LIEFDE, CYNISME, KLEINE EN GROTE OORLOG

theshout

Eerst de ergernissen. Wie is P.B. Gronda? Hoe lang zou hij nadenken voor hij aan een column begint? En hoe lang eraan werken? In zijn meest recente column in Focus Knack – de eerste die ik van hem lees, ik lees zelden columns – schrijft hij onder meer dat mensen niet van muziek houden voor de muziek en voetbalsupporters niet echt van de voetbalploeg waar zij supporters van zijn. Hij geeft enkele voorbeelden: Oasis, Sufjan Stevens, AA Gent en RSC Anderlecht. “Op een bepaald moment”, merkt Gronda op, “zodra de naam gemaakt is, zijn de liedjes van de band of de prestaties van het team van weinig tot geen belang meer. Het gaat vanaf dan meer over een positie in de maatschappij en het gevoel dat je eigen stem versterkt wordt door een grote machtige entiteit: een rijke voetballer en zijn club, een rockster en zijn band.” Het komt erop neer dat mensen van een bepaald soort muziek, van een bepaalde voetbalploeg houden om zich te definiëren, zich te onderscheiden van de anderen, wil Gronda zeggen, meen ik te verstaan. Wat een cynische psychologie, wat psychologisch cynisme. Moet ik werkelijk geloven dat ik niet echt van de songs en elpees van Tim Hardin, Patti Smith, Neko Case, Jeffrey Lee Pierce houd, dat hun muziek mij niet ontroert, dat het mij alleen om een attitude te doen is, om bij een bepaalde groep te horen en bij een andere dan weer niet. Daar geloof ik niets van. Ik geloof dat muziekliefhebbers echt houden van de muziek waar ze van houden, dat de liedjes van hun muzikale ‘helden’ diepe gevoelens bij hen oproepen, hen omzeggens betoveren. Bij voetbalsupporters gebeurt zeker iets gelijkaardigs, maar op een andere manier. Wel begrijp ik dat er meelopers zijn, maar om dat dan te gaan veralgemenen?

Bleri_Lleshi_liggend.jpg

Een paar dagen geleden zag ik auteur/filosoof Bleri Lleshi in De Afspraak – een min of meer onuitstaanbaar programma op Canvas – om er over de liefde te praten. Ik heb zijn boek, ‘Liefde in tijden van angst’, nog niet gelezen, weet hoegenaamd niet of het alleen maar over liefde als agape gaat, of ook over erotische liefde en liefde als vriendschap (en welke andere vormen van liefde er ook nog mogen wezen). Maar ik volg Lleshi in zijn stelling dat de liefde een afdoend antwoord is op de angst die de samenleving nu teistert. Jammer genoeg gaf de arrogante en ook al cynische presentator Bart Schols de schrijver geen enkele kans om zijn stelling te verduidelijken. “Onnozele idioot”, las ik in de lichaamstaal van de presentator, “wat kom jij hier over de liefde leuteren!” Zo vernederend en beledigend was dat, dat ik mij werkelijk zat te schamen. Nog een geluk dat de door het volk beminde psychiater Dirk De Wachter zich achter Bleri Lleshi schaarde. Zo kon ik dan toch met een enigszins rustig gemoed beginnen te kijken naar de wat bizarre film ‘The Shout’ (1978) van Jerzy Skolimowski.

