NACHTEN IN HET PANNENHUIS (3): VLIEGEND TAPIJT

blankenberge1969

Kenmerkend voor nachten in de stad ’s nachts is dat ik weinig zie, niet zozeer omdat het donker is maar omdat ik niet kijk en niet luister. Zelden dringt tot me door wie er in een café zit, wat voor soort mensen het zijn, welke kleren ze aan hebben, hoe ze kijken, waarover ze praten, welke woorden ze gebruiken. Voor mijn ogen zit een beslagen scherm en mijn oren zijn volgepropt met watten. Een mistig innerlijk landschap. Ik hoor flarden van een gesprek, betekenisloze zinnen, stukjes melodie van een troebel lied, klankwolken, wazigheden, rumoer. Maar ik luister met aandacht en overgave naar wat mijn vriend me vertelt, ik volg zijn verhaal, het is aanstekelijk, ik begin zelf ook te vertellen, een lange historie over vroeger, toen we gelukkig waren, of ongelukkig, en eenzaam. Maar niet slecht eenzaam, eerder goed eenzaam. We hadden bijvoorbeeld nog geen Nabokov of Thomas Mann nodig als compensatie voor de harde werkelijkheid. Lolita noch Settembrini. Ik verdwijn dan op mijn beurt zelf in de woorden. Ik vergeet mijn bestaan. Zou dat euforie zijn? Welbehagen? Uitbundigheid? De woorden weven de stof van het verhaal. Onze zinnen verliezen hun gewicht, weven een vliegend tapijt dat ons op een wervelwind van de grond meeneemt naar een onbekende bestemming, ver weg van het rumoer en mensen zonder gezicht.

Een ex-militair kwam bij ons aan tafel zitten, bij mij en Giuseppe. Niet dat hij al oud was. Een jonge ex-militair. Hoe heette hij ook alweer? Joris of zo. Maar ook weer niet piepjong. Hij moest ons dringend een verhaal vertellen. Mijn ouders zijn rijke mensen, zei hij. Ik ben een rijkeluiszoon, dat valt niet te betwijfelen. Het zou een lang verhaal worden met nogal wat overbodige woorden en zijsprongen. Zou ik wel blijven luisteren? Ik kom uit een bourgeoisfamilie, zei hij. Het is de eerste keer dat ik binnenstap in een café als dit. Ik weet niet wat me bezield heeft. Een verlangen naar vrijheid misschien? Mijn afkomst heeft me gedetermineerd, ik keek op naar autoritaire figuren. Daarom ging ik vrijwillig bij het leger. Daar gingen mijn ogen pas open. In de kazerne kwam ik al gauw in conflict met enkele officieren. Ik besefte nu pas goed wat het betekende je vrijheid op te geven en je te onderwerpen aan gezagsdragers. Op slag werd ik antiautoritair. Ja, ja, de schellen vielen me van de ogen. Weer in het ouderlijk huis kreeg ik ruzie met mij pa. Ik, schrijver dezes, vat de monoloog van Joris een beetje samen. Ik rond hem zelfs af. Het duurt me wat te lang en dreigt eentonig te worden voor de lezer. Gelukkig was de ex-militair niet alleen. Zijn entourage leek zich wat voor hem te schamen en drong er bij hem op aan om te vertrekken. De opstandige bourgeoiszoon vond het jammer dat hij zijn woordenstroom moest onderbreken maar tenslotte boog hij gehoorzaam het hoofd en vertrok. Eerst wierp hij me nog een enigszins boze blik toe. Was ik even zijn vader-substituut geweest? Wie zal het zeggen, het geloof in Freud heb ik, anti-oedipus,  al een tijdje opgegeven.

Giuseppe had er de hele tijd verveeld bijgezeten. Hij hield niet van onderbrekingen. Ik ook niet. We waren net zo lekker ver weg geweest op dat vliegend tapijt. Ergens in de kosmos, waar piepkleine deeltjes van Gram Parsons, de cosmic cowboy, rondcirkelden. Nu kwam Jean Doppegieter aan ons tafeltje zitten. Ik kende hem van in 1969, toen we in de straten van Blankenberge beatniks waren geweest. Een lieve man. Hij wilde me een foto tonen. Na acht jaar had iemand hem inderdaad nog een foto opgestuurd waar we allemaal samen op staan, ongewassen, de haren lang, in voorlopige vrijheid, een heel klein beetje gelukkig.

The_Absinthe_Drinker_by_Viktor_Oliva

Afbeeldingen: In Blankenberge, zomer 1969, Jean Doppegieter is de derde van links; De absintdrinker, Victor Oliva, 1901.

DINGEN DIE VOORBIJGAAN

2018-03-03-LAGOMERA 389 (2)

Thuis in Brussel praten A. en ik niet zo veel meer. Ik geloof dat we stilaan zijn gaan lijken op de personages uit ‘Hello In There’, dat onvergetelijke liedje van John Prine. Old people just grow lonesome. Hebben we dat stadium werkelijk al bereikt? In Valle Gran Rey – en op andere plaatsen waar we voor wat langere tijd naartoe reizen – is dat anders. Het valt me ook op dat de routines hier anders zijn. Doordat je je er bijvoorbeeld van bewust bent dat je elke dag dezelfde wandeling maakt in een andere omgeving, ervaar je die meer als een ritueel. Wat in normale omstandigheden een routine is, wordt op die manier een bewustzijnsverruimende ervaring. Je zintuigen worden aangescherpt, je geheugen gaat beter werken.

