EEN GROOT MYSTERIE

Giorgione_-_Sleeping_Venus_-_Google_Art_Project_2

Je zegt ‘de maan’ maar je bedoelt ‘een maanlandschap’. Je zegt ‘de maangodin’ maar je bedoelt ‘een vrouw in een landschap’. Je zegt ‘Venus’ maar je bedoelt ‘vulva’ of het wisselvallige object van je verlangen. Soms stel je je voor dat je in een archaïsche wereld leeft. Een voorstelling is nog geen waarheid en zeker geen feit. Soms stel je je voor dat er nog geen taal is en evenmin muziek. Maar zolang er mensen zijn is er taal en is er muziek. En zelfs zonder mensen zijn er vormen van taal en muziek. Wat dacht je van de vogels, waar Olivier Messiaen en Franciscus van Assisi zo graag naar luisterden? Wat dacht je van de sterren aan de hemel, vertellen die niet de hele tijd al een verhaal, ook al kijken we er niet naar of zijn we afwezig?

Je schrijft over emoties maar weet niet goed wat je daarmee bedoelt. Wat zijn emoties? Is jaloezie een emotie? Om maar iets te noemen.
Ooit schreef je iets over primitieve mensen, alsof dat over anderen ging. Alsof als andere mensen primitief zijn jijzelf van die eigenschap geen sprankel in je meedraagt, in je lijf en leden. De ene primitieve mens is jaloers op wat de andere bezit (en vice versa), beweerde je. De primitieve mensen zijn verblind omdat ze niet beseffen dat je niets kunt bezitten. Je hoort het zo vaak in de blues: you can’t take it with you when you go.
Wat zijn emoties? Dat weet je niet zo meteen. Je weet wel dat het begrip ‘emoties’ slaat op iets wat wij mensen met elkaar gemeen hebben.[1] Emoties verbinden ons met elkaar en helpen ons om begrip voor elkaar te hebben en zelfs van elkaar te houden. Als je jaloers bent voel je je hart kloppen. Uit emoties ontstaan ritme en muziek. Volgens Nietzsche ontstaat uit muziek de tragedie, of van het besef van de tegenspraak tussen het verlangen naar eeuwigheid en het besef van de eindigheid. (Wat zal er veel gemusiceerd worden om zoveel tragedie voort te kunnen brengen.) Vraag me nu niet wat ik bedoel als ik ‘muziek’ zeg, als ik ‘ritme’ zeg, als ik ‘tragedie’ zeg. Het is allemaal een groot mysterie voor me. Mysterie?

[1] Waarmee ik helemaal niet wil beweren dat dieren – en zelfs planten – geen emoties hebben.

Afbeelding: Giorgione, Slapende Venus.

 

AAN HET WERK

5-2-2013_029 (2)

Elk leven kent een aantal keerpunten. In mijn dagboeknotities vond ik wat sporen van zo’n keerpunt in mijn bestaan. De notities [1] zijn natuurlijk uit de context gerukt, waardoor lezers die er geen idee van hebben hoe ik voor de herfst van 1988 leefde misschien niet goed kunnen begrijpen waarom ik het over een keerpunt heb. Maar misschien toch ook wel. Ik denk dat elke lezer inlevingsvermogen heeft. Ik geloof heel sterk in het mededogen van onze soort. Omdat het moet, zeker in deze donkere, schijnbaar uitzichtloze tijd.

Nu zit ik hier ten slotte ook tussen de velen aan een bureau van de overheid en kijk naar documenten die weinig of niets betekenen voor mij. Het is nog maar de vraag voor wie ze wel enig nut of enige waarde hebben. Ik leg blad op blad op blad, zomaar… Om de indruk te wekken dat ik druk bezig ben. Veel drukte om niets, dat is hier de essentie. Na een tiental dagen op deze plek op de dertiende verdieping van het AG-gebouw ben ik al goed op weg om een modelambtenaar te worden.

Mijn angstschilfers voor het witte – of in dit geval grijze (ik schrijf op gerecycleerd papier) – blad zal ik maar van me afschudden. Deze woorden die hier nu ontstaan zijn mijn woorden, van niemand anders. Ook al zijn ze kaal en op zich nietszeggend, al kan iedereen ze zich toe-eigenen. Zoals mijn woorden zijn zo ben ik. Soms goed, soms slecht, vaak iets daartussenin. Ook de banaliteit en het gestamel hebben hun bestaansrecht op de wereld.

Je zal alleszins naar woorden moeten blijven zoeken, angst of geen angst. Zoveel ben je kwijtgeraakt tijdens de lange, vreemde reis… Ja, die metaforen… Daar moet je voorzichtig mee zijn. Metaforen zijn vaak het meest vijandig aan de eigen stem, want ze overvallen je met een vorm die van tevoren al vastligt. Zeker is dat zo als je er niet voldoende bij nadenkt. Bijgevolg moet je niet alleen naar woorden zoeken, maar even goed naar geschikte, geïnspireerde, rijke metaforen – of ze geheel en al uit de weg gaan, wat onbegonnen werk is. Tijdens de lange, vreemde reis, de lange rit door de donkere nacht, de dwaaltocht door de woestijn, de rondzwerving in het barre land, de ballingschap in de dorre gebieden… Stuk voor stuk metaforen die een periode in je leven aanduiden – en geen ervan voldoet. Maar de dagen van de wereld bestormen met bloemen van verderf liggen voor eens en voor altijd achter je. Je zal het met deze nieuwe – evenwel niet opeens opgedoken – kaalgeslagen taal moeten doen. Tevreden zijn met wat je nog krijgt, de schaarse woorden en beelden die overblijven na lang wikken en wegen en elimineren en verwerpen. Geen goudklompjes hield je over, alleen maar steen en fossiel.

Jeroen Brouwers gisteren in het programma Atlantis: is hij een échte schrijver? Of is hij de mythe van een echte schrijver? Iemand die zich voor een echte schrijver houdt? Zowat elke dag is hij daar met zijn donkere ogen, om als het ware zijn zelfmoord aan te kondigen. De pennenlikkers van het literaire circus zitten al vele jaren ongeduldig te wachten om met hun slecht geformuleerde in memoriams te scoren. Ik hoop dat Brouwers er geen eind aan maakt, dat het een verkoperslist is, dat hij de hele meute teleurstelt. Zijn ‘Zondvloed’ zal ook wel goed verkopen als hij er geen punt achter zet. Trouwens, had hij dat punt er niet beter voor gezet? ‘Après moi le déluge’ luidt immers de uitspraak van deze mensen die graag uitspraken in de mond nemen. Ach, de smaak van een wansmakelijke uitspraak is nog altijd beter dan die van het succulente vlees van een geveld everzwijn of een vermoorde patrijs.