HOPPER OFFICE IS A SMALL CITY.jpg

Gisteren bij IVD ging het over mijn toenemend ongemak wanneer ik me onder mijn soortgenoten begeef. Mijn onvermogen tot small talk. Pijnlijke stiltes, die minuten kunnen duren. Zelfs face to face, wat tot voor kort een genoegen was, worden gesprekken moeilijker, tenzij ik enkele glazen bier of wijn drink. Ik trek me terug in mijn ‘eigen’ wereld, maar welke wereld dat is en hoe hij eruitziet weet ik niet. Niet dat ik al actief banden aan het verbreken ben, maar ik onderhoud de vriendschappen niet, ik blijf in stilte wachten op een af ander teken. Ik praat met haar over depressie en zelfmoord in de literatuur. Daar las ik over in ‘Americana’ van Joost Zwagerman. Ernest Hemingway, Sylvia Plath, William Styron, David Foster Wallace, ze zijn met zovelen. ‘Darkness Visible’ van Styron heb ik destijds twee of drie keer gelezen. Ik herkende mij er gedeeltelijk in – maar ik leed toen zelf aan een depressie, veroorzaakt door een onhoudbare situatie op het werk. Mijn baas nam me een voor een mijn taken en verantwoordelijkheden af, waardoor ik op den duur hele dagen zat te niksen, terwijl ik ernaar snakte dat van mijn gaven, die ik zeker bezat, nuttig gebruik zou worden gemaakt. Dat is echter verleden tijd, vergeven maar niet vergeten. Zodra ik daar weg was, was de depressie ook weg.
Nu herken ik mij in een aantal karaktertrekken en attitudes – bij depressieve schrijvers – die Zwagerman in ‘Americana’ beschrijft. Kwetsbaarheid, niet kunnen omgaan met kritiek, met afwijzing, je in jezelf terug trekken, het gevoel hebben dat je geen gevoel meer hebt, dat niets je nog raakt, zelfs de mooiste muziek niet. Maar een depressie lijkt het nog niet te zijn. Ik sta vroeg op, geniet van het ontbijt, probeer te schrijven, lees verhalen en romans, ben nieuwsgierig naar waar de facebookvrienden mee bezig zijn en wil daar zelf ook dingen delen, kijk ’s avonds naar een film, drink een Rochefort, soms twee. Zo lang als het mogelijk is geen antidepressiva voor mij. Maar ik ben er niet zo gerust in. Het heeft ook niet alleen met mezelf te maken, integendeel. Terwijl ik dit schrijf worden mensen gefolterd, misbruikt, verkracht en gedood, worden steden en landschappen verwoest.

hemingway.jpg

A. vindt de stem van Patty Griffin irriterend, voor mij is ze echter rijk en expressief (niet aangenaam, of mooi, dat niet). Haar stem is die van het harde leven, je hoort er de pijn van de ziel in, verdriet, rouw; maar ze drukt ook hunker, lust, liefde uit. De muzikanten die haar begeleiden voelen elke nuance in haar stem aan en vertalen die naar hun instrumenten, borduren erop verder, en vervolmaken ze – elk in hun heel eigen stijl, wat je bijvoorbeeld hoort in hoe ze de snaren aanraken – tot er een song ontstaat die af is. Een song die, zoals een meanderende rivier in een Amerikaans landschap, perfect is ingebed in een album – in dit geval is dat het juiste woord. Album. Ik heb het over Patty Griffins ‘American Kid’.

PATTY GRIFFIN AMERICAN KID.jpeg

Afbeeldingen: The Shout; Bleri Lleshi; Edward Hopper, Office in a Small City; Ernest Hemingway; Patty Griffin, American Kid.

DE RODE KAMER

STOCKHOLM 053.JPG

Tussen mijn boeken zag ik August Strindbergs ‘De Rode Kamer’ (1879) staan, een autobiografische roman, die ik lang geleden met, zo meende ik mij te herinneren, veel aandacht en bewondering had gelezen. Het kon niet anders of ik had er destijds iets over geschreven.

In mijn dagboek uit 1980 vond ik enkele notities terug. Ik was toen inderdaad zeer onder de indruk van deze bijtende roman van een verbitterde schrijver. Ja, ik voelde me in een aantal opzichten – van innerlijke aard – zelfs verwant met het personage Olle Montanus. Strindberg introduceert hem als volgt:

“De ander was een geciviliseerd boerentype, met een gebroken maar corpulent lichaam, hangende oogleden, een mongolensnor; hij was uitermate slecht gekleed en leek op Joost mag weten wat – sjouwer ambachtsman of artiest – op een bepaalde manier zag hij er verwaarloosd uit.”

Olle Montanus is kunstenaar, bohemien en anarchist. Hij heeft zijn hele jeugd zwaar lichamelijk werk verricht, als landarbeider. Voor de boeren bestaat de natuur alleen als iets nuttigs – ze bezit, in hun ogen, geen ‘schoonheid’, geen ‘ziel’, wat ze voor veel kunstenaars en filosofen als Rousseau juist wel bezit of zeker in die tijd bezat.

