PLEIDOOI VOOR EEN NIEUW BRUSSEL

BRUSSEL 069.JPG

Bewonderaars en verheerlijkers van Brussel heb ik altijd gewantrouwd. Wat waren hun motieven, waren zij wereldvreemd, blind of gewoon maar onnozel? Verlieten zij nooit de veiligheid van hun enclaves, Dansaertstraat, Louisalaan, Flageyplein? Meestal voel ik me een vreemde in deze stad. Zij heeft mij nooit met open en zelfs niet met gesloten armen ontvangen. Voor een deel ligt dat aan mezelf, ik heb me zelden ergens thuis gevoeld, tenzij tijdens een reis, als ik ergens aankwam, bijvoorbeeld in New Orleans, Santa Fe of Cadiz. En een korte periode in Antwerpen, van 1977 tot 1982 om heel precies te zijn.

Hoe ik Brussel bekijk hangt van mijn stemming af, maar mijn stemming hangt ook af van hoe Brussel met mij omgaat, van hoe Brussel mij bekijkt. Er zit veel ongehoorde en ongeziene schoonheid in deze stad verborgen. Soms, als het weer meezit en de passanten je wat vriendelijker dan op druilerige dagen aankijken, is ze bereid haar schatten te laten bewonderen. Dan laat ze zich van haar zachtste kant zien, ze ruikt lekker, voelt zacht aan, zachter zelfs dan de arm van Everard ’t Serclaes* op de Grote Markt.

Brussel is al een poos geen ruïne meer en is evenmin een moeras. De legendarische stadskankers zijn merendeels weg. Dure hotels en kantoorgebouwen hebben hun plaats ingenomen. Maar er is nog steeds veel grauwheid, vuilnis, lelijkheid, wat weliswaar het mooie accentueert, de parken en plantsoenen, de kerken, de art nouveau-gebouwen, de vele cafés met hun terrassen, oases van verrukkelijk leven. Maar pittoreske pleintjes, Vlaamse primitieven, bruisende kroegen, verfijnde art nouveau-gevels, kunnen het verval – dat niet uitsluitend materieel is – niet compenseren.
Ik noem Brussel op elk gebied een onderontwikkelde, een arme stad omdat haar inwoners zich niet al te druk lijken te maken over het verval, over het vuil, over de chaos die hier heerst. De Brusselaars, van waar ze ook gekomen zij, lijken bijna altijd in ongeveer alles een berustende houding aan te nemen. Slechts weinigen walgen van de lelijkheid en het vuil en storen zich aan het dysfunctionele van deze stad. Ik ken niet één Europese stad die zo slecht functioneert, in elk van zijn facetten, in al zijn wijken, in elk beleidsdomein. Bijna niets werkt hier zoals het hoort.

Al lange tijd is Brussel een gebroken stad, een stad vol (soms moeilijk zichtbare) muren. Iedereen kent ze wel, bijvoorbeeld de muur van de Noord-Zuidverbinding, die de stad op een brutale manier in twee delen heeft gesplitst, een echo (of voorspelling) van de opsplitsing van België. Er zijn veel meer zulke muren. Overal waar brede autowegen werden aangelegd lopen smalle straten dood. Ze werden in twee gesneden. De band die er bestond tussen de buren werd stukgemaakt. Door de bouw van Shopping Centra werden winkelstraten territoria voor vandalen, rotondes en pleintjes veranderden in no go zones. De Ring rond Brussel heeft van de stad een eiland gemaakt, een organisme dat niet mag groeien. Sommigen noemen het een olievlek, maar zelfs een olievlek breidt zich uit. Anderen beschouwden de hoofstad als een grote vuilnisbelt. Forensen uit de deelstaten dumpten er hun groot en klein afval. Gemeentelijke volkscommissarissen gaven de schuld aan ‘de Zigeuners’.

Brussel is een zee van mogelijkheden. Dat zou iedereen die hier woont, dat zou iedereen die het goed voorheeft met dit land moeten weten. Brussel bruist van jong (maar ook van oud) leven. Brussel moet die mogelijkheden de kans geven reëel, tastbaar te worden. Brussel moet dringend aan het nieuwe de voorrang geven, zonder zoals bij de Culturele Revolutie in China de traditie te verwerpen of vernietigen. Ja, Brussel moet dringend veranderen.