Na de koffie in Sal Y Pimienta in Borbalán wandelen we met de oceaan aan onze linkerzijde terug naar onze tijdelijke woonst. Het is zonnig maar er staat een strakke wind. Ik moet mijn hoed vasthouden. Onderweg de taferelen waar ik nu al vertrouwd mee ben en die ik nauwelijks nog opmerk. Een hoelahoepmeisje dansend op het keienstrand, een jongeman die een meditatief stukje op zijn gitaar improviseert, zijn lange haren wapperend in de wind, het beeld van de verzetsheld Hautacuperche – die mij aan de houten sigarenwinkel-Indiaan ‘Kaw-Liga’ uit het lied van Hank Williams doet denken, hoewel hij wel tien keer zo groot is -, het restaurant Las Molinos, waar we nog nooit een stap binnen hebben gezet. En de oceaan zelf, het geluid van de golfslag dat altijd hetzelfde en toch altijd anders klinkt, alsof hij, de oceaan, gehoorzaamt aan een god, of zelf een god is, een hedendaagse Poseidon, zonder drietand maar wel onderhevig aan stemmingswisselingen, misschien wel afhankelijk van rilatine.
Terwijl ik al die indrukken bijna ongemerkt onderga komen mijn herinneringen uit een diepe, lang verborgen gebleven bron opgeweld. Je kunt ze niet tegenhouden en ze eisen uitgesproken te worden. Ik praat en praat, en ik heb het gevoel dat A. aandachtig luistert. Al kan ik me vergissen. Heeft mijn levensgezellin de dingen die ik vertel niet allemaal zelf ook meegemaakt of ten minste toch al meermaals gehoord? Of is ze alles vergeten? Of vindt ze het prettig om telkens dezelfde verhalen, zij het met kleine variaties, opnieuw te horen, zoals een kind voor het slapen gaan?

Nog op de bus van San Sebastian naar hier, nu ongeveer een week geleden, dacht ik er even aan terug. Ik zat door het raam van de lijnbus foto’s te maken van het landschap, goed wetend dat ze stuk voor stuk mislukt zouden zijn. Ik deed het om de instellingen van mijn toestel te testen. Met de jaren word ik luier, meestal fotografeer ik nu op automatische piloot. Tijdens zo’n rit van meer dan een uur kun je echter veel leren. Fotograferen is ook een manier om aandachtig te kijken. Lang geleden nam ik op reis nooit een camera mee. Ik dacht dat fotograferen een zuivere waarneming in de weg zou staan. Ik bezat zelfs geen camera, om precies die reden. Of niet helemaal: ik was ook te arm om er een te kunnen kopen. Misschien heb ik dat verhaal van die waarnemingsbeperkingen alleen maar verzonnen om me minder een armoedzaaier, een mislukkeling te voelen. Door het raampje zie ik duizelingwekkende afgronden en zo lang na de grote brand die hier in 2012 woedde nog altijd zwartgeblakerde lage bomen. Het woud van Garajonay. Ik weet niet hoe het komt, maar in een flits denk ik terug aan Boekhandel Corman in Brussel, waar ik ongeveer anderhalf jaar als verkoper heb gewerkt.
Nu ik hier op de Avenida Maritima Charco de Conde loop komen die herinneringen levendiger terug. Ik herinner me de collega’s van toen. Charles Paron, de gerant, en zijn vrouw Anne, beiden échte maoïsten. Ze waren gekleed als Chinezen (ze hadden in China gewoond en gewerkt). Charles was een zachtaardige man. Van hem heb ik geleerd stevige knopen te leggen. Anne was een kettingrookster. Met het peukje van de oude stak ze een nieuwe sigaret aan. Die bleef altijd tussen haar lippen zitten. Net voor de as eraf zou vallen verwijderde ze die met een eenvoudige handbeweging; hij belandde altijd netjes in de asbak die naast een stapel van die kleine Rode Boekjes vlakbij haar kassa stond. Tijdens de middag zat ik meestal samen met Anne te lunchen boven in een klein ‘keukentje’ waar uitgedroogde vrouwentongen stonden. Ik zei nauwelijks een woord, vond mijn Frans te rudimentair. De schroomvalligheid om fouten te maken. Jean, die ik later nog terugzag in mijn hoedanigheid van occasionele ‘inspecteur’ bij de Vlaamse Overheid, werkte in de pocketkelder. Daar stonden schatten. De hele reeks City Lights, bijvoorbeeld. En de hele reeks New Directions. Dat betekende ongeveer alles wat de Beat Generation aan literatuur had voortgebracht. Overigens was Corman de grootste boekwinkel van Brussel en misschien wel van België. Het viertalige aanbod was immens. Nu kun je daar alleen nog maar van dromen. Ik geloof dat Brigitte bij de kinderboeken werkte. Zij was de bourgeoise van Corman, of zo herinner ik mij haar toch. Ze deed aan paardrijden, en vaak droeg ze haar haar in een paardenstaart. Dan was er ook nog de roodharige Eliane. Zij had zo kunnen meespelen in een van die lang vergeten Franstalige radicale films van die dagen, iets van Claude Faraldo, Alain Tanner, Claude Goretta of Bertrand Blier. Jean-François was een beetje van hetzelfde type, wat ouder, een anarchist. Hij werkte net als ik bij de Franstalige afdeling. Hij wist alles over Franstalige Belgische literatuur (waaronder de Vlamingen die in het Frans schreven). Volgens hem mochten we ons karige loon aanvullen met zo nu en dan een boek te ‘lenen’. Dat was iets helemaal anders dan boeken stelen. Zoals mijn vriend Jos D., die er vanuit ging dat ik bij Corman zijn kleptomanie zou tolereren. Jan C., niet arm nochtans, stak de boeken in zijn diepe jaszakken – of in de zomer onder zijn hemd – terwijl hij met me stond te praten. Werken van radicale denkers zoals Abbie Hoffman en Angela Davis of van leden van Internationale Situationniste, daar mocht je niet voor betalen, zal hij gedacht hebben. Ik zakte dan bijna door de grond van schaamte. Maar wat kon ik doen om mijn stelende vrienden tegen te houden? Wat Jean-François en ik deden was iets anders, dat was moreel verantwoord, vonden we. De fijnste collega die ik bij Corman had was Rita. Zij is een van mijn beste vrienden geworden, en samen met haar man is ze dat nog steeds. Over haar wil ik nog minder kwijt dan over de andere vrienden uit die lang vervlogen dagen, want misschien leest ze dit wel. Wie vindt het fijn over zichzelf te lezen, zelfs al zijn het lovende woorden? Misschien glimlacht ze wel vanwege de onjuistheden die hier staan, het gevolg van mijn onbetrouwbaar geheugen. De afdeling die mij was toegewezen, was die van Franstalige poëzie en theater, en kunstboeken. Die categorieën stonden boven, in een ruimte die grensde aan het kamertje waar we lunchten. Klanten moesten toestemming vragen om naar boven te mogen. De trap was afgesloten met een koperen ketting. Bij de kunstboeken stonden namelijk werken met naaktfoto’s en dat was in die dagen gevoelige materie. Zelfs de woorden ‘kut’ of ‘neuken’ in een roman konden als gevolg hebben dat de BOB (Belgische Opsporings Brigade) tot huiszoeking en inbeslagname overging. En zelfs tot arrestatie van de boekhandelaar, wat geloof ik met Herman Claeys van de Free Press Bookshop is gebeurd. Al weigerde Herman ook zijn belastingen te betalen. Af en toe bladerde ik in die mooie boeken, al herinner ik me niet zo goed meer van welke fotografen. Irina Ionesco vond ik alleszins fascinerend.

