BESCHOUWINGEN OVER ‘CLOSER’ VAN JOY DIVISION

Eind 1980 wilde ik als kerstcadeau voor Agnes de elpee ‘Closer’ [1] van de Britse postpunkgroep Joy Division kopen. We vonden het beiden de mooiste en meest aangrijpende plaat van het jaar. We waren romantici en voelden ons aangetrokken tot melancholische kunstenaars en outsiders. Ian Curtis, de zanger van Joy Division, had zich op 18 mei verhangen. Kort voor zijn zelfmoord had hij de film ‘Stroszek’ van de Duitse regisseur Werner Herzog gezien. Op een koude nacht in januari waren wij toevallig ook naar die film gaan kijken. Het soms grappige maar vooral wanhopige verhaal had ons danig aangegrepen. Ik had er zelfs bij zitten huilen. ‘Stroszek’ vertelt de geschiedenis van de straatmuzikant Bruno S. en zijn vriendin, de prostituee Eva. Als Bruno S. over zichzelf praat, hanteert hij aldoor de derde persoon. Nooit ‘ik’, altijd ‘der Bruno’. Stroszek spreekt alle woorden uit met een grote inzet van zijn hele lichaam. Daaraan kun je zien dat elk woord door de onfortuinlijke straatmuzikant uitgesproken de waarheid is.

stroszek

Voor ik naar huis ging met de elpee van Joy Division stapte ik nog even binnen bij Aurora, ons filosofisch atelier in de Lange Leemstraat. Daar stelde ik vast dat in de kerstdrukte een verkoper bij platenzaak Brabo mij per vergissing de maxisingle ‘Love Will Tear Us Apart’ verkocht had. Mijn vriend (en bij Aurora collega) Paul Rigaumont zag meteen hoe teleurgesteld ik was en stelde voor dat hij de single zou overkopen. Maar dan heb ik geen cadeau, zei ik. En die andere elpees dan, vroeg Paul. Hij had gelijk, ik had samen met wat ik dacht dat ‘Closer’ was ook nog langspeelplaten van Public Image Limited, Suicide en the Jam aangeschaft. Dat waren ook mooie cadeaus. Wat ik niet besefte was dat Paul nieuwsgierig was naar Joy Division. Ik dacht dat zijn voorstel alleen maar een gebaar van vriendschap was (wat het natuurlijk ook was). Later begreep ik dat Paul helemaal weg was van Joy Division en Ian Curtis. In 1995 verscheen in de reeks Aurorasporen een vertaling van de teksten van de band uit Manchester, een uitgave waar Paul aan had meegewerkt. In het voorwoord schreef hij: “Muziek en woorden die op de moeilijke keerzijde van ontspanning willen wijzen. Om geijkte gelederen te breken. Om hiërarchieën aan te wijzen. Muziek in de gecontroleerde gebieden van de muziekindustrie. Enkelvoudige stemmen en woorden met verbindingen naar ‘ontheiligd leven’, naar ‘gehoorzame gelederen’, naar wanhoop en fear. Muziek in bezette gebieden. Joy Division is bezeten muziek in bezette gebieden. Dit is onze reden om naar deze muziek te blijven luisteren en te blijven luisteren, om de teksten van Ian Curtis te lezen, te lezen met menselijke ogen die ook nog worden bedreigd, die ook nog met verblindend licht worden verleid. [2] ”

polaroid 1983

Heel wat van de beste vertegenwoordigers van onze generatie liepen tegen een harde muur, kwamen in het gekkenhuis terecht, maakten een eind aan hun leven. (Iets vergelijkbaars had Allen Ginsberg in zijn jonge jaren al moeten vaststellen (“I saw the best minds of my generation destroyed by madness, starving hysterical naked, dragging themselves through the negro streets at dawn looking for an angry fix…”). Bruno S. (fictief) en Ian Curtis (reëel) waren tragische voorbeelden van dat eindspel. Maar ook in mijn omgeving, bij mijn vrienden en kennissen, werd er gezocht naar a means to an end. De permanente tentoonstelling van wanstaltigheden in de supermarkt van het neokapitalisme werd sommigen te veel. Harde drugs of de dood waren dan de ultieme uitweg.

