STEMMINGSWISSELINGEN

zulawski isabelle adjani.jpg

Het is koud en zonnig en ik ben eens te meer moe. Naarmate de dag vordert neemt de vermoeidheid toe en ga ik me koortsig voelen. Als zo vaak maak ik me zorgen over mijn gezondheid. Dat doe ik al ongeveer mijn hele leven lang, maar het wordt erger. Wat me hoegenaamd niet verbaast.

Emmanuelle Béart werkt aan de chansons van haar vader, Guy Béart. Ze is ‘on the road’, waarom weet ik niet, en legt zich bij dat lot neer.

A. en ik maken uitvoerig plannen om naar de cinema te gaan, maar zullen we het ook doen? Het kost mij hoe langer hoe meer moeite om de deur uit te gaan, niet vanwege de kou, veeleer vanwege de boeken, de muziek en de stilte. De voorkeur geven aan een soort van ‘heilige’ ruimte, terwijl daar buiten alles ten onder gaat.

Andrzej Zulawski is dood. Ik herinner me twee grandioze, pathetische, ronduit romantische films van hem: ‘Possession’, met een zichzelf overtreffende Isabelle Adjani, extreem intens, en ‘L’important c’est d’aimer’ met een hartverscheurende Romy Schneider en in nevenrollen Jacques Dutronc en Klaus Kinski. ‘La Femme Publique’ zag ik ook, lang geleden: ik herinner me banaliteiten, een mislukking. Valérie Kapriski, aantrekkelijk en voluptueus maar talentloos. Ik ga nog een keer op zoek naar foto’s van de bezeten Isabelle Adjani. Veel blauw en de rode kreet van haar bloed, het wit van de melk. Haar copulatie met een monster. Wat is dat monster? Het kwaad, de hele wereld die ons op de hielen zit? Beter ermee te copuleren dan ervoor op de vlucht te gaan? Ik zou de film opnieuw moeten zien. Vaarwel Andrzej Zulawski.

muntzer.jpg

Ik lees W.G. Sebalds ‘Naar de natuur’, werkelijk een hoogtepunt van schrijfkunst, met niets of niemand vergelijkbaar, maar op dezelfde hoogte als Kleist, Hölderlin en Rimbaud. Ik voel geen behoefte om werken van Grünewald, die in het eerste deel van het drieluik opduikt, te gaan opzoeken: Sebald heeft er woorden van gemaakt, zinnen, Grünewald komt in zijn taal tot leven. Hetzelfde voor ‘bijrollen’ als Thomas Müntzer (hoewel ik over hem weer wil gaan lezen). Het tweede deel, ‘Ik ging wonen aan het uiterste der zee’, neemt Sebald je mee op een helse reis naar de Beringzee. Onderweg vang je glimpen op van ongeveer de hele menselijke geschiedenis, van de korte en tragische aanwezigheid van de mens op deze planeet. Alles bij Sebald is catastrofaal, maar zijn tovenaarskunst biedt, net zoals de gedichten van Hölderlin, een uitweg. In het derde deel, ‘De duist’re nacht vaart uit’, is Hölderlin écht aanwezig. “En als klimop, schreef Hölderlin, / hangt takloos de regen omlaag.” Een van de mooiste en griezeligste vergelijkingen die ik ooit las is deze: “vliegtuigen, de grijze broeders van de oertijd”.
Sebalds meesterwerk, ‘Austerlitz’, is waarschijnlijk een emanatie van de passage die met deze twee zinnen begint, “Meneer Deutsch, / uit Kufstein afkomstig, / was in achtendertig als kind / naar Engeland gekomen. / Veel kon hij zich niet meer / herinneren; sommige dingen kon hij / niet meer vergeten.”

Zo is mijn dag toch niet helemaal leeg en nutteloos geweest, in weerwil van vermoeidheid, angst en kleine rouw.

Afbeeldingen: Isabelle Adjani in ‘Possession’; Thomas Müntzer.