bertrand_blier_preparez_vos_mouchoirs

Ook al werkte ik met enig plezier bij Corman hield ik het na anderhalf jaar voor bekeken. Ik was uitgeput. In mijn vrije tijd en ’s nachts schreef ik experimenteel proza voor het tijdschrift Aurora van de gelijknamige filosofische kring en werkte ik aan toneelstukken. Dat was zenuwslopend. Koffie, stimulantia, alcohol waren in overvloed nodig om dat ritme vol te houden. Twee pakjes sigaretten per dag. Overigens rookten al mijn collega’s van bij Corman zoveel, met mogelijke uitzondering van de ruiterlijke Brigitte. Vreemd dat er nooit een klant klaagde over de immense rookontwikkeling in die winkel.
Samen met A. en enkele vrienden heb ik in die periode (1975-1976) twee experimentele toneelstukken in elkaar gestoken: ‘Dokter Jekyll en Friedrich Nietzsche’ en ‘Empedocles’. Alleen het eerste hebben we ooit één keer kunnen opvoeren. In die dagen bestond er in Nederlandstalig België nog geen avant-garde theater [1]. Veel meer dan de KVS, KNS en NTGent, heel traditionele instellingen, had je niet. In die zelfde periode is, geloof ik, Jan Decorte met zijn vernieuwend theater begonnen. Hij heeft doorgezet, ik heb opgegeven. Later is Jan Fabre op de proppen gekomen. En het Kaaitheater en Ivo Van Hove en Luc Perceval en Guy Joosten en Akt-Vertikaal en al de anderen. Om in theater te slagen moet je een beetje een dictator zijn. Ik geloof dat ik te democratisch was. Ik legde mijn wil niet op. Ik had lessen moeten leren van de drilmeester in ‘Full Metal Jacket’, maar die film moest Stanley Kubrick toen nog bedenken.

r_lee_ermey - drill

Inmiddels hadden we Hautacuperche ver achter ons gelaten en was ik een beetje buiten adem geraakt van al dat gepraat. Het was de hoogste tijd om wat asperges uit een bokaal te eten en daarna verder te lezen in de meeslepende biografie van Anthony DeCurtis over Lou Reed.

[Deel 12 van een reeks impressies van een reis naar Valle Gran Rey in La Gomera, Canarische Eilanden. Een raamvertelling. Wordt vervolgd.]

