EEN ONTMOETING MET EEN FILMREUS

In 1987 maakte ik kennis met Hilde Geudens, een jonge en erg aantrekkelijke vrouw die nog sneller kon typen dan ik. We zaten in een klasje van werkloze universitairen en volgden bij de RVA een cursus secretariaat-talen. Al snel werden Hilde en ik onafscheidelijke kameraden. We vonden het grappig als we weer eens een uurtje razendsnel hadden zitten typen [1] en baalden van de cursus boekhouding. Ik heb nooit iets saaiers meegemaakt in mijn leven dan die cursus boekhouden en het toneelstuk ‘In de eenzaamheid van de katoenvelden’ van Bernard-Marie Koltès. Hilde en ik gingen af en toe uit in de Antwerpse kroegen, of we zochten elkaar thuis op voor een gesprek en een kopje koffie. Hilde wist dat ik schreef en zeer geïnteresseerd was in film. Of ik Paul Koeck eens wilde ontmoeten, dat was een vriend van haar? Ik had nooit iets van de man gelezen, en zal dat ook nooit doen. Maar in die dagen van wanhoop en uitzichtloosheid dacht ik, baat het niet dan schaadt het niet.

Op een avond ging ik bij Paul Koeck op visite. Ik had een boek bij van P.E. Salles Gomes over leven en werk van de Franse, erg jong gestorven regisseur Jean Vigo, mijn favoriete filmmaker. In mijn hoofd zat een vaag ‘idee’ voor een scenario, dat grotendeels gebaseerd was op ‘L’atalante’, het meesterwerk van een jong genie. Ik wist natuurlijk dat een remake van die film absurd zou zijn. Een meesterwerk kun je immers niet overtreffen. Wat ik beoogde was ervaringen uit mijn jeugd op een rijnaak, zij het wat avontuurlijker dan in werkelijkheid, enten op het verhaal van ‘L’atalante’. Hoe mijn verhaal precies opgebouwd was kan ik me niet meer herinneren, ik heb er geen notities meer van. Van Paul Koeck verwachtte ik dat hij zijn mening zou geven over mijn synopsis. Ik was nog niet aan een scenario begonnen maar had me wel door de vuistdikke scenariocursus van John Bloch, William Fadiman en Lois Peyser geworsteld. Paul Koeck, die in die dagen een autoriteit was inzake scenarioschrijven, vond mijn idee niet goed. Hoewel de man nog nooit van Jean Vigo had gehoord en ‘L’Atalante’ nooit gezien, vond hij wat ik hem vertelde over de film vervelende onzin. En ook mijn synopsis keurde hij af: de kijker zou er bij in slaap vallen. Waar was de actie? Waar zat het conflict? Dat waren natuurlijk retorische vragen, want er was op het eerste gezicht actie noch conflict. Als je wat dieper ging graven wel natuurlijk, maar subtiel, onderhuids, als contrasten in een gedicht. Maar dat scheen Paul Koeck niet te kunnen vatten. En zelf zag ik al heel snel in dat de film die ik in mijn hoofd had in het nuchtere en oppervlakkige Vlaanderen nooit gedraaid zou kunnen worden. Mijn toekomst zou van secretariaat-talen, inclusief boekhouding, afhangen en van niets anders. Af en toe zagen Paul en ik elkaar nog wel eens, onder meer om te biljarten, waarbij ik telkens glansrijk verloor, maar we waren te verschillend, we lagen elkaar niet. Kort nadien verhuisde de snelste typiste naar een stadje in de Kempen en op de duur verwaterde ook onze vriendschap. Wat blijft zijn de herinneringen en de films van Jean Vigo.

[1] Dat typen kwam in de plaats van seks, denk ik. Beiden waren we zeer trouw aan onze partners.

GOLDEN YEARS: EEN LODEN DECENNIUM?

IMG_2380 (2)

Vreemd vind ik het nu dat de jaren ’80 zo weinig aan bod komen in mijn hoochiekoochie-teksten. In de periode van 1975 tot ongeveer 1985, maar ook de volgende vijf jaar, heb ik nochtans veel meer geleefd, geleden, gelezen en muziek beluisterd dan in de hele rest van mijn leven. Ik had alle tijd van de wereld voor zelfwerkzaamheid, omdat ik in die tijd vaak zonder job zat. Pas in 1987 heb ik uit pure financiële wanhoop aan een examen meegedaan om voor de overheid te gaan werken. Meestal kijk ik met negatieve gevoelens terug op de jaren ’80: ik was arm, soms hadden we niets anders te eten dan aardappelen, wortelen en uien, ik kon geen boeken kopen, om te kunnen lezen moest ik naar die verduivelde bibliotheek, waar ik zelden vond wat ik zocht, er was een economische crisis, Thatcher en Reagan beheersten de wereldpolitiek. Toch heb ik van die jaren ook genoten, ik heb bijvoorbeeld nooit meer en uitzinniger gedanst dan toen. We gingen zowat elk weekend dansen in Cinderella’s Ballroom of in de Tom Tom in Antwerpen.

