MIJN STAD IN DE BOMEN

regenboog2009

Huisarrest, daar lijkt het op, zo thuis zitten wachten tot het over is. Je zet de tv aan, je zet hem weer uit. Er is niets op tv. Dat wist je al. Je kunt – inderdaad – naar een van de duizenden filmklassiekers kijken, Sunset Boulevard, Two Lane Blacktop, Fat City, om er maar enkele te noemen. Maar je hebt ze allemaal al zo vaak gezien. Alleen het noemen van hun titels vermag je nog enig hartzeer te geven. Hartzeer, geen plezier; tintelingen, een afgestompte vorm van seksueel genot. Je langspeelplaten zitten in onzichtbare dozen. Juwelen in een grote scheepskist, met de familienaam van je moeder erop. Waarom de naam van je moeder. Dat is een lang verhaal, wat me als ik het zou vertellen in 1919 zou laten aankomen (en mijn imaginaire reis een halt toeroepen). Kortademig als ik ben vertel ik voorlopig geen lange verhalen. De energie om de onderdelen aan elkaar te lassen bezit ik niet, evenmin als een degelijke bril om m’n ogen te beschermen.

Denk je dat ik bedroefd ben, omdat ik geen boeken noem? Nee, ik noem geen boeken, niet omdat ik bedroefd zou wezen, maar omdat je geen boeken noemt met koude vingers en een zeer hart. Ik, of was jij het? Wij hebben al teveel boeken genoemd in ons lange leven. We verheugen ons daar over. Over de geheimen die we op die manier hebben ontdekt. Ik bedoel, voor we de titels en de namen noemden, toen we de woorden lazen. Als we ziek in bed lagen en buiten naamloze vogels zongen. De naamloze krekels en sprinkhanen hun gang gingen. En het geruis van nog jonge bladeren in de platanen. Een beetje wind. Toen we naar adem hapten, de lakens nat van de koorts, en toch zeker van een genezing, gauw, ongetwijfeld bij zonsopgang. En bij zonsopgang waren we genezen. Daarna aten we erwtensoep, aardappelen, paling, dronken water, limonade. En de volgende dag, een zondag, klom ik in de bomen en bouwde er mijn stad, die glinsterde in het zonlicht. Mijn stad van naamloze vogels en waternimfen (want de bomen groeiden kort bij een rivier). Mijn onbewoonde stad, waar de toekomst juichte. Neem van me aan dat ik er vrij was.

IN DE BLAUWE KAMER: STILTE

blauwekamer1

Deze kamer is voldoende voor het blauwe licht en de weinige blauwe vogels die hier binnen komen zingen. Raven mogen dan al wel op mijn ramen kloppen, maar binnen laat ik ze niet, dat is voor later, net voor de aasgieren aan de beurt zijn. Voldoende ruimte voor het geluid van de golfslag van de blauwe oceaan op het kiezelstrand, van de transistorradio die volksliederen van Bartok speelt. Voor de ademhaling van de grond waarop je blootsvloets loopt, onbevreesd voor een tornado of een ander natuurverschijnsel. Je zegt, ik ben zelf natuur, ik ben één, waarmee ik het niet eens ben, maar daar zwijgen we over. Ik wil dat we het eens zijn met elkaar in deze kamer. Voor onenigheid is er geen ruimte, tenzij ze blauw licht uitstraalt, het blauw van je slagaders en je pompende hart, van een bokser uitgeteld, gevloerd, al bijna vergeten.

Je bent zo stil. Ik zat al de hele dag op je te wachten en ik dacht, ze zal me veel te vertellen hebben. Maar je bent zo stil. Zag je niet de stille oceaan in de lucht; achter een vliegtuig vormde hij een sierlijke maar rumoerige staart? Heel even dacht ik, een boerenbruiloft, een boerenbetoging. Maar de staart was geschoeid, terwijl boeren toch blootsvoets hun veld verkennen, zeker op zondag. Hoewel het vandaag geen zondag is, natuurlijk. Dat weet ik nu ook nog wel. Een zondag zou je stilte verklaren. Wie spreekt er op zondag? Zelfs een mus houdt dan zijn bek. Ik weet dat je je afwezigheid op een zaterdag nader zou verklaren. Je zou me zelfs woorden van liefde in het oor fluisteren. Dat hoort zo op zaterdag. En bloemen, blauwe bloemen. Maar zaterdag is het evenmin. Het is dinsdag. Een dag om te tateren of te schateren, als het maar geluid maakt. Maar je bent stil. En nu word ik zelf ook helemaal stil. Ik zeg geen woord meer. Koningen en pausen, bedelaars, pompiers, slangenbezweerders mogen hier voor de deur staan. En bellen, bellen, bellen. Ik doe niet open, ik zeg geen gebenedijd woord meer.

RITUELEN

PORTUGAL1

Mannen dragen zware kaarsen naar boven, de heuvel op, over de steile grindweg. De toeschouwers juichen de fallus toe. Maar er is ook een god in het spel en een heilige uit de streek. God zit nu wel in een hoek, in een kerker. Nee, god is dood, maar niet vergeten. Mensen die gaan sterven denken wellicht nog eens aan dat denkbeeldig wezen, de onheilstichter, die onze voorouders in leven hebben geroepen. Het theater van de wreedheid heeft een punt gezet achter die hele purperen rimram, liturgie en mythologie. Geen duidelijk punt, want we houden er sterke verhalen aan over. De oude geschiedenissen waren niet umsonst. De oude verhalen. Het menselijke, al te menselijke gedoe.

Je begroet elkaar vriendelijk ’s ochtends en begluurt elkaar met enige vijandigheid en achterdocht, al om tien uur, elf uur. Je passeert elkaar op een brug. Kennen wij elkaar ergens van? Kennen wij elkaar nog? Er is niets dat ons met elkaar verbindt, tenzij wat gedoe, wat kaarsen, wat fallussen, wat souvenirs – en namen van zangeressen, soms. Tenzij wat namen van heiligen, dood en begraven, wat plaatsnamen, wat acroniemen, wat kruiswoordraadselwoorden. Kennen we elkaar ooit, tenzij als we dronken zijn van een mysterie, of gewoonweg van de wijn? Zonder in een hospitaal te worden verzorgd? In een restaurant te worden beglimlacht? Kennen we elkaar nog van zinnen, bijvoorbeeld van geur, van huid, van adem?

Daarboven is het te doen. De zon die ons lokt, zoals de vogels, maar triomfantelijk en met meer geweld. De zon die ons koestert en ons vernietigt op de heuvels, maar ook in de kale vlakten. De zon dan maar aanbidden bij gebrek aan een ander fenomeen – en als ze ondergaat drink je haar hete wijn.

Je spreekt de geheimspraak van haar vuur, je doorgrondt haar symbolen, je weigert te sterven, tenzij de zon sterft en alles donker, alles zwart wordt op de heuvels en in de vlakten. Tenzij de woorden, de namen worden uitgewist. Hephaestos, Johannes de Doper, Gubbio, Tigris, Francis Bacon en Godfried van Bouillon. Duizend, honderdduizend andere namen uitgewist. Hersencellen. Sonny Boy gone!

Mezelf ben ik niet het liefst. Als naamloze vrouwen hun heupen wiegen, hun borsten als druiven, als perziken, juwelen uit de kroon van een verdorven koningin, een vorstin voor maar een dag. Als speren ter sprake komen en verre steden, in Azië, Noord-Afrika en de Aran Eilanden. Herinneringen aan Johanna de waanzinnige. Gertrud. Koningin Cristina beschreven door Roland Barthes. Namen, zei ik al. Mezelf ben ik niet het liefst.

De klokken luiden. De klokken luiden ook al wordt nu bijna overal de liefde bedreven, ook al kennen wij niet het getal. Wij zijn geen aanhangers van het getal. Wij kijken naar het woord dat vlees wordt, alsof er toch nog goden zijn. Maar wij maken zelf vlees van de woorden met onze liefde, met onze seks. De klokken luiden, een twee drie. De poezen liggen lui in de zon, een twee drie.  Bloemen bloeien, er wordt geschoten, bloed vloeit, de kruiden verspreiden hun geuren, altijd maar nieuwe parfums moeten de geur van de doden in de velden en op de heuvels omhullen als onzichtbare lakens. De klokken luiden. Mannen dragen zware kaarsen naar boven. Sommigen vallen neer, bereiken de top niet, angstzweet, doodstrijd, een krans van zonnebloemen en klaprozen. Vrouwen weven guirlandes. Dichters spreken het afscheid en vrezen het onnoemelijke. Dichters spreken het afscheid en vrezen het onnoemelijke.