Foto’s: Martin Pulaski, Valle Gran Rey, februari, 2018; Bertrand Blier, Préparez vos mouchoirs; Stanley Kubrick, Full Metal Jacket.

[1] “Het probleem lag vooral bij de directies. Verschillende directeurs hadden geen visie. Ze stelden zich te weinig vragen over wat ze konden doen met het stadstheater en de programmering. Directeurs bleven veel te lang op hun plaats zitten, vooral bij Koninklijke Nederlandse Schouwburg en Koninklijke Vlaamse Schouwburg. Bij NTGent werd er gezocht naar verandering of deed men toch een poging. Op tien jaar tijd waren daar vier directeurs. Die grote wisselingen gebeurden steeds met vallen en opstaan. Directeurs durfden ook niet echt te kiezen voor regisseurstheater. Terwijl dit in het buitenland aan het opkomen was en duidelijk zorgde voor kwaliteitstheater. Er waren mensen die het wel konden, maar niet tot directeur werden benoemd. Daarbij denk ik aan Walter Tillemans, die vroeger echt experimenteerde in de categorie van het zogenaamde regisseurstheater. Natuurlijk waren er uitzonderingen. Ik herinner me Priester Daens in Gent, eind jaren ’70. Ook Walter Tillemans’ Kleine man, wat nu?, geïnspireerd op het regisseurstheater in Duitsland, wat een samenwerking was met Peter Zadek en Tankred Dorst. Af en toe doken nog andere stukken op van Hugo Claus of Walter Van Den Broeck. Soms werden mensen uit het buitenland aangetrokken. Maar dikwijls waren het toch kopieën van wat ze reeds gezien hadden. Die invloed kwam vooral uit Engeland. Bij de KVS kwam de invloed vooral uit Parijs, omdat ze daar veel komedies speelden, wat uiteindelijk de doorslag gaf. Maar het bleef toch een beetje steriel zoeken, zonder groot resultaat, en dat ontgoochelde mij ontzettend.”  Paul Arias

ZERO DE CONDUITE: VRIENDEN

JACK KEROUAC AND NEAL CASSADY.jpg
Vanavond gaat Zéro de conduite over vriendschap. Het zal niet de eerste keer zijn, vermoed ik. Ik heb het even opgezocht, maar vind niet terug wanneer het thema nog een keer aan bod kwam. Een noemenswaardig archief van al mijn uitzendingen heb ik niet – en ik doe dit al sinds 1982. De eerste tien jaar onder de naam Shangri-La. Nogal wat vrienden hebben mij daarbij bijgestaan, in de eerste plaats Pat Geens (voornamelijk in die eerste periode), maar ook Sofie Sap, Ton Luyben en, helemaal in het begin, Max Borka. Max en ik zijn samen bij radio Centraal begonnen. Enige maanden later zijn we ieder onze eigen weg gegaan, wat wel vaker gebeurt als je maar lang genoeg leeft. Met Sofie ben ik nog goed bevriend, al zien we elkaar niet vaak meer. Pat beschouw ik nog altijd als een van mijn allerbeste vrienden. Hoe komt het dan dat we elkaar niet meer ontmoeten? Waar Ton uithangt weet ik niet.

Eind april is een van mijn beste vrienden, al van in de vroege jaren zeventig, overleden: Paul Rigaumont. Op elk gebied een fijne en lieve man. Hij schilderde, schreef en leefde met een groot hart. En hij wist wat vriendschap betekende. Aan hem draag ik deze aflevering op.

Ik denk dat Montaigne in zijn ‘Essays’ het allermooist over vriendschap heeft geschreven, onder meer dit:
“In vriendschap heerst een algemene, allesomvattende warmte, die bovendien mild en gelijkmatig is, een bestendige, rustige warmte, een en al lieflijkheid en gratie, een liefde die niet brandt en verzengt. […] De liefde genieten is haar vernietigen, omdat haar doel lichamelijk is en vatbaar voor verzadiging. Vriendschap daarentegen wordt genoten in de mate waarin ze gewenst wordt en aangezien zij iets spiritueels is en de geest door het onderhouden ervan gelouterd wordt, ontstaat en groeit zij slechts en wordt zij slechts gevoed wanneer zij genoten wordt.”
Maar zo uit zijn verband gerukt verliezen deze zinnen aan betekenis en kracht. Probeer het hele essay te lezen. De ‘Essays’ van Montaigne zijn in alle openbare bibliotheken te vinden, zolang de Vlaamse regering ze niet sluit – om ‘te besparen en jobs te creëren en de mensen langer te laten werken’.

tricheurs-1.jpg

Zoals met alle interessante thema’s was het ook nu moeilijk om een keuze te maken: er is zoveel goed materiaal. Ik probeer meestal een evenwicht te vinden tussen songs die ik werkelijk niet uit de weg kan gaan, ook al worden ze op de commerciële radio gedraaid, en minder bekende, minder populaire liederen. Aan de ene kant Amy Winehouse en Bob Dylan, aan de andere Cowboy, Bob Carpenter en Opal. In mijn oren klinkt het allemaal even goed. Waarom de ene succes heeft en de andere bij wijze van spreken in de goot beland is mij meestal een raadsel.