Voor mezelf was de rock ‘n roll van die periode (‘Lost In The Supermarket’ van The Clash en ‘She’s Lost Control’ en ‘Atrocity Exhibition’ van Joy Division, ‘Typical Girls’ van The Slits, ‘Street Hassle’ van Lou Reed, ‘Shout It Out’ van Burning Spear) een levensnoodzakelijk en bitterzoet antidotum tegen de gewichtigheid van Husserl en Descartes [3] , een middel om het voortdurende gevecht, dat tegelijk een ludiek spel is, met de demonen van het bewustzijn aan te kunnen.

dak (2)

Sommige van de mensen die er toen bij waren, kunstenaars, dichters, dokwerkers (denk aan Ludo Mariman van the Kids), intellectuelen, punks, waren trashmen. Ik noemde ze zo uit ontzag en liefde. Het was meer een verwijzing naar de Amerikaanse surfband the Trashmen, die een hit hadden gehad met het volstrekt absurde lied ‘Surfin’ Bird’, later gecoverd door the Ramones en the Cramps, dan naar echte vuilnismannen. Maar uiteraard zat die tweede betekenis er ook in. Hoe meer betekenis hoe liever. Had ik mijn vriend Guy Bleus, op dat ogenblik instant popart-frescoschilder, dat woord ook al niet horen gebruiken? Sommigen van hen, van ons, zijn trashmen gebleven. Misschien hoorde het zo. Hadden we niet uit trouw aan onszelf en aan onze idealen met zijn allen trashmen moeten blijven? Of was die opstandige attitude niet veel meer dan een stadium op de levensweg, onderdeel van een initiatie? Of kunnen we ze als een schakel in een minderheidswording [4] beschouwen?

ian curtis

[1]  Closer, de tweede elpee van de Britse rock band Joy Division kwam uit op 18 juli 1980 op Factory Records.
De groep bestond uit:
Ian Curtis – zang
Bernard Sumner – gitaar, synthesizers
Peter Hook – basgitaar en zessnarige basgitaar
Stephen Morris – drums, elektronische drums, percussie
Producer: Martin Hannett.
De prachtige hoes was ontworpen door Martyn Atkins en Peter Saville.
De titel van de song ‘Atrocity Exhibition’ verwijst naar een boek van J.G. Ballard.
[2] Joy Division, Aurorasporen, Antwerpen, 1995
[3] Enkele van de filosofen die we in die tijd bij Aurora bestudeerden.
[4] Minderheidswording. In zijn ‘Anekdota VIII’ beschrijft Paul Rigaumont Aurora als een “plaats van een minderheidswording. (…) Een verstervingsoefening die een afstandelijkheid ten overstaan van de Staat en zijn apparaten veronderstelde. Een oefening die vooral impliceerde dat wij als gezworenen zouden ‘stotteren’ in de talen die men ons had toegespeeld. In onze spreek- en schrijftaal, in onze denktaal, in al die talen die door instellingen worden gebruikt om individuen te onderwerpen.” ‘Anekdota VIII’ (p. 81).  Toen ik dat las dacht ik meteen aan Roger Daltreys gestotter in ‘My Generation’ van the Who, dat in zekere zin het lijflied van onze generatie was.

Foto’s: Closer, Martin Pulaski, 2018; Stroszek, Werner Herzog; Polaroid, Lamorinièrestraat, vroege jaren 80, fotograaf onbekend; Pulaski op het dak door Agnes A., 1981; Ian Curtis, fotograaf onbekend.