BEELDEN UIT PORTUGAL MEEGEBRACHT

Clichés zijn soms waar. Bijvoorbeeld dat beelden soms meer zeggen dan woorden. Ik bedoel echte beelden, ontstaan voor de taal tussenbeide komt, gemaakt alsof je van tevoren al weet dat je toch geen woorden zult vinden om te beschrijven wat je ziet, wat je zag. Dat gebrek ervaar ik nu inderdaad. Daarom hieronder enkele beelden die ik meebracht uit Portugal. Ik ben niet zo voor het publiceren van vakantiekiekjes, maar nu kan ik er niet aan weerstaan. Vergeef me!

scarlet head II

chestnut vendor

the yellow house and the sky

reading on a chilly afternoon

endless beach

tavira scene

a great day

remake / remodel

take these shells

WAAR IN DEZE BARRE TIJDEN VIND JE NOG EEN HOER?

Eulalia

Helaas is er geen rumhoer in mijn omgeving te bespeuren. Tijdens mijn wake had ik er zo naar uitgekeken: een of meerdere rumhoeren in het landschap… Vrees echter niet: het is een interieur, doch ook weer niet een innerlijk landschap. Niet het werk van een Oude Meester is het, maar een doodernstige plek. Als je niet op je hoede bent ga je er misschien wel dood. In je rug kan weliswaar geen mes of wat dan ook worden gestoken, want daarmee zit je naar de muur, of meer precies, een grijze wandkast, gekeerd. Toch is en blijft het een interieur waar veel messen worden geslepen. Als je je werkplek even verlaat voor een of andere behoefte ben je maar best op je hoede. Wat eigenlijk niet ongewoon is, want waar worden geen messen geslepen? Of punaises op stoelen gelegd? (Een mooi woord, punaise, je proeft het zo, bijna als een aardbei, op je tong.)

Wellicht was je niet echt wakker, toen je naar die supersensuele en exotisch ‘ogende’ rumhoer uitkeek, een vooralsnog reine maagd of een onder make-up bedolven deerne, die je verwelkomen zou met koffie en zoete koeken – de rum zou voor later zijn, rondom lunchpauzetijd, het moment voor lunchpauzegedichten en andere verdwijningsoefeningen, en de werkdag zou afgesloten worden met hoererij. Iedereen in de rij, en dan de hoer op. Of was het de hort? Want geef het maar toe, je lijdt niet alleen aan dwangmatige obsessies, je hebt daarbij ook nog eens last van echolalie. Eulalie! Als je een dochter zou hebben zou ze zo heten. Want waarachtig, bestaat er een mooiere naam? Anna misschien, omdat je hem in meerdere richtingen kunt lezen. De wind buiten beschouwing gelaten. Maar met een Anna loopt het zelden goed af, niet? Wie in haar tijd had kunnen vermoeden dat Anna de heilige grootmoeder gods zou worden? Lady Macbeth is een karwei, maar wie wil de grootmoeder gods spelen?

Hoe kun je toch werken zonder rumhoer in je nabijheid, zal de lezer denken. Het antwoord is: helemaal niet. Als er geen reële rumhoer voor, naast, of achter je zit, ligt of staat, kun je niet werken, omdat je je dan moet concentreren op een irreëel verschijnsel. Wat nabij is kun je vergeten, negeren, uitsluiten. Wat niet nabij is, wat niet bestaat, moet je echter onder ogen zien, desgevallend gebruik makend van je geestesogen. Dat heb jij – in 1967 reeds – van the Small Faces geleerd. Steve Marriott en Ronnie Lane formuleerden het als volgt:

Everybody I know says I’m changing
Laughing behind their backs, I think they’re strange
People running everywhere, running through my life
I couldn’t give a care because they’ll never see
All that I can see with my mind’s eye.

Niet alleen rakelen die blitse popjongens de geschiedenis van de rumhoer telkens weer op, maar je kunt er ook nog eens op dansen. Je moet. Terwijl je toch pijn hebt aan je voeten, je knieën en je rug. Dat is van het vele zitten. Dat komt vanzelf als je veel zit. Wacht maar. Als je lang genoeg wacht komt het vanzelf. Maar eigenlijk zou je niet mogen wachten. Je zou moeten dansen met een rumhoer of met een vee.  Met een imker kan ook. Een imker die met sandelhouten wierookstokjes zwaait. Desgevallend met twee veeën, met meerdere imkers. En uit het landschap stappen dat geen landschap is, alleen zand in de ogen en de mond. De vreselijke werkelijkheid in, op de rand van de afgrond. Het is er de hoogste tijd voor. Dan is het gedaan met al dat dwaas gedoe. Maar is dat niet gemakkelijker gedaan dan gezegd, of hoe was het ook weer? Misschien moet je de moeder van de heilige maagd eens raadplegen? Dat was alvast geen rumhoer, en in die hoedanigheid niet bevooroordeeld in deze hele kwestie. Toch is het mogelijk dat ze in haar prille jaren een “barefoot girl dancing in the moonlight” was. Dat opent nieuwe perspectieven.

Afbeelding: Prinses Eulalia.

WAAR LIGT MADRID?

agnes in madrid

Die vliegtuigcrash in Madrid is natuurlijk erg en wat ik nu ga schrijven betekent bijgevolg weinig… Maar als ik in De Standaard Online lees ‘in de Spaanse stad Madrid’ voel ik mij beledigd. Elke Belg (of Nederlandstalige) die heeft leren lezen en schrijven zou zich beledigd moeten voelen. Denkt De Standaard Online dat wij echt zo dom en onwetend zijn dat we niet weten waar een van de grootste steden van Europa, een hoofdstad dan nog wel, ligt? Ik maak het meer en meer mee, dat belerende toontje, ook op televisie, alsof wij allemaal kleuters zijn die volstrekt niets weten. In dit geval is het na-aperij van de Amerikanen die bij elke stad vermelden in welke staat of welk land ze is gelegen. Dat betekent niet dat de Amerikanen zo dom zijn. Er zullen nogal wat Amerikanen bestaan die Liechtenstein niet op de wereldkaart kunnen terugvinden, maar dat kan ik ook niet. De Amerikanen hebben echter die gewoonte ontwikkeld om bij plaatsnamen ook de staat te vermelden omdat er in de Verenigde Staten heel veel plaatsen Europese (en andere) namen hebben. Ongetwijfeld is er daar meer dan één Madrid, er is zelfs een Toledo, en iedereen heeft al van Paris, Texas gehoord. Bij hen heeft die gewoonte met duidelijkheid te maken, om verwarring te voorkomen. En nu zwijg ik erover, en houd ik me verder bezig met belangrijker problemen.

En met plezierige dingen, zoals de verjaardag van mijn geliefde vrouw. Gelukkige verjaardag Laura, Senga, Daphne, Agnes en ik weet al niet goed meer welke namen ik je nog allemaal al heb gegeven. Astarte, destijds, toen ik nog een jonge, romantische dromer was, die met ‘The White Goddess’ en Mario Praz dweepte. Gelukkige verjaardag, liefste.

Wat is dat plaatje van Justin Townes Earle toch mooi! The Good Life. Ja, soms is dat waar, soms is het leven goed, soms is het leven mooi. Heel soms. Maar je mag niet te lang nadenken, bijvoorbeeld over de eerste zin van dit stukje gemurmel.

Ω

Foto: Agnes in Madrid op een mooie zomerdag. Ze rookte nog. En ze was blond. Tijden veranderen.

TIM HARDIN : EEN VERLOREN DROOM

tim hardin
Foto: Martin Pulaski

Ik wil al heel lang iets schrijven over Tim Hardin, een van mijn antihelden, (waarvan ik er nogal wat heb, geloof ik). Antihelden zijn vaak de echte helden, net omdat ze geen echte helden zijn. Je kunt Arthur Rimbaud toch moeilijk een held noemen? Rambo? President John F. Kennedy? De zeven samoerai? Koningin Fabiola? Ach, laat maar, ik mag vooral de draad niet verliezen, terwijl ik daar nu net zoveel zin in heb. Verdwalen in vreemde woorden, in vertrouwde zinnen, als in gevaarlijke steegjes, na middernacht.  ‘Cul-de-sac’ heb ik overigens altijd al een mooie uitdrukking gevonden. Maar mijn wijze van verdwalen is geen echt dwalen, ik blijf meestal op mijn hoede, mijn bewustzijn is minder vaak uitgeschakeld dan je wel eens zou kunnen denken. Ik ben meestal voorzichtig, in steden net zo goed als in woestijnen. Ja, en ook in wat ik schrijf ben ik een voorzichtige jongen, en beland ik al snel weer op het juiste pad.