Veel luisterplezier!

elmore james jt brown 1959.jpg

Friends – The Beach Boys – Friends

Old Friends – Simon & Garfunkel – Bookends

Bob Dylan’s Dream – Bob Dylan – The Freewheelin’ Bob Dylan (2010 Mono Version)

Fair Weather Friend – Crazy Horse – Scratchy: The Complete Reprise Recordings 1971-’73 Vol. 1

All My Friends – Cowboy – 5’ll Getcha Ten

For Belgian Friends – The Durutti Column – The Best Of The Durutti Column 1

You’re My Friend – Eels – Wonderful, Glorious

Best Friends, Right? – Amy Winehouse – Lioness: Hidden Treasures

You’ve Got A Friend – Roberta Flack & Donny Hathaway – Atlantic Rhythm & Blues Vol8 (1970-1974)

Your Best Friend – Doris Duke – I’m A Loser: The Swamp Dog Sessions & More

A Woman Is A Man’s Best Friend – James Carr – A Man Needs A Woman

My Best Friend – Elmore James – The Sky Is Crying

My Friend – Jimi Hendrix Experience – First Rays Of The New Rising Sun

My Old Friend – John Hiatt – The Tiki Bar is Open

Two Old Friends – Neil Young – Are You Passionate?

Girlfriend – The Modern Lovers – The Modern Lovers

Has He Got A Friend For Me? – Maria McKee – Maria Mckee

Friends – Sandy Denny – Like An Old Fashioned Waltz

Farewell My Friend – Dennis Wilson – Pacific Ocean Blue

We’re Just Friends – Wilco – Summerteeth

Friend, You’ve Got To Fall – Hüsker Dü – Warehouse: Songs And Stories

I Really Live Round Here (False Friends) – Kevin Coyne – Dynamite Daze

Good Friend – Violent Femmes – The Blind Leading The Naked

My Friend – Bill Callahan – Sometimes I Wish We Were An Eagle

Old Friends – Bob Carpenter – Silent Passage

Friends – Ryan Adams & The Cardinals – Cold Roses

My Only Friend – (Opal) – Early Recordings

Waiting On A Friend – The Rolling Stones – Tattoo You

She’s My Best Friend – Lou Reed – Coney Island Baby

Greatest Friend – Incredible String Band – The Big Huge

My Old Friend – Sam Amidon – Bright Sunny South

bookends-simon and gafunkel.jpg

Research en presentatie: Martin Pulaski.
Foto’s: Neal Cassady en Jack Kerouac; Jacques Dutronc en Bulle Ogier in ‘Tricheurs’ van Barbet Scroeder; Elmore James en een mij onbekende saxofoonspeler; Paul Simon en Art Garfunkel.

DE APANCHENDANS VAN MAX BECKMANN

Beckmann,Max Departure, 1932-35.jpg

Max Beckmann, Het vertrek, 1932-135

Drie weken geleden ben ik van start gegaan met schetsen voor een ‘geestelijke’ genealogie. In het eerste deel behandelde ik August Strindberg en, heel kort, Kurt Cobain. Vervolgens vertelde ik de geschiedenis van een foto van Bob Dylan en Sara Noznizsky door Daniel Kramer. Ik besefte echter al gauw dat ik voor ik mijn grote voorbeelden kon behandelen eerst moest onderzoeken hoe, waar en wanneer kunst en literatuur mij hebben gevonden. Ik stelde vast dat er in mijn jeugd nauwelijks sprake was van kunst, noch bij mijn ouders en evenmin in het onderwijs. In die eerste poging om uit te vissen hoe ik geïnteresseerd was geraakt in het ‘fenomeen’ kunst kwam ik tot de conclusie dat dat gebeurd was in een toilet van het Koninklijk Atheneum Tongeren en zag ik ook een rol weggelegd voor de auteurs van de De Sikkel-monografieën over Belgische kunstenaars. Een volgend hoofdstuk ging over de rol van Salvador Dalí, een kunstenaar die aanvankelijk zeer veel indruk op me maakte, maar die ik later als een charlatan ben gaan beschouwen. Dat laatste impliceert niet dat ik meteen het hele surrealisme heb verworpen, wel integendeel. De geschiedenis van mijn overgave aan het surrealisme, mijn surrealist-worden, komt wellicht later aan bod.