Lang geleden, toen mijn hoofd nog vol haar stond, dat dan bovendien over mijn schouders golfde, heb ik Jeroen Brouwers meermaals gezien. Zou hij zich mij herinneren? Een bepaald beeld van mij met zich meedragen? “Die barman met dat lange haar in die bar van Herman J. Claeys, De Dolle Mol heette ze, dat weet ik wel zeker”. Waarschijnlijk niet. Wie herinnert zich langharige losers? Ik had een zwak voor die luidruchtige literatoren die er kwamen: Jeroen Brouwers, Paul Snoek en Marcel Van Maele. Zij waren me liever dan de overwegend Franstalige hippies die er rondhingen en voor zich uit zaten te staren of hasj te dealen. Dat laatste was niet alleen dom maar ook boosaardig ten aanzien van Herman, want de Dolle Mol stond haast onder voortdurende bewaking van de Belgische Opsporingsbrigade, softdrugs waren staatsgevaarlijk; dat vond althans de toenmalige minister van justitie Vranckx, een socialist tegen bewustzijnsverruiming. Uiterlijk leek ik wel op deze hippies, maar geestelijk was er weinig verwantschap tussen ons, denk ik. De echte hippies bevonden zich, in navolging van Jack Kerouac en andere beats, on the road in de Verenigde Staten, trokken naar Afghanistan en Nepal of leefden teruggetrokken in communes, wist ik. Dat had ik ook graag gedaan, maar waarschijnlijk had ik me daar bij hen, in Laurel Canyon, of weet ik veel waar ze woonden, evenmin thuis gevoeld als in Antwerpen of Brussel. Zal ik me overigens ooit ergens wel thuis voelen? Zeker hier niet, in dit hels-verlichte bureau van Ontwikkelingssamenwerking.

Ja, ik hield van die schrijvende mannen, zij waren karakters, zij hadden levensechte verhalen te vertellen. Zelfs als ze stomdronken waren vertelden ze nog boeiende verhalen. Ik was altijd nuchter in die tijd. Mijn enige zwak was de sigaret. Bijna mijn hele inkomen ging naar sigaretten. Sommige dagen kon er nog maar net een kommetje rijst met olijven en paprika af. Dat kocht ik aan de overkant van de Kaasmarkt, het hippe pleintje waar je niet alleen de Dolle Mol vond maar ook de Speakeasy. De bohémiens en hippies werden er heel gauw verdreven. Er moest plaats gemaakt worden voor pitabars en toeristen. Alles wat de stad een gezicht gaf werd verwoest. Zo komt het dat alle steden nu op elkaar lijken.
Zo waren mijn Brusselse dagen [2], goed voor een honderdtal bladzijden of meer, maar vandaag begin ik er niet aan. Alweer niet. Nu ben ik de Man die Werk Vond, van die gehate Brusselmans. Dat is geen schrijver (vinden de ernstige mensen, en meer dan eens ben ik zelf ook een ernstige mens). Of: De Man die Ook Werk Vond. Of: De Tweede Man Die Werk Vond. Nee, dit is niet grappig.

Ik had het over het Atlantis. Dat is een televisieprogramma waar ik voor thuisblijf. Zelfs als het onbenullig lijkt boeit het mij. Dat komt door de vervlechting van de thema’s die erin aan bod komen; de verschillende items verwijzen naar elkaar en versterken elkaar. Zo werkte ik vroeger ook aan mijn radioprogramma Shangri-La. Als je een country-smartlap als ‘Satin Sheets’ van Jeanne Pruett in een bepaalde context plaatst, kun je aan zo’n lied een diepere existentiële betekenis geven. Heel wat country-songs hebben die betekenis al in mindere of meerdere mate. Het zijn meestal op zijn minst interessante verhalen, die over het leven gaan, over de verhoudingen tussen mensen, over de eenzaamheid en het verlangen naar de dood. Over mogelijkheden om aan die eenzaamheid te ontsnappen: een beperkt aantal. Je mag zo’n lied natuurlijk niet in een typisch country-programma horen, gepresenteerd door een onbenul van een DJ die de nummers aan elkaar lult. Tenzij je zo’n uitzending ook weer in een ruimere context plaatst. Maar op die manier kun je doorgaan tot aan de grenzen van het universum en verder. Dan kom je weer bij een zekere God terecht. En daarmee is alweer een keer bewezen dat het geheel in het kleinste ding aanwezig is: in de kiem de kosmos. Maar zeg het niet tegen de anderen want dan lachen ze je uit.

Ik word in mijn echte werk gestoord. Mijn chef, Mevrouw Verstraeten, komt mij vragen om bepaalde belangrijke documenten in verband met het C.M.R.E.G. te klasseren, volgens mij een onbekend en waarschijnlijk zinloos systeem.

[1] Dagboeknotitie van 5 december 1988.
[2] In 1988 woonde ik nog in Antwerpen.

Afbeelding: Martin Pulaski, circa 1971.

TABULA RASA: NABESCHOUWING

etymologie, voornamen, namen, mommaerts, mom, vermomming, geest, wolk, serie, televisie, veronica, v, vogel, vera icona, berenice, pherenike, spoor

Gisteravond bedacht ik dat in de naam van dokter Mommaerts de stam mom – niet al te diep – verborgen zit. Een beetje vermomd, zeg maar. ‘Mom’ betekent etymologisch ‘masker’, vandaar zich vermommen, vermomming, maskerade. Waarschijnlijk verwant aan het oude Franse woord ‘momer’ (se deguiser). In het Etymologisch Woordenboek der Nederlandsche Taal lees ik: “het werkwoord mommen ‘zich vermommen, aan gemaskerd bal deelnemen,’ komt reeds eind veertiende eeuw voor.” De huidige betekenis van ‘momerie’ is volgens Larousse: ‘affectation ridicule d’un sentiment qu’on n’a pas, et en particulier de sentiments religieux, bigoterie.’ Dat is ook mooi meegenomen.
En dan Véronique, of V. In het initiaal V zien we uiteraard de al dan niet met kinderhand getekende vogels. Maar interessanter nog is de betekenis van Véronique of Veronica. Die voornaam komt van het Griekse Pherenike, brengster van de zege, overwinnaar; denk ook aan Bérénice (Βερενίκη). Het is tevens de naam van de legendarische Veronica, een christen uit Jeruzalem, die Jezus een doek aanbood om het zweet en bloed van zijn gezicht te vegen terwijl hij zijn kruis droeg. Het gelaat van Christus werd zo op miraculeuze wijze op de doek ingeprent. Op grond hiervan wordt de naam soms verklaard uit een mengsel van het Latijnse verus en het Griekse icona. Dat wordt dan vera icona of het ware beeld. Veronique toont ons het ware beeld van de moordenaar: zij is het dader.
Mochten we van in het begin van Tabula Rasa wat aan naamkunde en etymologie hebben gedaan dan hadden we al gauw het ware gelaat van de slechte vrouw gekend.  Thomas De Geest, zoon van een speurder en appel die niet ver van de boom valt – en zoon van een wolk die Wolkers heet, had ons meteen op het goede spoor kunnen zetten. Dan hadden we meteen door haar niet eens helemaal geslaagde vermomming heen gekeken. Nog een geluk dat we dat pas hebben gedaan nadat het mysterie eindelijk was opgelost. Want leven we niet liever in onwetendheid dan het lot van onze helden (of antihelden) en van onszelf al van in het begin te kennen?

Ω

Afbeelding: El Greco, De heilige Veronica.

HERHALING IS GOED

bacon-triptych1.jpg

Gisteren vierden we de verjaardag van Francis Bacon, onverschrokken ontdekkingsreiziger. Deze korte overweging is voor hem.

Het leven is herhaling. Het komt erop aan van die herhaling iets spannends te maken. Er elke dag iets uit weg te nemen, of er iets aan toe te voegen. Elke dag hetzelfde gedicht, dezelfde litanie, hetzelfde refrein. Maar toch anders. Je wijzigt één of meer details. Soms kan een letter al volstaan. Of iets morsigs mag ook. Opeens is er een vlek op het perfecte schilderij. Ik denk nu aan Francis Bacon. Na een lange en uitputtende strijd met/tegen verf, doek, rommel, zenuwen, concentratiestoornissen, duizelingen, herinneringen, religie, familiegeschiedenis, obsessies, is het werk af, is het in zekere zin perfect. Het beeld van Francis Bacon heeft op dat ogenblik, nu, “the illusion of a Greek necessity”, om het met de woorden van Sylvia Plath te zeggen. Maar dan voegt de schilder er nog gauw een vlek aan toe. Die vlek aanbrengen is ook herhaling, maar dan een soort van ondermijnende, subversieve omkering ervan.