Dinsdagavond ben ik aan dit stukje begonnen, maar door allerlei toestanden, waaronder aangename, een etentje met een goede vriendin, en onaangename, fijn stof in het appartement, de indringende geur van verf, een bezoek aan het UZ in Jette (waarover later misschien meer), heb ik niet door kunnen werken. Schrijven is inderdaad werken, ook als is het maar voor een blog (iets waar Supermannen als Serge Simonart op neerkijken), ook al is het een aangenaam tijdverdrijf. Schrijven is niet wachten op inspiratie, want die komt niet. Schrijven is bedenken, combineren, uitvinden. Is het niet vooral vragen stellen?

Nu wil ik dit ‘verhaal’ toch afwerken. Gisteren liep ik na het bezoek aan het ziekenhuis even een consumptietempel binnen, en daar vond ik een zeer ontroerende langspeelplaat, getiteld ‘The Future Is Unwritten – Joe Strummer’. Joe Strummer bewonder ik mateloos. Dank zij hem en enkele van zijn geestverwanten ben ik destijds opnieuw naar rock & roll gaan luisteren. Tot mijn spijt heb ik Joe’s radioprogramma nooit kunnen beluisteren. Deze soundtrack van een documentaire film van Julien Temple is een hulde aan de muzikant Joe Strummer, maar ook aan de radiomaker van Radio Clash. Waarom vertel ik dit nu eigenlijk? Omdat een van de songs op de soundtrack, toevallig of niet, ‘Black Sheep Boy’ van Tim Hardin is. En deze middag kreeg ik een sms van mijn vriend, mister Koen, verblijvend in het Verre Westen van België, of ik niet eens een best-of-cd van Tim Hardin wil samenstellen (en aan mijn Laura vragen welke liederen van Hardin zij het liefste hoort). Toevalligheden.

Zoals je weet of niet weet ben ik al zeer lang een bewonderaar van John Lennon. Maar was het niet zielig – en typisch – dat niemand, ook ik niet, treurde toen Tim Hardins dode lichaam een paar dagen na de moord op John werd aangetroffen, als ik me nog goed herinner in een stinkend appartement ergens aan de Westkust, waarschijnlijk in Los Angeles. Onze vreselijke woede en onze ontzaglijke droefheid waren uitsluitend naar een dode held, gevallen aan de ingang van de New Yorkse Dakota Building gegaan, en we wisten meteen dat ‘Rosemary’s Baby’ daar voor een deel was gefilmd en dat die en die er hadden gewoond of nog woonden, onder meer Lauren Bacall. Over John Lennon wisten we alles, maar dan ook alles.

Wat wisten we over Tim Hardin? Laat in december 1980 drong het tot me door dat hij dood was, gestorven van de drugs waar hij al jaren mee knoeide. Sinds hij als vrijwilliger (‘marine’) gevochten had in een of andere kleine smerige oorlog, waar het Amerikaanse bestel – ook nu nog – zo in excelleert. Misschien vocht hij ook helemaal nergens tegen niemand, want Tim was net zoals Bob Dylan zeer goed in het verzinnen van zijn biografie. Tim Hardin beweerde ooit dat hij een rechtstreekse afstammeling was van de bloeddorstige outlaw John Wesley Hardin. Wat wisten we nog meer? Dat hij een bewonderaar was van Hank Williams, hij had er een lied over geschreven, waarin hij hem ‘mijn vriend’ noemde. En Nico had ongetwijfeld veel van Tim Hardin gehouden, vermoedden we. Zij was geen ‘hypnotist collector’ maar verzamelde gretig singer-songwriters zoals onder meer de jonge Jackson Browne, John Cale, Lou Reed, Jim Morrison, en wie weet wie nog allemaal. Haar mooiste elegie zong ze voor een andere junkie, Lenny Bruce. Het was een song van Tim Hardin. Zo staat het toch op de hoes van ‘Nico: Chelsea Girl’. De originele versie heb ik nooit gehoord. Arnold Rijpens zal daar wel meer over weten.

Ik hield van de songs van Tim Hardin en hoe ouder ik word hoe meer ik er van houd. Ik weet niet meer hoe ik de zanger ontdekt heb, maar zeer waarschijnlijk door zijn songs. Want daar was hij een meester in. Hoewel hij heel vaak stal, zoals alle folkzangers en singer-songwriters en rock & rollers deden en nog altijd doen. Maar waren het the Four Tops met ‘If I Were A Carpenter’, of was het de halve crooner / halve rock & roller en deeltijdse folkie Bobby Darin, (herinner je ‘Splish Splash’ en ‘Dream Lover’) door wie ik hem op het spoor kwam? Er waren tevens uitstekende beatgroepen die zijn composities coverden, zoals the Small Faces (‘Red Balloon’, ‘If I Were A Carpenter’),  en Tee-Set (‘Hang On To A Dream’). Dan was er nog de cover van ‘Reason To Believe’ door the Youngbloods, die mij tot tranen bewoog. Rod Stewarts versie van dat nummer is trouwens ook erg mooi.

Ongetwijfeld heb ik Tim Hardin voor het eerst gehoord op Radio London of in het Nederlandse radioprogramma Superclean Dream Machine. En het was zeker in Amsterdam, op het Waterlooplein, op een zeer koude dag in maart of april 1970, dat ik de eerste keer een elpee van Tim Hardin kocht. Ik bezit ze nog altijd en zal er pas afscheid van nemen als de tijd is gekomen. Maar laten we niet melodramatisch worden. Ik heb mijn cd’s al op een stapeltje gelegd. Straks of morgen begin ik aan die compilatie. Ik zal er wat mooie covers tussen mixen, ‘Black Sheep Boy’ door Scott Walker, ‘Shiloh Town’ door Mark Lanegan, een nummer dat ik als ik met wat vrienden heb zitten drinken soms ook wel eens stukzing. Ik kan namelijk helemaal niet zingen. Maar je moet slechts enkele akkoorden kennen om het te kunnen spelen. En voldoende whisky drinken om er zeker van te zijn dat je het kunt zingen.

Tim Hardin was een tedere, echt mannelijke zanger. Daarom denk ik dat alle vrouwen hem graag horen. Zoals de mooie actrice die zijn geliefde werd en waarover hij zo aandoenlijk zingt in ‘Lady Came From Baltimore’. Her name was Susan Moore. Maar in werkelijkheid enigszins anders gespeld. Zoals de ‘John Wesley Harding’ van Bob Dylan.

Als je niets van Tim Hardin bezit raad ik deze compilaties aan:
Hang On To A Dream: The Verve Recordings (Polydor / Chronicles)
Simple Songs Of Freedom : The Tim Hardin Collection (Columbia / Legacy)

De Verve-opnamen werden geproduceerd door Erik Jacobsen, die ook met the Lovin’ Spoonful samenwerkte, en later tegen de tijdsgeest van de jaren tachtig in voor de fijne sound van Chris Isaak zou zorgen. Ik vergat nog te vermelden dat Tim Hardins ‘You’ve Got A Reputation’ een stevige country-uitvoering kreeg van the Byrds, met Gram Parsons als zanger. Het was bedoeld voor hun ‘Sweetheart Of the Radio’, maar werd uiteindelijk niet geselecteerd. Pas in 1990 gaf Columbia het nummer vrij, op de eerste Byrds box.

Ik moet hier nog aan toevoegen dat de compilatie ‘Hang On To A Dream’, een absolute aanrader, nog maar moeilijk te vinden is. Zelf heb ik deze dubbel-cd in een klein winkeltje in Cambridge, vlakbij de Harvard universiteit, gevonden. Vreselijk duur, want het was in een tijd dat een dollar heel veel geld kostte. Bovendien is Cambridge geen goedkoop stadje. Maar Tim Hardin was die prijs en die reis waard.

Φ

Foto boven: Martin Pulaski. Op de foto A. met ‘The Best Of Tim Hardin’, de elpee die ik op het Waterlooplein vond. De ‘figurante’ komt niet uit Baltimore, en het is nooit mijn bedoeling geweest haar geld en juwelen te stelen, en toch kreeg ik haar liefde.
 