Maar hoe zit het nu met Max Beckmann? Om eerlijk te zijn weet ik het niet zo goed. Ongetwijfeld is er een verband met Vincent Van Gogh en het expressionisme, een kunststroming die me al vroeg nauw aan het hart lag. Waarschijnlijk werd mijn interesse daarvoor gewekt door de De Sikkel-boekjes over James Ensor, Henri Van Straten en Frans Masereel. Voilà, ik sta weer te plassen in een urinoir in het Koninklijk Atheneum… Gelukkig was het niet dat van Marcel Duchamp want in dat geval zat ik nu nog altijd in de schulden.
Wat ik me nog herinner is dat ik omstreeks 1968 in een of ander cultuurtijdschrift een kleurenreproductie aantrof van Max Beckmanns ‘Apachentanz’ uit 1938.

max_beckmann_apachentanz_1938_kunsthalle_bremen_der_kunstverein_in_bremen_foto_larslohrisch_vg_bild_kunst_bonn_2012.jpg

Het werk, zelfs in deze povere kopie, sprak me meteen aan. Er waren de hevige kleuren, oranje, blauw en geel. Het beeld had iets carnavelesks – wat me deed denken aan sommige taferelen die ik me uit mijn dromen herinnerde, en ook aan Carnaval in Maastricht en Hasselt, waar ik in die dagen nog niet op neerkeek. En waar ik nu soms naar terugverlang. De lichamen van de twee dansende ‘Apachen’ hebben helemaal niets lenigs of extatisch; eerder zijn ze verwrongen, verkrampt. De vrouwelijke figuur zou net zo goed dood kunnen zijn. Defunctus. Het gelaat van de man lijkt droefheid, melancholie, verbittering uit te drukken. Bevinden de dansers zich op een podium? Op de gezichten van de ‘toeschouwers’ rondom hen zie je vooral grimmige blikken. Hun donkere gestalten hebben iets onheilspellends. Houdt dat verband met de omineuze groene figuur op de achtergrond?
Later las ik dat Beckman het werk schilderde toen hij in ballingschap leefde, in Amsterdam. Op 19 juli 1937, dag van de opening van de Entartete Kunst in München, was hij met zijn vrouw Quappi daarheen gevlucht. Max Beckmann zou nooit meer naar Duitsland terugkeren. Gedurende zijn periode in Amsterdam (1937-1947) voltooit hij enkele van de grootste kunstwerken uit de 20ste eeuw.
Maar nogmaals, dat wist ik allemaal niet toen ik die reproductie uitknipte. En ook niet toen ik ze met me meenam naar Brussel, waar ik film ging studeren. Op mijn kamer in de Karmelietenstraat had ik de ‘Apachentanz’ tegen de muur gekleefd. In die periode (1969-1970) raakte ik bevriend met een andere filmstudent, Guillaume Bijl, die een nogal wild leven leidde en heel veel wist over kunst. Af en toe bleef hij in mijn kamer overnachten, hoewel dat niet het juiste woord is. Het was overdag dat hij in mijn bed kwam slapen, als ik zelf op de filmschool zat. Hij was dan uitgeput van een hele nacht dansen met een of andere miss België. Ik vermoed dat hij me ‘sympathiek’ vond omdat ik van the Rolling Stones en Dylan hield en meer nog vanwege die kleine Max Beckmann in mijn kleine kamer. Dat ik op Roman Polanski leek  – in zijn ogen toch – droeg er denk ik eveneens toe bij. Als we elkaar ontmoetten was het altijd: ‘Dag Polanski’, ‘Hallo Fellini’, want hij leek dan weer op Federico Fellini.

Wat mij betreft was het niet door de gigantische artistieke waarde van het werk van Max Beckmann, waar ik toen maar een vermoeden van had, maar door een prentje aan de muur dat ik een vriend werd van een heel eigenzinnige kunstenaar, van wie ik de volgende jaren erg veel zou leren. In die eerste maanden in Brussel besefte ik pas ten volle dat vriendschap misschien wel van het grootste belang is voor het verwerven van kennis en inzicht in culturele aangelegenheden (en niet alleen daarin). Via Guillaume Bijl leerde ik veel over kunst en kwam ik later in Antwerpen in aanraking met veel andere unieke en boeiende kunstenaars, die vaak ook bijzonder lieve mensen waren. Hen ben ik allen dankbaar.
guillaume_bijl.jpg
Guillaume Bijl

INSOMNIA

king&queen.jpg
King & Queen, Tongeren, 1967. Foto: Guy Bleus.

Maandagnacht, na een bezoek aan de psychiater (bij wie het uitzonderlijk koud was; letterlijk bedoel ik dat) kon ik de slaap niet vatten. Niet alleen vanwege vrouwengeschiedenissen – ik had het met mijn psychiater, die zelf een vrouw is, over mijn liefde voor vrouwen gehad. Bijvoorbeeld dat ik een vertrouwelijk gesprek veel liever met een vrouw voer dan met een man. Maar ik wil wat dit onderwerp betreft niet in details treden. Dat doe ik volgende week wel met mijn psychiater. Ik hoop alleen maar dat het dan al wat warmer is.

Vooral gedachten aan het verleden drongen zich aan me op. Ik herinnerde me opnieuw Veronica Satory in het Kinderdorp in Rekem. Henriëtte en Mathilde, mijn speelvriendinnetjes in Neerharen. Hoe ik met Valère naar het bos fietste om daar een meisje te kussen dat ik nooit eerder had gezien en daarna ook nooit meer zou terugzien. Hetzelfde gebeurde bij een optreden van The Small Faces in Diepenbeek, maar we kusten toen de hele avond, en het meisje stal mijn zonnebril. Haar naam? Aan Anita dacht ik en haar mooie zus Linda (die mij wel wilde maar toch ook weer niet), aan Sylvia, aan Magda (liefje van een avond), aan Claudia, aan Monique, aan café de Paddock in Tongeren en dansen op Massachussetts van The Bee Gees. Gin Fizz drinken met Guy Bleus.

