ik haar. Ik spitse mijn oren. Opeens hoorde ik haar stem. Ik kon het niet geloven, maar toch was het waar. In de kamer boven mij lag ze op een bed, helemaal naakt en opgewonden. Ik begreep niet hoe ze zo opgewonden kon zijn terwijl ik de dood nabij was. Er was een man bij haar. Ze zei dat hij moest komen, op haar komen, in haar komen, lekker. Ze hijgde. Misschien was het wel Anton die haar zo bevredigde, daar was ik niet zeker van. Ik voelde hartkrampen en kon niet ademhalen. Het was een donkere nacht, geen maan, geen sterren. Alleen haar wellustig gehuil. En dan niets meer.

Ik ontwaakte tussen de stijve witte lakens met een tracheacanule in de keel. Zo zul je beter kunnen ademhalen, zei de hoofdverpleegster, en minder van het middel nodig hebben. Ik wilde haar nog vragen of ze echt met Jimi Hendrix had gejamd, maar er kwam geen geluid meer uit mijn strot. Ik was mijn stem kwijt. Ze hadden me mijn spraak afgenomen. Nadat ze mijn kamer had verlaten keek ik door het raam naar het grijze plein. De acrobaten waren er nog niet.

P1040063

Afbeeldingen: Boven: Drunken Angel van Akira Kurosawa; onder: M.P. in ziekenhuis door Agnes Anquinet.

 

AMY WINEHOUSE, BREIVIK EN IK

amy

“… fallen in the valley of the rock and roll dead.”
Will Sheff (Okkervil River)

Twee jaar geleden lag ik nu in een ziekenhuisbed in het UZ in Jette. Ik had nog koorts, kon nauwelijks bewegen, maar het ging al beter met me. Twee maanden eerder, op 24 mei 2011, had mijn vrouw een taxi gebeld en was ze met mij naar de spoedafdeling gegaan. Dat heeft mijn leven gered, besef ik nu, hoewel ik me tijdens de weken die volgden nog zeker drie keer op de rand van de dood heb bevonden. Het einde van alles was in zicht en ik wist het niet eens. Veertien dagen in coma, een maand in intensive care. Geperforeerde dunne darm. Algemene vergiftiging, dubbele longontsteking, tracheotomie, buikvliesontsteking, shock, noem maar op.
Mijn vrouw, mijn vriendinnen en vrienden, de dokters en het verplegend personeel hebben voor mijn leven gevochten – en ze hebben het gehaald. En ik heb het gehaald.  Waar ik het langst last van heb gehad was wat ‘critical illness syndrome’ wordt genoemd. Mijn lichaam was bijna geheel verlamd, ten gevolge van die shock. Alleen mijn rechterarm was nog bruikbaar; mijn hersenen werkten ook nog min of meer, al kende ik bijvoorbeeld niet eens het eenvoudige beveiligingsnummer van mijn mobiele telefoon. Ik wist zelfs niet dat ik een mobiele telefoon bezat. Van dat hele syndroom is niet veel meer te merken, alleen mijn linkerarm is niet langer wat hij geweest is. Een combinatie van veel liefde, gekregen, en veel inspanningen, geleverd, heeft me opnieuw voldoende kracht gegeven.

Op een mooie dag schrijf ik alle hallucinaties neer die ik in die periode heb gehad. Ze zitten in mijn geheugen gegrift, helemaal anders dan dromen, die je bijna meteen na het ontwaken vergeet. Sommige hallucinaties waren vrolijk, andere hilarisch, weer andere waren wreder dan om het even wat ik ooit had gevoeld of gezien. Ik zong liederen met Stephen Stills en Neil Young, was bevriend met the Rolling Stones, werd gefolterd in een kelder of bunker in Triëste.

Twee jaar geleden lag ik nu in een ziekenhuisbed en begon stilaan mijn bezoekers te herkennen en te begrijpen wat ze me vertelden. En ik kon al wat samenhangends terugzeggen. Hoewel ik soms nog dacht dat mijn bibliotheek zich achter de wand aan het hoofdeinde van mijn bed bevond. Of dat de vrienden er waren omdat ze in de kamer ernaast gingen vergaderen. Ik kon ook al televisiekijken, met een afstandsbedienaar waar ik niet veel van begreep. Ik had de laatste ritten van de Ronde van Frankrijk gezien, in hun geheel. Hallucinant. Nog veel hallucinanter was de toestand in Noorwegen. Pas weken later heb ik me gerealiseerd hoe erg het was geweest en pas vorig jaar, een jaar na de feiten, heb ik zitten huilen bij het lezen van getuigenissen. Toen ik zag dat Amy Winehouse gestorven was wist ik echter meteen dat ze echt dood was. Ik twijfelde niet langer. Maar ik huilde niet. Ik aanvaardde het: Amy Winehouse was dood.
Ja, Amy Winehouse was dood en ik leefde en zou weer gezond worden en wijn kunnen drinken. Wat ik vanavond ga doen, en ik breng dan een toast uit op jouw gezondheid en op die van mij en op die van iedereen die we kennen. Maar er zijn grenzen.

ziekenhuis2011

Foto’s: Martin Pulaski, Agnes Anquinet.

DIVERTIMENTO

Maandag was ik in het UZ Brussel voor een niet al te zware operatie (divertikel van Zenker) – er werd me desondanks algemene anesthesie toegediend. Over de chaos en de slechte communicatie in het ziekenhuis schrijf ik later misschien. Dinsdag mocht ik, na een slapeloze nacht vanwege het oorverdovend, zenuwslopend gesnurk en gehoest – elke hoestbui leek op een bombardement – van mijn buurman, alweer naar huis. De man was gehandicapt, hem kon natuurlijk niets kwalijk worden genomen. Bij het verlaten van de ziekenfabriek voelde ik me nog wat zwak en beverig, maar ik was blij dat ik weer in de taxi kon stappen.

Die dinsdagavond kreeg ik spierpijn en hoofdpijn, ’s nachts koorts. Woensdag voelde ik me erg ziek: hoesten, keelpijn, nog hogere koorts – niets wat verband leek te houden met de ingreep. Mijn huisarts vermoedde dat de meeste pijn een gevolg was van de operatie, met daarbij mogelijk een virus. Hij schreef me niet meer voor dan veel rust en pijnstillers. We voerden geen gesprek. De volgende dag – donderdag – kwam mijn tweede huisarts (ze vormen een team). Hij hoorde dat ik een ernstige longinfectie had en geschikte medicatie nodig had. Wat ik prettig vond was dat hij me liet vertellen over mijn ‘avonturen’ in het ziekenhuis. Je zou daar een roman over moeten schrijven, zei hij. Dat zou je heel goed kunnen. Misschien wel, zei ik, maar ik begin er niet aan. En ik wil ook nooit meer naar zo’n huis terug waar de mensen aan de lopende band ziek worden gemaakt. Zelfs als de technische ingrepen, als bij machines, perfect worden uitgevoerd.

