WILLIAM EGGLESTON: DONKERE KANT VAN DE AMERIKAANSE DROOM

william eggleston3.jpg

Eind september bezocht ik de tentoonstelling ‘William Eggleston: From Black and White to Color’ in het Parijse Fondation Henri Cartier-Bresson. Geen majestueus gebouw, eerder bescheiden, maar toch ook ruim en luchtig. Het werk van Eggleston komt goed tot zijn recht in de sobere ruimtes; door het schaarse publiek was het mogelijk om elk beeld aandachtig te bekijken. Bij sommige foto’s verdween ik uit Parijs en kwam ergens in Tennessee terecht, met mijn voeten op de warme Zuiderse grond in die staat, waarvan de naam mijn hart bijna altijd wat sneller doet kloppen. Memphis, Elvis, Graceland, de Sun studio, Stax, soul, Alex Chilton, Big Star, the Peabody Hotel, de Mississippi.

Zonder me ervan bewust te zijn heb ik het werk van William Eggleston voor het eerst gezien op elpeehoezen: de al genoemde Big Star en Alex Chilton maar ook Green On Red die in Memphis onder begeleiding van James Luther Dickinson in Memphis hun geweldige elpee ‘Here Come The Snakes’ opnamen. Het kan geen toeval zijn dat deze muziek net als de foto’s van Eggleston de tand des tijds heeft weten te trotseren. Het kan ook geen toeval zijn dat ik op de trein van Parijs terug naar Brussel vaststelde dat de foto op de hoes van Sid Selvidge’s ‘The Cold Of The Morning’ – uit 1976, nu pas op cd uitgebracht – van Eggleston is. Ik had de cd een dag eerder bij de fantastische platenwinkel Gibert Joseph aangeschaft.

william eggleston2.jpeg

William Egglestons pop art lijkt minder tijdsgebonden dan die van Andy Warhol. Beide kunstenaars zijn geïnteresseerd in wat doorgaans ‘het banale’ wordt genoemd. Bij Warhol onder meer  Brillo-dozen, Campbell-soep, Coca Cola, Marilyn Monroe, auto-ongevallen; bij Eggleston shopping malls, gloeilampen aan het plafond, diners, pompstations, afgelegen wegen, auto’s, gootstenen, gasfornuizen, koelkasten. Wellicht is fotografie een geschikter medium dan assemblages, zeefdrukken en dergelijke, om zulke objecten, ‘gewone’ voorwerpen, aan de tijd te ontrukken en ze voor een langere periode in een tijdloos nu te plaatsen. En niet de fotografie in het algemeen maar die van William Eggleston, met zijn specifieke standpunten, invalshoeken en uitsnedes (“crops”) in het bijzonder.

De foto’s van Eggleston zijn woorden, zinnen, paragrafen van een lange roman, een roman fleuve die de lotgevallen vertelt, niet van enkele personages, maar van voorwerpen, van alledaagse, banale dingen. De foto’s van deze kunstenaar lijken snapshots, en zijn het ook, maar tegelijk zijn ze veel meer dan dat, zeker als je ze in een reeks ziet, als je de interactie tussen de beelden ziet, als je beseft dat de objecten met elkaar omgaan als personages in een verhaal. En behalve de dagelijkse voorwerpen zijn er de ruimtes en landschappen, de bijna zinloze context waarbinnen de dingen zin zouden moeten krijgen; maar of ze die krijgen hangt van de toeschouwer af. Het zijn “visual metaphors of an alienated world” schrijft Thomas Weski in ‘The Tender-Cruel Camera’.
William-Eggleston-Near-the-River-at-Greenville,-Mississippi-1984-painting-artwork-print.jpeg

