FACEBOOK EN HET VRIENDSDSCHAPSVERZOEK VAN EEN CONSERVATIEVE AMERIKAAN

big electric chair

Dit is een waar verhaal.

Ik krijg al wel eens een vriendschapsverzoek op facebook. Soms zijn dat eenzame mensen zoals ik, of erger. Dat zijn bijna altijd individuen die ten minste gedeeltelijk dezelfde muzikale, cinematische en literaire voorkeuren hebben als ik: Paul Auster, Fernando Pessoa, Borges, Murakami, Townes Van Zandt, Bob Dylan, Hope Sandoval, Bunuel, Jean Vigo… Mijn lijst is bekend. Vaak echter zijn deze vriendschapsverzoekers rare snuiters waarvan ik me niet kan voorstellen waarom ze mij selecteren uit meer dan een miljoen facebookgebruikers, ik die beroemd noch bekend ben, zeker niet in Burkina Faso of Bangladesh. Ik noem de eerste twee landen die in mijn hoofd opkomen. Het is niet zo dat ik andere landen wil discrimineren.

Vandaag had ik een vriendschapsverzoek van een New Yorker. Ik ging eens kijken op zijn facebook. Ik las dat hij ondermeer graag wandelt, 8 mijl per dag, dat hij van’ 42 Absolute SUMMER Classic Tracks’ houdt, van Anne Murray, van Britney Spears, van Bob Dylan, van Enrique Iglesias en van The Yitzchak Helevi Band. Ik kies hier toevallig ook maar enkele namen uit wellicht duizenden. De New Yorker heeft een voorkeur voor alle stijlen, maten en gewichten. Veel lezen doet hij niet. Hij noemt een viertal titels, waaronder ‘Billy Joel: The Life and Times of an Angry Young Man’ van Hank Bordowitz. Zijn functie is Operations Manager. Ik heb er geen flauw benul van wat dat mag wezen. Dan volgt een opsomming van zijn bekwaamheden, waaronder ‘succesfull leadership abilities’, en allerlei dingen die me aan de rand van een zenuwinzinking brengen.

Vervolgens ontdek ik dat hij een conservatief is en voorstander van de doodstraf. Ik stuur hem een bericht waarin ik een aantal vragen stel: vind je dat de regering-Bush Jr. op acht jaar tijd iets goeds heeft gedaan, vind je dat de oorlog in Irak een goede zaak is, denk je dat McCain een goede president zal zijn. Ik vermeld meteen ook dat ik links en progressief ben. Hij beantwoordt mijn concrete vragen niet, maar vindt dat mensen die van verschillende sportclubs houden toch met elkaar bevriend kunnen zijn. Sportclubs! Ik antwoord dat wereldpolitiek geen sport is. Bush jr. en zijn trawanten hebben duizenden burgers in Irak en elders laten vermoorden. Ze hebben de Amerikaanse economie ontwricht en het welzijn van honderden duizenden Amerikanen in het gedrang gebracht. Ze hebben alleen maar aan hun eigen macht, aan hun eigen belangen gedacht. Ze hebben gefolterd en mensen van hun vrijheid beroofd.

De New Yorker stuurt me daarop een clipje en vraagt of ik dat toch even wil bekijken. Het betreft een Amerikaanse soldaat die een les opzegt: hoe goed president Bush zijn werk doet, hoeveel beter het nu gaat in Irak, blah, blah, blah. Hij heeft het vooral over vrijheid en de prijs die daarvoor moet worden betaald.

Ik schrijf een nieuw bericht waarin ik zeg dat de soldaat een lesje opzegt, wat overduidelijk is. Dat de regering-Bush terreur heeft gezaaid in plaats van vrijheid te brengen. Dat zij de vrijheid van haar eigen bevolking heeft uitgehold, dat zij heeft gelogen, bedrogen en gefolterd, dat zij cynisme, brutaliteit en wreedheid in de politiek heeft ingevoerd.

De New Yorker antwoordt me dat een aantal van mijn argumenten wellicht juist zijn. Hij stemt niet altijd republikeins, zegt hij. Als Hillary presidentskandidate zou zijn, zou ik voor haar stemmen, zij beschikt over staatsmanschap, zegt hij. Maar McCain is een veel betere kandidaat voor het presidentschap dan Barack Obama, voegt hij er nog aan toe, in navolging van de ‘soldaat’ in het clipje, dat ik hieronder met schroom en afgrijzen inlas. Wees gewaarschuwd: je hebt nog nooit zo slecht zien acteren en nog nooit zulke pertinente leugens horen vertellen.