Montanus onttrekt zich aan de nuttige arbeid, “de vloek van de zondeval”, en wordt artiest: hij gaat nutteloze arbeid verrichten. Hij geeft gehoor aan zijn vrijheidsbegeerte, en aan die andere drijfveer die iemand ertoe aanzet kunstenaar te worden, met name de hoogmoed. De kunstenaar wil herscheppen, beter maken, mooier maken, als het ware voor god spelen.

Nu ontstaat al gauw de behoefte aan erkenning van zijn nutteloze arbeid – zonder deze erkenning ziet hij onvermijdelijk zijn eigen nietigheid voor ogen, “dan houdt zijn scheppingsvermogen dikwijls op en gaat hij ten onder, want om weer te keren tot zijn juk, als hij eenmaal de vrijheid geproefd heeft, kan alleen de godsdienstige”. Montanus verliest nu het geloof aan de zin (“het hogere”) van zijn kunst, probeert zich weer “in de slavernij te begeven” maar dat is onmogelijk: de enige uitweg uit deze onhoudbare toestand is zelfmoord.

Het belangrijkste is uiteraard dat de kunstenaar het geloof in de zin van zijn werk niet mag verliezen. Maar beslist hij daar zelf over? Is daar inderdaad niet een zekere erkenning voor nodig? En wat als hij die erkenning uit de weg gaat of onmogelijk maakt? Betekent dit dat een kunstenaar of schrijver die voor de miskenning kiest ook voor de zelfmoord kiest?

STOCKHOLM 032.JPG

Foto’s: Martin Pulaski, Stockholm, 18 8 2013, Strindbergs werkkamer; enkele van zijn publicaties.

JEAN SEBERG: EEN AMERIKAANSE TRAGEDIE

jean-seberg-breathless4.jpg

Gisteravond zag ik een magnifieke documentaire over Jean Seberg, ‘Eternelle Jean Seberg’ van Anne Andreu. Hoewel ik haar levensverhaal ken was ik opnieuw verontwaardigd. Een geweldige actrice, een voorvechtster voor gelijke rechten, voor individuele en artistieke vrijheid, een idealistische vrouw die iedereen zou moeten bewonderen – kapot gemaakt door de paranoïde J. Edgar Hoover en zijn FBI-agenten en, ook dat verhaal klinkt vertrouwd, de gewillige media. Een vrouw die voor ons allen een voorbeeld had kunnen zijn, de ‘heldin’ van ‘A bout de souffle’, het eerste meesterwerk van Jean-Luc Godard, werd door hypocriete moraalridders zo lang opgejaagd en geïntimideerd dat er voor haar maar een uitweg meer bleef: zelfmoord. (Als het al zelfmoord was, want de mogelijkheid dat ze vermoord werd is nog altijd niet uitgesloten.)

jeanseberg2.jpg

Ik wil haar levensverhaal hier niet nog eens herhalen. Probeer de documentaire te zien, en zeker een aantal van haar films. Hieronder een kort stuk uit Wikipedia over de methodes van de FBI om iemand te ‘neutraliseren’.

“During the late 1960s, Seberg provided financial support to various groups supporting civil rights, such as the NAACP and Native American school groups such as the Meskwaki Bucks at the Tama settlement near her home town of Marshalltown, for whom she purchased US$500 worth of basketball uniforms. The FBI was upset about several gifts to the Black Panther Party, totalling US$10,500 (estimated) in contributions; these were noted among a list of other celebrities in FBI internal documents later declassified and released to the public under FOIA requests. The financial support and alleged interracial love affairs or friendships are thought to have been triggers to a large-scale FBI program deployment in her direction.

The FBI operation against Seberg used COINTELPRO program techniques to harass, intimidate, defame, and discredit Seberg.The FBI’s stated goal was an unspecified “neutralization” of Seberg with a subsidiary objective to “cause her embarrassment and serve to cheapen her image with the public”, while taking the “usual precautions to avoid identification of the Bureau”. FBI strategy and modalities can be found in FBI inter-office memos.