DONKERE NACHT VAN DE ZIEL (REDUX)

P1020998.JPG

Je zit in een kroeg en drinkt halflauw bier en wacht op iemand die je niet kent. Iemand om mee te praten. Je vroegere vrienden, als je die al had, en collega’s, noemden je een eenzaat, “ iemand die nog eens aan eenzaamheid ten onder zal gaan”. Heeft het belang? Je hebt je buik vol van grote woorden. Je zit te wachten op iemand, op om het even wie, man, vrouw of dier, om over het leven te praten, over alles wat je hebt beleefd, over de wind, de zee, de dakpannen die net niet op je hoofd vielen, over films van Claude Chabrol – en de andere de regisseurs die zoveel valsspelende mensen, tricheurs, hebben uitgekleed tot op hun diepste huidlaag.

Met je gezelschap, dat tegen wil en dank is komen opdagen, praat je niet over je eenzaamheid, over elkaars alleen zijn. Alsof dat een misdrijf is. Je praat evenmin over verlangens. Hoe je naar je vrouw verlangt, die nu ergens ademhaalt, je weet niet eens waar. In een bed, in een bos? In haar eigen donkere nacht van de ziel? Hoe je haar in je armen wilt houden en tegen je zweterige borst aandrukken. Haar borsten zullen ook wel zweterig zijn, denk je, terwijl je met je toevallige vriend over ‘La Femme Infidèle’ praat. Stéphane Audran. Haar tepels niet zo hard als in de winter, minder opwindend, maar haar geur zou je kunnen bedwelmen als de beste parfum uit Grasse. Dat weet je zo, ook al heb je haar geur nooit zo opgesnoven in deze lucht, in dit licht, in deze eenzaamheid.

Je praat en je kijkt naar de sterren en je wilt haar stem horen. Ver weg en dichtbij. Je volgt het gesprek niet langer. Mensen vertrekken. Het café raakt leeg. Stoelen worden op tafels geplaatst. Ik ben Phaedra, zegt een barmeisje. Wist je dat dan niet? Oh, ben jij Phaedra, zeg jij. Je bent heel erg mooi, Phaedra, maar ik moet dringend plassen, zeg je. De sterren nog altijd aan de hemel. Een stinkend toilet waar mannen de hele nacht hebben gepist. Later aan een tafel buiten bij jonge mensen uit het Pajottenland, feestvierders die je niet kent. Een scène die aan ‘A Streetcar Named Desire’ doet denken. Maar ik ben Blanche niet. Een wat zielige scene: “we mogen die arme Pulaski hier toch niet alleen achter laten. Stel dat hij weer wordt overvallen of zo”.

Op weg naar huis denk je aan gouden dagen, flitsen, flarden, fragmenten, niets is uitgewist, en denk je aan je geliefde, die je spoedig weer in je armen zal houden en die je veel meer troost zal bieden dan om het even welke onbekende. Dan om het even welke bekende. Maar nog enkele uren, nog enkele dagen moet je in je hoofd de noordenwind trotseren, en het gewauwel van kranten en televisie. Nog enkele dagen moet je het volhouden in de donkere nacht van je ziel.

16-7-2010 / 25-11-2015

P1020760.JPG

Foto’s: Martin Pulaski, 2009

LIEFDEVOLLE OVERGAVE

liefdevolle overgave.jpg
Martin Pulaski, Porto 2009.

“She knows there’s no success like failure
And that failure’s no success at all.”
Bob Dylan, Love Minus Zero / No Limits

Schwarz stond zonder het houvast van een gedachte of een vooruitzicht op een hoek van de Anspachlaan. Irina Vega stak de straat over in de richting van de Beurs. Voor altijd op die plaats, in het schemerachtige licht van eind september, keerde ze hem de rug toe, of zo leek het toch. Het leek op een droom waar je niet uit kunt ontwaken toen hij haar gehaast het zebrapad zag oversteken en veilig de overkant bereiken. Ze keek niet om. Zou het iets hebben veranderd aan de pijnlijke en kennelijk voor goed vastgelopen situatie?