Herhaling is goed. Ritueel. Mantra. Ziekte en het verzet tegen de ziekte. Genezing. De stroom die hetzelfde is en toch anders. De weg naar omhoog en de weg naar omlaag.

De herhaling is niet saai. Het is niet de sleur van het koffie zetten of het bed opmaken, van je nagels knippen. Maar waarom zou je je nagels niet knippen zoals je een gedicht schrijft of de liefde bedrijft? Waarom niet je boterham eten zoals je vroeger deed met wat je dacht dat het lichaam van Christus was?

Elke dag is een geschenk dat je toestaat je leven te herhalen. Herhalen is een job en een gave, een vloek en een kunst. Een gunst die je niet kan afdwingen.

bacon portrait of henrietta moraes.jpg

Maar duidelijk is het hoegenaamd niet wat ik hiermee wil zeggen. De woorden die me worden aangereikt zijn aan mijn leven vreemd. Ze ademen niet zoals mijn eigen wat piepende adem. Ze zijn op een heel andere manier moe dan ik. Herhaling is dan gewoon het woord ‘herhaling’, weinig meer dan een abstractie. Terwijl mijn herhaling menigvuldigheden omvat, terwijl mijn herhaling van elke minuut die ik heb geleefd, liefgehad en geleden is doortrokken. Mijn herhaling is een steen met zwarte, grijze en gouden aders. Kijk maar eens goed.

bacon three studies of gerorge dyer.jpg

Afbeeldingen: Francis Bacon, Three Studies of Isabel Rawsthorne (1966); Portrait of Henrietta Moraes (1963); Three Studies for George Dyer (1967).

ZAAD VOOR ANTONIN ARTAUD

kinderjaren 001 (7).jpg

EEN MONOLOOG

Al vroeg op mijn reis zette ik een wankele stap op je braakliggende grond.
Een vreemde man die ik wilde kennen en niet wilde kennen.
Een vreemde man van de Indianen en de Mexicanen
en het voortdurende feest van de dood.
Een wrede engel die braakt in het gezicht van wie in de pas loopt.
Ik wilde zoals jij zijn – me aan je puriteinse wreedheid spiegelen.
Hoe ik naar je wreedheid verlangde.
Maar hoe ik mijn eigen haat en wreedheid vervloekte.

Ik verwierp de liefde van moeder en vader.
Ik verwierp de liefde van broer.
Ik verwierp de liefde van de zusters van liefde en haat.
Ik verwierp de liefde van de doctoren.
Ik verwierp de liefde van de chirurgen.
Ik verwierp de liefde van onderwijzers en gemeentesecretarissen.
Ik verwierp de liefde van vrederechters, monniken en hoeren.
Ik verwierp de liefde van sergeanten en onderpastoors.
Ik verwierp hun verlangen naar verwoesting.
Ik verwierp de liefde van tuinders en boeren en boswachters.
Ik verwierp de liefde van kunstenaars en dichters.
Ik verwierp hun stichtende ordonnantie en hun misprijzen.
Ik verwierp de liefde van allen die me leerden vergéten.
Ik verwierp de liefde van allen die me van het leven vervreemdden.
Ik verwierp je wreedheid Antonin Artaud.
Ik verwierp mijn eigen wreedheid en mijn eigen liefde.
Liefde was geen liefde, zij was oorlog en haat.

Later in de woestijn aanbeland en verloren
zag ik in een plas helder water van een oase
in een ogenblik van bezinning je blik even troebel
als mijn blik – en ik zag je troebele ziel.
Je hoofd door ordelijke wraakzucht getekend.
Je huid als in een woestijnfilm verbrand.
En alles in mij brandde – niet in een film maar in het echt
en om mij heen brandden de woorden en de namen
van wat in het zand groeit en kruipt
en van alles wat ik me herinneren kon.
Alles brandde en brandde beter en feller dan dor struikgewas.
Alles brandde met meer wreedheid dan het vuur dat de aarde verschroeit.

Later in slecht verlichte straten van mijn stad verloren gelopen.
Een hoofd vol drugs en brandewijn heb ik je opnieuw ontmoet.
Jij die in de kerkers van mestkevers zo vaak was gemolesteerd.
Jij die door burgerfantomen negen jaar lang de mond was gesnoerd
met elektriciteit en vergif – met adoratie en welsprekendheid.
Met satanische missen en schietgebeden van lamme prelaten.
Het ware vuur nog steeds woekerend aan de rand op de purperen heide
en in de harten van wilde meisjes op zoek naar lust en profetieën.
Vooral in hun meest gekoesterde dromen – onuitgesproken.
Hun verlangen naar jouw donkere onkruidadem en magere armen Antonin Artaud.
Naar het gekras van de raven en de slechte opium in je stem.
Het gekras dat Edgar Allan Poe Lautréamont en Baudelaire je schonken.
Het enige cadeau zonder waarde maar hoger aangeslagen dan agaat.
Ja hoger aangeslagen dan agaat uit Egypte.

In vijandige bars omhelsde je me terwijl dronkenlappen met hun stierenkoppen
me leken te willen villen zoals in 1958 de jongens in de Kolonie.
Daar waar ik voor altijd van iedereen afscheid nam –
en leerde beminnen omdat ik onder datzelfde gesternte
een in stilte razende gek werd – en in het geheim nog altijd.
Een spion in het huis van de valse liefde – nooit opgesloten.
Zo erg geschonden en zo vaak verslonden maar toch onkwetsbaar.

Hard is een leven van falen en dwalen en ziekte en elke dag doodgaan
maar sterk is de wil van verzet en niet gillen maar doorgaan
met wat restjes met wat as van verbrande zinnen en woorden
en zachte machines en wapens van liefde en verheffing.
Met het heilige dat soms mijn woord wordt als ik nog eens droom
van wat een paradijs lijkt – of van een spoor ernaartoe.

Want ik heb me uit je omhelzing losgerukt Antonin Artaud.
Ik ben geworden wie ik al was van toen de sterren begonnen
en het woord vlees werd neergeschreven door ik weet niet wie.
Het woord dat een vrucht was een eicel een zaadcel een embryo.
Het woord dat woekert onder de grond en sterk maakt als ik ervan drink
of erop kauw en ook nog als ik het daarna uitspuw.

En dan opeens worden de dagen helder.
Het braakliggend terrein open en vruchtbaar en klaar voor wat het toekomt.
Wat valt er nu nog te verwensen?
Wat valt er  nu nog te verwerpen?
De dwaze mensen in mijn leven waren maar korreltjes zand
in die woestijn waar ik verloren liep en van waar ik mijn weg vond naar hier.
Hier waar ik nog altijd alleen ben en eenzaam en vreemder dan ooit.
Maar het geeft niet dat weet je – het geeft niet.
Want vandaag is mijn hart harder en sterker en blauwer dan agaat
en ook is het een Mijn van ongehoorde, onontgonnen liefde en opstand.

anton artaud, artaud, monoloog, zaad, reis, ontmoeting, identificatie, afscheid, psychoanalyse, symboliek, biijdschap in de vernietiging, verwerpen, verwerping, taal, semiotiek, semiologie, chora, terugkeer, liefde, opstand

Dit is de eerste monoloog die ik schreef voor ‘Omtrent Antonin Artaud’. Het is een soort verslag van mijn ontmoeting met Antonin Artaud. Van hoe ik me in hem herkende, me tot op zekere hoogte met hem identificeerde, en hoe ik hem uiteindelijk verwierp om te kunnen leven, lust te voelen en lief te hebben. Tegelijk is het een liefdesbrief gericht aan de taal waaruit ik, net zoals Kaspar Hauser, ontstaan ben. Een universum waarin Artaud opnieuw een plaats heeft gekregen.

