OP STAPEL

2018-06-03-nice-lyon 424 (2)

Wegens de hele reddingsoperatie van mijn blog, die maar gedeeltelijk geslaagd is en mij nooit zou gelukt zijn zonder de steun van een aantal vrienden (waarvan ik er sommige helemaal niet ken), is mijn werk in het veld van de letteren nog meer verstoord dan de diensten van De Lijn. Sinds maart werk ik gestaag aan een soort van verslag van een verblijf in Valle Gran Rey op het eiland La Gomera. Dat verslag is gaandeweg een raamvertelling geworden. De reden daarvoor is dat ik tijdens onze wandelingen daar, en ook op andere momenten, door herinneringen werd overspoeld en die vaak aan A. vertelde. Zo zijn ze, bijna tegen wil en dank, in die notities terechtgekomen. Het werken aan dat reisverslag, wat haast vanzelf leek te gaan, is in mei stilgevallen. De sfeer van het eiland, het dorp en het appartement, waar we een maand verbleven, vervaagt. Omdat ik de herinneringen die toen bij me zijn opgekomen schetsmatig in notitieboekjes heb opgeschreven, vervagen zij in veel mindere mate. Hoewel de structuur van dat verslag me wat moeite kost wil ik er toch mee doorgaan. Zo valt er nog heel wat te vertellen over de mensen die in La Gomera en Valle Gran Rey wonen. Het thema van de hoogtevrees moet zeker nog aan bod komen. Er moet dieper ingegaan worden op de muziek die op het eiland wordt gespeeld en op mijn fascinatie voor de zangeres Gloria. En ik moet een plaats vinden voor de herinneringen die in de notitieboekjes staan.

Ondertussen zijn de jaren zestig (en vooral 1968 opgedoken). Ik wilde dat hele gedoe van mei ’68 nog zo vermijden. We leven toch nu? We kunnen onze herinneringen niet zomaar kiezen. Zij kiezen ons. En toch is dat jaar er nu weer in al zijn glorie en al zijn ellende. Het lijkt erop dat ik niet anders kan dan er ook over schrijven. Uiteindelijk ben ik een bevoorrechte getuige. Een overlever.

Los van de sixties werk ik aan een reeks teksten over langspeelplaten die een belangrijke rol hebben gespeeld in mijn leven. Het gaat niet over welke platen ik de allerbeste of allermooiste vind of zo. Dat is een andere invalshoek. Ook hier gaat het weer om herinneringen, veel minder om schoonheid. Voor ik naar Nice vertrok en een treinreis door Frankrijk maakte, waardoor wat ik in La Gomera beleefde nog dieper weggezonken is, had ik zes albums de revue laten passeren. Nu ik weer thuis ben wordt het stilaan tijd om aan de resterende vier te denken. Dat is werk voor de volgende dagen (of weken). En misschien schrijf ik tussendoor nog wel iets over Arles, Saintes-Maries-de-la-Mer, Henri Matisse, Jean Cocteau of de heerlijke stad Lyon? Duidelijke plannen heb ik niet. Improviseren is de boodschap. Schrijven als een vorm van free jazz, maar wel met duidelijke grammaticale regels.

Ω

Foto: Martin Pulaski, Arles, mei 2018

 

DINGEN DIE VOORBIJGAAN

2018-03-03-LAGOMERA 389 (2)

Thuis in Brussel praten A. en ik niet zo veel meer. Ik geloof dat we stilaan zijn gaan lijken op de personages uit ‘Hello In There’, dat onvergetelijke liedje van John Prine. Old people just grow lonesome. Hebben we dat stadium werkelijk al bereikt? In Valle Gran Rey – en op andere plaatsen waar we voor wat langere tijd naartoe reizen – is dat anders. Het valt me ook op dat de routines hier anders zijn. Doordat je je er bijvoorbeeld van bewust bent dat je elke dag dezelfde wandeling maakt in een andere omgeving, ervaar je die meer als een ritueel. Wat in normale omstandigheden een routine is, wordt op die manier een bewustzijnsverruimende ervaring. Je zintuigen worden aangescherpt, je geheugen gaat beter werken.