Mijn twee huisartsen doen me soms denken aan the good cop en the bad cop in niet al te originele misdaadverhalen.

Ω

Het voorgaande stond al gedeeltelijk op facebook, maar ik vermoed dat ik vrienden en misschien zelfs lezers heb die geen gebruik maken van dat netwerk. Daarom even een herhaling, om de hele wereld in te lichten hoe geweldig ik me voel!

In het ziekenhuis las ik ondanks alles een meeslepende misdaadroman, ‘Tuinier van de nacht’ van George Pelecanos, een auteur met een bijzonder goed inzicht in de menselijke psyche en intermenselijke relaties. Maar wat een gruwelijke vertaling! Gelukkig buig ik me alleen nog over misdaad en geweld in ziekenhuizen.

Ω

Oorspronkelijk gepubliceerd op 24-11-2012

DE MAN IN DE SCHADUW*

MAN IN SCHADUW.jpg
Hotelkamer, Triëst. 16 augustus 2007

Vanuit een raam in mijn warme kamer in Sint-Jan, waar gisteren de aders van en naar mijn hart in kaart werden gebracht, zie ik de zonsondergang boven Brussel in de herfst. De lucht en de gebouwen kleuren rood, dan paars: links de Inno, nog steeds een reusachtige grafzerk, rechts het dak van City 2 en daarachter het Sheraton. Wat lager recht tegenover deze luxueuze kamer een grote parking die me zomaar opeens de kans biedt om me in een andere man te verplaatsen, een man in de schaduw, die wegrijdt naar een vooralsnog onbekende bestemming.

De man in de schaduw begeeft zich naar de luchthaven van Brussel. Daar neemt hij een vliegtuig naar São Paolo. Na allerlei onnoemelijke avonturen met zakenlui en onberispelijke vrouwen in steden rondom het inkrimpend regenwoud – elke tien seconden een voetbalveld, zeggen de media – keert hij naar zijn woning terug. Hij heeft zijn huis ‘Sloop John B’ genoemd, naar het volkslied over de sloep, met al die dronken matrozen aan boord die zo graag weer naar huis willen. Een pijnlijk bericht ligt op hem te wachten in de brievenbus. De inhoud ervan kennen we niet. We zien het verkrampte gezicht van de man. Je hebt het al gezien in een video van Jesper Just. ‘No Man Is An Island’. ‘It Will End In Tears’. We horen hem huilen. Het lijkt of we zijn verdriet kunnen voelen, maar dat is niet zo. We weten bijna niets van elkaar.
De man gaat aan zijn laptop zitten en maakt een lijst van dingen die hij wellicht nooit meer zal doen:

Van de eenzaamheid en de regen genieten.
In parkeerplaatsen aan ziekenhuizen rondhangen.
Dromen van een beter leven en een betere wereld.
Langer dan een halve dag in Triëst verblijven.
Ongeschonden Tim Buckley’s ‘Blue Afternoon’ beluisteren.
Zonder verdriet in een oude lift stappen. Denk aan de lift naar het Strindbergmuseum in Stockholm.
Zich ‘Sister Ray’ herinneren alsof het een onschuldig lied is.
Kersentaart eten op het terras van Châlet Robinson.
De regen altijd de regen.
Sigarettenrook inhaleren als was het zuurstof.
Pasfoto’s maken in een automaat in het Zuidstation in Brussel.
Champagne drinken alsof het Saison Dupont is en Saison Dupont alsof het champagne is.
Dronken worden zonder er iets van te voelen.
Als in een romantische droom in Antwerpen op de rechteroever van de Schelde over de kaaien wandelen.
Nuchter ontwaken.
Slapen. Slapen als…

Nee, je ziet het meteen. Verder raakt de man in de schaduw met zijn opsomming niet. Niet langer vinden zijn vingers hun weg naar de toetsen; de woorden die al op het scherm staan vervagen in de mist van zijn ademhaling. “Quelle joie d’avoir…” mompelt hij en vergeet meteen wat hij zou gaan zeggen. Niets van belang. Niets om over naar huis te schrijven.

Maar dan ontwaak ik uit mijn dagdroom. De man in de schaduw is weg. Er is alleen maar een parking, nu in het donker. Ik keer me af van het raam, kijk op de klok, drink een paar slokken kraantjeswater en ga weer op het ziekenhuisbed liggen. Waarom zijn ziekenhuisbedden altijd zo kort?

Ik sla opnieuw Sandro Veronesi’s ‘Misplaatste Kussen’ open, een angstaanjagend goede verhalenbundel. Misschien bevat hij wel de beste verhalen sinds die van Heinrich Von Kleist en Franz Kafka. Die stijl, die vertelkunst, dat inzicht in wat omgaat in mensen, in intermenselijke verhoudingen, in generatieconflicten, in de ingewikkelde processen die zich tussen mannen en vrouwen voordoen. Ik lees de laatste zinnen van ‘De buik van de auto’:

“Met trouw koopt de overspelige zich vrij. Een goed mens betaalt met zijn eenzame lijden iedere keer dat hij hoopt de enorme verantwoordelijkheid van het voldongen feit niet te overleven, maar hij overleeft het wel, valt stil en gaat verder. De pijn verdwijnt, het berouw vertroebelt, de contouren van de herinnering vervangen, en het mysterie van het leven, dat zoveel groter is dan alle losse stukjes bij elkaar, verdooft en verzoent.”

 

Ω

* Dit is een bewerking van een eerdere tekst, ‘Quelle joie d’avoir…’
Oorspronkelijk gepubliceerd op 28-10-2012.

HET VERRADERLIJKE HART (2)

psalm

“Ik weet uit ervaring dat er soortgenoten bestaan die niet over gevoelens, emoties (pijn, verdriet, rouw, woede, verliefdheid, liefde) willen spreken of er niet mee geconfronteerd willen worden. Het komt me voor dat ze willen doen alsof we in een wereld leven waar alles perfect is. Is het een Angelsaksische manier van in-de-wereld-zijn? Ik weet het niet. En het maakt me niet uit.

Wat ik wil zeggen is dit. Morgen breng ik mijn dwaze hart naar het ziekenhuis (Sint-Jan / Saint-Jean). Overmorgen mag ik weer naar huis. Maar ik maak me zorgen over wat mogelijk aan het licht komt. Ik hoop dat ik niet opnieuw drie maanden in zo’n hel moet doorbrengen. Dat ik vrijdag opnieuw onbezorgd naar mooie liedjes kan luisteren, boeken lezen, films zien, naar theater gaan, wandelingen maken, vrienden ontmoeten, liefde geven en krijgen. En veel wijn drinken en leugens vertellen. Want de waarheid kent alleen god, en god, zegt men, bestaat niet.”