Je ziet zeker niet altijd mensen op de foto’s van Eggleston. (Waar mijn voorkeur nochtans naar uitgaat.) Maar elk voorwerp, elk landschap is doordrongen van menselijke aanwezigheid. En de mensen die je wel ziet lijken bang, onzeker, vijandig, mogelijk gewelddadig, neurotisch. Vervreemd van hun omgeving, die zelf al erg vreemd is, ook al fotografeert Eggleston meestal in Tennessee, de staat waar hij als rijkeluiszoon is opgegroeid. Van die rijkdom is zijn fascinatie voor dure auto’s en een dandyachtige verschijning overgebleven. Vaak maakt hij foto’s vanuit een van zijn luxueuze auto’s. Niet zo verbazingwekkend dat personen die op die manier gefotografeerd worden er verontrust of schrikachtig uitzien. Maar rijke afkomst of niet: Eggleston noemt zijn stijl democratisch. Dat heeft onder meer met die standpunten en cadrages te maken. Het gaat bij hem om een democratie waar een broodrooster evenveel of even weinig waard is, evenveel of even weinig aandacht verdient als een man met een revolver. Als je dat beseft voel je je wat ongemakkelijk. Of bedreigd, zelfs. Dat had ik al in 1989 bij het bekijken van de hoes van ‘Here Come the Snakes’ van Green On Red. Degene die mij kan vertellen voor wat de bloederige bijl op de foto dient, trakteer ik een trappist in café Cirio. De hoesfoto van Alex Chilton’s ‘Like Flies On Sherbert’, een tegendraads voodoo-meesterwerk (1), is ook behoorlijk onheilspellend. In haar voorwoord bij de catalogus van de tentoonstelling heeft Agnès Sire het over die dreigende ondertonen: “Everything is silent, almost menacing. One sometimes senses danger just at the edge of the field; the color seems more realistic, more direct.”
william eggleston, parijs, tentoonstelling, fotografie, tennessee, memphis, voorlopger, baanbreker, fondation henri cartier-bresson, memphis, elpeehoezen, banaliteit, pop art, andy warhol, tijd, transcendentie, muziek, rock, alex chilton, big star, green on red, jim dickinson, sid selvidge, gibert joseph, chrome, objecten, voorwerpen, alledaags, gevaar, dreiging, techniek, roman, roman fleuve, auto's, rijkdom, democratische stijl, robert frank, the americans,

Een voorloper van William Eggleston was Robert Frank, vooral bekend van zijn ‘The Americans’, met het voorwoord van Jack Kerouac. Frank maakte eveneens foto’s van een ander Amerika, een Amerika waar armoede, alcoholisme, racisme, geweld en televisie het leven beheersten. Het waren snapshots, onderweg gemaakt, foto’s waar de gevestigde fotografen en curatoren op neerkeken.
Maar Eggleston kende het werk van Frank niet. In Tennessee vond je in de jaren vijftig en zestig geen fotoboeken. Naast Robert Frank en Eggleston waren er andere fotografen die in ongeveer dezelfde periode braken met het fotografisch classicisme en een nieuwe taal uitvonden: Diane Arbus, Lee Friedlander en Gary Winogrand. Weg met de conventies, weg met de objectiviteit, leken ze te zeggen. Gary Winogrand maakte foto’s om te zien hoe de dingen eruitzagen.

Wie de donkere kant van de Amerikaanse droom wil zien en van de films van David Lynch, PT Anderson (vooral ‘Hard Eight’) en Gus Van Sant houdt, raad ik een bezoek aan de tentoonstelling aan. De foto’s komen er zoveel meer tot hun recht dan in een boek of online. ‘William Eggleston: From Black and White to Color’ loopt nog tot 21 december.

william-eggleston-theredlist.jpg

Allmusic’s David Cleary was van mening dat “sound quality is terrible, instrumental balances are careless and haphazard, and some selections even begin with recording start-up sound.” En beschreef de elpee als “universally slipshod and boorish…sloppy and lackluster.”
De illustere Stephen Thomas Erlewine was ervan overtuigd dat Sherbert “a front-runner for the worst album ever made” was.

 

LONDENSE IMPRESSIES

9192374072_454f2dea58_o.jpg

In Tate Modern (juni 2013)

Foto’s van William Eggleston, fotograaf uit Memphis. Bijna archetypische Amerikaanse beelden: de poëzie van het banale, Coca Cola, garages, autobanden, lost highways… Verwantschap met Andy Warhol en pop art in het algemeen, ook met Wim Wenders. Ik las dat Eggleston een langdurige verhouding had met Viva, een van de supersterren van Warhol. Zij was met de popartkunstenaar aan de telefoon toen Valerie Solanas hem neerschoot. Omstreeks 1970 was ik ‘verliefd’ – ik weet niet hoe ik anders moet noemen – op Viva en op Edie Sedgwick. Viva’s autobiografische ‘Superstar’ heb ik verslonden. Later kwam er het geweldige ‘Edie’ van Jean Stein.