 

DE BETROUWBAARHEID VAN WOORDEN

petrarca


Ik lees zo weinig mogelijk, en als ik iets lees liefst in het Engels, omdat ik die taal een beetje begrijp. Er zijn talloos veel Engelstalige schrijvers, zodat degenen die geen bestsellers in elkaar knutselen en toch nog tot ons doordringen alleen maar goed kunnen zijn. Dat is een wetmatigheid. Wat ik dan lees is niet altijd wat ik ervan verwacht, maar meestal valt het mee. Ik lees al jaren geen boekbesprekingen meer. Literaire bijlagen vind ik verachtelijk, beledigend. Iemand leest boeken in jouw plaats. Dat wil ik niet. Ik wil ook niet dat zo iemand boeken in mijn plaats ontdekt. Soms laat ik me wel een boek aanpraten door een vriendin. Ze heeft het mooi gevonden, zegt ze. Hoe kan ik dan twijfelen? In haar heb ik een blind vertrouwen. In een vriendin.

Maar ik wilde schrijven over de betrouwbaarheid van woorden, van  woorden die andere woorden vertalen. Meestal lees ik poëzie, gedichten bedoel ik. Niet alleen Amerikaanse en Engelse, maar ook Spaanse en Italiaanse, enzovoort. Lang al denk ik dat Petrarca een van de belangrijkste dichters is – maar mijn oordeel is gebaseerd op Nederlandse vertalingen van het Italiaans. Ik versta enkele woorden Italiaans en kan de gedichten ook luidop lezen voor het ritme, maar voor de inhoud moet ik toch vertrouwen op de vertaling(en). Bij Petrarca, en vaak bij gedichten, doet zich dan nog eens het probleem voor, niet alleen van ritme, maar ook van metrum en vooral rijmschema’s. Opdat het gedicht toch maar zou rijmen kan de vertaler zijn toevlucht nemen tot vergezochte woorden om min of meer dichtbije te vertalen. Of vice versa. God kan een duivel worden, en de hemel de hel. Je weet het gewoon niet. Wat heeft Petrarca willen zeggen, behalve dat hij van Laura houdt, en zijn liefde voor haar niet in een gedicht, niet in een perfect gedicht kan gieten? Geen idee. Ik moet me overleveren aan de troost van vreemden, van vertalers, van mensen uit Nederland. Mannen en  vrouwen die betrouwbaar zijn in het gebruik van hun woorden. Zal ik Dante, Petrarca, Pessoa ooit kunnen lezen zoals zij geschreven hebben?

En ook dit. Kan ik mezelf wel vertrouwen als ik Lucebert, Gezelle, Pernath lees? Staat er wat er staat en moet ik maar lezen en genieten van het wonder van hun woorden?

SPEL, FILOSOFIE EN AVONTUUR

woorden,terminologie,managers,drank,afscheid,denken,hitchcock,taalfilosofie,filosofie,sartre,zizek,camus,kindertijd,dromen,utopie,heidegger,opstand,spel,psychoanalyse,film,deconstructie,westerns,literatuur,verbeelding,tijd,maatschappij,revolte,revolutie,nieuw,communisme,sixties,lacan,duvel

Dit is een moeilijk begin. Kleed ik het in of spreek ik rechtuit en zeg ik heel hedendaags ‘what the fuck’? What the fuck! Mijn Zizek-gekte is voorbij. Via de modieuze ‘filosoof’ raakte ik bijna weer in de ban van Jacques Lacan, een ‘denker’ waar ik meer dan een decennium geleden al afscheid van had genomen. Zizeks charme was zijn liefde voor film, een liefde die ik met hem deel. In zijn ‘filosofische’ traktaten heeft hij het vaak over Hitchcock en, nog vaker misschien, over westerns als ‘3.10 To Yuma’, ‘Shane’, ‘High Noon’, stuk voor stuk meesterwerken van de klassieke film (die helaas niet iedereen kent). Zo weet hij filmliefhebbers – en dat zijn er dan toch wel weer meer dan je denkt – te verleiden, te vangen in zijn spinnenweb van ‘leugens’ en ‘mooie praatjes’ (van ‘analyse’ en ‘deconstructie’).
Ik geloof niet langer in die beminnelijke man met zijn baard. In andere tijden zouden we hem een hansworst noemen, maar nu blijven we beleefd en zeggen niets, met uitzondering van die baard. Voor de rest: rien. Alleen nog dit: als je je enkele van ‘zijn’ Lacaniaanse termen toe-eigent kun je de moeilijkste discours construeren om de ‘mooiste’ kunstwerken te deconstrueren en al dan niet te analyseren.

Eigenlijk geldt het vorige net zo goed voor Heidegger, met het verschil dat de Duitse filosoof beter schrijft en het niet de hele tijd over de popcultuur en film heeft. Heidegger keert terug naar de oorsprong of probeert dat te doen en begint van daaruit te denken. Filosofie is vaak een kwestie van een terminologie leren hanteren: de hegeliaanse, die van Kierkegaard, die van Heidegger, die van de Frankfurter Schule, etcetera, net zoals je het managerstaaltje kunt aanleren, om je ontoereikendheid, om je domheid als mens die in het leven zou moeten staan te maskeren; alleen gaat het in de filosofie over iets, met name over het al dan niet bestaan van god, metafysica, over de vraag of alles niet tot taalspelletjes kan worden herleid.

Op dit ogenblik, een moment in de voortschrijdende tijd, ben ik van mening – niets nieuws onder de zon – dat je alleen maar in jezelf én in de maatschappij kan leven. Leopold Flam, een zeer belangrijke – en door mij gewaardeerde – ‘Vlaamse’ en ‘universele’ filosoof, noemde dat de dialectiek van ‘eenzaamheid  en gemeenschap’. Ik denk, zoals in de antipsychiatrie destijds werd beweerd, herinner je Ronald Laing en David Cooper, dat je de ‘absolute’ regels van de maatschappij waarin je leeft in jezelf moet zien terug te vinden en die regels die je niet zinnen, die niet overeenstemmen met wat je zelf denkt, vervolgens moet weten uit te bannen. Zodat je zuiver of onzuiver zoveel mogelijk en zeker nog meer jezelf wordt, tot je alleen een kern overhoudt, waaruit de wereld opnieuw kan ontstaan, alsof hij er nooit eerder is geweest. Je moet die nieuwe wereld zelf maken, vanuit je kern, die tot de oudste tijden teruggaat, en niet slechts tot ‘In het begin was het woord…’.
Op de middelbare school heb ik de woorden van Kloos van buiten moeten leren, ‘ik ben een God in het diepst van mijn gedachten’, maar dat vers gaat niet ver en niet diep genoeg; we zijn allemaal goden, als we die kern binnendringen, en van daaruit alles weer opnieuw nieuw maken, goden aan de binnen- en de buitenkant. Goden voor elkaar in een nieuwe Civitas Dei, een civitas zonder god. We zijn allemaal goden als we spelen, luieren, onzin vertellen, zogenaamd oppervlakkig zijn, uitsluitend met onze huid leven, op de tast, als we rondzwerven zonder doel voor ogen. Als we terugkeren naar onze oorsprong en van daaruit vertrekken. Al dan niet met de oortjes van een iPod in de oren.

Zijn we niet gelukkig als we taalspelletjes, kinderspelletjes spelen? En houdt de tijd dan niet op zoals in sommige dromen waaruit we niet graag ontwaken omdat de tijd dan opnieuw begint?
Waarom dan geen taalspelletjes, kinderen spelen toch altijd ernstig? Daar weer naartoe keren, die ‘onschuldige’ taalspelletjes die we speelden om de taal te ontdekken, te doorgronden. De grond van de taal die we ons eigen maakten. Hoe oud waren we? Een jaar, twee jaar, maar ook later, op de lagere school, tijdens de speeltijd, en nog later, op de middelbare school, altijd gingen we door met het spel. Het spel was, is wat ons leven boeiend maakte, avontuurlijk, anders. Het spel dat we speelden had regels die voortdurend veranderden. Als ik eraan terugdenk, herinner ik me dat ik aan die taalspelletjes zoveel plezier beleefde. ’s Nachts keerden ze terug in onze dromen, en we speelden ze met onze geliefden, later met onze kinderen. Naar die bron kunnen we terugkeren en alles opnieuw maken. Een werk van de verbeelding. Daar komt het op neer denk ik. Veel geduld oefenen in de maatschappij waarin je leeft, in het dagelijks leven, en daarnaast dat andere werk, dat een andere maatschappij voorbereidt. Het lijken nog steeds de idealen van de jaren zestig, die uit het surrealisme en communisme voortvloeiden, maar ze hebben zich ‘aangepast’ aan de nieuwe tijd.