Elk leven is een reis door ruimte en tijd. Elk reis bestaat uit een reeks ontmoetingen, identificaties, ‘verwerpingen’. Altijd is er het afscheid.

De leestekens – vooral punten – en witregels horen niet bij de aanvankelijk ononderbroken woordenstroom. Ze zijn er bewust aan toegevoegd als breekpunten en openingen. Om dezelfde reden werden tijdens het (her)schrijfproces aanvankelijk zinvolle en ‘mooie’ woorden en zinnen verworpen. Die bevinden zich nu buiten de monoloog, in de marge of er ver weg van.

Ω

Over Artaud en de verwerping, zie Julia Kristeva, “Le sujet en procès”, in ‘Artaud-Colloque de Cerisy-la-Salle, 1972.

SUSPICIOUS MINDS

 

landschap-umbrie

Je weet wat er met the Long Ryders is gebeurd, je kent het leven van August Strindberg en kan het navertellen (wat geen zin meer heeft: iedereen vindt het in Wiki), je herinnert je tientallen steden en nog veel meer hotels – maar wat gebeurt er op dit ogenblik in je stad, in je straat, in het appartement beneden? Je weet het niet. Je weet niets. Je denkt – soms, in een optimistische bui – dat je dichterlijk op de wereld verblijft maar je stelt vast dat je stilaan blind en doof wordt. Misschien is dat altijd al zo geweest, leefde je in je eigen wereld, als een goedaardige psychopaat. Of – mogelijk – niet eens goedaardig, zelfs.

Hoe zou je dan een gedicht kunnen schrijven? Als je niets ziet van de kleuren in de ogen van een beminde vrouw of een kind, als je hun haren niet uit elkaar kunt houden, alsof ze allemaal in de war zitten, als je in je eigen stad verdwaalt, alsof je in een droom een donker spook najaagt dat meteen in een vriend verandert en dan in een wolf in de Ardennen en dan in een volgeling van L. Ron Hubbard?

Je moet over woorden en namen als riesling, zeeduivel, existentie, Santa Cruz nadenken: ooit verwezen ze naar universums, nu zijn het schimmen op de rand van je afgrond, schimmen al enigszins in de nabijheid van je – voorbarig – afscheidnemende verwanten. Je roept uit dat het allemaal zo erg nog niet is; dwaze gebaren gaan daarmee gepaard, ijl gelach, speurtochten diep in een of andere koelkast waarin nog wat drankjes moeten staan.

Je zegt tegen de weinige mensen die je ontmoet dat ‘Suspicious Minds’ je favoriete song is, maar je weet meteen dat je overdrijft. Alle liederen op ‘The Freewheelin’ Bob Dylan’? Of ‘La maman et la putain’, wow! – terwijl dat toch zo’n vervelende praatfilm is. De mooiste stad van de wereld is New York, maar in werkelijkheid zit daar in je dromen een donker spook je op de hielen (de zolen van je Campers kleverig van bloed en Campari). Picasso was een knoeier, toch, met al die gekke kleuren. En Karel Appel!

De mooie dagen hebben we gehad. Nooit meer zal de Titanic zinken, nooit meer de Mount Everest door Edmund Hillary en de Sherpa Tenzing Norgay worden beklommen (drie dagen voor je derde verjaardag), nooit meer met vlug in elkaar geknutselde sleeën, alsof het kunstwerken waren van Vic Gentils, over het oppervlak van het Albertkanaal gegleden, nooit meer zal je overweldigd worden door de barok van Ben Hur, El Cid en Cleopatra.

Zelfs de zon schijnt het te laten afweten. Alsof je donkerste dagen aangebroken zijn. Alsof wat ooit alles was nu niets meer is. Maar misschien is dit maar een moment van zinsverbijstering, veroorzaakt door een drietal glazen rode wijn. Een gevolg van enkele te hoge toppen, te ijzingwekkende vergezichten, te vergevorderde liefdes, te witte, extreem romantische sneeuw in sensationele streken.

Foto: M.P., Umbrië

WOORDEN ZIJN SEKS, ZEI JE ii

Living, Thinking, Looking.jpg

Al een aantal dagen kan ik op mijn weblog niet meer antwoorden op commentaren die bij mijn teksten worden gegeven. Een bizarre situatie: je hebt een blog, je denkt dat die jouw intellectuele eigendom is en dat je ermee kan doen wat je wilt, rekening houdend met een aantal legale en ethische voorwaarden. Mocht hoochiekoochie niet zo populair zijn (dat vermoed ik, afgaande op de teller die hier links in de marge staat) zou ik mijn geluk elders zoeken, maar dat lijkt me nu niet zo’n goed idee.

Voorlopig zal ik mijn replieken en bedenkingen dan maar als ‘nieuwe’ teksten publiek maken, met verwijzing naar de plaatsen waar ze eigenlijk zouden moeten staan. Omslachtig, maar ik vind geen andere oplossing.

Bij “Woorden zijn seks, zei je” schreef ik de volgende bedenking:

“Alles begint met een woord.” Dat niemand daar iets tegenin brengt – op een blog – betekent nog niet dat de bewering waar is. Bij Siri Hustvedt las ik heel specifiek over kleuren het volgende: “We feel colors before we can name them. Colors act upon us pre-reflectively. A part of me feels red before I can name red. My cognitive faculties lag behind the color’s impact. Standing in a room, I look first at the vase of red tulips because they are red and because they are alive.” In: “Living, Thinking, Looking”, 2012.

Overigens verdient de uitgever van Siri Hustvedts essaybundel een prijs voor de look van het boek. Mooie layout, gracieus lettertype, heerlijk papier om aan te raken en aan te ruiken.

WOORDEN ZIJN SEKS, ZEI JE

De hemel was niet staalblauw.
De hemel was blauw.
Je lippen waren niet scharlaken
Je lippen waren rood.
Het zilver schitterde niet.
Het zilver was zilver.
De dagen waren niet lang.
De dagen waren niet kort.
De dagen waren dagen.
Niets leek op een bloem.
Alleen bloemen leken op bloemen.
Er was geen naderend onheil.
Er was alleen onheil.

Je had niets om het lijf.
Je riep begeerte op.
Lust rijmde niet op rust.
Lust was in een andere taal.
Versta je?

Niemand verbaasde zich ergens over.
Alles was zoals het was.
Geen gedoe.
Geen drukte.
Omdat er woorden waren.

Je zei, dit is een woord.
Het begint met een woord, zei je.
Begin jij niet met een woord, zei je.
Begin met een woord, zei je.
Woorden zijn seks, zei je.
Ogen is een woord, zei je.
Zilver is goud, zei je.
Nergens is nergens, zei je.
Je bent overal, zei je.