viva 5.jpg

Grote, indrukwekkende werken van Gerhard Richter. Feesten van bloed en wijn van Cy Twombly. Offers van schoonheid, aan schoonheid, zoals bij de antieken. Rothko’s rode stilte.  John Heartfield keert nu ook weer terug in mijn leven, bijna net zo vaak als Pablo Picasso en zijn vrouwen. Overigens zijn de vrouwen hier op straat mooier dan die van Picasso. Dat heb ik altijd gevonden van de Londense vrouwen, dat ze zo mooi zijn. Misschien is het daarom een van mijn uitverkoren steden? Maar ga ik niet om het even waar heen voor de meisjes, de vrouwen? Zijn ze niet overal mooi? Het is zoals met vlinders, onmogelijk te beweren dat er een niet bevallig en sierlijk is. In Londen lopen de vrouwen je in alle kleuren voorbij, veel meer tinten nog dan in Brussel. Net als in Brussel lijken ze dichtbij maar zijn ze toch onbereikbaar. Wat me aan het gedicht over de passante van Baudelaire doet denken. Altijd die droefheid na voor enkele seconden verliefd geweest te zijn op een voorbijgangster of – een ogenblik langer – op een Aphrodite in de metro. Ja, veel meer kleuren, en ook alle stijlen door elkaar, zoals bij Neo Rauch.

tonight-lets-all-make-love-in-london-movie-poster-1967-.jpg

In Tate Modern zie ik de postmoderne massa die wat ‘cultuur wil meepikken’, cultuurtoeristen zoals ik – maar ben ik dan echt niet anders? In de eerste plaats kom ik hier al voor die vlinders, en voor de trottoirs waarboven ze rondfladderen en zich laten bewonderen, voor de straten waar geen eind aan komt, voor de straatnamen, voor de rivier die me sinds 1980 altijd aan the Clash doet denken, die associatie ligt denk ik voor altijd vast. Daarvoor doemde als ik aan de Theems dacht meestal Virginia Woolf op, soms Wiliam Blake, nu al zo lang die bijna militaire dreun, maar de rivier zelf blijft vredig kabbelen. Nooit heb ik de Theems wild gezien.

In Hampstead (juni 2013)

Alessandro Baricco beweert in ‘De barbaren’ dat we nog in de romantische periode leven. Bij het Keats House in Hampstead zou je dat niet meteen zeggen. Geen mens te zien daar. Maar ik kwam er al laat aan, bijna tegen sluitingstijd. In de tuin dacht ik aan de dichter en zijn geliefde Fanny Brawne, aan hun brieven, en aan het lange gedicht dat ‘Bright Star’ heet, nee, niet werkelijk een gedicht maar een film van Jane Campion. Still, still to hear her tender-taken breath, / And so live ever — or else swoon to death. In de tuin daar kwam ik volkomen tot rust, zoals eerder al bij de pagode van Boeddha, waar ik enkele minuten zat te peinzen en me af te vragen of ik toch maar geen boeddhist zou worden, hoewel de zon al stilaan onderging.

9189606159_d5b3edb91b_o.jpg

Londen overspoelt me met namen.  Geen namen van notabelen, van voorzitters en secretarissen van raden van beheer, neen, namen van kunstenaars, schrijvers, grote historische figuren, namen van mensen die hier ooit zijn geboren of naar hier zijn gekomen en van hier de wereld hebben veroverd, sommigen van hen letterlijk. Veel verleden, maar ook veel toekomst in deze straten. Dat laatste heeft deze reusachtige stad gemeen met het kleinere Brussel. De toekomst die aan de jongeren toebehoort, maar ook aan onszelf: we mogen de stad, Brussel bedoel ik nu, niet aan zichzelf overlaten, we moeten haar koesteren, we moeten haar verzorgen, ze is een kwetsbaar, levend organisme. In dat opzicht moet ik zeker mijn leven veranderen. Veel minder in mijn kamer zitten piekeren, tijd verliezen met wachten op dingen die nooit zullen gebeuren, maar buiten gaan, kijken wat er rondom mij gebeurt, nu, en mezelf ook tonen aan de stad, aan de andere mensen. En dan weer zelf met nieuw voedsel thuiskomen.
Welke namen schieten mij nu spontaan te binnen? George Orwell. Shakespeare. Karl Marx. Virginia Woolf. Lytton Strachey. Bloomsbury. Thomas Carlyle (nochtans een Schot). Rolling Stones. Beatles (musicerend op het dak). The Fool (Simon & Marijke). The Clash. Guy Stevens. Abbey Road. Carnaby Street. Hampstead. Primrose Hill. Donovan’s ‘Sunny South Kensington’. Terence Stamp. Julie Christie.
Deze opsomming roept weer een andere op: Borges, Foucault, Eco*, Buñuel, Sebald en, niet vergeten, Don Giovanni. Opsommingen, lijsten, classificaties, reeksen liggen vaak aan de basis van kunst, film, literatuur. Aan de hand van lijsten wordt gepoogd de realiteit te vatten, in te delen, begrijpelijk te maken.