Het bovenstaande schreef ik vorige dinsdagavond op facebook. Met die ‘hel’ bedoelde ik de drie maanden die ik vorige zomer doorbracht in een ander ziekenhuis, “dapper vechtend tegen de dood”. Het is nu vrijdag. Ik kan opnieuw enigszins onbezorgd naar mooie liedjes luisteren, boeken lezen, films zien, et cetera. Mijn hart is relatief gezond en sterk. Ik mag doorgaan met wijn drinken en leugens vertellen.

Op facebook staken zeker wel veertig vrienden me een hart onder de riem. Een toepasselijke uitdrukking in deze context. Ik beweer niet dat zij het opmonterende resultaat hebben bewerkstelligd, maar ze hebben wel veel angst voor het toch wat akelige onderzoek, een coronarografie, weggenomen. Een van hen, mijn lieve vriendin Ingrid Van Kogelenberg, schreef dit:   “Lieve M., dat hart van jou dat slaat op het ritme van de mooiste dingen van deze wereld, die spier die geoefend is in het incasseren, pareren, liefhebben, dat is zo getraind in het leven dat het meer kan weerstaan dan je bange vermoedens. Dit komt goed. Daar ben ik zeker van.” Zo was het en zo is het. Geen magere troost, maar de waarheid.

Wat is er gebeurd? Wanneer het precies begonnen is weet ik niet meer. Enkele dagen voordat ik naar Stockholm vertrok, eind juni, kreeg ik pijn op de borst, soms hield die aan, soms was het alleen bij inspanningen, soms werd ik er wakker van en kon ik de slaap niet meer vatten. De huisarts verwees me door naar een gastro-enteroloog en naar ‘mijn’ cardioloog. De pijn kon een symptoom zijn van een slokdarmontsteking of van een hartkwaal.  Gastroscopie bracht niets aan het licht, tenzij een divertikel van Zenker. Dat is een zakje bovenaan in de slokdarm, wat het slikken bemoeilijkt en nogal wat spijsverteringsproblemen veroorzaakt. Het moet verwijderd worden. De specialist wilde zijn diagnose bevestigd zien door radiografie en scan. Uit de scan bleek dat ik forse aderverkalking had in de halsslagaders. Paniek! Nader onderzoek in het ziekenhuis, een Doppler-echografie, stelde me echter gerust. De aderverkalking is helemaal niet fors: het bloed kan ongehinderd naar mijn hersens worden gepompt. Vandaar mijn goed geheugen en mijn verbeeldingskracht. Maar de pijn in de borst was nog niet weg. Mijn hart moest nog worden onderzocht. Inmiddels had ik al een afspraak gemaakt voor ziekenhuisopname en operatie van het divertikel van Zenker. Een grondig onderzoek van het hart gaf een positief resultaat tijdens de fietstest: ik kreeg felle pijn in de borst bij niet al te zware inspanning. De cardioloog raadde mij aan om een coronarografie te laten doen. Hij voegde eraan toe dat geen enkele anesthesioloog mij zou willen verdoven zolang er geen duidelijkheid was over de toestand van mijn hart en bloedvaten.
Dat is nu allemaal achter de rug, behalve de verwijdering van het divertikel, wat kennelijk maar een lichte ingreep is. En de pijn in de borst? Daar heb ik geen idee van. Maar ik vermoed heel sterk dat allerlei emoties, angst, verdriet, woede, jaloezie, tederheid, schuldbesef, et cetera daar een grote rol in hebben gespeeld.

Ik weet niet goed waarom ik dit allemaal vertel. Misschien om mensen die iets vergelijkbaars moeten doorstaan gerust te stellen. Misschien ook om te verduidelijken waarom ik de laatste maanden zo weinig heb geschreven en waarom ik soms nog zwartgalliger was dan je van mij gewoon bent. Voor mezelf verklaart het waarom ik op de vlucht ging naar Londen, naar Stockholm; waarom ik na tien jaar mijn broer weer ging opzoeken, waarom ik in Namen en Maastricht herinneringen aan mijn kinderjaren en adolescentie wilde opwekken. Zo besef ik eens te meer dat het leven een aaneenschakeling is van toevalligheden. Mocht ik die pijn op de borst niet hebben gevoeld was er niets van het bovenstaande gebeurd. Maar wat zou er dan wel gebeurd zijn, dat is de vraag.

Ω

Le coeur a ses raisons que la raison ne connaît point.
Blaise Pascal

MEESTERESSEN

Wat is de merel vandaag stil, zegt ze.
Vertelde ik je al over de man met de harige kont, zegt hij.
Nee, zegt ze, maar wil ik dat horen?
Hij loopt hier de hele tijd in zijn blote kont, zegt hij.
Zo, zegt zij.
En over de man met de bloedende buik, zegt hij.
Nee, zegt ze, bloedende buik?
Ik lig hier in een ziekenhuiskamer, zegt hij.
Ja, zegt ze, nu je het zegt.
De kleur van mijn kamerjas, zegt hij.
Wit, zegt zij, je lijkt op een boeddhist.
Ik zou hier een boek kunnen schrijven, zegt hij.
Op zo’n korte tijd, zegt zij.
Ja, zegt hij, een dun boek, dat wel.
Spannend, zegt zij.
Een boek over meesteressen, zegt hij.
De verpleegsters, zegt zij.
Hoe raad je het, zegt hij.
Normaal hebben ze nochtans veel noten op hun zang, zegt ze.
Wie, zegt hij.
De koekoek, de uil, de kraai en de merel, zegt zij.
Misschien vanwege die tweeëntwintig kinderen, zegt hij.
Zo stil, zegt zij, dat heb ik nog nooit gehoord.


DRAADJES

P1050343.JPG
Martin Pulaski, Ziekenhuisbed, maart 2012.

 

Vrijdagavond was ik bij de huisarts. Sindsdien ga ik weer draadloos door het leven en kan ik de draad opnieuw opnemen. Midden maart was ik een tweede keer in het labyrint beland om er opnieuw een zware strijd te leveren met de Minotaurus, een minder mythisch wezen dan je zou kunnen denken, een wezen dat moet beslissen of je zal leven of sterven. Dat moeten is belangrijk: hij weet immers zelf niet wat de uitkomst zal zijn. Ik heb geluk gehad, zeggen de mensen, wat ik voor een keer beaam. Niet alleen heb ik de strijd gewonnen – ik ja, want de Minotaurus beschikt niet alleen over de uitkomst, je eigen inzet is op zijn minst even belangrijk – maar ik heb ook de uitweg gevonden uit het labyrint. Een andere draad, die van een herboren A., heeft me de uitgang helpen vinden, ook al ben ik geen Theseus of enige andere held. Ik ben een doodgewone sterveling. En toch is A. me gunstig gezind. Met A. bedoel ik iets/iemand helemaal anders dan het Lot. A. verpersoonlijkt liefde, tederheid en mededogen. Zonder haar zou ik nu nog altijd door donkere, kille gangen dwalen, samen met andere stervelingen die onder onnoemelijk leed gebukt gaan.