Na de koffie in Sal Y Pimienta in Borbalán wandelen we met de oceaan aan onze linkerzijde terug naar onze tijdelijke woonst. Het is zonnig maar er staat een strakke wind. Ik moet mijn hoed vasthouden. Onderweg de taferelen waar ik nu al vertrouwd mee ben en die ik nauwelijks nog opmerk. Een hoelahoepmeisje dansend op het keienstrand, een jongeman die een meditatief stukje op zijn gitaar improviseert, zijn lange haren wapperend in de wind, het beeld van de verzetsheld Hautacuperche – die mij aan de houten sigarenwinkel-Indiaan ‘Kaw-Liga’ uit het lied van Hank Williams doet denken, hoewel hij wel tien keer zo groot is -, het restaurant Las Molinos, waar we nog nooit een stap binnen hebben gezet. En de oceaan zelf, het geluid van de golfslag dat altijd hetzelfde en toch altijd anders klinkt, alsof hij, de oceaan, gehoorzaamt aan een god, of zelf een god is, een hedendaagse Poseidon, zonder drietand maar wel onderhevig aan stemmingswisselingen, misschien wel afhankelijk van rilatine.
Terwijl ik al die indrukken bijna ongemerkt onderga komen mijn herinneringen uit een diepe, lang verborgen gebleven bron opgeweld. Je kunt ze niet tegenhouden en ze eisen uitgesproken te worden. Ik praat en praat, en ik heb het gevoel dat A. aandachtig luistert. Al kan ik me vergissen. Heeft mijn levensgezellin de dingen die ik vertel niet allemaal zelf ook meegemaakt of ten minste toch al meermaals gehoord? Of is ze alles vergeten? Of vindt ze het prettig om telkens dezelfde verhalen, zij het met kleine variaties, opnieuw te horen, zoals een kind voor het slapen gaan?

Nog op de bus van San Sebastian naar hier, nu ongeveer een week geleden, dacht ik er even aan terug. Ik zat door het raam van de lijnbus foto’s te maken van het landschap, goed wetend dat ze stuk voor stuk mislukt zouden zijn. Ik deed het om de instellingen van mijn toestel te testen. Met de jaren word ik luier, meestal fotografeer ik nu op automatische piloot. Tijdens zo’n rit van meer dan een uur kun je echter veel leren. Fotograferen is ook een manier om aandachtig te kijken. Lang geleden nam ik op reis nooit een camera mee. Ik dacht dat fotograferen een zuivere waarneming in de weg zou staan. Ik bezat zelfs geen camera, om precies die reden. Of niet helemaal: ik was ook te arm om er een te kunnen kopen. Misschien heb ik dat verhaal van die waarnemingsbeperkingen alleen maar verzonnen om me minder een armoedzaaier, een mislukkeling te voelen. Door het raampje zie ik duizelingwekkende afgronden en zo lang na de grote brand die hier in 2012 woedde nog altijd zwartgeblakerde lage bomen. Het woud van Garajonay. Ik weet niet hoe het komt, maar in een flits denk ik terug aan Boekhandel Corman in Brussel, waar ik ongeveer anderhalf jaar als verkoper heb gewerkt.
Nu ik hier op de Avenida Maritima Charco de Conde loop komen die herinneringen levendiger terug. Ik herinner me de collega’s van toen. Charles Paron, de gerant, en zijn vrouw Anne, beiden échte maoïsten. Ze waren gekleed als Chinezen (ze hadden in China gewoond en gewerkt). Charles was een zachtaardige man. Van hem heb ik geleerd stevige knopen te leggen. Anne was een kettingrookster. Met het peukje van de oude stak ze een nieuwe sigaret aan. Die bleef altijd tussen haar lippen zitten. Net voor de as eraf zou vallen verwijderde ze die met een eenvoudige handbeweging; hij belandde altijd netjes in de asbak die naast een stapel van die kleine Rode Boekjes vlakbij haar kassa stond. Tijdens de middag zat ik meestal samen met Anne te lunchen boven in een klein ‘keukentje’ waar uitgedroogde vrouwentongen stonden. Ik zei nauwelijks een woord, vond mijn Frans te rudimentair. De schroomvalligheid om fouten te maken. Jean, die ik later nog terugzag in mijn hoedanigheid van occasionele ‘inspecteur’ bij de Vlaamse Overheid, werkte in de pocketkelder. Daar stonden schatten. De hele reeks City Lights, bijvoorbeeld. En de hele reeks New Directions. Dat betekende ongeveer alles wat de Beat Generation aan literatuur had voortgebracht. Overigens was Corman de grootste boekwinkel van Brussel en misschien wel van België. Het viertalige aanbod was immens. Nu kun je daar alleen nog maar van dromen. Ik geloof dat Brigitte bij de kinderboeken werkte. Zij was de bourgeoise van Corman, of zo herinner ik mij haar toch. Ze deed aan paardrijden, en vaak droeg ze haar haar in een paardenstaart. Dan was er ook nog de roodharige Eliane. Zij had zo kunnen meespelen in een van die lang vergeten Franstalige radicale films van die dagen, iets van Claude Faraldo, Alain Tanner, Claude Goretta of Bertrand Blier. Jean-François was een beetje van hetzelfde type, wat ouder, een anarchist. Hij werkte net als ik bij de Franstalige afdeling. Hij wist alles over Franstalige Belgische literatuur (waaronder de Vlamingen die in het Frans schreven). Volgens hem mochten we ons karige loon aanvullen met zo nu en dan een boek te ‘lenen’. Dat was iets helemaal anders dan boeken stelen. Zoals mijn vriend Jos D., die er vanuit ging dat ik bij Corman zijn kleptomanie zou tolereren. Jan C., niet arm nochtans, stak de boeken in zijn diepe jaszakken – of in de zomer onder zijn hemd – terwijl hij met me stond te praten. Werken van radicale denkers zoals Abbie Hoffman en Angela Davis of van leden van Internationale Situationniste, daar mocht je niet voor betalen, zal hij gedacht hebben. Ik zakte dan bijna door de grond van schaamte. Maar wat kon ik doen om mijn stelende vrienden tegen te houden? Wat Jean-François en ik deden was iets anders, dat was moreel verantwoord, vonden we. De fijnste collega die ik bij Corman had was Rita. Zij is een van mijn beste vrienden geworden, en samen met haar man is ze dat nog steeds. Over haar wil ik nog minder kwijt dan over de andere vrienden uit die lang vervlogen dagen, want misschien leest ze dit wel. Wie vindt het fijn over zichzelf te lezen, zelfs al zijn het lovende woorden? Misschien glimlacht ze wel vanwege de onjuistheden die hier staan, het gevolg van mijn onbetrouwbaar geheugen. De afdeling die mij was toegewezen, was die van Franstalige poëzie en theater, en kunstboeken. Die categorieën stonden boven, in een ruimte die grensde aan het kamertje waar we lunchten. Klanten moesten toestemming vragen om naar boven te mogen. De trap was afgesloten met een koperen ketting. Bij de kunstboeken stonden namelijk werken met naaktfoto’s en dat was in die dagen gevoelige materie. Zelfs de woorden ‘kut’ of ‘neuken’ in een roman konden als gevolg hebben dat de BOB (Belgische Opsporings Brigade) tot huiszoeking en inbeslagname overging. En zelfs tot arrestatie van de boekhandelaar, wat geloof ik met Herman Claeys van de Free Press Bookshop is gebeurd. Al weigerde Herman ook zijn belastingen te betalen. Af en toe bladerde ik in die mooie boeken, al herinner ik me niet zo goed meer van welke fotografen. Irina Ionesco vond ik alleszins fascinerend.