BRUSSEL 029.JPG

Ook degenen die neerkijken op Brussel, de taalstrijders, de fanatici, de voorstanders van een monocultuur, de gesloten geesten, zij die deze stad een olievlek noemen, die omcirkelende fietstochten en marathons organiseren om ze op symbolische wijze af te bakenen en in te sluiten, heb ik altijd gewantrouwd. Je vindt zulke mensen zeker ook in Wallonië, maar vanwege mijn achtergrond (ik ben in Antwerpen geboren, in Limburg opgegroeid), ken ik de Vlamingen beter. Ik wens niet te veralgemenen. Ik heb het over Vlamingen met een gesloten mentaliteit, degenen die bang zijn voor ongeveer alles wat zich buiten hun huis en hun tuin afspeelt. Anders, zelfs gevaarlijk, mag ook, maar dan in de omlijsting van een scherm, op een podium of in een van de eerbiedwaardige kunsttempels.

De voorbije maanden en zeker sinds 22 maart kwam er vooral vanuit Vlaanderen veel kritiek op de Brusselse politieke en politionele structuren. De architectuur van de macht. Voor een keer ben ik het met die Vlaamse kritiek (die bijna unaniem is) eens. Brussel moet een bestuurlijke eenheid worden. Brussel moet één politiezone krijgen. Brussel zal behoorlijk bestuurd moeten worden, op elk gebied. Mobiliteit, sociale voorzieningen, veiligheid, ecologie, cultuur, et cetera moeten in alle wijken op dezelfde leest geschoeid worden, zonder de diversiteit uit het oog te verliezen. Dit is een absolute noodzaak. Hoe dit in de praktijk kan gebeuren, daar moet nu over nagedacht worden. Maar er mag niet getalmd worden. Bij de veranderingen en vernieuwingen, in volstrekte transparantie moeten alle inwoners van deze stad betrokken worden. Alle inwoners in alle wijken – van alle kleuren en talen en leeftijden. En waarom niet alle Belgen: Brussel is de hoofdstad van dit land. Want moet niet heel België hervormd worden? Ja, toch. Wat na de val van de muur in Duitsland kon, dat moet in dit kleine en welvarende land zeker kunnen. Ik zie Duitsland niet als de ideale staat, maar hij lijkt wel vrij goed te functioneren. Een goed voorbeeld is het dus wel.

Ik heb in Brussel gewoond van 1969 tot 1977 en sinds de zomer van 1991 ben ik hier niet meer weggegaan. Heb ik daarom recht van spreken? Ik denk het wel. De volgende dagen zal ik wat over mijn bijzonder negatieve ervaringen met de Brusselse politie vertellen. Die tonen aan dat de politiezones niet werken, dat veel in de doofpot wordt gestopt, dat er corruptie bestaat. Dat de politie niet kan (of kon) instaan voor de veiligheid van inwoners van deze stad. Dat zeer zwaar probleem hangt samen met de manier waarop Brussel bestuurd wordt. Negentien gemeenten met stuk voor stuk hun eigen kleine belangen kunnen onmogelijk goed samenwerken. Zelfs de vijf grote Amerikaanse maffiafamilies (zie The Godfather) spelen dat niet klaar. En op zulke families lijken de Brusselse baronieën zeker wel. Al schieten ze elkaar nog niet overhoop tijdens een of andere eredienst. Althans, daar heb ik geen weet van. Is deze vergelijking met de maffia overdreven? J. Edgar Hoover, FBI-directeur van 1935 tot 1972, ontkende dat de maffia een grote misdaadorganisatie was.