OPEN DE DEUREN

deur

Dagen van niets of bijna niets wegen toch zwaar en belasten vooral het gemoed. Als je te lang in stilte zit te denken hoor je in je hoofd alleen nog maar lawaai. Er bestaat geen zachte achtergrondmuziek meer. Als je niet aandachtig luistert is het lawaai. Films worden niet uitgekeken, kleine meesterwerken noch klassiekers. Zelfs geen Pulp Fiction. Overmand door slaap, een broertje waar je altijd zo bang voor was en dat je zoveel mogelijk uit de weg ging. Zelfs een lichte handdruk gunde je hem niet.

I’ve closed my books, I read no more. Een regel uit een gedicht van James Joyce. Ook zijn zo volstrekt open eindigend boek is gesloten. Stress, zeggen kennissen, buren, dokters. Stress. Als je dat woord zo ziet staan word je een beetje misselijk. Niets is dommer dan stress, het woord en de toestand die het aanduidt. Of niet soms?

De donkerste dagen doen je verlangen naar witte zeilen, zoals je je die voorstelde toen je als kleine jongen avonturenromans las. De geur van schepen, van de zoute oceaan. Naar de blik in de ogen van een matroos. Naar een lied dat zachter is dan water, en even hard en genadeloos. Zou het er een van the Velvet Underground kunnen zijn? Pale Blue Eyes, bijvoorbeeld. Ze doen je verlangen naar een engel, gevallen en weer opgestaan. De engel is een vrouw die als een prerafaëlitische schoonheid door groene velden zweeft. Vlinders zijn er niet, alleen zucht de wind wat om haar dunne zijden jurk. Daffodils, denk je. Is dat niet het woord dat stress kan uitwissen? Of entelechie? Entelecheia. Zoals een duif een duivel. Je gelooft echter niet in magie, witte noch zwarte. Black Magic Woman is een lied, meer niet. Maar de woorden dan? Ja, de woorden. De miljarden woorden die als zandkorrels zijn, onuitgesproken, ongeteld. En zijn de boeken van zand niet de mooiste? De boeken die je niet openslaat, die je met donkere ogen en blootsvoets leest. Hun myriaden betekenissen zitten voor enkele uren tussen je tenen. Daarna spoel je ze weg. Ruimte voor het nieuwe. Altijd het nieuwe: zoals ongeziene sterren, en de maan en het vuur.

Foto: Martin Pulaski

WORLD’S END

Voor Patti Smith en PJ Harvey

Paarden in dromen, zoogdieren die ons dienden tot niets, nergens toe leidden – wij van troebel water en schaduwgebieden afgedaald naar lagere regionen van de kou. In zones van beheersing door fantomen en hun pijnstillingen bedwelmd. Dwergen jagen op wolven, met revolvers te groot voor hun handklappende handjes.

Alles gaat verstand te boven als het weg wordt gefluisterd, als het onbezongen blijft, van zinnen verstoken. Maar op een laat uur onderweg naar het einde, wegen woorden geen ons . Als bij doven en blinden vuurwerk blaft en waakhonden in hun witte kooien angstig zwijgen. Maretak, nachtegaal, ‘n zestal witte hengsten, geboortegejubel, doodsbedlinnen.

Nergens is het woord, voortaan, ook als je zwerft op een vlotte melodie naar wat opnieuw beginnen moet. Pas als je herhaalt kun je vergeten:  de dierenriem en wat je van oudsher bepaalde. Je driften, lusteloosheid, je verontreinigingen. Stekels altijd overeind, een filosoof van de twijfel. Een filosoof die liever het aambeeld verzwijgt waar de hamer op hamert.

De daver op het lijf in je eigen haard en boezem. De aarde opgeteld, grashalmen, zand, graankorrels, zorgenkinderen. De som gelijk aan zero grond, nul ademkristal, van generlei waarde. Afgerond staat netjes in een jurk van gewapend metaal.

Met baarden staan mannen de laatste vrouwen op te wachten tot ze vergeten waar hun mond is en hun uitingen, zich zelfs verslikken in hun wolfachtige fonemen.

Verminkte paarden leiden tot niets. Tot niets van enige waarde. Of ze galopperen tot World’s End,  waar evenmin iets in het oog springt, tenzij een dronken horizon, zwaar van verzopen schipperskinderen. Nee. Alleen niets, en geen troost voor jankende beesten, geen troost voor gewervelde en ongewervelde dieren. Niets dan een hongerig Europa hongerig naar niets.

Maar daar staan jouw paarden te grazen, hongerig naar jou. Wie zal na die dagen van afdalen je schapen hoeden, met ganzen spelen en uit je boezem de adder wegrukken, zijn gif opzuigen? Wie zal een levenslied, een doodslied voor je zingen? Wie zal die lijkwade van zich afschudden, en brullen, gedaan met slapen, gedaan met al dat gedoe. Het is tijd. Of is het geen tijd, misschien. Komen wij al te laat?

 

MIJN CONJUNCTIES

hölderlin.jpg
De jonge Hölderlin.

Principieel voor mijn teksten is de afwezigheid van een vooropgezet plan, wat ik graag tegenover een beredeneerde, stelselmatige opbouw plaats. Toch laat ik nauwelijks ruimte voor stellingen uit het ongerijmde. Als dat toch eens gebeurde had ik waarschijnlijk net buikpijn of een andere kwaal. En als ik dan toch stellingen moet hanteren, berijm ik ze liever. Soms verwijs ik wel eens naar iets als de analytische meetkunde; zoiets is er dan met de haren bijgesleurd; of nee, toch niet, ik doe het om er iets autobiografisch aan te geven. Zoniet zou je je kunnen gaan afvragen, waar gaat dit eigenlijk over?

Ik zie heel goed in dat ik een man van het ‘maar’ ben. Miljoenen keren heb ik dat woord al gebruikt: het is een miserabel mirakel, om even Henri Michaux zijn omschrijving van mescaline te hanteren. Een ellendig woord dat ik zo nodig heb. Waarom ben ik er zo van in de ban? In de vorige eeuw heb ik me gedurende jaren in het werk van Hölderlin verdiept, een meester van het ‘aber’. “Aber Freund! wir kommen zu spät. Zwar leben die Götter, / Aber über dem Haupt droben in anderer Welt.” Dat veelzeggend voegwoord heeft zich toen in mijn vocabulaire vastgehaakt en het is gebleven en ik wil dat het blijft. Zeer waarschijnlijk omdat de conjunctie in mijn dagelijks leven een belangrijke rol speelt, ook op filosofisch niveau

ZIELSVERWANTEN

Ik zie je daar zitten bij de bankier, je hoofd nog vol schuld en boete, niet de geestesgesteldheid maar het verhaal. Raskolnikov. Een klein beetje schaamte vanwege je schaamteloosheid. Een nieuwe lening. Wie zal dat betalen? Wie heeft zoveel geld? Gevangenschap voor vrijheid, roekeloosheid voor ruimte, ramen met een uitzicht op een weide waar paarden iets wat op eeuwigheid lijkt uitademen in de ijzige, grijze lucht.

Je waadt door levens als door een groene vijver waarop waterlelies zuchten. En soms hoor ik als ik weer eens door de wandelgangen slenter jouw eigen diepe zucht. Als een donkere wolk je naar de keel grijpt en je begrijpt dat de zanger geen woorden vindt voor zijn emoties. Geluk wordt droefheid zo zonder taal. Je blik lijkt te sterven in je hoofd dat tussen dove sterren zweeft. Je lichaam zwak, afgetakeld.