bertrand_blier_preparez_vos_mouchoirs

Ook al werkte ik met enig plezier bij Corman hield ik het na anderhalf jaar voor bekeken. Ik was uitgeput. In mijn vrije tijd en ’s nachts schreef ik experimenteel proza voor het tijdschrift Aurora van de gelijknamige filosofische kring en werkte ik aan toneelstukken. Dat was zenuwslopend. Koffie, stimulantia, alcohol waren in overvloed nodig om dat ritme vol te houden. Twee pakjes sigaretten per dag. Overigens rookten al mijn collega’s van bij Corman zoveel, met mogelijke uitzondering van de ruiterlijke Brigitte. Vreemd dat er nooit een klant klaagde over de immense rookontwikkeling in die winkel.
Samen met A. en enkele vrienden heb ik in die periode (1975-1976) twee experimentele toneelstukken in elkaar gestoken: ‘Dokter Jekyll en Friedrich Nietzsche’ en ‘Empedocles’. Alleen het eerste hebben we ooit één keer kunnen opvoeren. In die dagen bestond er in Nederlandstalig België nog geen avant-garde theater [1]. Veel meer dan de KVS, KNS en NTGent, heel traditionele instellingen, had je niet. In die zelfde periode is, geloof ik, Jan Decorte met zijn vernieuwend theater begonnen. Hij heeft doorgezet, ik heb opgegeven. Later is Jan Fabre op de proppen gekomen. En het Kaaitheater en Ivo Van Hove en Luc Perceval en Guy Joosten en Akt-Vertikaal en al de anderen. Om in theater te slagen moet je een beetje een dictator zijn. Ik geloof dat ik te democratisch was. Ik legde mijn wil niet op. Ik had lessen moeten leren van de drilmeester in ‘Full Metal Jacket’, maar die film moest Stanley Kubrick toen nog bedenken.

r_lee_ermey - drill

Inmiddels hadden we Hautacuperche ver achter ons gelaten en was ik een beetje buiten adem geraakt van al dat gepraat. Het was de hoogste tijd om wat asperges uit een bokaal te eten en daarna verder te lezen in de meeslepende biografie van Anthony DeCurtis over Lou Reed.

[Deel 12 van een reeks impressies van een reis naar Valle Gran Rey in La Gomera, Canarische Eilanden. Een raamvertelling. Wordt vervolgd.]

Foto’s: Martin Pulaski, Valle Gran Rey, februari, 2018; Bertrand Blier, Préparez vos mouchoirs; Stanley Kubrick, Full Metal Jacket.