Jean_Seberg_Bonjour_Tristesse_Preminger.jpg

In 1970, the FBI created the false story, from a San Francisco-based informant, that the child Seberg was carrying was not fathered by her husband Romain Gary but by Raymond Hewitt, a member of the Black Panther Party.The story was reported by gossip columnist Joyce Haber of The Los Angeles Times and was also printed by Newsweek magazine. Seberg went into premature labor and, on August 23, 1970, gave birth to a 1.8 kg baby girl. The child died two days later. She held a funeral in her hometown with an open-casket that allowed reporters to see the infant’s white skin which disproved the rumors. Seberg and Gary later sued Newsweek for libel and defamation and asked for US$200,000 in damages. Seberg contended she became so upset after reading the story, that she went into premature labor, which resulted in the death of her daughter. A Paris court ordered Newsweek to pay the couple US$10,800 in damages and also ordered Newsweek to print the judgement in their publication plus eight other newspapers.

The investigation of Seberg went far beyond the publishing of defamatory articles. According to her friends interviewed after her death, Seberg experienced years of aggressive in-person surveillance (constant stalking), as well as break-ins and other intimidation-oriented activity. These newspaper reports make clear, that Seberg was well aware of the surveillance. FBI files show that she was wiretapped, and in 1980, The Los Angeles Times published logs of her Swiss wiretapped phone calls. U.S. surveillance was deployed while she was residing in France and while travelling in Switzerland and Italy. Per FBI files the FBI cross-contacted the “FBI Legat” (legal attachés) in U.S. Embassies in Paris and Rome and provided files on Seberg to the CIA, U.S. Secret Service and U.S. Military intelligence to assist monitoring while she was abroad.

FBI records show that J. Edgar Hoover kept U.S. President Richard Nixon informed of FBI activities related to the Jean Seberg case via President Nixon’s domestic affairs chief John Ehrlichman. John Mitchell, then Attorney General, and Deputy Attorney General Richard Kleindienst were also kept informed of FBI activities related to Jean Seberg.”

jeanseberg1.jpg

Jean Seberg was een unieke en moedige, maar soms ook wanhopige en rusteloze vrouw; over haar zou ongeveer hetzelfde kunnen geschreven worden als wat Antonin Artaud opmerkte in zijn ‘Van Gogh le suicidé de la société’: “Il y a dans tout dément un génie incompris dont l’idée qui luisait dans sa tête fit peur, et qui n’a pu trouver que dans le délire une issue aux étranglements que lui avait préparés la vie.”

HET LEVEN EEN FILM: PAPER FLOWERS

waheeda rehman.jpg

In mijn jeugd was ik vaak vrolijk, of toch opgewekt en avontuurlijk, ondanks een zwakke gezondheid en soms erge pijn. Zoals heden kende ik echter ook dagen van melancholie, maar die waren zeldzaam en duurden niet lang. Bovendien wist ik helemaal niet wat melancholie was. Soms is het beter de dingen niet te kennen, er weinig over te weten. Vooral kan het onrust voorkomen de woorden die bij dingen en verschijnselen horen niet te kennen. Waar komt die zucht naar woorden vandaan en het ongelukzalige verlangen naar kennis en weten?

Vanaf mijn twintigste ongeveer raakte ik gefascineerd door zelfmoordenaars. Is daar een verklaring voor te vinden? Ik ken er maar een: de zelfmoord van mijn tante Georgette, die door iedereen tante Jos werd genoemd. Het is echter een fenomeen dat nogal veel voorkomt. ‘The imp of the perverse’, de fascinatie die uitgaat van het verschrikkelijke, van de horror. Jeroen Brouwers lijkt wat dat betreft op mij. Hij heeft veel en mooi over zelfmoordenaars geschreven, ik denk dan in de eerste plaats aan ‘De laatste deur’. Veel heb ik over het onderwerp geleerd van A. Alvarez, auteur van ‘The Savage God’ en vriend van Sylvia Plath. Overigens is Sylvia Plath wellicht de beroemdste bewoonster van de zevende kring in Dante’s Hel.