BRUSSEL 065.JPG

*wie over zijn arm wrijft kent een jaar lang geluk in de liefde, wie hem kust krijgt difterie.
Foto’s: Martin Pulaski, Brussel, 2013

EENZAAMHEID EN VERDRIET

Soms is de eenzaamheid een zegen, soms is ze een vloek. Het leven in ballingschap – ook al heb ik er in een ogenblik van nuchterheid voor gekozen – in deze lelijke, vuile stad, is meestal een vloek. Je komt hier maar beter niet meer buiten; zelfs als de zon schijnt zie je overal het vuil en de onverschilligheid. Schoonheid speelt in dit oord geen rol meer. Sommigen durven Brussel de hoofdstad van Europa noemen, wat wel gek is voor een gat waar negentig procent van de bevolking maar één taal kent en ze dan nog gruwelijk mishandelt ook. Maar zelfs al zou Brussel helemaal ontworpen zijn door Frank Lloyd Wright in samenspraak met Victor Horta en Alvar Aalto, dan nog zou ik hier vaak ten prooi vallen aan vloekende eenzaamheid en verdriet. Ik heb vrienden in Gent en Antwerpen (en nog een aantal onnoembare plekken) en ik ken mensen in Canada, de Verenigde Staten, Denemarken, Spanje, Portugal en Ethiopië, maar in Brussel heb ik geen enkele vriend. Als mijn levensgezellin ziek is, zoals nu, en ik wil ergens naartoe, zoals morgen naar de heropening van de KVS – voor mij een historische gebeurtenis, een moment van schoonheid in onze lelijke stad, een teken van hoop, van mogelijkheden – dan is er niemand die mij kan vergezellen. Ik kan het aan niemand vragen. Er zijn geen vrienden, je staat er alleen voor, en alleen kom ik niet buiten. Ik herken me heel goed in de uitspraak van Raven Ruëll: “Ik ben heel melancholisch aangelegd en ween veel.” Vaak voel ik me overbodig, niet alleen een outsider, maar een uitgestotene uit de maatschappij.

Nu Gene Pitney dood is komen zulke gevoelens nog meer naar boven. Hij was samen met Roy Orbison en Del Shannon (zelfmoord) een meester in het bezingen van de eenzaamheid en het verdriet. Een van de droevigste liederen die ik ken is zijn ‘I’m gonna be strong’, met dit stukje perfecte wanhoop:

Our love is gone, there’s no sense in holding on
‘cause your pity now would be too much to bear
So I’m gonna be strong and pretend I don’t care

Nog droeviger is ‘I Must Be Seeing Things’. Through a tear I can see him kissing her. Pure paranoia en pathetische kitsch. Maar soms, heel soms, kan pathetische kitsch de perfectie benaderen. Dat was bij Gene Pitney vaak het geval. Toen ik jong was maakten zijn songs al veel indruk op me. Ik was gek op de twee hiervoor genoemde songs, maar nog meer op Backstage (I’m Lonely), met de volgende autobiografische regels:

Every night a different room
Every night a different club
And yet I’m lonely all the time
When I sign my autograph
When I hold an interview
Can’t get you out of my mind

Zoveel troost kwam uit die stem gevloeid, uit die woorden, uit die melodramatische muziek (die de wereld van Douglas Sirk-films oproept). Door nu te zitten luisteren naar deze songs word ik helemaal sprakeloos. Verdriet grijpt me bij de keel. Ik ben al even pathetisch als Gene Pitney, maar dan zonder zijn stem en zonder de violen. Gene Pitney speelde mee op de allereerste elpee van the Rolling Stones, samen met zijn toenmalige producer, Phil Spector. Een van de eerste songs van Jagger en Richard kreeg de titel mee ‘Now I’ve Got A Witness’ (Like Uncle Phil and Uncle Gene). Pitney’s liefste lied, Hello Mary Lou, werd een hit voor Ricky Nelson.
En hier stopt mijn ‘biografietje’. Veel is te vinden op het Internet. Ik moet nu even zwijgen. Over die andere dingen zal ik het een andere keer hebben. De klantonvriendelijkheid van een kabelmaatschappij? Wat betekent dat nu nog? Laat mij maar wat zwelgen in eenzaamheid en verdriet en daarna luister ik nog eens naar Hello Mary Lou en ik twijfel er niet aan dat er dan weer een glimlach op mijn gezicht zal verschijnen.