Op een maandagmiddag stond ik in de stralende lentezon als herboren aan de poort en spoedig was ik weer thuis. Twee weken heb ik geduldig mijn genezing afgewacht. Elke dag kwam een verpleegster mijn wonde verzorgen en maakte ik een wandeling naar het park om er het ontwaken van de lente te aanschouwen. Vooral de tranen opwekkende magnolia’s, die zo kort bloeien. Wat zagen de zwanen, eenden en ganzen er zorgeloos uit. Het lijkt wel of zij niet beseffen dat dit het eindspel is. Nu ja, ook daarover beslist niet alleen een of andere Minotaurus, eigenaar van talloze banken en supranationale bedrijven, nee, wij hebben daar zelf ook iets over te zeggen. Maar zwak als we zijn zullen we misschien onderdanig blijven zwijgen en in de illusie blijven leven dat onze uitzichtloze situatie door het Lot wordt bepaald. Zwak als we zijn – en levenslustig – zullen we misschien opnieuw gaan dansen op de rand van de afgrond. In dat geval zou mijn strijd met het monster weinig zin hebben gehad. Een sterveling moet zich niet alleen van zijn draadjes bevrijden. Een sterveling moet niet alleen ontsnappen aan labyrinten. Hij moet labyrinten afbreken en nieuwe steden bouwen, waar in alle openheid en volstrekte gemeenschap kan worden geleefd, plaatsen waar de lente en het geluid altijd nieuw zijn.

 

P1050351.JPG

Martin Pulaski – Stilleven (Ziekenhuistafereel), maart 2012.

 

POP 2011: UITVERKOREN

Aan mijn jaar ontbreken drie maanden. Niet alleen heb ik gedurende die zomerperiode in het ziekenhuis niet geleefd – tenzij je afzien en hallucineren ook leven noemt, ik heb ook geen muziek gehoord, geen films gezien en slechts één boek (Juliet, Naked van Nick Hornby) gelezen. Veel van de platen die ik voor midden mei heb aangeschaft heb ik vanaf ongeveer oktober opnieuw beluisterd. Ik herinnerde me er nog nauwelijks iets van. Eind augustus kreeg ik The Harrow & The Harvest cadeau. Bij de eerste beluistering vond ik het gezeur. Een tweede draaibeurt heb ik lang uitgesteld. Maar het ging al beter. Tot ik uiteindelijk de beste plaat van het jaar hoorde.

Met Jesse Sykes is ongeveer hetzelfde gebeurd (maar die heb ik zelf gekocht). Ik vind het vreemd dat Jesse Sykes zo weinig populair is. Ze is een muzikant in hart en nieren, doordrongen van folk, country en vooral sixties acid rock. De band klinkt zelfs beter dan Quicksilver Messenger Service. Naar Low ben ik intens gaan luisteren voor ik naar hun concert ging, in het Koninklijk Circus, enkele weken geleden. Wellicht is het hun beste werk. Van Thurston Moore had ik nooit zulke mooie kamermuziek verwacht. Zou dat door de helpende hand van Beck komen? Eerlijk gezegd zou die plaat ook op nummer één mogen staan. Maar de vrouwen hebben mijn voorkeur gekregen. Wilco’s The Whole Love vond ik meteen een meesterwerk, maar dat heb ik altijd met een nieuwe plaat van Wilco. Nu is mijn enthousiasme wat afgenomen, maar ik blijf er van houden. Door Bill Callahan en Josh Pearson live te zien, ben ik hun opgenomen songs nog veel meer gaan waarderen. Het zijn troubadours, dichters, ze lijden aan bepaalde vormen van waanzin en hebben iets profetisch. Bon Iver, moeten we die nog doorgronden? Ry Cooder is boos en zorgt voor de enige vrolijke noot.

Op zaterdag 23 juli had ik de dood al drie keer voor ogen gehad, maar het ergste was achter de rug. Op die dag is Amy Winehouse gestorven, een vreselijk verlies – dat me zeer heeft aangegrepen. Misschien is Lioness een beetje een samenraapsel, maar ik vind het toch een fijne plaat, die me droef en vrolijk maakt. Ze staat hier zeker ook als huldbetoon. PJ Harvey’s Let England Shake heb ik al van in februari of daaromtrent in huis (ik ben geen boekhouder). Ik begreep er niets van. Vond het vervelende muziek. Vorige week heb ik ze vijf keer beluisterd: je ziet het resultaat. De muziek en de teksten verdienen zelfs beter. Maar ik blijf problemen hebben met sommige politieke standpunten die PJ Harvey inneemt. Waarom keert ze zich tegen Europa? Het is toch overal even erg?
The Decemberists maken gewoonweg mooie muziek, in de voetsporen van R.E.M. En R.E.M. zet een punt achter zijn discografie met een overtuigend Collapse Into Now.
Bij de rest heb ik weinig commentaar. Ik zou maar in herhaling vallen. Alleen vind ik dat Vetiver te weinig aandacht krijgt. Andy Cabic heeft van Sara Lee Guthrie & Johnny Irion’s Bright Examples een fraaie popplaat gemaakt. Alleen al daarom verdient hij waardering. Dit is, overduidelijk, de lijst:

1.Gillian Welch & David Rawlings – The Harrow & The Harvest

2. Jesse Sykes & the Sweet Hereafter – Marble Son

3. Low – C’mon

4. Thurston Moore – Demolished Thoughts

5. Bill Callahan – Apocalypse

6. Josh T. Pearson – Last Of Country Gentlemen

7. Wilco – The Whole Love

8. Bon Iver – Bon Iver

9. Ry Cooder – Pull Up Some Dust And Sit Down

10. Amy Winehouse – Lioness: Hidden Treasures

11. The Decemberists – The King Is Dead

12. PJ Harvey – Let England Shake

13. The Walkabouts – Travels In The Dustland

14. R.E.M. – Collapse Into Now

15. Bonnie Prince Billy – Wolfroy Goes To Town

16. Buddy Miller’s Majestic Silver Strings

17. Beirut – The Rip Tide

18. Vetiver – The Errant Charm

19. Israel Nash Gripka – Barn Doors And Concrete Floors

20. My Morning Jacket – Circuital

Wie ontbreken hier? Ontbreken hier opvallend? Ryan Adams, Lucinda Williams, Paul Simon, Emmylou Harris en Steve Earle. Onder meer. Verzamelingen vervelende songs, vond ik. Misschien denk ik er volgend jaar of in een volgend leven anders over. Dat er geen rap, hip hop, blues, r&b in mijn lijst voorkomt betekent niet dat ik een racist ben. Maar ik ken de genres te weinig, hoe goed ook, om er een beetje samenhangende uitspraken over te doen. In alle eerlijkheid gezegd: ik houd meer van soul dan van alles wat in mijn top-20 staat.