In 1982 ben ik* begonnen met een eigen radioprogramma, Shangri La heette het, drie uur per week. Ik draaide toen punk en wat new wave werd genoemd, veel rockabilly en rock & roll. Dat ik ook muziek van de vroege Pink Floyd, the Who en the Beach Boys aan bod liet komen, daar werd mee gelachen. Niemand hield van the Beach Boys in die dagen, Brian Wilson, dat was een rechtse kerel met de verkeerde kleren aan en componist van absoluut achterhaalde muziek – en een gek. Een song als Caroline, No werd verafschuwd. Bob Dylan werd om mij onduidelijke redenen nog meer gehaat. Like A Rolling Stone, laat me niet lachen! Nee, nee, om mee te zijn moest je Simple Minds en Human League verafgoden. Dat deed ik niet. Dank zij The Clash, waar ik een grote fan van was, keerde ik terug naar Gene Vincent, Eddie Cochran, Buddy Holly en Little Richard en obscure rockabilly. Ik hield van Robert Gordon en Link Wray. The Jam – en later the Style Council -rechtvaardigde mijn ‘gedweep’ met the Who, the Small Faces, the Kinks, Stax en Tamla-Motown.

Ik beleefde genoegen aan de zachte popmuziek van die tijd, zoals die van The Marine Girls, Tracey Thorn (op haar eerste solo-elpee staat een sprankelend-ingetogen versie van Femme Fatale), the Gist, the The, Weekend, Young Marble Giants en the Blue Orchids. Wat hield ik van de stem van Alison Statton! Een speciale plaats in mijn muzikaal hart had de Amerikaanse band Blue Angel, die ik in 1981 ontdekt had dank zij de koopjes in de Grand Bazar op de Groenplaats. Het zangeresje van Blue Angel heette Cyndi Lauper. Ze zong een fantastische versie van Gene Pitneys I’m Gonna Be Strong. Cyndi Lauper werd zoals iedereen weet beroemd onder haar eigen naam. Ze was een voorloopster van Madonna, maar kon veel beter zingen. Nog liever hoorde ik de elpee ‘From Gardens Where We Feel Secure’ van Virginia Astley.

Elke week las ik New Musical Express. Dat was een goedkoop Brits poptijdschrift. De beste popmuziek kwam toen vreemd genoeg uit Groot-Brittannië. Heaven Seventeen en British Electric Foundation bijvoorbeeld. Die laatste ‘supergroep’ heeft Tina Turner uit de vergeetput gehaald. Een van de beste bands uit de eerste helft van jaren ’80 was the Associates, die twee perfecte singles maakte, Party Fears Two en Club Country. (Vergeef me als ik een titel niet helemaal juist spel. Ik schrijf dit in mijn werkkamer, waar ik geen elpees en maxi-singles bij de hand heb. Het komt allemaal uit het hoofd.) Billy Mackenzie, die helaas zoals zoveel andere van mijn ‘helden’ al een poosje dood is, was de betere David Bowie. Hoezeer hij Bowie ook imiteerde, hij zong veel beter, veel meer met hart en ziel. De allerbeste band was Joy Division, maar die hoorde eigenlijk nog bij de jaren ’70. New Order kon mij minder bekoren. De zanger kon absoluut niet zingen en er was iets mis met hun sound. Maar er waren zoveel andere goeie zangers, zangeressen en bands in die periode. Ik had het ook wel voor dwarsliggers als The Slits, This Heat en Pere Ubu. Natuurlijk.

In die jaren las ik vooral de klassieken, daar moest ik niet te lang naar zoeken in de bibliotheek. Maar mijn voorkeur ging uit naar Vladimir Nabokov, Peter Handke, Jorge Luis Borges, Hölderlin, William Blake, Eugenio Montale, Lucebert, Louis Paul Boon en Herman Gorter. In dat opzicht is er niet veel veranderd. Ik heb waarschijnlijk eveneens een heel aantal boeken gelezen van schrijvers die ik nu al vergeten ben. Ja, nu herinner ik me weer dat ik heel veel misdaadromans las, van onder meer Patricia Highsmith, James Cain, Raymond Chandler en Dashiel Hammett. Die las ik als ik een kater had. Ik had toen immers nog geen televisie. De jaren ’80? Een bijzonder mooie tijd, ondanks al de armoede en de lelijkheid.

IMG_2353

Foto’s: Martin Pulaski (Contortions, Au Pairs)

*de eerste drie maanden samen met Max Borka, later met Patje, nog later met Sofie Sap.