[1] “Het probleem lag vooral bij de directies. Verschillende directeurs hadden geen visie. Ze stelden zich te weinig vragen over wat ze konden doen met het stadstheater en de programmering. Directeurs bleven veel te lang op hun plaats zitten, vooral bij Koninklijke Nederlandse Schouwburg en Koninklijke Vlaamse Schouwburg. Bij NTGent werd er gezocht naar verandering of deed men toch een poging. Op tien jaar tijd waren daar vier directeurs. Die grote wisselingen gebeurden steeds met vallen en opstaan. Directeurs durfden ook niet echt te kiezen voor regisseurstheater. Terwijl dit in het buitenland aan het opkomen was en duidelijk zorgde voor kwaliteitstheater. Er waren mensen die het wel konden, maar niet tot directeur werden benoemd. Daarbij denk ik aan Walter Tillemans, die vroeger echt experimenteerde in de categorie van het zogenaamde regisseurstheater. Natuurlijk waren er uitzonderingen. Ik herinner me Priester Daens in Gent, eind jaren ’70. Ook Walter Tillemans’ Kleine man, wat nu?, geïnspireerd op het regisseurstheater in Duitsland, wat een samenwerking was met Peter Zadek en Tankred Dorst. Af en toe doken nog andere stukken op van Hugo Claus of Walter Van Den Broeck. Soms werden mensen uit het buitenland aangetrokken. Maar dikwijls waren het toch kopieën van wat ze reeds gezien hadden. Die invloed kwam vooral uit Engeland. Bij de KVS kwam de invloed vooral uit Parijs, omdat ze daar veel komedies speelden, wat uiteindelijk de doorslag gaf. Maar het bleef toch een beetje steriel zoeken, zonder groot resultaat, en dat ontgoochelde mij ontzettend.”  Paul Arias

NACHTELIJK KLASSEREN

1969-karmelietenstraat2_edited.jpg

Ik geloof dat het allemaal begonnen is met postzegels klasseren. Dat kon een hele of toch zeker een halve nacht doorgaan. ’s Morgens stapte ik uit bed met een gevoel van voldaanheid maar ook met lichte hoofdpijn en het gevoel dat ik niet uitgeslapen was. In plaats van uit te rusten hadden mijn hersens flink doorgewerkt.

Misschien was dat zo kwaad nog niet maar het ging toch naar erger. Alsof mijn leven ervan afhing ging ik boeken, grammofoonplaten en compact disks klasseren. Bij het ontwaken, soms midden in de nacht, was ik meestal niet veel verder geraakt dan de M. Soms sliep ik weer in en kon dan nog een tweetal letters afwerken. Meermaals leek het of elke ordening nieuwe chaos in leven riep. Je mag me geloven: dergelijke dromen zijn frustrerend. Je klasseert wel maar je weet nooit wat het ordenend principe is, wat de categorieën zijn, waarom je er sowieso aan begonnen bent. Alleen ben je er zeker van dat het moet en dat er geen ontsnappen mogelijk is.

Na enkele weken, of waren het maanden, kwamen de meubelen en de hele inboedel van mijn woning aan de beurt. Alles moest om een mij onbekende reden worden verplaatst of in dozen gestopt en naar de kelder en of het stort gebracht. De dozen hadden een vooraf bepaalde plaats, al wist ik niet wie dat verordend had. Bovendien was ik te afgepeigerd om me daar druk over te maken. Het was een soort van a priori kegelspel en ik was de hond a posteriori. Of een ander dier, een olifant misschien… Meer kan ik er niet over zeggen.
Soms moest er helemaal opnieuw worden begonnen omdat een doos per ongeluk verkeerd was geklasseerd. Soms gebeurde het zelfs dat een voorwerp dat op die of die plaats in een doos moest komen ontbrak. Dan moesten de dozen weer worden geopend en leeggemaakt tot het ontbrekende kopje of de haardroger of een veiligheidsspeld was teruggevonden. Op de dozen bracht ik allerlei tekens aan zodat ik niet vergat wat er in zat en waar ik ermee naartoe moest.

Een paar dagen geleden ben ik met de huizen begonnen. Ik bespaar u het vermoeiende verhaal van wat mijn opdracht inhield. Het komt erop neer dat ze op basis van een obscuur systeem geklasseerd moesten worden. Woningen die niet aan objectieve – al even obscure – criteria voldeden moesten verdwijnen, wat soms met hevige emoties gepaard ging, want ik had die criteria niet opgesteld en er waren gebouwen bij die ik zelf waardevol en zelfs mooi vond.