Irina’s tred leek vastberaden, vond hij, maar hij zag er toch op een wat verdoken wijze iets aarzelends in, sporen van verdriet zelfs, van het besef van de onnodige wreedheid die ze beging. De manier waarop ze haar hoofd wat schuin hield wees op mededogen. Ze keek niet om, maar hij besefte dat het niet uit onverschilligheid met zijn lot was. Sporen van iets goeds, maar die mocht je niet tonen bij een afscheid – dat was een ongeschreven wet: afscheid nemen moest meedogenloos zijn of daar alleszins op lijken. Waarom dat zo moest zijn begreep hij niet. Hoe zou hij: hij kon niet denken. Eerst had hij verondersteld dat het een vorm van wreedheid was dat ze haar minst flatterende kleren had aangetrokken, zodat ze er in haar tenue al wat verder verwijderd van hem uitzag, uren voor de laatste koude omhelzing. Maar ook die lelijke kledingstukken waren symbolen van mededogen, want hoe kun je afscheid nemen als je aantrekkelijk bent als een vrouw van Amedeo Modigliani?

Eens Irina Vega uit het gezicht was verdwenen stortte Schwarz’ wereld in. Er was helemaal niets meer. De straat had geen naam, in de gebouwen om hem heen gebeurden zinloze handelingen, de woorden van passanten waren wartaal. Alleen een engel of een god had hem kunnen beletten in de afgrond te storten, maar er was god noch engel. Hij was nu helemaal alleen en hij kon nergens meer naartoe. Niet naar topless bars, casino’s, bibliotheken, exotische steden: nergens. Zelfs de troost van vreemden, waar hij sinds hij er de eerste keer over had gelezen zo hoog mee had opgelopen, was niet langer mogelijk.

Veel later zat Schwarz aan een tafel met een glas al wat lauw geworden pils. Hij vroeg zich af of hij haar met zijn liefde had vergiftigd. Waren zijn amoureuze pijlen werkelijk giftig geweest? Ach, in zijn verblinding had hij zelfs niet aan die pijlensymboliek gedacht; de boogschutter was voor hem altijd een sterrenbeeld geweest, het enige dat hij ooit had kunnen thuisbrengen.
Zo lang al doe ik je pijn, dacht hij. Hij voelde zich nog dieper wegzinken in de donkere wereld waar niemand ooit van teruggekeerd is. Misschien is het voor jou beter zo, dacht hij, met al de pijn en verdriet die mijn bezeten liefde bij jou al teweeggebracht heeft. Misschien heb je mijn verliefde woorden wel als geweld ervaren, zag je mij in je nachtmerries opdagen als een gevaarlijke meester en was jij mijn machteloze slavin. Mijn afhankelijkheid van jou is infantiel, dacht hij. Elk uur van de dag moet je me troosten. Je kind, en dat op mijn leeftijd. Ja, beter voor jou, dacht hij.