Maar dan sta je op, alsof een speler de trompet aan de lippen heeft gezet en je ziel nieuwe veerkracht heeft gekregen. Je bent een jong dier, een veulen kort bij de merrie in de weide. En het is zomer en je gaat op je knieën zitten voor de paardenbloemen, de klaprozen. Je klapt in de handen. Je geliefde zingt een lied. Hij heeft enkele woorden gevonden. Woorden die elke gedachte aan geld, aan schuld, aan zwaarte naar een donker woud verbannen. Om daar te branden in een vreugdevuur dat zielsverwanten brandend houden. Zodat jij en ik onze gang kunnen gaan. Wij die elkaar graag in de ogen kijken en willen lachen en dansen en kussen.

 

VERTEL ME SPROOKJES

aa2

Dit gedicht in prozavorm is grotendeels ontstaan uit de film Les regrets van Cédric Kahn, met Valeria Bruni Tedeschi en Yvan Attal.

1.
Het koude klimaat wordt een situatie waar we moeilijker mee kunnen omgaan dan ooit tevoren. We weten niet waarom we er minder tegen opgewassen zijn dan bijvoorbeeld twee of drie jaar geleden. Ooit is het kouder geweest; ik hoor mijn vader nog vertellen over lange, koude winters, de kanalen waren toegevroren en hij kon niet anders dan zich, als nauwelijks geletterd man, tot de kunst van het houtsnijden wenden. Tijd moest worden gedood als het zo koud was. Nu is het anders: wij snijden geen hout, wij doden geen tijd, en wij kunnen ons alleen aan elkaar verwarmen. Wat missen we in onze levens?

Ik kijk je in de ogen. Je huivert even en daarna huil je. Het is geen spelletje, je huichelt niet. Het is koud. Je bloedt in mijn kamer. Je bloedt mijn aders vol en je rood loopt nu door mijn ogen. Wat zullen de mensen straks denken? The walking wounded, opening their veins and bleeding in public. Je bloedt in mijn haren en je bloedt op de stoel. De bloedstoel. Ik sta verstomd, vergeet je bloed te drinken, word zienderogen ouder. Een vermolmde vampier.

Tranen bestaan niet in een betoverde wereld. Beelden van tranen bestaan en – misschien klinkt dit vreemd – idioten die onze levens aan banden willen leggen. Beelden van beelden van ons gemis en van wat liefde heet en dood. Een wurger in een scène wurgt je niet, en een pyromaan steekt je huis niet in brand. We praten over films. Waarom? Omdat de werkelijkheid zich in die films aan ons voordoet, veel meer dan in onze eigen woorden, schijnen we te denken.

Maar wie neemt je blik weg? Er is geen beeld, geen metafoor voor je ogen, voor je uitzinnige tranen van geluk en verdriet. Voor iets tragisch dat niemand anders kent. Alleen enkele dichters en zangers, misschien. Je zegt geen gebenedijd woord. Ik probeer te raden wat je denkt, maar ik zit er ongetwijfeld naast, zoals ik naast je zit en dan één met je word. Dat is het mooie van waanzin, dat ze geen zin heeft en dat ze chaotisch noch gestructureerd is.

Je zegt dat je structuur nodig hebt en ik beaam. Maar onze zinnen ontregelen we, als ezels die een wedstrijd lopen, vooral die twee ezels met goud en zilver. Ja, zeg je. Ja, zeg ik. We praten door elkaar, omdat we elkaars woorden zijn. Heeft free jazz structuur nodig? Is het niet mooi als een orgasme stelselmatig wordt opgebouwd, als een vergelijking in de analytische meetkunde?  Is het niet subliem hoe je de weg aflegt naar dronkenschap, ook al zwerf je ernaartoe, zonder vooropgezet plan? Waar we zeker van zijn: alles keert terug, plan, structuur, chaos, orgasme, waanzin, zin, verrukking.

2.
Vertel me sprookjes. Vertel me over kinderen – ik weet niet wat kinderen zijn omdat ik als ik bij jou ben zelf een kind ben. Ik word dom en stekelig als je je even van me afwendt om iets in een mobiele telefoon te fluisteren of om wat bloed te gaan uitstorten in een vreemde cel. En dan zit ik me af te vragen wie je werkelijk bent, beantwoord ongestelde vragen, word stil, blijf gespannen zitten wachten tot het gefluister ophoudt en het bloeden is gestelpt.

Vertel me over je kleine dingen. Over het licht dat door je gordijnen dringt om je lichaam te belichten, hoe je met je borstel je haren in de war brengt, over het vuil in je auto dat schittert in de nacht, over de plannen die ik in je ogen zie ontstaan, over wat je me verzwijgt, vertel me de geheimen die je met me wilt delen (maar niet je geheime geheimen). Vertel me je hartgeklop en hoe je de nagels van je vingers en je tenen knipt, en waar. Vertel me je geheime naam. Vertel me waar je in je dromen woont en hoe slangen en schorpioenen je daar bedreigen en roodborstjes en koolmeesjes je met hun kleuren wakker maken en bevrijden van alle beklemming van de nacht.

Vertel me alles wat je me kunt vertellen. In mij verdwijnt niets van jou. Ik draag je hart in mij.

Je bent mijn hart, zoals ik het jouwe ben. In de koudste nachten en de hitte van midzomer. Zeg me hoe het moet met jou en mij en met de harde wereld waarin we leven. Zeg me iets over onze waanzin, over onze schoonheid, over onze tranen, zeg me waarom je zo moet lachen en waarom ik zo moet lachen. Zeg me waarom je je handen vol hebt aan mij en ze toch leeg lijken te blijven en blijven verlangen naar iemand in Mexico of nog verder weg, een ander ik, dat niet kan bestaan, nooit zal bestaan. Zeg me wat de wereld is voor jou en wie ik ben in jouw wereld. Vertel me over je kleur, je bomen, je vogels, je kogels, je liefdevol gewurg, hoe je op je paard reed, op je fiets, wie je vriendjes waren, en waar je van droomde toen je zes was en in bed wachtte op zoete slaap.

3.
Ik draag je hart naar een verre plek waar ogenschijnlijk niets bestaat. Ik breng je naar de rand van de tijd. Naar de rand van de afgrond. Waar liefde heerst als een slaaf. Waar alles in elkaar stort en weer wordt opgericht, als een stad, als een geslacht, als een als. Ik voer je mee in mijn zegewagen naar de rand van alles, waar niets de plak zwaait. Taal valt weg, ook die van jou en mij. Er is geen tussen meer. Geen verschil, geen huid, geen schil.

DONKERE NACHT VAN DE ZIEL

donkerenacht

Kom je uit het Noorden? Is de Noordenwind niet het ergste als je geen huis hebt en geen vooruitzichten? Je zit in een kroeg en drinkt halflauw bier en wacht op iemand die je niet kent. Iemand om mee te praten. Je vroegere vrienden, als je die al had, en collega’s, noemden je een eenzaat, “ iemand die nog eens aan eenzaamheid ten onder zal gaan”. Om het grote woord, sterven niet te noemen. Dood gaan. Het einde. Heeft het belang? Je hebt je buik vol van grote woorden. Je zit te wachten op iemand, om het even op wie, man, vrouw of dier, om over het leven te praten, over alles wat je hebt beleefd, over de wind, de zee, de dakpannen die net niet op je hoofd vielen, over films van Claude Chabrol – en de andere de regisseurs die zoveel valsspelende mensen, tricheurs, hebben uitgekleed tot op hun diepste huidlaag.