En van welke muziek heb ik in 2011 het meest genoten? Ongetwijfeld van Thurston Moore, van the Smiths, van the Rolling Stones. Meer nog van Rumer’s Seasons Of My Soul, voor mij de plaat van dit jaar (ze is vorig jaar verschenen, geloof ik). Een soort van extase bereikte ik alleen maar met George Jackson’s Don’t Count Me Out – The Fame Recordings, volume 1. Fantastisch. En al dat werk is nooit eerder uitgebracht: meer dan veertig jaar in de kelder van Fame in Muscle Shoals blijven liggen. Op Ace is nog een mooi plaatje uitgebracht met oude hits en non-hits waarop James Burton verbluffend en economisch gitaar speelt (James Burton – The Early Years 1956-1969).

Over de boxen Smile van The Beach Boys en American Trilogy van Mickey Newbury kan ik kort blijven. Ik ben blij dat ze er eindelijk zijn. Ik zal ze vaak ter hand nemen. Brian Wilson en Mickey Newbury zijn al heel lang persoonlijke helden. Zoals Tim Buckley. Een dag zonder Tim Buckley is niet volledig.

Het ellendigste en wellicht droevigste jaar van mijn leven en toch zoveel mooie muziek. En die bomen in de tuinen en bossen blijven maar groeien. Binnenkort staan ze weer te pronken met hun bloesem.

 

FINIS GLORIAE MUNDI

ziekenhuis2011

Het voordeel van bijna dood te zijn en vooral van in coma te liggen is dat de tijd stil blijft staan. Zo komt het dat ik niet verjaard ben op mijn verjaardag, 2 juni, ondanks de honderden gelukwensen op facebook. Niet dat het de wereld of mijn eigen kleine leven verandert. Maar ik ben er toch tevreden mee: een jaar langer om te leven. Andy Warhol, waar ik vaak aan denk, heeft dat geluk niet gehad. Hij is voor een routineoperatie naar het ziekenhuis gegaan en is er wegens allerlei verwikkelingen niet meer levend uitgekomen. Hij was nochtans sterk. In juni 1968 overleefde hij een drietal kogels in de borst, afgevuurd door de gefrusteerde feministe Valerie Solanas. Warhol leek wel trots op die immense littekens op zijn borst, littekens van de incisies langs waar ze de kogels hadden verwijderd. Ondanks de lange en zware strijd die ik heb geleverd – je bent twee keer door het oog van een naald gegaan, zeggen mijn vrienden – heb ik maar een klein litteken, waar ik niet trots op ben.

Ik zit hier nu te herstellen en te hopen dat ik herstel, hoewel ik geen Volvo ben noch een BMW; ik ben een simpele mens, die er geen idee van heeft wat hem nog allemaal te wachten staat. Zal ik ooit nog bergwandelingen kunnen maken, zal ik nog kunnen dansen, zal ik feest kunnen vieren met mijn vrienden, ’s nachts in de straten van Brussel, Antwerpen, Cadiz, Porto, Barcelona, Berlijn verdwalen? Zal ik nog zonder angst voor de dood kunnen leven? Het leven is kort. Ik mag niet alleen aan feest denken, maar ook aan ernst, aan werk. Zal ik nog iets van al mijn onafgewerkte werk kunnen voltooien?

Groeten uit kamer 428

DENKEND AAN BOB DYLAN IN KAMER 428

Op de zeventigste verjaardag van Bob Dylan voerde een taxi me naar het Universitair Ziekenhuis Brussel. Het had mijn laatste rit kunnen zijn, maar ik heb geluk gehad. Misschien zat er wel een goede bewaarengel achter het stuur. Ik lag bloed en andere smurrie uit te braken. Ik wilde overleven. En dat heb ik gedaan. Niet alleen, op eigen kracht, maar toch. Ik voel me nog zwak, ik ben nog zwak, maar ik voel me tegelijk sterk. Ik word elke dag wat sterker. Lang geleden dat ik de dialectiek nog zo aan den lijve heb ondervonden.

Ik denk vaak aan Bob Dylan. Aan hele gewone dingen. Bijvoorbeeld: wat zou hij nu doen? Een ei koken? De kippen voeren. Ik denk dan aan die foto op de binnenkant van de hoes van Self-Portrait, een elpee waar ik altijd een zwak voor heb gehad.

Ik ga niet naar zijn concert in het Sportpaleis. Ik heb de illusie opgegeven dat Bob Dylan nog kan zingen. Bob Dylan kan al enkele jaren niet meer zingen. Ik vind het erg om dit hier zo te schrijven. Maar het is de waarheid. Dat neemt niet weg dat ik hem mateloos bewonder, sinds 1965, net voor mijn vijftiende verjaardag. Op school werd ik uitgelachen vanwege deze folie. Voor mijn medeleerlingen in het Koninklijk Atheneum in Tongeren kon Dylan toen al niet zingen. Hij had echter de meest expressieve en merkwaardige stem die ik ooit had gehoord, en een uitstekende dictie. Ik kocht zijn singles en elpees met geld dat ik kreeg om zaterdags de bus huiswaarts te betalen. Ik nam geen bus, maar liftte. Een heel prettig en vooral gratis tijdverdrijf. De eerste single van Dylan die ik me aanschafte was ‘Like A Rolling Stone’ (1) / ‘Gates Of Eden. Bezeten magie. Verbijsterend, hartveroverend. En sterker nog vond ik zijn bijtende ‘Positively 4th Street’. Als opstandige tiener kon ik me in die tekst goed herkennen. “I wish that for just one time you could stand inside my Shoes“. Mijn eerste Dylan-elpee die ik vond en kocht was ‘The Freewheelin’ Bob Dylan‘, aangeschaft in de V&D in Maastricht. Wekenlang zat ik er sprakeloos naar te luisteren. Het was een ander geluid dan dat van ‘Like A Rolling Stone‘, maar net zo betoverend en rijk. Hier moest de stem en de tekst al het werk doen. En een beetje niet al te virtuoze gitaar en mondharmonica. Ik was en ben gek op de cover van Corrina, Corrina. En al de rest, behalve Blowin’ In The Wind. Ik heb altijd gevonden dat dat lied niet veel voorstelt.

Waarom vertel ik dit eigenlijk?  Omdat ik blij ben dat ik nog leef. Omdat ik me vandaag nogal goed voel en iets wilde schrijven, om het even wat. En omdat sinds 24 mei 2011 mijn leven op een bepaalde wijze heel nauw verbonden is met dat van mijn grootste held. Voor wie ik niet meer buitenkom. Denk ik nu.

Ω

Groeten uit kamer 428.

Met dank aan Wim Blanquaert voor de dubbele T.