OP KEIEN GROEIT MOS

Student_von_Prag.jpg

Het toeval regeert mijn leven, niets nieuws onder de zon. Gisteren vond ik deze aantekening van W.G. Sebald uit ‘De ringen van Saturnus’ terug:

“Dagen- en wekenlang breek je je tevergeefs het hoofd, je zou geen antwoord weten op de vraag of je blijft schrijven uit gewoonte of uit geldingsdrang, of omdat je niets anders geleerd hebt, of uit verwondering over het leven, uit waarheidsliefde, uit wanhoop of verontwaardiging, en ook zou je niet kunnen zeggen of je van het schrijven nu wijzer of dwazer wordt.”

In januari 1980, en waarschijnlijk reeds veel eerder, zat ik al te piekeren over de zin van het schrijven.  In een cahier met notities uit die periode trof ik vanmorgen het volgende aan:

Waarom je nog vastklampen aan het geschrevene? Waarom kun je geen afstand doen van om het even welke tekst die je ooit schreef, hoe slecht hij ook is? Verscheuren, versnipperen, in het vuur werpen…  Neen, je kunt het niet, je houdt het allemaal bij, je bouwt stilaan een archief op van je mislukkingen, van je falen.

Elke tekst is een vermomming. Elk blad papier waarop je iets neerschreef verbergt iets lelijks, iets afschuwelijks; elke zin onttrekt de horror aan je blik. Nietzsche merkte in verband met schrijvers als Byron, Poe, Leopardi, Kleist, Gogol iets dergelijks al op in ‘Voorbij goed en kwaad’: “… vaak nemen zij met hun werken wraak voor een innerlijke bezoedeling, vaak zoeken zij in hun hoge opvluchten vergetelheid van een al te betrouwbaar geheugen, vaak zijn zij in het slijk verdoold en er bijna verliefd op geworden, tot zij worden als dwaallichten rondom de moerassen en zich als sterren gaan voordoen…”

Maar ben ik het eens met Nietzsche? Destijds, in 1980 dus, alleszins niet. Ik ontkende dat ik zo een schrijver was. Ik ben iemand anders, schreef ik. Precies om te bewijzen dat ik iemand anders was, beweerde ik, om die andere in leven te roepen, ben ik gaan schrijven. Vandaar, dacht ik, het vaak voorkomende thema van de dubbelganger in mijn werk en in het werk van schrijvers die ik bewonder (onder meer Edgar Allan Poe, Robert Louis Stevenson, Heinrich Von Kleist, Arthur Rimbaud, Hans Christian Andersen, Oscar Wilde).

Wij lezen boeken om te weten te komen wat wij verbergen en tegelijkertijd, al lerend, verbergen wij, bedelven wij, maken wij wat we wellicht al lang wisten onherkenbaar. En schrijven is altijd een vorm van zwijgen, van verzwijgen. Alle kunst is een vorm van stilte. Het is datgene wat je niet uitspreekt aan tafel, tijdens een vergadering, op een familiefeestje, tegen je geliefde, je kinderen.

[Films bekijken, erin opgaan, ons er het zwijgen door laten opleggen. Om ons met plezier te vereenzelvigen met de personages die wij niet willen zijn, sterker nog, die we verafschuwen en haten.]

Uit dit alles concludeer ik dat ik sinds 1980 zo goed als niets heb bijgeleerd. Mijn denken is nog altijd even verward en ongebonden. Ik geloof nog steeds dat schrijven, dat kunst, naar stilte streeft. Het is een weg die je aflegt. Je begint met weinig woorden en povere zinsconstructies, je taal wordt rijker, barokker, en hoe meer ze dat wordt hoe meer je ze gaat verafschuwen, je begint te schrappen, je verwerpt alles wat kunstmatig en hoogdravend is, je stijl wordt kaler, je taal die van een heremiet, je woorden, eerst edelstenen, worden keien. Maar op keien groeit mos.

dorian-grays-porträtt-(1945)2.jpg

Afbeeldingen: Der Student von Prag, Hanns Heinz Ewers, Stellan Rye; The Picture Of Dorian Gray, Albert Lewin.