De voorbije nacht kwamen de wijken van een grote stad, ze leek wat op Los Angeles, aan de beurt. Logischerwijze moest ik beginnen met wijk A. Mijn opdracht was zo weinig mogelijk wijken over te houden maar ik mocht er toch ook geen enkele doen verdwijnen die nog enige relevantie had. Van contradicties gesproken. Het ging over een hele cluster van relevanties. Als een wijk sociaal, historisch, geografisch relevant was moest zij behouden blijven maar dan wel op de juiste plaats. Een wijk waar een revolutie was begonnen mocht niet grenzen aan een waar een eerste steen was gelegd van een gemeentehuis of waar een standbeeld stond van een of andere vrijheidsstrijder. De ellende was dat ik dat standbeeld ook niet mocht verplaatsen naar de wijk waar veel vrijheidsstrijders woonden. Neen, aan de wijken mocht ik helemaal niets veranderen, dat zou te eenvoudig geweest zijn. Pornocinema’s die zich toevallig in de wijk van de blockbusterbioscopen bevonden mochten niet naar de pornozone worden verplaatst. En zowel de wijk van de porno als die van de blockusters moest behouden blijven. Relevantie, zo bleek later, was niet het enige criterium. Het was tevens mijn opdracht de wijken meer homogeen te maken. Diverse functies in één zelfde zone, dat veroorzaakte te veel verwarring.

Je kunt je voorstellen dat mijn werk me behoorlijk wat kopzorgen gaf – en hoe uitgeput ik nu ben. En ik ben maar tot aan de D van Distelheide geraakt. De rest is voor later, als dat nog ooit komt. Voor volgende week, of toch voor binnenkort, heb ik alweer nieuwe opdrachten. Eerst komen de planeten en daarna de sterren aan de beurt. Daar zal ik wel een tijdje zoet mee zijn en dan zien we wel weer.

Ω

Foto: Martin Pulaski, Brussel, 1970

TEGEN DE STROOM

trial3.jpg

Dagen, maanden, jaren vlogen voorbij. Ik was arm, werkloos, werkte op het veld van de taal – van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat. ’s Nachts dronk ik porto en bourbon en praatte ik met talloze vrienden, ging dansen, vrijde, was gelukkig en ongelukkig. Het was een intens leven, de woorden en herinneringen waar ik mee worstelde, de taal, de beelden, de liefde, de wrok en afkeer, de haat. De boeken die ik las waren intens, en ik las ze als een bezetene. Mijn boeken waren als mijn vrienden, als mijn muziek: ik herkende me erin, ze werden deel van me, we versmolten met elkaar. Mijn boeken waren personen, zoals in het boek van Ray Bradbury en de film van François Truffaut. Ik herinner me niet veel Nederlandse literatuur die ik in die tijd las. Patrizio Canaponi, Habakuk II De Balker, Martinus Nijhoff, Lucebert, Maurice Gilliams, Willem Frederik Hermans en, om wie het in deze reeks herinneringen gaat, Geerten Meijsing.

leven,tijd,herinneringen,werken,schrijven,lezen,vriendschap,boeken,geerten meijsing,armoede,geld,depressie,schuchter

Na zeven magere jaren, die heftig waren, boordevol extase, verdriet, dronkenschap, vreugde, ontgoocheling, lust, seks, waanzinnige poëzie en honger, vond ik wat de meeste mensen écht werk noemen: ik verdiende er geld mee en kon er redelijk goed van leven. Dat werk bestond vooral uit vergaderen, verslagen en jaarverslagen schrijven, adviezen redigeren, met delegaties buitenlandse jeugdorganisaties bezoeken en vooral toenadering zoeken tot mensen die altijd een min of meer ‘normaal’ leven hadden geleid. Dat was moeilijk. Na enkele jaren vond ik één collega met wie ik over boeken kon praten, ook over die van Geerten Meijsing. Onze bewondering voor zijn werk was groot. Dat was in de periode van ‘Veranderlijk en wisselvallig’, ‘Altijd de vrouw’, ‘De grachtengordel’ en het beklemmende ‘Tussen mes en keel’.

Ik begon me beter te voelen tussen mijn soortgenoten, ik werd bijna een van hen. De foto’s die van mij zijn gemaakt in die periode durf ik haast niet meer te bekijken. Hoe gewoon ik eruitzag, hoe zielloos mijn kleren, mijn haarsnit, mijn bril. Ik was aan het verdwijnen. Maar hoezeer ik me ook inspande om te integreren in het functionarissenbestaan, mijn zogenaamde ware ik kon ik niet klein krijgen. Een vonkje van poëzie, van woorden die vele lagen hebben en het geijkte denken kunnen ontwrichten, van een taal die tegen de taal van de politiek en de ambtenarij maar ook die van de media inging, bleef branden. Wat een cliché is. Maar het is de waarheid. Dat vonkje van protest, van verzet, van ontevredenheid, hield me op de been.