(1) Long piece of vomit, zoals Bob Dylan de tekst van Like A Rolling Stone beschreef, is zeer toepasselijk in deze context. Overigens bestaat er ook een prettig gestoord nummer van Allen Ginsberg met Bob Dylan getiteld ‘The Vomit Express’.

TIJDING UIT HET ZIEKENHUIS

Bedankt, lieve vrienden voor de vele compassionele reacties. Inmiddels gaat het alweer wat beter met me. Ik heb nog altijd koorts maar dat schijnt normaal te zijn. Wat zou ik graag eens een wandeling maken onder zonovergoten platanen, of over een Cypress Avenue in het voetspoor van Van Morrison. Geduld, Martin!

Met mijn linkerhand kan ik niet typen. Ik houd het kort; ook al omdat mijn cognitieve functies nog lang niet hersteld zijn.

Uvi, in een ziekenhuis voel je de afwezigheid van je geliefde veel sterker aan. Je mag mij overigens alles vertellen wat je maar wilt. Ik blijf nieuwsgierig. Dat van een bezoek aan mijn kamer blijft ook geldig. Tijdens het weekend zijn hier geen therapieën.

Wie op reis gaat wens ik een mooie reis en onvergetelijke ervaringen.

Tot gauw.

IK KEER DE DOOD DE RUG TOE

dood,ziekte,uz jette,shock,critical illness syndrome

Sinds 24 mei verblijf ik in het UZ Brussel. Mijn leven stond op het spel. Hevige darmkrampen, perforatie van maag en dunne darm, veel bloedverlies, moeilijke chirurgische ingreep met veel complicaties, ingewanden die tilt slaan, algemene bloedvergiftiging en shock, nierdialyse, kunstmatige ademhaling, anderhalve maand zonder eten,  veertien dagen in coma, wekenlang hallucinaties, critical illness syndrome… Ik vergeet wellicht nog een aantal aandoeningen.

Nu gaat het eindelijk wat beter. Ik heb sterk het gevoel dat ik herstel. Sinds zaterdag bevind ik mij in de afdeling revalidatie, zeker nog tot eind augustus.

Bezoek kan van half twee tot half acht. Kamer 428. Wel eerst een seintje vooraf. Ik mis mijn leven, de vriendschap, het schrijven, lezen, flaneren, facebook, mijn weblog, en meest van al mis ik mijn geliefde. Vanaf september zal ik veel moeten inhalen. Een nieuw leven opbouwen. De woorden terugvinden (ik ben er nu veel kwijt, achtergelaten in de donkere, koude coma).

Veel schrijven is voorlopig niet mogelijk. Dank aan mijn trouwe vrienden en lezers. Nu tijd voor het genezingsproces.

HET HEIMLICH MANEUVER

nick cave - heimlich

Gisteravond had ik het met mijn huisdokter over het Heimlich-maneuver. Hij vertelde me dat hij op een keer toen hij alleen thuis was een stukje voedsel in zijn keel had zitten en dreigde te verstikken. Het Heimlich-maneuver op zichzelf toepassen was onmogelijk. In een moment van helder denken heeft hij dan met alle macht zijn buik tegen een kast gedrukt, waardoor hij van de brok bevrijd werd. Anders had ik het niet overleefd, zei mijn huisdokter. Maar we mogen niet doemdenken, voegde hij eraan toe.

Vorige zaterdag in een Antwerps restaurant, na de radio en de witte blues, heb ik het Heimlich-maneuver moeten toepassen. Laura had een brokje vlees in de keel gekregen en kon nog maar moeilijk ademhalen. Onze vriendin Sofia zat ongerust toe te kijken. Kennelijk ben ik toch niet zo goed in zulke maneuvers, want het had geen resultaat.
Op dat ogenblik kwam mijn vriend Snaporaz net het restaurant binnen. Hij zou alleen maar iets komen drinken. Bij het zien van Laura’s toestand stelde hij meteen voor om ons naar het Sint-Vincentius Ziekenhuis te voeren. Op de spoedafdeling werden we bijzonder vriendelijk ontvangen, ook al had niemand van ons een identiteitskaart bij. Wij laten die thuis omdat we in Brussel voortdurend worden bestolen en overvallen. Over dat hele identiteitskaartengedoe heb ik vorig jaar al voldoende geklaagd.
Er moest wel een dokter worden opgebeld, die helemaal uit Hove moest komen voor dat stukje vlees. Laura kreeg gelukkig nog geen blauwe kleur, wat op verstikking zou wijzen. Iedereen bleef er nogal kalm bij. De dokter was er al snel. Enige minuten later kon Laura weer opgelucht ademhalen. Als dit in een Brussels restaurant was gebeurd had Laura het misschien niet overleefd. Ik heb niet bepaalde prettige herinneringen aan Brusselse ziekenhuizen. Zij geven mij vooral de indruk dat ik voet aan de grond zet in een ontwikkelingsland.

Sinds vorige zaterdag weet ik dat het Heimlich-maneuver die naam heeft en dat ik het niet helemaal goed heb gedaan. Ik heb al wat geoefend voor een volgende keer. Maar we mogen niet doemdenken, zegt mijn huisdokter. Ook al ben ik flink verkouden en vertrek ik zaterdag naar Portugal. Het is toch wel zeer eigenaardig, dat ik telkens voordat ik op reis vertrek ziek word. En het is geen ingebeelde ziekte, er zijn duidelijk waarneembare symptomen, een rode keel, hoesten, een lopende neus… Ik weet niet wat het vooruitzicht op reizen in mijn onbewuste teweegbrengt, maar het moet zeer onrustwekkend zijn. Mijn onbewuste wil kennelijk liefst van al braaf in zijn kamer blijven. Vorig jaar in april ben ik met een lichte verkoudheid naar La Palma vertrokken. Daar ben ik erg ziek geworden, bronchitis, een longontsteking. Aan mijn vakantie heb ik toen niets gehad, ik was al blij dat ik nog leefde toen ik weer thuiskwam. Dit mag nu niet gebeuren. Ik mag niet doemdenken, zegt mijn huisdokter. En ik zeg het hem na.

 

TRY-OUT

Wat is er met je aan de hand, dat je weer naar het ziekenhuis moet?
Niets ergs.
Alleen maar een routineonderzoek en allergietesten.
Je moet jezelf goed verzorgen.
Dat doe ik, ik verzorg me goed.
Ik drink niet te veel, ik gebruik geen drugs.
Wel medicijnen, natuurlijk.
Ik eet groenten, vis, neem vitamines.
Maar er zijn, zoals je weet, veel spanningen, stress.
Soms heb ik het gevoel dat ik de wereld verlies.
Alles wordt donkerder, letterlijk.
Mijn hoofd zit in een donkere wolk.
De stemmen van de mensen rondom me klinken irreëel.