Op 2 juni 1987 – mijn verjaardag – zag ik een eerste keer het Indische meesterwerk ‘Kaagaz ke phoo’ (‘Paper Flowers’), een film uit 1959 van de legendarische Guru Dutt. Ik had nooit eerder van de regisseur gehoord, wist hoegenaamd niet dat hij enkele jaren na het beëindigen van dit werk, destijds een flop, zelfmoord zou plegen. Toch had ik het kunnen, had ik het moeten weten: er bestaan maar weinig films die zo naar de strot grijpen als ‘Paper Flowers’. Het is een van de triestigste liefdesverhalen die ik ken. Alles straalt daar diepe melancholie uit. Nee, niet alles, gelukkig maar, anders zou je als kijker bij het verlaten van de cinemazaal meteen onder een tram of bus springen. Als je nog zit te huilen begint er alweer een grappige scène of wordt er een geestig lied gezongen: een lach en een traan, maar de traan is van lood, de lach lichter dan een papieren bloem.

guru dutt,paper flowers,kaagaz ke phoo,waheeda rehman,geeta dutt,india,cinematiek,liefde,melancholie,verdriet,ondergang,vergetelheid,troost,schoonheid

Gisteren had ik het genoegen de film eindelijk op een groot scherm te zien, in het Filmmuseum (Cinematek) in Brussel. Opnieuw een openbaring, opnieuw die melancholie, opnieuw die door merg en been gaande muziek van S.D. Burman, gezongen door Geeta Dutt en Mohammad Rafi, opnieuw die adembenemende fotografie. Een nogal geschonden kopie die desondanks een even hoge kwaliteit laat zien als die van het werk van regisseurs als Orson Welles. ‘Paper Flowers’ is uitgesproken autobiografisch. Guru Dutt speelt de hoofdrol, de trotse filmregisseur Sinha, die gescheiden leeft van zijn vrouw en dochter en zich aangetrokken voelt tot de verbluffend mooie actrice Shanti (gespeeld door Waheeda Rehman, een jonge actrice die op z’n minst even aantrekkelijk en sensueel is als Hope Sandoval). Guru Dutt had in werkelijkheid ook een liefdesverhouding met Waheeda Rehman. Hij leefde gescheiden van zijn vrouw Geeta Dutt en zijn drie kinderen. De protagonist wordt verscheurd door de liefde voor Shanti en voor zijn dochter Pammi. Als Shanti de regisseur laat vallen wordt het gezin misschien herenigd: dat is wat Pammi heel sterk verlangt en waar Shanti, uit liefde voor Sinha, aan toegeeft. Overigens speelt het geroddel in de boulevardpers over haar vaders affaire  een belangrijke rol in de beslissing van Pammi om Shanti te verzoeken haar minnaar te verlaten. De moeder zal echter beletten dat Pammi haar vader nog te zien krijgt. Sinha, de regisseur, blijft alleen achter, een nog steeds trotse maar desondanks gebroken man. Hij geraakt aan lager wal, drank wordt zijn enige toevlucht. Zijn roem was van korte duur. Na de val keren al zijn vrienden hem de rug toe. Binnen de kortste keren is iedereen hem vergeten.

guru_dutt_.jpg

Ik vertel de film ogenschijnlijk na, maar eigenlijk doe ik dat helemaal niet. Het kan niet. Je moet hem zien, ondergaan, ervaren, je moet er bij zitten lachen, huilen, alle emoties moeten zich gedurende bijna drie uur van je meester maken, tot je uitgeput en aan zinsverbijstering ten prooi het licht in de zaal ziet aangaan. Het verhaal van de liefde en de val gaat ook niet alleen maar over Sinha, Shanti, Pammi en hun entourage. Het gaat over de wereld en het leven. Niets duurt hier lang, geluk is kortstondig, liefde duurt slechts een ogenblik, aan alles komt een einde, vrienden laten elkaar in de steek, geliefden gaan hun eigen weg. De tuin vol wonderlijke bloemen wordt een woestenij. Het enige wat overblijft is de herinnering aan de glinstering in de ogen van een bekoorlijke en lieve vrouw, en het zachte en troostende treuren in de stem van een zanger en een zangeres. De herinnering.

 

Afbeeldingen: Waheeda Rehman, Geeta Dutt, Guru Dutt.