Twee vragen: kan ik met deze New Yorker ‘bevriend’ zijn, ook al is het maar op facebook? Vrees je ook niet dat McCain de volgende president van de Verenigde Staten wordt? Wellicht zijn het retorische vragen.

Deze clip is een illustratie voor de leugens van het militarisme en het globaal kapitalisme van de neo-conservatieven. Lang blijft het hier niet staan. Enjoy!

Ω

Afbeelding: Big Electric Chair, Andy Warhol

SCHRIJVEN OVER MUZIEK

muziekgeschiedenis,pop,rock,popcultuur,jeugd,tijd,herinnering,ervaring,afstand,autobiografie,sixties,elvis presley,bob dylan,jimi hendrix,the rolling stones,the who,emoties,gevoelens
Rockin’ Presley EP. De eerste rock & roll plaat die bij ons thuis binnenkwam.

Misschien vinden sommige lezers van mijn weblog dat ik het nogal vaak heb over muziek uit het nabije en minder nabije verleden. Dat is inderdaad het geval. Maar ik heb daar een aantal redenen voor. Tijd, geheugen en herinnering zijn voor mij belangrijke begrippen om het leven en de wereld te begrijpen en te aanvaarden (en in sommige gevallen te verwerpen). Veel van wat ik schrijf gaat over het verleden, niet alleen als ik het over muziek heb.

Wat nu muziek betreft is mijn begaan zijn met de tijd, het verleden, de (auto)biografie niet de enige verklaring waarom ik veel minder aandacht schijn te hebben voor wat hedendaags is.

Een eerste element is dat ik meer vertrouwd ben  met oudere muziek, vooral met de periode 1960-1975, hoewel ik nadien natuurlijk ook ben blijven luisteren. Als je een goed radioprogramma wilt maken is dat essentieel:  je moet zoveel mogelijk muziek beluisteren, oude en nieuwe, bekende en onbekende.
Doordat ik meer vertrouwd ben met die ‘oudere’ muziek kan ik er meer van op een afstand over schrijven. Maar ik wil desondanks niet koel en objectief berichten. Muziek hangt samen met herinneringen, emoties, gevoelens. Bepaalde melodietjes kunnen een herinnering plots weer levendig voor de geest roepen. Op zulke momenten – als ik een lied hoor – kan ik terugkeren naar bepaalde plaatsen en gebeurtenissen in mijn leven, of het leven van mijn generatiegenoten beter begrijpen.

Songs en elpees hebben een leven geleid in mijn bestaan, zijn verhalen geworden, of op zijn minst onderdelen van verhalen. Sommige songs en elpees hebben de status van mythe gekregen, in zekere zin aan tijd en geschiedenis onttrokken. Ik heb er iets over te vertellen omdat ik er intens mee bezig ben geweest en ben. Sinds mijn zesde jaar (1956) is er denk ik geen dag voorbijgegaan zonder een of ander lied.

Ik schrijf ook liever over muziek uit het (nabije) verleden omdat ik denk dat de lezer meer heeft aan een verhaal uit de eerste hand, dan het te moeten vernemen van iemand die er zelf alleen maar heeft over horen vertellen. In dat opzicht beschouw ik mezelf als een bevoorrechte getuige, waar ik overigens geen enkele verdienste aan heb. Geheel toevallig ben ik in 1950 geboren, werd ik in 1956 uit mijn kinderslaap gehaald door Elvis Presleys ‘Don’t Be Cruel’, ontwaakte ik een tweede keer in zaligheid in 1964 met ‘She Loves You’ en ‘Twist and Shout’ van the Beatles, en ‘Tell Me’ en ‘Not Fade Away’ van the Rolling Stones, en werd ik definitief ingewijd in de nieuwe jonge wereld in 1965 met Bob Dylans ‘Like a Rolling Stone’, ‘My Generation’ van The Who en een jaar later met Jimi Hendrix’ ‘Hey Joe’.