Die oude vriend zat er ook voor iets tussen dat ik niet kon slapen. Zondag had hij een oude foto op mijn facebookprofiel geplaatst. Mijn schoolvrienden Luc V., Henry J. en Jan D. en ikzelf voor King & Queen in Tongeren in 1968. De wonderlijke uren die we daar doorbrachten. De naam van het King & Queen meisje ben ik vergeten. In een club in Lanaken heb ik met haar nog gedanst op Otis Redding, Sam & Dave en Aretha Franklin. Dat mocht eigenlijk niet. Een bizarre wet schreef voor dat je niet van soul mocht houden als je een fan was van the Rolling Stones, Small Faces, Kinks, Who, Outsiders et cetera. Terwijl al die bands zelf soul speelden. Wat betekende dat ik een dubbel leven leidde. Niet voor niets was ik ook verslingerd aan James Bond. Ik heb alle Zwarte Beertjes van Ian Fleming meermaals gelezen. De film Goldfinger vond ik een meesterwerk. (Daarover wil ik later meer vertellen.)

Er gingen zoveel werelden open, The Avengers, The Fugitive, Mary Quant, platenwinkel De Harp in Maastricht (waar ik Big Pink kocht en Waiting For The Sun). En maandagnacht gingen veel van die werelden opnieuw open. Zachte, romantische, psychedelische werelden. Elk onderscheid tussen realiteit en poëzie viel weg. Zoals bij Novalis werd alles magisch, alle kleine dingen werden metaforen in een groot gedicht. En toch wilde ik slapen.

Vreemd. Ik herinnerde me eveneens verrukte jaren in Antwerpen, van 1977 tot 1984. Renaissance in de popmuziek (die was in 1974 aan zichzelf ten onder gegaan) met onder meer Patti Smith, Television en the Clash. Euforische jonge kunstenaars vol wilde en minder wilde plannen, zoals Danny Devos, AMVK, Guy Rombouts, Walter Van Rooy, Paul Rigaumont, Ria Pacquée en experimentele ruimtes zoals Ruimte Z’, Aurora, Ruimte Morguen, het Pannenhuis (van Greta en Toulouse) en Montevideo. Ik herinnerde me uitzinnige nachten met al die fijne mensen. Guillaume Bijl, Bruneau, Annie Gentils (voor wie ik het gedicht ‘Zoete naam Jezus’ schreef). Ik hoorde de muziek van the Shangri-Las en U-Roy en Tom Verlaine en Grandmaster Flash. Een song bleef terugkeren: Many Rivers To Cross.

Het begin van het nieuwe theater in die stad zag ik voor mij weer opduiken uit jarenoude mist: Blauwe Maandag Compagnie, Akt Vertikaal, de piepjonge Guy Cassiers, Luc Perceval (net als ik kind van binnenschippers), Guy Joosten, Ivo Van Hove, Warre Borgmans, Els Dottermans, Peter Van Kraaij, Sam Bogaerts, Chris Nietvelt (een actrice waar ik zo graag verliefd op werd, “Ik ben nogal nief hier. Ik weet nog niet wat ik doe. Ik kem een goe gevuul.”), Bart Slegers, en vooral Lucas Vandervost.

Deze koortsachtige nachtgedachten bleven maar voortrazen. Omstreeks vijf uur vond ik eindelijk slaap. En al is het leven theater, het was geen actrice, het was niet de jonge Chris Nietvelt, die me in slaap wiegde. Nog een geluk, anders lag ik nu nog altijd wakker.

 

ZERO DE CONDUITE: VERJAARDAG

zéro de conduite,radio centraal,antwerpen,verjaardag,feest,jazz,pop,gasten,populaire muziek

Vandaag is het een beetje feest in mijn radioprogramma. Niet dat er zoveel redenen zijn om feest te vieren. Het gaat niet goed met de wereld, het gaat niet goed met miljoenen mensen, het gaat niet goed met mezelf en eergisteren is Gerrit Komrij gestorven. Maar misschien zijn dat wel allemaal redenen om te feesten. Als een manier van tegendraads zijn. Niet berusten in een ondergangsstemming. Feest vieren omdat je weet dat er toch weer betere tijden zullen komen, dat oorlog tot vrede leidt, ziekte tot gezondheid, verdriet tot vreugde, wanhoop tot bevrijding.

De rechtstreekse aanleiding voor het feest in de studio is mijn verjaardag – nu al een maand geleden – en veel meer nog het feit dat ik nu dertig jaar programma’s maak voor Radio Centraal, die controversiële, door velen verguisde, zo geliefde zender.

Van 1982 tot 1992 maakte ik mijn wekelijks programma Shangri-La, een ‘Theme Time Radio Hour’ (van drie uur) toen daar nog niemand van had gehoord of van wilde horen; een ‘classics’ toen er nog geen ‘classics’ bestonden: alles was doodgewoon rock ‘n’ roll. Op die tien jaar tijd hebben alle denkbare thema’s de revue gepasseerd. In 1992 ben ik vanwege tijdgebrek moeten overschakelen op het maandelijks programma, Zéro de conduite, dat ik nu nog altijd maak. De thematische aanpak bleef behouden, maar op een soepelere manier, er kon al eens uit de band gesprongen worden. Maar om eerlijk te zijn was Shangri-La veel meer een Zéro de conduite (zoals in de film van Jean Vigo) en is Zéro de Conduite veel meer een Shangri-La (een wat ingetogen paradijselijke ruimte voor alle mogelijke vormen van populaire muziek).