THE PARASITES WILL LOVE YOU WHEN YOU’RE DEAD: VOOR MARK LINKOUS

mark_linkous_sparklehorse

Toen gisteren voor mij de dag begon, wat later dan anders, was ik nog opgewekt van een fijne zaterdagavond in Antwerpen, met vrienden – en de muziek van zéro de conduite zinderde nog na in mijn hoofd, meest van al nog Elvis Costello’s ‘Man Out Of Time’.  Ik maakte wat grapjes op facebook, en stelde de vraag of een tomaat een groente is of iets anders. En dan las ik het nieuws dat Mark Linkous zich kort tevoren van het leven had beroofd. De tintelende lichtheid, nog aangewakkerd door een stralende zon, was meteen weg. Je kent het gevoel. Iemand die je hebt bewonderd, een authentiek songschrijver, een bezield kunstenaar, een begenadigd dichter met woorden en geluiden, is er opeens niet meer. Een verlamming maakt zich van je meester. Pas een uur later heb ik ‘It’s A Wonderful Life’ durven opleggen, een van de mooiste platen van Sparklehorse, een uur vol stille verwondering en ontzag voor de wereld en liefde voor de kleine dingen. Maar ik heb niet lang geluisterd. Het ging niet. Ik kon niet. De betoverde wereld was opeens een tranendal geworden, en de Mark Linkous bracht er verslag van uit, zoals ooit Dante van de Hel.
Wat ik daarna gedaan heb is de mooiste clips die ik op YouTube kon vinden op Facebook geplaatst. Een rouwbetoon van deze tijd. En ik kon me laten gaan, ik had niet veel woorden nodig. Maar naarmate de dag vorderde vond ik alsmaar meer dat ik iets moest ZEGGEN. Ik had me wel voorgenomen om nooit meer een in memoriam te schrijven. Laat dit dan ook geen in memoriam zijn. Lees dat maar in de walgelijke kranten en tijdschriften, waarin alleen nog sensatie telt.

Dit hier zijn de enige woorden die ik kan vinden, een dag later, op een maandagochtend, terwijl het buiten vriest. Mark Linkous heeft niet voor niets geleefd. Hij heeft een klein oeuvre gecreëerd, dat op veel mensen diepe indruk heeft gemaakt. Sparklehorse was een van de beste, meest originele bands van de voorbije twintig jaar. Mark Linkous heeft niet één overbodige song geschreven. Als hij er niet was geweest zou ik een andere mens zijn. De muziek van Mark Linkous zal over honderd jaar nog worden beluisterd.

Ω

“The parasites will love you when you’re dead’ is een regel uit ‘Weird Sisters’, een song op de eerste plaat van Sparklehorse, ‘Vivadixiesubmarinetransmissionplot’ uit 1995.

sparklehorse2

 

EEN TREINRIT

thomas

Op de trein. Ik heb plaats genomen in een coupé die veel weg heeft van een badkamer. Er staat de reizigers zelfs een wastafel met stromend water – koud en warm – ter beschikking.
Thomas is bij me komen zitten om wat met me te praten, over ernstige dingen. Zo vertelt hij me onder meer dat hij een paar weken geleden geprobeerd heeft zich van kant te maken, met een scheermesje.
“Het is natuurlijk weer mislukt”, zegt hij, “ik ben zo zenuwachtig”.
“Dat is van de koffie”, zeg ik op vertrouwelijke, medeplichtige toon, “we drinken teveel koffie”.
Thomas knikt instemmend.
“Ik weet het”, zucht hij dan.
We zwijgen even, kijken niet naar het landschap maar recht voor ons uit.
“Toch is zelfmoord een goede oplossing”, zegt Thomas.
“Ik vind dat helemaal geen oplossing”, zeg ik. “Mensen die zelfmoord plegen zijn laf. Ze kunnen hun eigen ellende niet meer de baas, ze kunnen niet meer verder leven met hun schuldgevoelens en hun angsten. Dus wat doen ze? Ze onttrekken zich eraan. Ze zetten er een punt achter.”
“Dat is geen lafheid”, zegt Thomas, “het getuigt veeleer van inzicht, van een nuchtere kijk op de stand van zaken in de wereld en in het leven.”
“Het is lafheid omdat ze er niets mee oplossen”, zeg ik, “ellende, schuld en angst gaan niet mee de dood in… Dat is de nalatenschap voor degenen die hen gekend, met hen samengeleefd, aan hen gedacht hebben”.
“Die moeten dan ook maar zelfmoord plegen”, lacht Thomas.
“Je bedoelt een soort ‘kosmische zelfmoord’?”, vraag ik enigszins spottend. (Ik kan dit gesprek niet langer au sérieux nemen).
“Ja ongeveer zoals Spinoza dat zag”, zegt Thomas.
Gekscheert hij nu, of meent hij dit ernstig? Ik weet het niet meer. Onzekerheid en verwarring maken zich van me meester. Moet ik hem, er zorg voor dragend hem niet te kwetsen, op de denkfout wijzen? Maar als het om een grap ging, wat heel goed mogelijk is met Thomas, zou ik me op die manier belachelijk maken. Aan de andere kant kan ik toch moeilijk doen alsof die fout geen fout was, want dat zou pas echt kleinzielig zijn – als het Thomas ernst was.
Dan komt de trein aan in Roosendaal, waar ik moet uitstappen voor zaken.