Literatuur speelt in mijn leven – in eenzaamheid, niet in gemeenschap – wellicht de belangrijkste rol, meer nog dan muziek en film. Het geschreven woord van gisteren, nu en morgen. Ik merk daarbij op dat ik alleen literair begaafde filosofen de moeite waard  vind om te lezen. Dat is geen filosofische houding, maar het zij zo. Als je niet behoorlijk kunt schrijven kun je evenmin interessante gedachten formuleren.  Nietzsche, Schopenhauer, Kierkegaard – eventueel nog Freud. Heidegger misschien. Foucault en Roland Barthes. Er zijn er nog wel wat. Wie, bijvoorbeeld, heel goed kon schrijven was Albert Camus, maar dat was niet echt een filosoof, veeleer een denkende literator. Sartre was dé filosoof in de cafés in het toenmalige Parijs, hij schreef veel af van Heidegger en Husserl, maar hij kon het in het Frans soms heel goed verwoorden – het is geweten dat de Fransen meestal alleen hun eigen taal begrijpen – en daar keken de anderen naar op, naar die schele kerel die nog lang een aanhanger van Stalin was geweest, toen al lang bekend was wat de rode dictator voor vreselijks en onmenselijks had aangericht. Het zal natuurlijk heel moeilijk zijn geweest om het ideaal van het communisme op te geven. Dat begrijp ik goed. Daarom heb ik Sartre altijd wel wat bewonderd. Het was een echte vent, ook al keek hij scheel, maar waarom zou hij niet?  De man hield van vrouwen, amfetamine en whisky. Scheel is beautiful en ik ben Jack Kerouac, just for a  day. Schatje, krijg ik nu nog een Duvel?

EEN VERHAAL DAT GOED AFLOOPT

goede-afloop

Ken je dat lied van Chet Baker, ‘I Fall In Love Too Easily’?, vroeg ze. Nee, zei ik, dat ken ik niet. Maar misschien is het wel waar, misschien heb je gelijk. Maar als het al zo is, is het toch bijna nooit ernstig. Ik word inderdaad vaak verliefd, maar het is altijd van zeer voorbijgaande aard. Soms zie ik iemand in de metro, of een passante op straat, en ik voel de verliefdheid meteen zinderen in mij. Zodra echter het ‘object’, om het in psychoanalytische termen en niet oneerbiedig bedoeld, te zeggen, uit mijn blikveld is verdwenen is ook de verliefdheid of het verlangen weg.
Ik heb alleszins het gevoel dat ik op iemand verliefd moet zijn om iets voort te kunnen brengen, zelfs om creatief te zijn met kurk. Liefde op lange afstand is nog het veiligste, zeg ik.
Ja, zegt ze, maar onze liefde is anders. Onze liefde is vriendschap. Dat gaat veel dieper en doet minder pijn. Bedoel je Platonische liefde, vraag ik. Zo zou je het kunnen noemen, ja. Alleszins mag een verwoestende liefde onze vriendschap, die zo mooi is, ja het gaat vooral om de schoonheid, niet aantasten, zegt ze. We moeten voor altijd vrienden blijven.
Ik heb slechte ervaringen met vriendschap, zeg ik. Als je je een tijdje terugtrekt in jezelf vergeten je vrienden je snel. En zeker als het slecht met je gaat. Jij kent toch die blues, ‘Nobody Knows You When You’re Down and Out’? Ja, zegt ze. Vriendschap is een zware opgave, maar dat is de liefde die ik voor je voel, zegt ze. Ik voor jou ook dan, zeg ik. In feite komt het daarop neer, voeg ik er nog aan toe. Maar ik voel dat mijn woorden tekortschieten. Eigenlijk wil ik dat dit allemaal veel intenser is, maar ik zit opgesloten in een vreemde huid. Ik ken mezelf niet meer. Ik ben mezelf niet meer.
Dit is een verhaal dat – voorlopig – nogal goed afloopt. Maar er is parallel hiermee een ander verhaal dat veel wreder is en waar mijn woorden niet alleen voor tekortschieten, maar waar ik geen woorden voor heb. Kon ik de blues maar zingen. Zoals Little Willie John of Blind Willie McTell.

WALK UNAFRAID

Ik stap uit de sfeer van het alledaagse, nu meer dan ooit, en begeef me in de richting van de werkelijkheid – die ik probeer terug te vinden in het zogenaamde bedrog van mijn fantasmata.

Soms zet een eigenaardige druk, die met koortsachtige gevoelens gepaard gaat, mijn hand tot schrijven aan. Ik zie mijn hand bewegen, ze vormt letters, woorden, zinnen op een blad papier. Tekens en betekenissen. Soms denk ik dan achteraf, zo moet het schrijven worden opgevat, zo moet het worden toegepast. Soms vraag ik me af: waar komt die druk tot stand? In mijn hersencellen? In mijn verbeelding? In mijn ‘geest’?

Ik beluister een stem in mij die me toefluistert: “het zijn allemaal leugens, doe niet zo moeilijk, zwijg en leer, luister, je hebt niets te vertellen, het heeft geen belang, het is allesbehalve interessant…”

Een tegenstem, echo van mijn oorsprong, roert zich dan: “ik ben het leven in jou, laat van me horen, van de rivier die door je heen stroomt, het vuur dat in je lichaam brandt, woordenstorm die woedt en gaat liggen of verwoest, de adem van je ‘ziel’, het ritme van je muziek, laat je de mond niet snoeren, ‘walk unafraid’”.

ZIEKTES

slaap2

Wat aangevangen als ziektes niet meer zijn dan mooie woorden? Al dat geld verspild aan overbodige geneesmiddelen. Alleen een vlakgom had je nodig om de naam van je ziekte uit te gommen. Symptomatologie niets anders dan terminologie. Niets anders dan indeling, classificatie, orde.

Wat zei je? Is niet elke mens ongeneeslijk ziek? Meen je dat echt? Ik leerde nochtans dat hij een ziekte van de materie is, een ongewenste eruptie, het resultaat van een hardvochtige strijd tussen moeilijk te ontwarren krachten. Ik leerde dat de mens een schimmel is op de aardkorst. Ik leerde dat de mens een zak is, gevuld met faeces. En nu zeg je dat de mens niet ziek is… Misschien heb je gelijk, misschien is hij niet ziek, misschien is hij zelf de ongeneeslijke ziekte. (Een lawine. Een kettingreactie. Een aaneenschakeling van hysterische associaties.) Zeker is de mens verzot op woorden die naar allerlei ziektes en aandoeningen verwijzen. Is het dan ook niet omdat hij zelf ziek is, dat de mens zo graag zulke woorden hoort, ze uitspreekt, ze koestert, er duizenden en duizenden boeken mee vult? Anemie, leukemie, epidemie, astma, euforie, echolalie, schizofrenie. Ziektes.

Foto: Martin Pulaski

‘L’AVVENTURA’ EN ‘SPECIAL TOPICS IN CALAMITY PHYSICS’

Ik kom nog even terug op ‘L’avventura’ van Michelangelo Antonioni. De film staat opnieuw in de belangstelling door het immense succes van Marisha Pessls ‘Special Topics In Calamity Physics’, waarover ik het een paar weken geleden al had. In de roman is de film van Antonioni een belangrijk aanknopingspunt (er zijn er wel meer, zoals ‘Ada’ en ‘Lolita’ van Nabokov, maar die spelen toch wel een kleinere rol dan de film van de Italiaanse meester.) Zo is de vader van het hoofdpersonage – en vertelster van het verhaal – Blue Van Meer een groot bewonderaar van deze film. Marisha Pessl (of Blue Van Meer), vertelt het zo:
“L’avventura, Michelangelo Antonioni’s lyrical black-and-white masterpiece of 1960, happened to be one of Dad’s favorite films and thus, over the years, I’d seen it no less than twelve times.”  Zo vaak heb ik de film niet gezien. Maar BlueVan Meer heeft de neiging af en toe te overdrijven. Het woord ‘dad’ (vader) spelt ze altijd met een hoofdletter.

Met één van de nevenpersonages in het boek, Hannah Schneider, is ook iets vreemds aan de hand, niet alleen door de mysterieuze omstandigheden waarop ze aan haar einde komt. Ik heb het over haar naam. ‘Hannah’ vertoont duidelijk overeenkomst met ‘Anna’ uit L’Avventura, een rijke, jonge vrouw die tijdens een uitstapje met vrienden naar een onbewoond eilandje verdwijnt en niet meer terug wordt gevonden. ‘Schneider’ is dan weer de naam van de actrice Maria Schneider, die de vrouwelijke hoofdrol speelt in Antonioni’s ‘Profession: Reporter’. En zo is het hele boek een aaneenschakeling van verwijzingen, een puzzel voor intellectuelen en ‘slimste mensen van de wereld’.