Vanavond wordt het een andere uitzending dan anders: je kunt alleen maar feest vieren door er zelf aan deel te nemen. Om mezelf die kans te geven heb ik voor wat langere nummers gekozen, en ligt de nadruk op funk en jazz. Bovendien zullen mijn gasten Annick Vandecappelle, Didi Jansen, Agnes Anquinet, Deborah Anné, Anne Marie De Decker, Theo Hugal, Marc Wullaert – en ikzelf – een geliefde song kiezen en die zelf aan de luisteraars voorstellen.

De playlist hieronder is meer een leidraad (reeks reddingsboeien) dan een keurslijf (maliënkolder, schobbejak). Verwacht niet dat dit allemaal zal worden gedraaid. Verwacht vooral verrassingen en een ordelijke chaos.

zero-roof.png

Funky Side Of Town – Get On The Good Foot – James Brown
Aht Uh Mi Head – Inspiration Information – Shuggie Otis
Gypsy Woman – Happy Sad – Tim Buckley
Doughnut – Town Hall 1962 – Ornette Coleman
All Of You – Sunday At The Village Vanguard – Bill Evans
Summertime – My Favorite Things – John Coltrane
Mary, Don’t You Weep – Amazing Grace – Aretha Franklin
Jesus Is On The Mainline – We’ll Never Turn Back – Mavis Staples
Be Mine – Boys And Girls – Alabama Shakes
You Know I’m No Good – Back To Black – Amy Winehouse
Don’t Throw Your Love On Me Too Strong – Essential Blues 1964-1969 – Mike Bloomfield
Keep On Growing – Laya & Other Assorted Love Songs – Derek & The Dominos
Not To Touch The Earth – Waiting For The Sun – The Doors
It Was A Pleasure Then – Chelsea Girl – Nico
Honey Don’t Think – Mighty Joe Moon – Grant Lee Buffalo
She Brings The Sunlight – Standing At The Sky’s Edge – Richard Hawley
Nine – Banga – Patti Smith

Research: Martin Pulaski
Presentatie: Zie hierboven.

amy-winehouse.jpg

SPANJE EN PORTUGAL

fernando_pessoa

Ik hang uit het raam, maandagavond. Of is het al dinsdag? Ik weet niet wat met de tijd gebeurt, de tijd in mij en de tijd van de wereld. De tijd van wat is en zijn zal. Van het al. De Spanjaarden hebben gewonnen, dat weet ik, terwijl ik achter de Portugezen stond. Waarom? Omdat Portugal een klein land is, arm en mooi en sterk en intelligent. Geloof nu niet dat ik niet van Spanje houd. Ik heb er veel gereisd. Net als Wannes Vandevelde heb ik mijn hart verloren in Cadiz, een stadje waar niets gebeurt en niets te beleven valt, maar waar elke keer als je er door de straten dwaalt iets omineus je overvalt. Iets zoals wanneer je voor de eerste keer ‘Cinnamon Girl’ van Neil Young hoort. En in de kleine witte steden van Andalousië.

Net als in Portugal heb je vrienden in Spanje. Waarom dan toch tegen beter weten in achter Portugal gaan staan? Ik zei het al: het is een klein land, met kleine, mooie mensen, de mooiste mensen van Europa, denk ik, en degenen die zich het meest van Europa afkeren. Europa de rug toekeren. Dat zie je bijvoorbeeld in Lissabon, een stad die zich overgeeft aan de Atlantische Oceaan, aan de verte, aan de horizon in het Westen. Aan de andere kant is Pessoa wellicht de meest Europese dichter van ons allemaal. Een ingewikkeld land, zoals België, maar zonder de taalproblemen. Portugal had de dictatuur – wel een ietwat ernstiger probleem dan welke taal iemand spreekt.
Nu is Portugal naar huis gestuurd. Ik ben geen voetballiefhebber, maar ik wed graag op paarden – niet echt, zoals in Amerikaanse romans en films, maar bij wijze van spreken. Het paard waar ik nu op wed is Duitsland. Het is een mooi land en de ploeg weet hoe samen te spelen. Op een sportieve manier zullen zij de wereld veroveren. Dat is eens iets anders dan met tanks, vliegtuigen, maarschalken en uitroeiingskampen. Die tijd is lang voorbij. Duitsland is een ander land geworden. De nazi’s tref je nu in andere landen aan, in België bijvoorbeeld, meer bepaald in het Noordelijke gedeelte van het land.

Binnenkort vertel ik over wat ik de voorbije maanden heb gedaan. Over mijn geluk, mijn ongeluk, mijn ziektes, mijn grote gezondheid, mijn liefde en mijn verdriet. Nu moet dit even volstaan. Het is te warm voor veel woorden.