Toch kon hij alles – ook al betekende het op dat ogenblik niets – niet zomaar loslaten, kon hij zich niet geheel en al overgeven aan het absoluut donkere getij. Er zijn nog zoveel dingen die ik moet doen, dacht hij. Zijn harde ego en zijn wat absurde hang naar erkenning bestreden zijn doodsdrift. Een liefdevolle overgave aan de dood was die avond nog niet binnen bereik. Maar spoedig misschien, dacht hij. Spoedig, als de zomer weer voorbij zal zijn. Spoedig, als de herfst je haar laatste kleuren heeft geschonken.

~~~

Oorspronkelijk gepubliceerd op 28-11-2012.

DE WINTER VAN DE DODE STERREN

Alex-Chilton1
Dode ster (Alex Chilton).

Hoe kun je iemand missen als degene die je mist er is? Gekmakend missen. Je weet dat ze er is, maar ze is er niet. Ze is er voor de hele wereld, misschien, maar niet voor jou, omdat je haar niet ziet. Het is een kleine wereld, maar soms zo groot dat je er in verdwaalt als in een doolhof. Een immense wereld die je geen troost biedt en dat ook nooit zal doen.

Er is niets dat je aandacht trekt, dat je gelukkig maakt, dat je zin geeft om met glazen te gooien, met borden, met meubilair. Er is niets. Er is geen Jackson Pollock, er zijn geen opwindende steden, geen Beatles, geen Bach. Er is geen Fernando Pessoa, geen Stendhal. Er is geen Antonioni, geen Lars Von Trier, geen Emmanuelle Béart.

Er is alleen degene die er niet is. Jij bent er niet. Er is niemand. Hoe kun je leven als je zo intens wilt leven? Wat kun je doen als je zoveel wilt doen? Je kunt niets doen. Je kunt niets doen dan wachten, en wachten maakt je hart broos en je ziel boos. Je kunt jezelf in de spiegel bekijken: er is niemand, een leegte. Je bent al verdwenen.

EMMANUELLE BEART
Levende ster (Emmanuelle Béart).

TAGS DIE JE WANHOPIG MAKEN

Een aantal van de in de skynetblogs meest gebruikte ‘tags’: Accidentje, babe, billen, blog, borsten, comics, computer, dier, Duits, heerlijk, hond, hot, kat, kinderen, knappe dame, kracht, kriebels, lingerie, model, music, muziekparadijs, naakt, pikant, pin up girl, playboy, roken, rook, sex, sexy, sigaren, sigarenkist, sodacomics, sojourner, stoeipoes, tomatensoep, training, voertuig, voetbal, yves leterme.

Van al deze ‘tags’ gebruik ik er niet één. Ik val duidelijk in een andere categorie. Ben ik wel een mens? Ik loop toch rechtop en spreek? In ieder geval maken die ‘tags’ mij moedeloos. Ik geloof niet dat het ooit nog goed komt met mijn soortgenoten, en bij uitbreiding ook niet met mezelf. Het is allemaal nutteloos. We gaan de dieperik in. Is er dan niemand die het woord ‘seks’ kan spellen? Dat is toch elementair? Wel grappig, die Yves Leterme op het einde.

Zal ik je eens wat zeggen:
“God is in the house
No cause for worry now.”
Dat zijn woorden van Nick Cave. Wat zegt een mens allemaal niet als hij wanhopig is, aan vertwijfeling ten prooi?

[Voetnoot: De ‘tags’ die ik opsom maken mij inderdaad wanhopig, omdat ze een hele wereld tonen, van vreselijke oppervlakkigheid en ‘quiet desperation’, van stille wanhoop dus. De tags zijn metaforen. Anderzijds zijn die tags ook bouwstukken voor een gedicht dat nog moet worden geschreven. Een gedicht dat geen liefde maar wanhoopt uitdrukt.]

BELGIË-BELGIQUE

belgie

Wegens technische problemen bij Skynet kan ik geen commentaar op mijn teksten beantwoorden. Dan maar rechtstreeks… Marc Tiefenthal  had de volgende bedenking bij De kom, mijn vorige tekst, en bij mijn opdracht hierboven aan Rudy Aernoudt: ‘Dit verhaal schreeuwt om een vervolg,” schrijft hij, “tenzij het een droom is, enfin, een nachtmerrie. Wat doet Rudy Aernoudt ineens in de aanhef? Solidariteit? “

Mijn antwoord zou het volgende geweest zijn:

“Dank je Marc, ik zal je suggestie in overweging nemen… Maar is er wel een vervolg mogelijk na de Apocalyps? (Vreemd dat hier onverbiddelijk een hoofdletter A komt opgedoken.)”