Naarmate de jaren negentig vorderden ging ik weer meer tegen de stroom in varen, zoals ik op school en op de universiteit had gedaan. Op de achtergrond waren er altijd schrijvers en muzikanten. En een van hen was Geerten Meijsing, die ik bleef bewonderen, hoewel hij nu een gevestigd auteur was, een die prijzen had gewonnen en geld bezat. Soms vroeg ik me af of hij nu zijn ziel had verkocht aan de markt. Maar ik dacht van niet. De roman die gebaseerd is op zijn zware depressie is daarover duidelijk. En ‘De grachtengordel’ natuurlijk ook. Een keer ging ik naar een lezing – of was het een interview – van Geerten Meijsing, in de hoofdstedelijke bibliotheek. Hoewel hij ouder geworden was, was hij nog steeds een dandy. Ik hield van zijn stijl, hoewel ik nog altijd meer naar ‘het nieuwe’ opkeek, naar wat ik in tijdschriften als i-D en Dazed & Confused zag. Maar zijn hoeden, zijn wandelstok, zijn wit pak stonden hem goed. Zijn stijl paste bij de stijl van zijn geschriften. Wat had ik na afloop graag met hem gepraat, maar dat durfde ik niet. Ik was veel te schuchter en mijn geloof in mezelf was uiterst klein. Dat heb ik hem later verteld. Wat jammer, zei hij. We hadden meteen goed kunnen opschieten, je moest eens weten hoe schuchter ik zelf ben.

santiago de compostela bewerkt.jpg

Foto’s: The Trial, Orson Welles; Fahrenheit 451, François Truffaut; In Santiago de Compostella, oktober 1998, Martin Pulaski.

PROZAC, VOETBAL EN DE ZIN VAN MELANCHOLIE

bettyelavette

As soon as you’re born
word je gedefinieerd. ‘Men’ deelt je in in groepen, gewichten, lengtes, strontkleur, pipikaka, haargroei, liggen als een big of rechtop lopen als een homo sapiens, ‘men’ deelt je in in types, categorieën, soorten. Blijf vooral niet liggen als een big, dan loopt het verkeerd met je af. Leer heel gauw lopen en praten en schrijven. Lezen is niet zo belangrijk. Voetballen, vechten, al de andere onzin die we allemaal kennen. Ik ben nu ingedeeld, en niet voor de eerste keer, bij de ‘depressieven’. Vroeger waren wij de romantici, die meestal aan tbc leden, nu is het een psychisch probleem. Waar het op neerkomt is dat we anders zijn. We moeten ‘geneesmiddelen’ nemen om hetzelfde te worden als de rest. Vroeger zong ik mee met The Kinks, ‘I’m not like everybody else’, maar dat doe je niet meer op mijn leeftijd. Je luistert, bereidwillig, alsof je meespeelt in een eenvoudig spel. Mens Erger Je Niet, of iets dergelijks uit lang vervlogen tijden. De dokter zegt, ik zou het maar eens proberen met antidepressiva. Goed, dat probeer je dan, hoewel je eigenlijk op voorhand al weet dat je niet ‘depressief’ bent, omdat je die categorie niet aanvaardt, en dat bijgevolg dat geneesmiddel niet zal genezen. Sindsdien – twee of drie jaar geleden, misschien wel langer – heb ik al tientallen antidepressiva geprobeerd. Negentig procent wekte braakneigingen op, of deed me naar het toilet snellen om echt te kotsen. Trek had ik niet meer. Of ik at de hele tijd zoete koekjes, tot ik tien kilo zwaarder was geworden en dacht, nu is het genoeg geweest. Ik verdraag geen antidepressiva, net zoals ik geen antibiotica verdraag. Antibiotica zijn tegen het leven, antidepressiva tegen melancholie. Melancholie is een sterke kracht in je – je kan en mag die niet onderdrukken. Het is beter om er naar te luisteren. Melancholie kan je net redden van de middelmatigheid, het ongeluk, de zelfmoord. Melancholie is als zodanig al het medicijn.

Toch wilde ik naar mijn werk kunnen gaan, zijn als de anderen, mijn collega’s, mijn kennissen, sommige van mijn vrienden. Om die reden nam ik het enige middel waar ik niet  van moest kotsen: Fluoxetine, beter bekend als Prozac. De eerste weken voel je niets, daarna ontstaat een soort van euforie, je denkt dat je veel meer aan kan dan je kunt. Maar daardoor put je je reserves uit, en al snel word je moe. Van wat ben ik nu toch zo moe, denk je eerst. Je legt niet meteen het verband. Maar een mens denkt na en legt al snel wel verbanden. Je bent moe omdat je je reserves gebruikt voor taken die niet van tel zijn in je leven – in het leven dat je waarachtig wilt leven. Je put je uit om geld te verdienen. Om de leugen in stand te houden. Welke leugen? De leugen van de welvaart in het Westen. Bij ons is het allemaal veel beter. Vreemd is ook dat je van Fluoxetine heel veel zin krijgt in alcohol, in mijn geval in Duvel. Zo word je geleidelijk in plaats van iemand die aan een ‘depressie’ lijdt een ‘alcoholicus’: je moet elke dag je twee Duvels hebben, bovenop je Prozac.