Ik wil niet over problemen praten.
Ik zou liever wat lachen.
Onnozel doen.
Doe me eens lachen…
Neen, je hebt gelijk, we moeten niet over onze problemen praten.
Laat dat maar aan Elvis over.

Jammer dat dit gisteren allemaal gebeurde.
Net voor de zomer begon.
Nog een onderzoek, bij weer een andere dokter.
Een gepeperde rekening.
Gisteren.
Toen je de leegte omhelsde en er een punt achter zette.

Vandaag begint de zomer.
Omelet?
Iets uit de diepvries?
Iets van bij de Chinees?
De mozzarella zal nu wel bedorven zijn.

Dit is geen bijster creatieve periode voor jou.
Ik heb veel te zeggen, maar ik heb nog meer te zwijgen.
Er is een diep verdriet in de kern van al wat leeft.
Het is ons verdriet dat wij daar aantreffen.
Wij vernietigen elkaar met precisie.
Neen, geen creatieve periode.
Punten, gesloten deuren.
Ik moet nochtans kunnen schrijven.
Maar nu ben ik stil, er zijn geen woorden.

Ben je bang?
Je moet niet bang zijn.
Voor wat ben je bang?
Voor gedachten.
Ik kan moeilijk met iets beginnen.
Beginnen, dat is het moeilijkste.
Je mag niet bang zijn voor gedachten.
Gedachten kunnen je geen pijn doen.
Ik zou veel kunnen schrijven, maar ik zou sommige mensen kwetsen met mijn woorden.
Als ik alles zou schrijven.
De waarheid.
De waarheid die ik voel.
Als ik woorden zou schrijven zonder erbij na te denken.
Gedachteloze woorden.
Zelfs over die omelet heb ik nagedacht.
Dat domme woord.
Dom woord, maar zo verwant met Hamlet.

Houd je geen dagboek bij?
Neen, al jaren niet meer.
Ik zet alles hier op de elektronische pagina’s.
Voor mij behoort het dagboek tot het verleden.
Soms schrijf ik een gedicht.
Vijf of zes per jaar, dat volstaat.
Ik verkies de dialoog boven de monoloog.
Maar met wie kan ik praten?
Er zullen toch wel wat mensen zijn?
Je moet vrienden hebben.
Je mag niet eenzaam zijn.

En je foto’s, zijn die dan geen dagboek?
De foto’s van jezelf?
Ik weet het niet.
Ik maak foto’s van mezelf omdat er op dit ogenblik niets anders is.
Misschien wil ik wel bewijzen dat ik besta.
Voor wie zijn die bewijzen?
Ik ben niet egotistisch, denk ik.

Gisteravond heb ik de zon zien ondergaan.
Ik zat nog wat op het terras voor ik naar mijn kamer ging.
Mooie zonsondergang net voor het begin van de zomer.
Maar het heeft geen zin daarover te schrijven.
Iedereen kan dat fenomeen met zijn eigen ogen zien.
Ik heb daar niets aan toe te voegen.
Neen, dat is niet waar.
Niet iedereen ziet de dingen op dezelfde wijze.
Ik zou graag lezen wat jij hebt gezien.

Die deur en dat punt zijn er toevallig gekomen.
Ik heb die daar niet bewust gezet.
Misschien wijzen ze niet op een einde maar op een nieuw begin.
Dat betwijfel ik, maar je weet het nooit met zekerheid.
In ieder geval weet ik niet hoe ik het moet doen.
Hoe moet ik herbeginnen?
Waar?
Misschien komt de verandering vanzelf, zoals het weer verandert, of een stemming.
Dat is een mooie gedachte, ik hoop dat het zo zal gebeuren.
Zie je nu dat je niet bang moet zijn voor gedachten.
Onbedachtzame woorden kunnen pijn doen.
Gedachten niet.
Het is zoals met de liefde, die is ook onbedachtzaam.
En wat doet meer pijn dan liefde?
Woorden van liefde, misschien?
Neen, gedachten kunnen ook pijn doen.
Bijvoorbeeld, in het begin van de zomer denken aan het einde van de zomer.
Ja, dat is waar.
Daar had ik niet aan gedacht.

LAURA’S EPILEPSIE

epilepsie,rousseau,ziekenhuis,stendhal,parma,mazzy star,belgie,ziel,psychoanalyse,val,beth orton,geliefde,verlangen
Agnes Anquinet door Martin Pulaski

Het eerste lied dat iTunes vanavond voor me selecteert is Give You My Loving van Mazzy Star. Het gaat over absolute liefde, liefde tegen beter weten in. Toeval? Ik wil niet meer geloven in toevalligheden. Ik wil nergens in geloven. Ook niet in de val, en evenmin in de hoogmoed die voor de val komt. Ik ben niet hoogmoedig, maar ik zal toch wel vallen, zoals iedereen. Maar ik geloof niet in de val, in die verdomde metafoor. In mijn hoofd dwarrelt alles. Alles dwarrelende zwarte sneeuw. Alsof het van de honger zou zijn. Maar dat hebben we niet, honger. Een kap op je hoofd, tegen beter weten in. Ja, want geen kap is tegen fijne stofdeeltjes bestand. Geen kap tegen de alledaagse dramady. Devil Was An Angel is ook niet slecht gekozen. Dat is het tweede lied dat voor me wordt gespeeld. Zelf kies ik niet meer. Ik laat het aan automaten over om mijn val door gepaste muziek te laten begeleiden. Beth Orton is dat. I’ll take the plane to Madrid. Dat zou ik ook willen doen, met mijn geliefde, die nu te slapen ligt. Mijn engel en duivel. Kon ik maar alles vertellen! Maar dat wil ik niet. Ik wil mijn ziel niet blootleggen. Of toch wel, die van mij wel, in navolging van Rousseau, dat heb ik hier al gezegd. Maar ik wil de zielen van degenen die ik liefheb niet blootleggen.

Wat vandaag gebeurd is, is al vaker gebeurd. Een medische val. Onderzoeken, scans, medicatie. Afwezige ogen waar ik mij in spiegel, alsof ze vijvers zijn en ik Narcissus. De dokter een jonge Duitse vrouw, met een stevige handdruk. Een fijne vrouw, met veel karakter en gezonde medische twijfels. Meer onderzoeken? Ja, meer onderzoeken. Vallende ziekte? Niets is zeker. Het lichaam bestaat uit veel water, veel bloed, en organen, en onzekerheid, geheimen. Geheimen, daar kan ik niet mee leven. Ik wil het lichaam en de geest en alles, in wiskundige formules. Alles zoals het is, zonder poespas. In duidelijke, heldere woorden. Een stevige handdruk.