Het mag overigengs verbazing wekken dat Gareth, de vader van Blue Van Meer, van Zwitsers-Duitse origine is, en niet uit een Nederlands geslacht afstamt. Zit Hitchcock daar voor iets tussen? In Hitchcocks ‘Foreign Correspondent’ duikt een personage op dat eveneens luistert naar de naam Van Meer. Hij is een Nederlandse diplomaat, die belangrijke staatstgeheimen met zich meedraagt; in een film van Hitchcock moet er met zo’n man iets gebeuren. Een kleinigheid in de film is dat de heer Van Meer even met een Duitser wordt verward. Vandaar de herkomst van Blue’s vader? Het is best mogelijk. Ondanks haar jeugdige leeftijd lijkt het of Marisha Pessl wel tienduizenden boeken heeft gelezen en films gezien. Of heeft ze gewoon een aantal lijvige encyclopedieën geraadpleegd?

cof

Mooi is toch ook nog deze passage uit ‘Special Topics In Calamity Physics’:
“’L’Avventura,’ Dad said, ‘has the sort of ellipsis ending most American audiences would rather undergo a root canal than be left with, not only because they loathe anything left to the imagination – we’re talking about a country that invented spandex – but also because they are a confident, self-assured nation. They know the Family. They know Right from Wrong. They know God – many of them attest to daily chats with the man. And the idea that none of us can truly know anything at all – not the lives of our friends or family, not even ourselves – is a thought they’d rather be shot in the arm with their own semi-automatic rifle than face head on.’”

EEN HOOFD VOL DODE WOORDEN

distracted

De woorden van de wereld en de tijd hebben je bescheiden gemaakt, maar tegelijk hebben ze je de zekerheid gegeven dat je niet waardeloos bent, dat je een mens bent. Een mens die droomt en denkt en verlangt. Een mens die ernaar streeft een mensch te worden. Ooit. Dat woord mensch ben je voor het eerst tegengekomen in de autobiografie van Elias Canetti, de schrijver die sterfelijkheid een schande noemde. De woorden hebben je gerustgesteld, maar ook verontrust. Bij het lezen van sommige woorden werd je verontwaardigd. De woorden lieten je een gefundeerde orde zien. Maar hun betekenissen veranderden voortdurend, net zoals de oorzaken van je plezier. Sommige woorden waren als mooie vrouwen, modellen, druktemakers, Eryniën. Sommige woorden waren als vliegen, die je toch niet doodmepte. Integendeel, je luisterde goedkeurend naar hun gebrom. De woorden vormden lange ketens. Of zal ik zeggen, guirlandes? Rozenkransen, lauwerkransen? De woorden waren sterren die je de weg toonden. Leugens die je op een dwaalspoor zetten. ’s Nachts met ontbloot hoofd. De woorden brachten dat hoofd op hol. Je kon niet meer terug naar een veilig oord, waar het stil was. Altijd was er ten minste een gefluister te horen. De woorden hebben je kijk op de werkelijkheid aangescherpt maar ook vertroebeld. Je bent een andere geworden dan degene die je bent, je bent duizend anderen geworden. Talloos veel miljoenen ben je geworden, zoals de woorden om je heen en de woorden in je hoofd. Je raakt ze niet meer kwijt tot je de gifbeker drinkt, dat troebel water van de dood. De kruik, echter, zegt de volksmond, gaat zo lang te water tot ze breekt.

Foto: Martin Pulaski, Zelfportret.

AANZET VOOR EEN NUTTELOZE WOORDENLIJST

 

Onverschrokken. Achterdochtig. Uitgepuurd. Afgepeigerd. Belazerd. Opgejaagd. Ontzet. Gezwicht. Bedreigd. Gestaakt. Sprakeloos. Botgevierd. Afgekloofd. Ondermaats. Tweeslachtig. Nodeloos. Doodgeboren. Ontspoord. Ontwricht. Beklemd. Krampachtig. Parmantig. Planmatig. Plechtig. Uitgespuwd. Ontrukt. Verveld. Ontzield. Gebroken. Afgewend. Ontworsteld. Ontworteld. Bespat. Bespot. Bewierookt. Uitgejouwd. Verfomfaaid. Geradbraakt. Uitgebraakt. Uitgekleed. Gegrondvest. Gehandhaafd. Verbannen. Verschanst. Verhaspeld. Verontwaardigd. Overspoeld. Verspild. Uitgebeend. Begeesterd. Ontmanteld. Ontfermd. Verzonnen. Verzonken. Opgefokt. Afgekalfd. Uitgezaaid. Ontwapend. Ingeburgerd. Afgeleefd. Gebroken. Getormenteerd. Getorpedeerd. Opgekalefaterd. Vergoelijkt. Geworpen. Verslingerd. Verlekkerd. Afgelikt. Vermolmd. Uitgehold. Opgelaten. Ingehouden. Aangekondigd. Opgelapt. Uitgeput. Aangemonsterd.