Vanavond was er geen drank in huis. Ik begaf me door de sneeuw naar een nachtwinkel, net voorbij het Constant Vanden Stockstadium. Onderweg snelden tientallen gedachten door mijn hoofd. Waarom houd ik niet van voetbal? Waarom ben ik geen supporter van Anderlecht? Ik herinnerde mij een match in Barcelona, we waren uitgenodigd door de burgemeester, ereplaatsen – maar het was de koudste nacht van mijn leven en zelden heb ik er zo naar verlangd dat de tijd heel snel voorbij zou gaan, ondanks de schoonheid van het spel, het enthousiasme van de vrienden, het extreme groen van het gras, de schoonheid van de voetballers… Eens in de nachtwinkel wist ik niet goed meer wat ik moest hebben. De kou en de sneeuw hadden mij gegeven wat ik nodig had. Waarom dan nog Duvels, waarom nog medicijnen?

Wat je nodig hebt zijn je vrienden, je geliefden, je broer, de wereld om je heen, de echte wereld, niet die op televisie. Je wilt omhelsd worden, gestreeld, gekust. Degenen die om je geven mogen de geur van je gevangenschap ruiken, want hoelang zit je al niet in een kooi? Geen enkele pil, geen enkele pils, geen enkele Duvel zal de tralies buigen of breken. Je moet gewoon het slot openen met je sleutel.

Foto: Martin Pulaski, zelfportret met Bettye Lavette t-shirt.

MENTAL FINLAND

Carceri van Piranesi 2

De verwarring duurt voort. ’s Nachts en overdag, in droom en in werkelijkheid loop ik verloren in verlaten gangen. Ik zit opgesloten in ingebeelde en werkelijke cellen. Een cel is bijvoorbeeld een werkeenheid, maar mijn kamers thuis zijn soms ook cellen, hoewel er geen bewakers zijn. Ik heb dit al vaker verteld. Maar ik kan er niet aan weerstaan: ik voel me verplicht mezelf te herhalen. Woensdagavond stond ik een uur in een felverlichte, witte nooduitgang. Er was geen weg terug naar binnen, maar evenmin kon ik de gang verlaten. Uit een luidspreker klonken Finse stemmen, gezang, gebrul, geraaskal. Op wat ik dacht dat het einde was hoorde ik daverend applaus. Nu zou spoedig ook mijn ‘bevrijding’ volgen…

Diezelfde dag stond ik, na de lunchpauze, in het gebouw waar ik werk op de lift te wachten. Ik had cd’s gekocht van Antony & the Johnsons, Animal Collective, MGMT en the Temptations. Die hield ik stevig vastgeklemd, alsof iemand ze van me zou willen afnemen. Er stond nog een man te wachten. We bekeken elkaar even en dachten elkaar te herkennen van ‘ergens’. Ik wendde mijn blik af, het zal wel een vergissing zijn, dacht ik. We zijn samen nog naar Finland geweest, zei hij opeens. Dat is het, zei ik. Een week in Finland. Weet je nog wanneer dat was? Ja, dat wist ik nog. In 1993, enkele weken na de dood van mijn vader. Tijd om samen herinneringen op te rakelen hadden we niet: de lift stijgt snel. Terug in mijn cel herinnerde ik mij de man in zijn blootje aan een meer, zijn huid rood van de sauna. Zelf was ik niet in de sauna geweest, evenmin als de dame in onze delegatie. Bij haar zal de reden schroom zijn geweest, mij had de Finse gastvrouw gewaarschuwd vanwege mijn ademhalingsproblemen. Dan is het gevaarlijk voor het hart, zei ze. Vooral als je uit de hitte komt en dan in het ijskoude meer duikt. Ik herinnerde me, naast allerlei andere kleine voorvallen, waaronder autopech, een boottocht op een meer. IJskoud water stroomde het bootje in. Mijn voeten werden nat. Nooit, geloof ik, heb ik zo’n kou gehad als toen. Onderweg meerden we ergens aan waar met lauw water gevulde houten vaten stonden. Mijn voeten in dat water – zelden heb ik iets aangenamers gevoeld. Mijn sokken hingen bij een vuurtje te drogen. We aten gerookte vis.

Finnen zijn vreemde mensen. Ze zijn introvert en kunnen heel grappig zijn. Ik houd van de films van Aki Kaurismäki. Ik hoop dat ik zijn naam juist spel. Droef en grappig, zoals de Leningrad Cowboys. Vorige woensdagavond, na het hierboven beschreven voorval, was er een receptie in een schouwburg die De Bol wordt genoemd. De halve Finse gemeenschap van Brussel stond er hapjes te eten en zoals ik wijn te drinken. Ik dronk erg snel om te ontstressen, mijn hart bonsde nog altijd in mijn keel. Maar dat lukte niet. Ik werd niet dronken, niet vrolijk, niet sociaal. Ik moest weg uit ‘mental Finland’. Maar ben ik er echt aan ontsnapt?