Die Rudy Aernoudt is bijna een wanhoopskreet. Je weet dat ik een Belg ben en niet echt een Vlaming, ik ben namelijk in Antwerpen geboren en niet in Oost- of West-Vlaanderen. Daarnaast heb ik Limburgse roots, die teruggaan tot het prinsbisdom Luik. Limburgers hebben vaak Franse voornamen, je hebt er heel veel Jeans, Pierres, Mathieus, en ook wel een aantal Martins. Mijn vader zaliger sloot zich – na krijgsgevangenschap – aan bij het verzet. Hij was niet bepaald een held, maar wat hij deed, deed hij ten dienste van zijn vaderland, België-Belgique. Rudy Aernoudt staat daar alleen maar vanwege een interview dat ik met hem las over de toekomst van het land. Zijn ideeën spraken me wel aan. Voor de rest ken ik de man niet. De naam staat daar als een symbool. Binnenkort is hij weer weg en staat er een andere naam.

EEN PSYCHEDELISCHE GENE PITNEY


mercury rev

Gisteren leefde ik weer een beetje op in het Koninklijk Circus – dat ik liever het Rode Paleis zou willen noemen – bij het concert van Mercury Rev. Net voor het openingsnummer (A Secret For A Song) werd op een groot scherm zo’n beetje de geschiedenis van de rock & roll geprojecteerd aan de hand van foto’s, afbeeldingen van platenhoezen, belangrijke gebeurtenissen, etc. etc. Ook tijdens de set was er veel te zien op de achtergrond: foto’s van sterren en planeten, van insecten, van allerlei weefsels, uitspraken van filosofen als Schopenhauer en Nietzsche, religieuze denkers als Krishnamurti, wetenschappers als Max Planck, kunstenaars en doodgewone schrijvers. Eén schrijver die werd geciteerd was beatdichter Robert Creeley, die onlangs is overleden. Volgens Mercury Rev werd de man wegens zijn ‘onschuld’ vaak belachelijk gemaakt. De uitspraak die we van hem te lezen kregen was dat vorm niets meer is dan een uitbreiding van de inhoud. Wat impliceert dat je je niet moet houden aan bijvoorbeeld ritme of metrum of aan herkenbare beelden. De Amerikaanse band (afkomstig uit de Catskills) plaatste zich op die manier zonder valse bescheidenheid in een duidelijke artistieke, wetenschappelijke en historische context. Nu lijkt het wel of ik naar een literair avondje ben geweest maar dat was helemaal niet zo. Het aangename aan het Koninklijk Circus is dat je je er meteen goed voelt. Waarschijnlijk komt dat door die rode kleur, maar zeker ook door de aangename, gemakkelijke zetels en vooral door het bijzonder vriendelijk onthaal. Je staat er ook niet als slachtvee tegen elkaar gedrukt, zoals dat in de meeste poptempels wel het geval is.

Over de eerste twee bands kan ik kort zijn: ze waren overbodig. Waarom worden avonden op die manier altijd nodeloos gerekt? Het optreden van Mercury Rev daarentegen was meeslepend en mysterieus. Zanger Jonathan Donahue deed me denken aan een psychedelische Gene Pitney. De sound van de band was duidelijk geïnspireerd door Phil Spector en meer nog door de diepbetreurde Jack Nitzsche, aan wie ik vorige zaterdag in mijn radioprogramma aandacht schonk. Na elk moment verwachtte ik dat de groep Expecting To Fly zou inzetten. Dat gebeurde echter niet. Wel was er tijd voor een cover van Dylans You Gotta Serve Somebody.

Het was een bezield en bezielend concert, met een zanger en muzikanten die het publiek veel liefde en troost gaven. Het was zo’n moment waarop de tijd stilstaat (hoe clichématig dat ook mag klinken) en alle ellende van deze stad en de dieptepunten van het bestaan verdwijnen onder een bedwelmende nevel, die dan ook nog eens de geur had van seringen uit de tuin van Eden! Het eindigde allemaal met Jonathan Donahue die bleef herhalen: “In my dreams I’malways strong”… Ontroerend, want de man ziet er fysiek niet sterk uit, eerder fragiel en uiterst kwetsbaar.

Dat alles betekent echter niet dat de diepe wanhoop die mij sinds zaterdagnacht in haar greep had nu als een duivel door de goede Jonathan is uitgedreven. Nee, de duivel van de wanhoop zit nog in mijn ziel en vreet aan mijn hart. Ik wil nog even benadrukken dat ik mijn ziel niet van god heb gekregen (maar misschien wel aan de duivel heb verkocht): mijn ziel zit in elke vezel van mijn lichaam en pulseert als een organisch instrument op het ritme van de stad, van de stemmen en de adem van wie mij omringen, van de muziek en het lawaai, en soms als mijn geest tot rust komt, op het geritsel van de bladeren of het geluid van regendruppels op een houten dak.