HOE IK MIJN WEEK OVERLEEFDE

terras 2006

Ik las een interview met Bob Dylan, waaruit bleek dat hij erg tevreden is met zijn leven.
Zondag en maandag voelde ik me ellendig van een of ander virus in de darmen. Na twee dagen was het gedaan. De oorzaak was onbekend, maar hield geen verband met zware kost of alcoholmisbruik.
Op het werk werd verhuisd. Wie eerst hier zat moest nu daar gaan zitten. Zo werd de sleur doorbroken en sprak ik af en toe opnieuw met een collega. Zelf mocht ik in mijn hoek blijven zitten.
Voortaan bevindt zich niet te ver van mij vandaan een collega die opgewekt door het leven gaat. Zulke collega’s heb ik veel te weinig. Ze zit echter toch nog een heel eind van me verwijderd, zodat ik nog altijd niet echt opgewekt door het leven kan gaan.
Vorige dinsdag heb ik thuis gewerkt. Telewerken noemt men dat. Ik heb een achttal brieven ontworpen voor mijne excellentie, zij het niet op ministerpapier. Een brief op kantoor komt overeen met vier of vijf brieven thuis.
Ik praatte wat met die opgewekte collega. En lachte. En vertelde verhalen over Budapest, Esztergom. Over Hongarije in 1987, 1989 en nu. Kamperen, de prijs van een koffie, een glas bier. Ik gaf een kort verslag van wat me in de buurt van café Kafka is overkomen. Men heeft mij in dat café zonder twijfel horen gillen. Waarom heeft niemand mij geholpen? Mijn kaak was ontwricht van het angstschreeuwen. Angstschreeuw, het woord met de meeste medeklinkers. Ngstschr. Ik moet er uitgezien hebben als op het schilderij van Edvard Munch.
Op het terras van café Cirio ontmoette ik een oude kennis. Ik gaf een kort verslag van het hierboven genoemde. Ik was gehaast want binnen zat iemand op me te wachten.
Ja, diezelfde donderdagavond had ik in dat café een afspraak met mijn vriend en schoonbroer G. Ik ga niet meer alleen op café in Brussel. Ik gaf G. een langer verslag van het hierboven genoemde. Wat mij is overkomen betekent weinig in vergelijking met wat mijn andere schoonbroer, G.’s broer, op een Grieks eiland is te beurt gevallen. Hij werd zo erg toegetakeld dat hij nu een bij wijze van spreken een plantaardig bestaan leidt. De familie A. is een echt tragische familie. Toch was de avond met G. lichtvoetig en opgewekt – of is dat hetzelfde? Will the circle be unbroken, by and by lord, by and by? We hebben mosselen gegeten bij Den Boer, een aangenaam, ongedwongen restaurant op de vismarkt. De huiswijn smaakte een beetje zuur. Daarna heb ik als tegengif nog twee trappisten gedronken in de Roskam. Er zat niemand die ik kende. Wie zou ik er wel kennen? Op weg naar huis heeft G. mij death metal laten horen, de muziek waar zijn dochter verlekkerd op is. Ik niet. Ik houd van volksmuziek, maar misschien is death metal de volksmuziek van deze tijd (voor sommige mensen)? Wil je de nieuwe Dylan niet eens horen, vroeg ik G.. Nee, zei hij, dan val ik misschien wel in slaap als ik op weg ben naar Gent. Ik concentreer me dan op de teksten en mogelijk dwaal ik dan af. Ja, zeg ik, zet dan maar beter death metal op. Dat is inderdaad veiliger.
Woensdag was een schitterende dag. Ik heb met mijn gezellin op het terras van de P&P een glas bier gedronken. Tot onze spijt stelden we vast dat Brussel een lelijke stad is met veel lelijke mensen op straat. Velen spuwen gewoon in het rond, alsof ze thuis zijn. Overal slingeren blikjes en plastieken verpakkingen rond en men deponeert ook op de meest in het oog springende plaatsen zijn mest. Budapest is niet bepaald een mooie stad, maar de mensen zijn er mooi, vriendelijk en beleefd. En de aantrekkelijkste vrouwen van de wereld vullen er de straten en pleinen. Na de P&P heb ik thuis tonijn gegrild, die we op ons eigen terras hebben opgegeten. Op de achtergrond stond muziek op uit het begin van de 20ste eeuw. De dag voordien had ik tijdens de middagpauze – ik werkte thuis, remember? – het terras schoongemaakt. Toen we die vis zaten te eten zei ik tegen mijn gezellin dat men in Holland boenen zegt in plaats van schoonmaken. Dat meen ik toch te hebben begrepen. Ik vind de Nederlandse taal zo mooi. Hollandse woorden, Vlaamse woorden, bastaardwoorden. Wat maakt het uit. De verschillende accenten. Zegswijzen uit alle streken. De Franse kronkelingen bij de West-Vlamingen. Het zogenaamde zingen van de Limburgers. Het televisiedialect van de Antwerpenaren. Het Pascale Bal-taaltje van de Gentenaren. Alle verschillen maken mij euforisch. Vooral als ik er gegrilde tonijn bij eet.
Vrijdag was de dag na donderdag! De twee trappisten hebben mij lang doen slapen. Ik moest niet gaan werken, had voldoende tijd te verliezen. Daarna heb ik ruimtevrienden bezocht. Ik heb er nu al een heleboel, voornamelijk muzikanten. Ik heb nog een keer naar Modern Times geluisterd en naar Mingus, Mingus, Mingus. In een winkel in de Westland zag ik The Last Waltz in het rek staan, maar daar heb ik aan kunnen weerstaan. In de Delhaize heb ik een viertal flessen rode wijn gekocht, om te ‘proeven’. Ik ben op zoek naar een wijn die perfect past bij de Osso Bucco van A..
Zaterdag heb ik een plantje geplant en een backup gemaakt van al mijn mappen en bestanden.Ik heb naar Gram Parsons geluisterd en ben tot na vier uur ’s nachts wakker gebleven om naar de match van Justine Henin te kijken. Achteraf had ik er spijt van. Verloren tijd. Het is mij opnieuw duidelijk geworden dat ik helemaal niet van sport houd.
Vandaag heb ik ramen schoongemaakt (of geboend?). Na laat te zijn opgestaan, met een suffe kop. Na de ramen heb ik opnieuw mijn spacevrienden opgezocht. De computer met zijn vervelende metamorfosen maakte mij nog suffer. Ik ben mijn fiets gaan afstoffen, dat was een jaar of zo niet meer gebeurd, ik heb mijn banden opgepompt en ik ben een tochtje gaan maken in het Pajottenland. Daar heb ik foto’s gemaakt van het landschap. Een uurtje geleden heb ik naar de Pete Seeger Tribute dvd van Bruce Springsteen gekeken. Het zag er allemaal vals spontaan uit. Het leek mij niet uit het hart te komen. Maar ik kan me nogmaals – zoals iedereen – sterk vergissen.
Nu is het zondagavond en schrijf ik deze opsomming. Je moet iets doen. Je moet zin geven aan je leven. In zinnen vind je zin. Maar het is een hoop werk, neem dat maar van me aan. Ik denk dat rock & roll gemakkelijker is. Drie akkoorden en dan wham bam, thank you mam!

Foto: Martin Pulaski, 2006

DE LUIE PASTISDRINKER

Misschien en zelfs waarschijnlijk leest niet iedereen de commentaarstukjes, en dan ben ik nog optimistisch. Want hoe belachelijk is deze eerste zin, met het woord ‘iedereen’ erin. Natuurlijk leest niet iedereen die commentaarstukjes! Ik besef maar al te vaak dat slechts weinigen zelfs maar de ‘echte’ body lezen, de tekst zelf, waar vaak hard aan gewerkt is, in de vrije tijd of tijdens gestolen kwartiertjes, en even vaak plezier aan beleefd (dat laatste vooral met het oog op potentiële, mooie vrouwelijke lezers, met zeker nu in de zomerdagen dunne niemendalletjes aan).

Om de niet-lezers van commentaren toch een tweede kans te geven – maar ook omdat het warm is en ik dan graag een paar glazen pastis drink en daardoor niet veel zin heb om veel te verrichten – herneem ik hier een commentaar (van mezelf, welteverstaan) op het vorige stuk, getiteld perversies. Wat nu volgt is dan een soort perversie in het kwadraat. Of een versie tot de zoveelste macht. Ik schrijf ‘zoveelste’ niet alleen uit luiheid, maar ook omdat macht nooit deel heeft uitgemaakt van mijn wereldbeeld. Met de macht kun je maar best de spot drijven. Nietzsche had daar andere ideeën over, maar ik ben Nietzsche niet. Ik neem bijvoorbeeld geen zweep mee als ik naar de vrouwen ga. Bovendien ga ik niet naar de vrouwen. Mijn vrouw zou dat niet waarderen, denk ik. Overigens noem ik mijn vrouw nooit mijn vrouw, maar mijn levensgezellin. Of Laura. Soms ook Daphne. Ze is een mooie vrouw, die nu vermoedelijk in de armen van Morpheus ligt, mijn onmiskenbare rivaal. Maar terzake. Wat schreef ik naar aanleiding van ‘perversies’?

De kilte – woorden over het ‘coole’ bestaan in tijden van oververhitting – ontsnapt aan mijn ‘brein’ per/versies van niet alleen uitgekozen maar ook toevallige thema’s. Bouwstenen voor die op het eerste zicht chaotische woorden – perversies – zijn net zo goed alledaagse gebeurtenissen zoals het voetbal, de aankoop van boeken in de koopjesperiode (van de grondlegger Euripides, de hoerenloper Georges Simenon, de ‘mensenhater’ Thomas Bernhard, van Fernando Pessoa de liefdesbrieven), het lezen van een filosofisch werk van Peter Sloterdijk (Het kristalpaleis, over de ‘ontdekkingsreizen’ en de ‘verovering van de globe’, een boek mij geschonken ter gelegenheid van mijn zoveelste – nog een keer – verjaardag), het luisteren naar Coney Island Baby van Lou Reed, herinneringen aan een bezoek aan Coney Island in New York… Aan de wrede maand april had ik nog niet gedacht. Maar die maakt nu ook deel uit van de invoer. Het bloedgleufmes komt af en toe tevoorschijn in mijn teksten. Het heeft echt bestaan en misschien is dat nog steeds het geval. Het was een cadeau van een Deense zeeman aan mijn vader. Later werd het mijn bezit. Maar op een mooie zomerdag liet ik het onvrijwillig in een auto achter. Had ik iets kwaads in de zin gehad? Natuurlijk niet. De mensen die het onder de achterbank van hun auto hebben aangetroffen, zullen wel geschrokken zijn. Ik had het alleen maar bij om de moeder van mijn zoontje en mezelf in geval van nood te verdedigen. Het waren gevaarlijke dagen voor lifters. Geregeld werden vermoorde en verkrachte ‘hippies’ in het struikgewas teruggevonden. Dat schreven althans de kranten. Je kon maar beter je voorzorgen nemen. Nu weet ik wel beter. Ik bereid me nooit meer voor op onheil. We hebben dat niet in de hand. Je doet beter alsof je neus bloedt. Maar vandaar dat bloedgleufmes in die perversies. Of is het niet pervers dat brave mensen zullen geschrokken zijn van een wapen dat niet tegen hen gericht was, maar tegen boosaardige sujetten in mediaverhalen?

Over Bonnie Prince Billie en the Smiths zal ik het een ander keer moeten hebben. Ook aan verzen kom ik niet meer toe. Het wordt laat, de nacht is kort en morgen moet er hard worden gewerkt. Goodnight, sweet ladies and gentlemen.