Afbeelding: uit de ‘Carceri’ van Piranesi.

 

HELSE DAGEN, HELSE NACHTEN

 horror,metro,leven,vrijheid,avond,geld,ziekte,inleving,verslaving,dansen,werk,verbeelding,vermoeidheid,fitness,wellust,empathie,kopen,dendermonde,verstrooidheid,ochtend,bureau,consumptie,tragedie,gevangenschap,zwaarlijvigheid,goya,rede,dierlijkheid,transformaties,metamorfosen
Marlon Brando, The horror…

Vandaag verliet ik, na een week aangename gevangenschap, nog een keer mijn paleis. Vaak, en zeker in de winter, wil ik niet meer dan dat: een gevangene zijn van mezelf, in mijn eigen paleis. Of noem het kasteel, kazerne, labyrint, privé-school, wat je maar wilt, zolang je me het woord ‘gevangenis’ bespaart. Er zijn geen tralies en ik moet niet afrekenen met cipiers. Al ben ik in zekere zin natuurlijk mijn eigen opzichter. Vaak spoed ik me met tegenzin naar de metro, richting stadscentrum. Ik heb na een zevental dagen dank zij ziekte en vermoeidheid een soort dierlijk ritme teruggevonden, en een vreemde wellust heeft zich meester van me gemaakt… Of lijkt het op de rust van een schip aangemeerd in een zomerse haven, terwijl de dokwerkers in staking zijn – maar die situatie weliswaar verinnerlijkt?

Ik stap in de metro en maak me zo smal mogelijk – daarvoor doe ik aan fitness – om tussen twee omvangrijke personen in plaats te kunnen nemen. Wat worden mijn soortgenoten dik! Mij bewegen om een boek uit mijn rugzak te nemen is een ernstig avontuur. Eer het boek op de juiste bladzijde is geopend zijn we halverwege het traject. De letters trillen, wat ik lees dringt maar gedeeltelijk tot me door, maar ik kan op deze manier wel mijn omgeving vergeten. Toch blijf ik me bewust van waar ik ben. Dat ik mijn huis voorbijloop gebeurt af en toe, maar ik stap nooit in een verkeerd metrostation uit. Ach, misschien is het me wel eens overkomen, maar echt niet vaak. Van negen tot zes houdt mijn dagtaak me bezig. Ik moet mijn brood verdienen. Of dacht je dat ik van de hemelse dauw leefde?

’s Middags neem ik lange pauzes: mijn verslaving klopt in mijn aderen, in mijn slapen. Ik moet boeken gaan kopen, cd’s, films. Ik snel van de ene winkel naar de andere en koop tot ik denk, dit gaat te ver, of tot ik niet nog meer gewicht kan torsen. Dan keer ik met plastieken zakken terug naar het werk. Ik probeer zo onopvallend mogelijk naar mijn bureau te lopen, want ik schaam me voor mijn consumptiegedrag. Soms doe ik op magische wijze de schreeuwerige plastieken zakken verdwijnen. Zingend en dansend zien mijn collega’s me dan het bureau binnenkomen. Dat werkt aanstekelijk, ze beginnen ook te zingen, komen naar me toe, omhelzen me, wat ben jij toch fantastisch, roepen ze uit. Wat ben ik dan charmant! Maar lang duurt dat spelletje niet. Het is een afleidingsmanoeuvre. Ik speld hen, jou iets op de mouw.

Als de avond valt keer ik weer naar mijn kasteel, waar ik kleine porties eet van het een of ander. Daarna steek ik de kaarsen aan en schrijf een brief aan een schuldeiser of een doodgewone uitbuiter. Nooit schrijf ik nog liefdesbrieven. Zal dat er niet meer van komen? Ik vergeet de nieuwe aanwinsten te beluisteren, bekijken, lezen. Ik ben te moe, moet rusten.

Denk niet dat ik vergeten ben wat er in Dendermonde is gebeurd. Het is een tragedie. Vreselijk dat mensen en mensenkinderen zoiets moeten meemaken. Een klein beetje snijdt die Joker ook in mijn lijf. Zoals de meeste Belgen heb ik er geen woorden voor. The horror, zei Marlon Brando. Wellicht is dat het beste woord: the horror. Ik probeer me voor te stellen wat de familie van de slachtoffers voelt, wat de familie van de dader voelt, wat de dader zelf voelt. Wat hem bezield heeft, hoe lang hij al met zulke plannen rondloopt. Maar het blijft leeg in mijn hoofd. Ik kijk niet naar de nieuwsuitzendingen, wil de sensatie niet zien, de valse opwinding, het rampenvermaak. ’s Nachts zie ik andere gruwelen, transformaties en metamorfosen van wat ik overdag heb gedacht en beleefd. De slaap van de rede, je weet het. De verdomde slaap van de rede. Op sommige dagen biedt zelfs rock ‘n’ roll geen troost.