Vanochtend, toen ik afscheid nam van de gravin uit Parma, dacht ik dat ik zelf het slachtoffer zou zijn. De lucht die wij hebben verwoest, zou mij op haar beurt verwoesten. De gassen. Het vergif dat in de groote oorlog miljoenen soldaten verwoestte. Hetzelfde gif, maar een andere soort. Ik dacht, ik haal het niet. Maar een mens is sterk. Ik probeer nu mijn verwarring te boven te komen en duidelijke taal te spreken. De wirwar weg te jagen. Spinnenwebben, tentakels, spiralen, geknoei met woorden, gesukkel met taal. Mijn grootste geliefde. Ik zou deze tekst al kunnen indelen in paragrafen, bijvoorbeeld.

Doch! Wil ik dat wel? Wil ik helderheid als niets helder is? De Vlamingen zijn gek, dat wel. De koning van België. Laten we er niet over beginnen. Mijn geliefde viel nog eens een keer. Nee, ze struikelde niet over metaforen. Over zichzelf struikelde ze, over haar verwarde jaren. Te veel gevoelens, te veel pijn overgehouden, te dicht bij het schroeiende kwaad gestaan. Onlangs vergeleek iemand haar met Gwyneth Paltrow. Gisteren zag ik, glunderend, The Royal Tenenbaums, en ik zag dat het waar was. Onder andere heeft ze dezelfde tenen. Dat heb ik deze middag in het hospitaal nog kunnen observeren, in zo’n spoedgevallenkamertje waar iedereen voorbijloopt en even binnenkijkt.

WHEN THE MUSIC’S OVER…

sint pieters ziekenhuis

‘Boys don’t cry’ zongen de jongens vroeger, en dat is nog altijd het geval in wat wij de wereld noemen. Een wereld beheerst door George W. Bush, Arnold Schwarzenegger en andere gore helden. Kerels die zelf niet huilen, maar veeleer anderen willen doen huilen; het lijkt er zelfs op dat dergelijke sterke mannen de wereld willen vernietigen, met alle softies, dierenliefhebbers, asielzoekers, arabieren, kortom met alle mogelijke categorieën van ellendigheid die zij zich kunnen voorstellen erbij.
Ik heb gisteren urenlang gehuild, bijna de hele dag. Er waren vele redenen voor. Een reden was de toestand van de wereld, zoals hierboven al duidelijk werd. Een andere reden was dat ik mijn computer miste, dat dierbaar wezen (waar ik maandenlang mijn emoties in had geïnvesteerd). De dag voordien was mijn vriend Brecht het wezentje komen halen om het naar Antwerpen te brengen, waar Brechts vriend het zal proberen te herstellen. Het heeft een nieuwe ziel nodig, en misschien een nieuw hart. Zijn (of haar) geheugen is nog goed. Hoe lang dat zal duren weet alleen god, maar daar geloof ik niet in. Agata gelooft wel in god, maar ik niet. Ik geloof dat alleen Polen nog in God geloven, ik ben echter geen echte Pool. Ik doe maar alsof.

Bij het betreden van mijn kamer, zondagochtend, werd het mij droef te moede, om eens een oude uitdrukking te gebruiken. Ik dacht, ik zal wat lieflijke muziek opleggen, bij wijze van troost. Ik had onlangs speciaal een compilatie gemaakt van melancholische liederen, met dat doel – van troost in troosteloze dagen – voor ogen. Het derde lied was There’s Too Much On My Mind, van The Kinks, hier beneden, voorafgaand aan ‘Het Nieuwe Leven’ (een tekst die kennelijk te lang is, beweert een zekere Marlon, die overigens in ‘Het Nieuwe Leven’ zelf opduikt), aangehaald. Toen ik Ray Davies ‘there’s too much on my mind and there’s nothing i can say about it, there’s too much on my mind and there’s nothing i can do about it ’ hoorde zingen, werd het mij teveel. De tranen rolden over mijn wangen. En ik schaamde me niet. George W. en Schwarzenegger hadden mij gerust voor een keer mogen begluren.
Er zijn nog andere redenen, en ze zijn van zeer ernstige aard. Sommige kan ik onmogelijk onthullen, omdat ik het vertrouwen van mensen die me dierbaar zijn niet wil schenden. Vandaar ook die identificatie met het lied van Ray Davies: ik kan er niet over spreken. Eigenlijk denk ik dat ik er wel iets over zou kunnen zeggen, maar daarvoor heb ik tijd nodig, en die heb ik niet, aangezien ik thuis niet kan werken. Dit schrijf ik snel tijdens een vrij moment op het werk.

Mijn schoonbroer woonde in een klein dorp, op Mykonos, al een tiental jaren. Het is een goede kerel. Hij zou geen vlieg kwaad doen, zoals de mensen zeggen. Zowat een maand geleden heeft iemand hem in dat lieflijke dorp de kop ingeslagen. Schedelbreuk, twee weken coma. Mijn schoonbroer was met niets in orde. Ook niet met het ziekenfonds. Met de helikopter van Mykonos naar een beter ziekenhuis in Athene werd hij gevoerd. Maar was het een goed ziekenhuis? We betwijfelen het. Vervolgens werd hij met een speciaal vliegtuig van Athene naar Sint-Pieters hier in Brussel overgebracht. Dat gaat veel geld kosten aan de familie. Maar veel erger is zijn toestand. Kan er nog iets, of is het een stand die toe is? Zal hij ooit nog kunnen praten, lachen, lopen? We maken ons daar veel zorgen over. We zijn van streek. A, die zo al zelden echt gelukkig is – waarom weet niemand, waarom zijn sommige mensen toch zo ongelukkig? – is van streek. Het ongeluk heeft haar familie eens te meer getroffen. Een Griekse tragedie.

Gisteravond tegen wil en dank naar Steve Wynn & the Miracle 3. We hadden vrijdagavond al kaartjes voor Julius C. van Dood Paard in de la laten liggen. Ik dacht echter dat die muziek ons zou opbeuren, een mooiere wereld voor ons zou openen. Dat was ook mogelijk geweest, omdat Steve Wynn daartoe in staat is, met zijn aanstekelijke songs, met zijn opgewekte, dynamische melodieën, met zijn jong-dylaneske stem en vloeiende gitaarlijnen. Met zijn positieve punk attitude. Is dat laatste een tegenspraak? Voor mij althans niet. Zoals te verwachten was heeft de muziek ons niet opgebeurd. A’s gevoelens hebben het begeven, haar zenuwen hebben het begeven, haar gezond verstand heeft het begeven. Haar vermogen om plezier te maken is omgeslagen in afschuw en haat. The horror! In grote droefheid, misnoegdheid en verontwaardiging zijn we huiswaarts gekeerd. Vreemden voor elkaar, niet in staat elkaar te troosten, elkaar het onzegbare te zeggen. Niet in staat om lief te hebben. Nooit in mijn leven heb ik zo verlangd naar een machine als gisteravond na dat concert. Maar wat had ik met die machine kunnen doen? Ik was verblind door het leven, sprakeloos, verlamd. Zou ik ooit nog kunnen spreken? En was dat van enig belang?