EEN VERBLUFFENDE COMBINATIE VAN WOORDEN


boeken 9

Toen ik vijftien was werd ik dichter, wilde schrijver worden en filosofie studeren. Ik maakte rijmpjes, schreef een paar toneelstukken die op school werden opgevoerd, een fantastisch verhaal getiteld ‘Psychische ontbinding’ waarmee ik de hoofden van enkele schoolvrienden op hol bracht. Ik verhuisde naar Brussel, ging – in plaats van filosofie te studeren – leren hoe je foto’s en films moet maken. Dat mislukte: foto’s maken was eenvoudig, maar voor films had je heel veel geld nodig, discipline en overtuigingskracht. Ik was met niet een van die drie kwaliteiten geboren en zou ze ook nooit verwerven.

Ik trouwde, werd vader, studeerde alsnog filosofie en scheidde.

Toen ik vijfentwintig was dacht ik dat ik een schrijver was. Ik gebruikte bijvoorbeeld nooit het woord ‘toen’ aan het begin van een zin. Daar hadden ze mij voor gewaarschuwd. Ik schreef experimentele verhalen, publiceerde in tijdschriften, maakte met een groep ‘amateurs’ (gewoon mijn vrienden) twee toneelstukken, hield een dagboek bij en sliep niet. Al gauw voelde ik mij mislukken.

Maar ik volhardde. Wim Meewis had me dat gezegd: als je wil schrijven moet je hard zijn, jezelf hard maken, een rotsformatie, steenkool, diamant. Van wat echter moest ik leven? “Van de hemelse dauw kunt ge niet leven”, zei mijn vader altijd. Ik ging talen studeren, Frans, Engels, Duits; liet me inwijden in de opkomende informatica. WordPerfect, Dbase, flow-charts, de hele santenkraam. Ik schreef niet veel meer. Mijn dagboeknotities beperkten zich tot de films die ik had gezien. Wel verzond ik een honderdtal sollicitatiebrieven, zonder resultaat. Waarom werd ik niet aangeworven? Zelfs niet uitgenodigd voor een gesprek? Ik weet het nog altijd niet. Ik droeg een yuppiebril, mijn haren waren kort geknipt, mijn baard was verzorgd. Ik leek op iemand anders. Bij de overheid slaagde ik met glans in een toegangsexamen. Ik was 64ste op ongeveer 4000 deelnemers. Inmiddels was ik eveneens in psychoanalyse gegaan. Nee, ik was niet op zoek naar mezelf. Ik had meer dan genoeg van mezelf, wilde daar liever een punt achter zetten. Die verdomde ik-geschiedenis. Toch dacht ik dat ik nog steeds wilde schrijven. Maar ik was wanhopig. Ik was letterlijk ten einde raad. Ik had niet alleen veel films gezien en veel muziek gehoord, maar ik had ongeveer de hele wereldliteratuur gelezen. Wanhopig maakten mij dichters, toneelauteurs, romanschrijvers, filosofen.

Hoe kon ik een gedicht schrijven na Hölderlin, een verhaal na Kafka, een toneelstuk na Shakespeare, Kleist en O’Neil, een roman na Proust, Musil en Nabokov. Hoe kon ik me met filosofie bezighouden na Nietzsche en Heidegger. Met psychologie na Freud en Lacan? Met de geheimen van de taal en de mythologie na Roland Barthes, Michel Foucault en Jacques Derrida? Ik wist het niet. Was ik niet waardeloos? Woordenloos? Een volstrekte loser, down and out in Antwerpen?

Er waren natuurlijk mijn vrienden, vriendinnen, kennissen, mensen die ik toevallig ontmoette in cafés – allen op hun eigen manier mislukt. Ze deden niet waar ze ooit van gedroomd hadden, ze moesten overleven, en daarom veel van hun idealen opgeven. Dat was geen troost, maar zorgde er wel voor dat ik me minder eenzaam voelde.

Ik las Borges opnieuw en ontdekte dat ik me ook op een boeiende manier kon beperken tot het schrijven van voetnoten bij de grote literatuur. Ik maakte kennis met de ontregelde poëzie van Ezra Pound en e.e. cummings. Zo leek mijn onzinnige poëzie ook zin te krijgen. Verhalen van Toergenjev en Raymond Carver maakten duidelijk dat je niet op zoek moet gaan naar het verhevene maar dat het dagelijks leven voldoende stof biedt om ontzagwekkend over te schrijven. 

Er waren echter enkele belangrijke stelregels. Je moest discipline hebben, je moest heel veel moed hebben, je mocht verdwalen mits je altijd terugkeerde naar het begane pad, je moest je inspannen, niet om je grote voorbeelden te overtreffen, maar om op je eigen wijze even sterk en even authentiek te zijn, of te worden. Je moest jezelf uitvinden in je eigen taal en op die manier respect afdwingen. R.E.S.P.E.C.T! moest je afdwingen voor een verbluffende combinatie van woorden.

Ω

Foto: copyright Martin Pulaski.

DE KUNSTENAAR ALS ROLLING STONE

flower child with a knife

Ik was toen niet ik, degene die ik nu ben en niet ben. Het zal 1968 geweest zijn. Ongetwijfeld had ik mijn zeventiende verjaardag al gevierd, naar Sergeant Pepper’s, the Piper At The Gates Of Dawn, Are You Experienced? en vooral naar Between the Buttons geluisterd. Brian Jones en Steve Marriott waren mijn helden. Ja,ik was achttien jaar. Plaats van handeling – pose eigenlijk – is Sint-Idesbald. Ik meen mij te herinneren dat de fotograaf Luc Verjans was. De camera was van mij. De jas en de zonnebril waren van Henry. Het sjaaltje en het knipmes waren van mij.
(Het is niet de eerste keer dat ik met deze foto in hoochiekoochie op de proppen kom. Er gaat voor mij een onverklaarbare fascinatie van uit. Alsof ik dit nooit ben geweest.)

***

Een achtergrond.

“Wessel keek naar de jongen, die op de divan zat. Hij hield iets in zijn hand dat schitterde. ‘Verdomme, hij heeft een mes,’ zei Wessel. ‘Zie je dat, Dick? Hij is een jongen met een mes. ‘Misschien is het dan toch wel een heel gekke jongen,’ zei Dick. ‘Maar hij drinkt niet. Dat blijf ik onvergefelijk vinden.’”

Uit: Remco Campert, De jongen met het mes, 1959.

PLEASE MISTER POSTMAN

mp 2005 8

Waar zit ik dan toch? Waar houd ik me schuil? One block from heaven? Of ergens in no man’s land, volgestopt met cortisone en antibiotica? Gemaskerd en gesluierd? In een schuilkelder weggedoken uit schrik voor de vogelgriep? Gegijzeld door een bondage girl? Wachtend op een liefdesverklaring van Connie Palmen? Tussen de regels van Jorge Luis Borges verhaal ‘De ronde ruïnes’ verdwaald? Of in de ban geraakt van de moorden in de rue Morgue? Ben ik misschien in slaap gevallen in een Grieks vliegtuig, met een Berlijnse piloot aan het stuur? (Is iedereen in slaap gevallen? Geen brieven, geen e-mail, geen sms, geen berichten op het antwoordapparaat. Geen levensteken. Op de achtergrond alleen maar schaduwachtige stemmen die liedjes van Phil Spector imiteren.)

Ik wil zo spoedig mogelijk een antwoord op al deze vragen. Op dit ogenblik is er maar een ding waar je niet moet aant twijfelen: Ratzinger was in Duitsland.