TRY-OUT

Wat is er met je aan de hand, dat je weer naar het ziekenhuis moet?
Niets ergs.
Alleen maar een routineonderzoek en allergietesten.
Je moet jezelf goed verzorgen.
Dat doe ik, ik verzorg me goed.
Ik drink niet te veel, ik gebruik geen drugs.
Wel medicijnen, natuurlijk.
Ik eet groenten, vis, neem vitamines.
Maar er zijn, zoals je weet, veel spanningen, stress.
Soms heb ik het gevoel dat ik de wereld verlies.
Alles wordt donkerder, letterlijk.
Mijn hoofd zit in een donkere wolk.
De stemmen van de mensen rondom me klinken irreëel.

Ik wil niet over problemen praten.
Ik zou liever wat lachen.
Onnozel doen.
Doe me eens lachen…
Neen, je hebt gelijk, we moeten niet over onze problemen praten.
Laat dat maar aan Elvis over.

Jammer dat dit gisteren allemaal gebeurde.
Net voor de zomer begon.
Nog een onderzoek, bij weer een andere dokter.
Een gepeperde rekening.
Gisteren.
Toen je de leegte omhelsde en er een punt achter zette.

Vandaag begint de zomer.
Omelet?
Iets uit de diepvries?
Iets van bij de Chinees?
De mozzarella zal nu wel bedorven zijn.

Dit is geen bijster creatieve periode voor jou.
Ik heb veel te zeggen, maar ik heb nog meer te zwijgen.
Er is een diep verdriet in de kern van al wat leeft.
Het is ons verdriet dat wij daar aantreffen.
Wij vernietigen elkaar met precisie.
Neen, geen creatieve periode.
Punten, gesloten deuren.
Ik moet nochtans kunnen schrijven.
Maar nu ben ik stil, er zijn geen woorden.

Ben je bang?
Je moet niet bang zijn.
Voor wat ben je bang?
Voor gedachten.
Ik kan moeilijk met iets beginnen.
Beginnen, dat is het moeilijkste.
Je mag niet bang zijn voor gedachten.
Gedachten kunnen je geen pijn doen.
Ik zou veel kunnen schrijven, maar ik zou sommige mensen kwetsen met mijn woorden.
Als ik alles zou schrijven.
De waarheid.
De waarheid die ik voel.
Als ik woorden zou schrijven zonder erbij na te denken.
Gedachteloze woorden.
Zelfs over die omelet heb ik nagedacht.
Dat domme woord.
Dom woord, maar zo verwant met Hamlet.

Houd je geen dagboek bij?
Neen, al jaren niet meer.
Ik zet alles hier op de elektronische pagina’s.
Voor mij behoort het dagboek tot het verleden.
Soms schrijf ik een gedicht.
Vijf of zes per jaar, dat volstaat.
Ik verkies de dialoog boven de monoloog.
Maar met wie kan ik praten?
Er zullen toch wel wat mensen zijn?
Je moet vrienden hebben.
Je mag niet eenzaam zijn.

En je foto’s, zijn die dan geen dagboek?
De foto’s van jezelf?
Ik weet het niet.
Ik maak foto’s van mezelf omdat er op dit ogenblik niets anders is.
Misschien wil ik wel bewijzen dat ik besta.
Voor wie zijn die bewijzen?
Ik ben niet egotistisch, denk ik.

Gisteravond heb ik de zon zien ondergaan.
Ik zat nog wat op het terras voor ik naar mijn kamer ging.
Mooie zonsondergang net voor het begin van de zomer.
Maar het heeft geen zin daarover te schrijven.
Iedereen kan dat fenomeen met zijn eigen ogen zien.
Ik heb daar niets aan toe te voegen.
Neen, dat is niet waar.
Niet iedereen ziet de dingen op dezelfde wijze.
Ik zou graag lezen wat jij hebt gezien.

Die deur en dat punt zijn er toevallig gekomen.
Ik heb die daar niet bewust gezet.
Misschien wijzen ze niet op een einde maar op een nieuw begin.
Dat betwijfel ik, maar je weet het nooit met zekerheid.
In ieder geval weet ik niet hoe ik het moet doen.
Hoe moet ik herbeginnen?
Waar?
Misschien komt de verandering vanzelf, zoals het weer verandert, of een stemming.
Dat is een mooie gedachte, ik hoop dat het zo zal gebeuren.
Zie je nu dat je niet bang moet zijn voor gedachten.
Onbedachtzame woorden kunnen pijn doen.
Gedachten niet.
Het is zoals met de liefde, die is ook onbedachtzaam.
En wat doet meer pijn dan liefde?
Woorden van liefde, misschien?
Neen, gedachten kunnen ook pijn doen.
Bijvoorbeeld, in het begin van de zomer denken aan het einde van de zomer.
Ja, dat is waar.
Daar had ik niet aan gedacht.

VLEES

Waarom willen wij ons lichaam liefst vergeten? Eraan verzaken in extase, roes, hallucinatie, droom of transcendentie? Zijn wij dan zulke goede katholieken? Ik dacht van niet? Er was wel die opvoeding, die diepe en langdurige onderdompeling in wijwater. De liturgie en de schoonheid van de rituelen. Maar toen ik dertien was zei ik ‘goodbye to all that’.

Waarom kunnen wij dan niet ten volle genieten van alles wat het lichaam ons geeft? Werkelijk zintuiglijk genieten, zonder de afstand die het denken schept? Waarom, ook, hebben wij het zo vaak in negatieve bewoordingen over ons lichaam. Het lichaam dat zich aan ons opdringt, met zijn symptomen, kwalen, honger, dorst, begeertes. Hoezo aan ‘ons’? Zijn wij dan niet ons lichaam? Wie of wat is ‘ons’? Wie zijn wij, waar zijn wij? Waar denken wij? Wie denkt ons? Allemaal vragen. Zoals wij er zo vaak stellen. Soms schijnen wij ‘wij’ te zijn, soms ‘jij’, soms zijn wij zelfs ‘ik’. Altijd zijn wij vreemden voor onszelf en nooit weten wij wat wij doen. Altijd is onze toon wat plechtig, door het hemelse en helse aangetast. Hier wordt weinig gelachen. Een requiem staat ons nader dan een schaterlach. Waarom? Omdat het lachen zo lijfelijk is en een doodslied het lijf te boven gaat, vooral in de echo’s die van overal worden weerkaatst? Het lachen zo vlezig? Zijn wij dan toch alleen maar dit lichaam dat zich onverzettelijk tegen zichzelf keert? Het schijnt ontevreden te zijn met zijn eigen wetten en voorwaarden, het betwist al zijn gegevens, normen en zekerheden. Het sluit zoveel mogelijkheden om gelukkig te zijn uit. Waarom?

In het levende organisme zit een dood lichaam verscholen. Het is een verschrikkelijke macht die zich langzaam – en in sommige gevallen snel – van het leven meester maakt. Misschien is daarom alleen de naam en alles wat met die naam samenzweert van betekenis in de wereld. Het woord is vlees geworden, zo staat geschreven. Het laatste woord (hierover) is nog niet gesproken.

ALDABARAN IS EEN WOORD

Het was het allergrootste waar hij aan kon denken, het meest abstracte, datgene waar hij geen naam voor vond. Geen woord. Beelden had hij niet ter beschikking, en hij bezat evenmin de vaardigheid, bijvoorbeeld in zijn handen, zijn goed verzorgde vingers, om wat zijn ogen zagen in begrijpelijke vorm te gieten. Hij zat stil op een stoel, kon slechts denken. Denken, denken, denken. Zelfs een flesje coca cola, ijskoud in de zon, betekende niets. Lola, Lolita, Aldabaran, niets. (Ïèëîò ðàñïîëàãàëñÿ ë¸æà â íåáîëüøîé êàáèíå â íîñó, ñ áîëüøîé ïëîùàäüþ çàñòåêëåíèÿ.)

Een appelboom, fluisterende stemmen van vrouwen in een dorp in de poesta. De verwoesting van dat dorp. De uitroeiing van volkeren. Niets. Hij zat stil op een stoel. Stoel betekende niets. Rolstoel, leunstoel, elektrische stoel. Denken. Tegenover zijn gedachten zag hij zich zitten als een volkomen vreemde. Er waren geen verwantschappen, geen aanknopingspunten, geen mogelijkheden voor een sprong in het duister, niets. Het was een afschuwelijke ontmoeting met …, die, zoals het zich liet aanzien, lang zou duren. Tot zuurstofgebrek en hersenbeschadiging zouden intreden. Ondertussen in de salon Joni Mitchells heldere stem: He was playing real good for free…