Wat geeft je zo’n aangenaam gevoel in plaatsen als Hampstead? Gaat het om een soort van nostalgie, een verlangen naar wat voorbij is… Een verlangen dat niet naar bevrediging vraagt, dat aan zichzelf genoeg heeft? Een romantisch bewustzijn, geheel voorbijgestreefd door de geest van het postmoderne? Vermoedelijk.

londen,2013,juni,musea,tate modern,saatchi,pubs,schrijven,kunst,literatuur,vrouwen,schoonheid,wandelen,stad,rivier,thames,namen,lijsten,opsommingen,postmodernisme,romantiek

In Bradley’s Spanish Bar (juni 2013)

Kunstwerken ontstaan niet toevallig en zeker niet vanzelf. Er is altijd eerst voorbereiding, oefening, geduld, talent, openheid, invloeden, keuze, selectie, verlangen… Is het dat wat ons zo’n ontzag inboezemt, is het daarom dat we op bedevaart gaan naar musea, is het daarom dat we literatuur als heilige tekst beschouwen en muziek als iets goddelijks, een doorlopende boodschap van de engelen?

Vrij vaak heb ik de indruk dat ik in musea en kunstgalerijen heel wat meer vrouwen zie dan mannen. Klopt die vaststelling, of gaat mijn aandacht gewoonweg veel meer naar vrouwen dan naar mannen uit? Zie ik de mannen niet staan? Bovendien ontwaar ik veel meer beelden van vrouwen, portretten van vrouwen – en ik denk aan de vrouwen van Henry James, Dante, Flaubert (hoewel er in de literatuur natuurlijk veel onvergetelijke mannelijke helden voorkomen, de man zonder eigenschappen voorop)… Zijn er nog steeds minder vrouwelijke dan mannelijke kunstenaars? Dat geloof ik niet. Sinds het midden van de vorige eeuw is er wat dat betreft gelukkig veel veranderd. Toch denk ik soms dat vrouwen meer tevreden zijn met zichzelf, dat ze graag behagen en het bijgevolg niet nodig vinden iets naast zichzelf, iets buiten zichzelf te ontwerpen. Een voorbijgestreefde, romantische gedachte natuurlijk, maar het zij zo. Soms denk ik dat mannen meer van zichzelf vinden dat ze tekortschieten, dat een man iets aan zichzelf moet toevoegen om te kunnen behagen, om het gevoel te krijgen dat er naar hem verlangd kan worden.  Wat een romantische gedachten houden mij toch bezig!

londen,2013,juni,musea,tate modern,saatchi,pubs,schrijven,kunst,literatuur,vrouwen,schoonheid,wandelen,stad,rivier,thames,namen,lijsten,opsommingen,postmodernisme,romantiek

*At first, we think that a list is primitive and typical of very early cultures, which had no exact concept of the universe and were therefore limited to listing the characteristics they could name. But, in cultural history, the list has prevailed over and over again. It is by no means merely an expression of primitive cultures. A very clear image of the universe existed in the Middle Ages, and there were lists. A new worldview based on astronomy predominated in the Renaissance and the Baroque era. And there were lists. And the list is certainly prevalent in the postmodern age. It has an irresistible magic.

Umberto Eco, Spiegel International, November 11, 2009

Foto’s: Martin Pulaski, uitgezonderd Viva, Tonite Let’s All Make Love in London, Julie Christie