Met je gezelschap, dat tegen wil en dank is komen opdagen,  praat je niet over je eenzaamheid, over elkaars alleen zijn. Alsof dat een zonde is. Je praat evenmin over verlangens. Hoe je naar je vrouw verlangt, die nu ergens is, je weet niet eens waar. In een bed, in een bos? In haar eigen donkere nacht van de ziel? Hoe je haar in je armen wilt houden en tegen je zweterige borst aandrukken. Haar borsten zullen ook wel zweterig zijn, denk je, terwijl je met je toevallige vriend over La Femme Infidèle praat. Stéphane Audran. Haar tepels niet zo hard als in de winter, minder opwindend, maar haar geur zou je kunnen bedwelmen als de beste parfum uit Grasse. Dat weet je zo, ook al heb je haar geur nooit zo opgesnoven in deze lucht, in dit licht, in deze eenzaamheid.

Je praat en je kijkt naar de sterren en je wilt haar stem horen. Ver weg en dichtbij. Je volgt het gesprek niet langer. Mensen vertrekken. Het café raakt leeg.  Stoelen worden op tafels geplaatst. Ik ben Phaedra, zegt een barmeisje. Wist je dat dan niet? Oh, ben jij Phaedra, zeg jij. Je bent heel erg mooi, Phaedra, maar ik moet dringend plassen, zeg je. De sterren nog altijd aan de hemel. Een stinkend toilet waar mannen de hele nacht hebben gepist. Later aan een tafel buiten bij jonge mensen uit het Pajottenland, feestvierders die je niet kent. Een scène die aan A Streetcar Named Desire doet denken. Maar ik ben Blanche niet. Een wat zielige scene: “we mogen die arme Pulaski hier toch niet alleen achter laten. Stel dat hij weer wordt overvallen of zo”.

 Op weg naar huis denk je aan je verleden, flitsen, flarden,fragmenten, niets is uitgewist, en denk je aan je geliefde, die je spoedig  weer in je armen zal houden en die je veel meer troost zal bieden dan om het even welke onbekende. Dan om het even welke bekende. Maar nog enkele uren, nog enkele dagen moet je in je hoofd de Noordenwind trotseren, en het gewauwel van kranten en televisie. The Dark Night Of The Soul, je weet wat hier staat, ook al is niets wat het lijkt. Nog enkele dagen. Je heb te veel geduld. Of toch niet, misschien?

FLOWER POWER – EEN NOODZAAK

flowerpower1

Al weken vind je geen woorden meer. Is dit weer eens een writer’s block? Of is er een duidelijke (en kortstondige) oorzaak? Maakt al het geweld in de wereld je woorden overbodig? Of komt het doordat je met bijna niemand spreekt? Misschien is er een verband tussen het zwijgen en het niet-schrijven. Lezen doe je ook nauwelijks. Je zou het een verlammende melancholie kunnen noemen. Of misschien is de band met de muze verbroken. De vraag is of je ooit in het verhaal van de muzen hebt geloofd. Kennelijk wel. Dat je naar een andere muze op zoek gaat, daar is geen sprake van. Banden kunnen en moeten worden hersteld, en elke muze moet op z’n minst zeven jaar tijd krijgen om je te inspireren. Het lijkt een beetje op een huurcontract, maar het is veel minder formeel. De relatie tussen een dichter en zijn muze berust op heilige wetten, geen wereldse. Dezelfde wetten waarop Antigone zich baseerde toen ze in opstand kwam tegen Creon. Robert Graves heeft hierover een mooi en diepgravend boek geschreven, een bijbel voor dichters, The White Goddess.

Hoe het ook zij (en er zijn zoals je ziet veel verklaringen mogelijk): op dit ogenblik laten de woorden het afweten. Zij dringen elders andere hoofden binnen en tonen daar hun schoonheid, hun waarheid; of ze doen net het omgekeerde, laten zien hoe lelijk het allemaal is, en liegen de mensen maar wat voor.

Omdat je desondanks de noodzaak voelt iets mee te delen plaats je hieronder enige foto’s van bloemen. Je zat toch al een tijdje te dagdromen van een nieuw flowerpowertijdperk, een nieuwe summer of love. De foto’s, van recente datum, werden gemaakt in de Jardin van de Villa Ephrussi de Rothschild, in Saint-Jean-Cap-Ferrat, een schiereilandje nabij Nice.

flowerpower2

flowerpower3

flowerpower4

flowerpower5

flowerpower6

Alle foto’s copyright 2010, Martin Pulaski.

LENTE

Ik verzin je in de lente in een jonge tuin betoverend. Geef je vleugels en zeldzame woorden, die mijn zinnen verbijsteren en verrijken. Ik hul je wit tulpenlichaam in zijde en hang een slinger van seringen om je slanke hals. Je danst op de muziek van de sterren, die de aarde raken met hun ritme en licht. De donkere zon houdt de trompet aan de mond, Venus zit aan de drums, een engelenkoor als op een schilderij van Van Eyck duikt op uit de laurierbossen, met harpen en triangels. Er valt geen god te bespeuren. Ik plaats een diadeem op je hoofd en begeleid je naar je troon. Zweetdruppeltjes op je huid: schitterende diamanten. Nu ben je mijn koningin. Mijn heldin voor het leven. Ik schenk je een vonk van mijn ziel. Maar wie wakkerde het vuur aan?
Na een diepe slaap en koortsige dromen geef ik je zintuigen zin in alle zinnelijkheid van de wereld. En avant! De trein rijdt het station binnen. Het wordt een lange reis als we zo bezeten willen beminnen.

 

LES MOTS ET LES CHOSES

waterkracht2 (2)

Alpendroom is een woord dat in je taal niet bestaat. Maar lees maar: hier staat het. Staat het je tegen? Een apenbroodboom, daarentegen? Nee, ook niet echt. Een apenbroodboom is een baobab. Hij wordt zo genoemd omdat apen er in zekere zin gek op zijn. Zoals sommige mensen op kreeft, kaviaar, champagne.

Je oefent voor Mister Universe? Dan moet je wel wat weten en veel kunnen dragen. En verdragen. Het concilie van Trente, het verdrag van Verdun. Een accordeon, een ukulele, een ocarina. Je moet niet alleen de woorden kennen maar ook de dingen waar ze naar verwijzen.

En instrumenten moet je kunnen bespelen of hanteren. Je hanteert geen woorden. Je hanteert voorwerpen, dingen. Je gaat er mee om alsof ze kostbaar zijn. Dat moet: iemand heeft ze uitgevonden. Mensenlevens hebben de dingen gekost. Niet de steen of het vuur. Maar het wiel en de mandoline. De piramide en het brandblusapparaat. Het mes en de granaat.

Hoe lang heeft whisky geduurd? Het slachten van een kip; prei, knolselder, erwten, tomaten; de kleine dingen die een cockpit van een vliegtuig er zo gevaarlijk en onbeheersbaar laten uitzien en tegelijk je geloof in het kunnen van mensen versterken? Het heeft allemaal lang geduurd. Denk maar aan de atoombom op Nagasaki. Dat was nog wat anders dan een stoomboot die arbeiders naar hun werk voerde. En ’s avonds laat weer terug naar hun donkere dorpen.

En als ik zeg dat ik je liefheb? Als ik zeg, geweldig? Daar zit veel geweld in en het woord liefde wordt nu opgeroepen. Hoor je mijn roep? Mijn woorden die bestaan en niet bestaan.

Jij, het mooiste woord – is het daarom dat we het niet uitspreken kunnen?