Foto: Agnes Anquinet, Martin Pulaski in de trein.

DEPRESSIE: HET DONKERE HART

Arnold BÖCKLIN, Arnold, Selbstporträt mit fiedelndem Tod, 1872

Depressie, daar staat het woord. Het wordt te pas en te onpas gebruikt, zodat je er achteloos aan voorbijgaat, eroverheen leest. Je had zelf al wel eens een dipje, je voelde je wel vaker depressief, je had vrienden die aan depressie leden, drie van hen hebben zich al jaren geleden de dood in gejaagd. Het woord ‘zelfmoord’ mag je niet gebruiken. Nu heb je zelf een depressie, een echte, een klinische depressie. Het heeft met neurotransmitters en serotonine en zo te maken, wordt gezegd. Een klinische depressie is een ernstige stemmingstoornis. Je hebt nog weinig belangstelling voor om het even wat. Alleen muziek en bewegende beelden doen je nog iets. Hoe eerlijk kun je hier over schrijven? Zijn deze openhartige notities geen vorm van exhibitionisme? Ik denk het niet. Het boek dat Geerten Meijsing over zijn depressie schreef  – ‘Tussen mes en keel’ – is een aangrijpend relaas en volkomen eerlijk. Wees gerust, zelf zal ik er geen boek over plegen, aangezien het al bestaat. Er zijn er nog andere, dan dat van Geerten Meijsing, zoals ‘Darkness Visible’ van William Styron, de schrijver van ‘Sophie’s Choice’.

Je voelt je geestelijk en fysiek uitgeput. Je loopt traag over straat, terwijl je nog niet zo lang geleden zeer snel stapte (maar nooit zo snel als je zoon). Je geraakt niet vooruit. Je hebt geen lustgevoelens. Vanavond niet schat. Toch lig je hele nachten wakker en besluipen je dan allerlei angsten en angstgevoelens. Je vreest de algehele aftakeling en de dood. Je gelooft niet in jezelf. Je denkt dat je je werk niet meer aankan. Je kan maar niet beslissen om de verzekeringsmaatschappij te bellen, of andere administratieve zaken in orde te brengen. De kraan in de badkamer moet worden vervangen, je fiets hersteld. Je kunt helemaal niets beslissen. Als je boodschappen doet vergeet je de kip voor de waterzooi. Je voelt je schuldig omdat je niet kunt werken. Je denkt dat niemand nog respect voor je heeft. Je hebt zelf geen respect meer voor jezelf. Het is alsof je in het tegenovergestelde van een roes leeft, een anti-roes. De psychiater schrijft je antidepressiva voor, maar daar word je ziek van, ze wekken braakneigingen op, je zweet ervan als een oude os, je geeuwt de hele dag door, je krijgt pijn in de borststreek… Het is een vicieuze cirkel: medicatie om te genezen en je wordt er ziek van. Catch-22, voor wie het boek van Joseph Heller of de film van Mike Nichols kent. Tijd heelt alle wonden, zeggen de mensen. Zouden de mensen gelijk hebben?


Afbeelding: Zelfportret met de dood die viool speelt, Arnold Böcklin.