Ik proef je tong in je woorden ook al zwijg je hardnekkig. Mijn tong in je zwijgende hals. Ontsporende taal. Maar kijk wat er staat. Er staan sporen naar jou. Naar jouw woorden. Kijk hier heb ik mijn mond op jouw mond. Met enkele woorden. Zo doe je het toch maar. Misschien niet alles maar heel veel bestaat in je taal. Een struisvogelveer, een elastiekje, een haar, een wolkenkrabber, een granaatappel.

 Ω

Foto: Martin Pulaski, 1975

 

 

THE PARASITES WILL LOVE YOU WHEN YOU’RE DEAD: VOOR MARK LINKOUS


darknight 001

Toen gisteren voor mij de dag begon, wat later dan anders, was ik nog opgewekt van een fijne zaterdagavond in Antwerpen, met vrienden – en de muziek van zéro de conduite zinderde nog na in mijn hoofd, meest van al nog Elvis Costello’s ‘Man Out Of Time’.  Ik maakte wat grapjes op facebook, en stelde de vraag of een tomaat een groente is of iets anders. En dan las ik het nieuws dat Mark Linkous zich kort tevoren van het leven had beroofd. De tintelende lichtheid, nog aangewakkerd door een stralende zon, was meteen weg. Je kent het gevoel. Iemand die je hebt bewonderd, een authentiek songschrijver, een bezield kunstenaar, een begenadigd dichter met woorden en geluiden, is er opeens niet meer. Een verlamming maakt zich van je meester. Pas een uur later heb ik ‘It’s A Wonderful Life’ durven opleggen, een van de mooiste platen van Sparklehorse, een uur vol stille verwondering en ontzag voor de wereld en liefde voor de kleine dingen. Maar ik heb niet lang geluisterd. Het ging niet. Ik kon niet. De betoverde wereld was opeens een tranendal geworden, en Mark Linkous bracht er verslag van uit, zoals ooit Dante van de Hel.
Wat ik daarna gedaan heb is de mooiste clips die ik op YouTube kon vinden op Facebook geplaatst. Een rouwbetoon van deze tijd. En ik kon me laten gaan, ik had niet veel woorden nodig. Maar naarmate de dag vorderde vond ik alsmaar meer dat ik iets moest ZEGGEN. Ik had me wel voorgenomen om nooit meer een in memoriam te schrijven. Laat dit dan ook geen in memoriam zijn. Lees dat maar in de walgelijke kranten en tijdschriften, waarin alleen nog sensatie telt.

Dit hier zijn de enige woorden die ik kan vinden, een dag later, op een maandagochtend, terwijl het buiten vriest. Mark Linkous heeft niet voor niets geleefd. Hij heeft een klein oeuvre gecreëerd, dat op veel mensen diepe indruk heeft gemaakt. Sparklehorse was een van de beste, meest originele bands van de voorbije twintig jaar. Mark Linkous heeft niet één overbodige song geschreven. Als hij er niet was geweest zou ik een andere mens zijn. De muziek van Mark Linkous zal over honderd jaar nog worden beluisterd.

Ω

“The parasites will love you when you’re dead’ is een regel uit ‘Weird Sisters’, een song op de eerste plaat van Sparklehorse, ‘Vivadixiesubmarinetransmissionplot’ uit 1995.

Afbeelding: kopie van cd-hoes ‘Danger Mouse and Sparklehorse present Dark Night Of The Soul’

 

 

ALSOF WOORDEN GELEGEN MOETEN KOMEN


Alsof woorden, gedichten, gelegen moeten komen. Alsof er een gelegenheid moet zijn om ze aan vast te haken. Alsof gedichten horen bij iets, bij rampen, liefdes, afgronden. Alsof woorden in gedichten niet de barsten tonen, het ontembare, datgene wat nergens kan staan en liggen.

Alsof rood de kleur is van bloed en wijn, en bruin die van brood en vissen, die zich eeuwig vermenigvuldigen. Honger niet meer bestaat. Alleen het rood van de eros, van de erosie, van wat nooit wordt toegelaten in kerken en kloosters. Rood de kleur van de jouwe, van alle troostende lippen.

Alsof rood een kleur is en niet de hitte van het vuur, de hitte waar geen woord, geen kleur voor bestaat. Zodat je moet liegen, een andere wereld uitvinden, waar iedereen  thuis is, en niemand krast met scherpe nagels haar polsen open. Niemand die het voor jou doet. Je polsen, je dikke blauwe aders.

Alsof woorden geen begeerte zijn. Je woorden vormen vormen, maar onvolmaakt, omdat misschien zelfs het volmaakte niet bestaat, maar dan nog minder het woord om te zeggen hoe volmaakt je bent. Terwijl je niets eens volmaakt bent, maar in de buurt komt van wat hij zich ervan voorstellen kan.

Gelukkig niet volmaakt. Want alles wat volmaakt is is overbodig. Een vrouw schrijft onvergetelijke woorden, stopt haar hoofd in een oven – en alles is af. De volmaakte vrouw, denkt ze. Hoe ze zich vergist heeft,  Sylvia Plath. Perfectie bestaat niet. Luister naar the Beatles, altijd hoor je ergens iets wat er niet hoort.

Niets komt gelegen of ongelegen. Wij liggen graag neer op de aarde, als kind al deden we dat graag. Of we gaan met krukken de berg op en vallen en worden weer naar beneden gebracht, zodat voor ons wordt gezorgd. Eindelijk weg uit die donkere sneeuw, dat vreemde, onheilspellende zaad.

Gedichten komen ongelegen. Verklaren ronduit de liefde aan een ambassadrice. Aan een bowling ball. Aan een werkongevallige. Aan een hemelse en duivelse hoer, aan een zwart schaap. Aan het geloof en het ongeloof. Aan god die niet bestaat en aan het einde der tijden. Aan vier woorden van jou. Aan je adem. Aan je geur, je genoegen, aan hoe je staat en loopt en ligt. Aan je genadeloze ongelegenheid.

Gedichten moeten altijd met je liggen. Op het grasveld terwijl de anderen spelen. Op de natte grond, die nazindert van een zomers onweer. Op een kale matras, die iedereen ziek maakt. In een hoek van een stomdronken kroeg. In je armen. Gedichten moeten altijd met je liggen en je in de ogen zien. Omdat je ogen de woorden zijn die de vormen van gedichten vormen.

EXIT HOOP

achter glas

Vaak vraag je je af, wat zou Hölderlin nu hebben gedaan? Maar er is geen vergelijking mogelijk. Hölderlin had nooit een film gezien, hij kende de Grieken, maar niet Jesse James, Billy The Kid, Citizen Kane… Hoe groot moet zijn eenzaamheid niet geweest zijn. Er was geen internet, geen mobiele telefoon, geen televisie, geen antidepressiva. Met een ontstemde piano moest hij het doen, en uitzicht op de Neckar.

Wat doe je als je geen woorden meer vindt? Als het te lang duurt word je wanhopig en grijp je naar die van anderen (die ook de jouwe zijn – want wie is eigenaar van woorden, van taal?).

“Maar is onze pijnfactor al niet schokkend genoeg zonder denkbeeldige vergroting, zonder aan de dingen een intensiteit te geven die in het leven maar van heel korte duur is en soms niet eens zichtbaar? Voor sommige mensen niet. Voor weinigen, heel weinigen, is die vergroting, die onzeker uit het niets ontstaat, hun enige zekerheid, en is het niet-geleefde, het veronderstelde, volledig uitgewerkt in drukletters op papier, het leven waarvan de betekenis er het meest toe doet.”

Philip Roth, Exit Geest.

Ω

Foto: Achter glas, Martin Pulaski.