Voor nieuwe releases zijn er overigens massa’s andere bronnen: tijdschriften als Uncut, Mojo, Wire, les Unrockuptibles,  kranten, vakbladen, en zeker ook de honderden soms uitstekende muziekblogs. Wat me niet belet om af en toe ook mijn zeg te doen over wat deze tijd voortbrengt. Maar je weet het, rock and roll never forgets!

MUZIEK: JE MOET ZELF MAAR KIEZEN WAT JE MOOI VINDT

De website Last-fm laat mij elke week zien welke mijn favoriete muzikanten, elpees en songs zijn. Het is is een soort van alternatief marktonderzoek van mijn ‘onbewuste’ muziekkeuze. Maar houd ik echt zoveel van Vashti Bunyan? Helemaal niet. Ik zou zelfs niet één titel van een lied van deze zangeres kunnen noemen. Dat noemen van titels en namen wordt trouwens hoe langer hoe moeilijker. Think! Maar ik weet weliswaar dat ik van the Rolling Stones, Bob Dylan, the Who, Fairport Convention, Hank Williams en Aretha Franklin nog altijd zonder nadenken tientallen titels zou kunnen noemen.

Ik zit nu na te denken over een bewuste en noodzakelijke – noodlottige – lijst van favoriete platen in plaats van een onbewuste en toevallige. Maar het hangt toch altijd allemaal af van het moment, van het seizoen, van de stand van de sterren en de maan, van de armen van je geliefde en van de inhoud van je glas. Niets is definitief. (Zelfs god is ooit gestorven. Niemand schijnt daar nog wakker van te liggen, maar in de 19de eeuw was dat pagina één-nieuws. Nu hebben we Tom Boonen en Bush.)

Daarnet hoorde ik Shine van Daniel Lanois. Ik kreeg er geen kippenvel van, maar volgende week behoort Lanois wellicht bij mijn select clubje. Te mooi om waar te zijn. Wat me wel tot tranen toe ontroerde vanavond was Innocent When You Dream van Tom Waits, zoals het lied ‘gebruikt’ wordt in Wayne Wangs en Paul Austers morele fabel Smoke. Te waar om mooi te zijn. Tom Waits? Ja. Wayne Wang? Ja. Paul Auster? Ja. Met deze lofbetuiging en deze droom zeg ik u tot ziens, mesdames et messieurs.

OPEN DE RAMEN!

beckman vis

Waar komt de behoefte vandaan om je leven prijs te geven aan ‘onbekenden’? Om anderen deelgenoot te maken van je voorkeur voor bepaalde songs of boeken? Vind je dan dat je ideeën beter zijn dan die van jan en alleman? Dat je een goede smaak hebt? Bestaat zoiets als goede smaak? Iemand die van Cat Power houdt heeft in jouw ogen goede smaak, en iemand die een zwak heeft voor Dana Winner – de naam alleen al! – zou dan slechte smaak hebben. Maar weer anderen, die diep ontroerd worden door de cellosuites van Bach of door de late strijkkwartetten van Beethoven, vinden mijn gedweep met countrymuziek wellicht van een zeer laag niveau getuigen. Om nog maar te zwijgen over Elvis. ‘From Elvis in Memphis’, de beste langspeelplaat aller tijden! Jongens, toch, die vulgaire truckdriver uit Tupelo, geboren in een schuur uit zwerfhout opgetrokken… Om mij te verdedigen noem ik die schone zielen – die ik me nu even inbeeld, want ik weet niet of ze werkelijk bestaan – dan pseudo-intellectuelen. Dat ‘pseudo’ is zeer belangrijk. Ik kan het namelijk niet hebben dat de spot wordt gedreven met ‘echte’ intellectuelen. Mensen die dat doen zijn uit hetzelfde hout gesneden als antisemieten en andere ordinaire racisten. Ik noem mijn imaginaire opponenten daarom ‘pseudo-intellectuelen’. En dan is de zaak afgehandeld: zij mogen van mij denken wat ze willen.

Je zal aan mijn redeneren wel merken dat ik moe ben en stilaan wegzink in waanideeën en paranoia. Dat ik ten prooi val aan associatief denken. Dat laatste vind ik niet erg. Ik heb altijd associatief gedacht en geschreven, maar wel beheerst, onder controle, ordelijk. Nu dreigt die orde van het denken te verdwijnen. Gelukkig is er nog de orde van de taal, van de syntaxis. Mijn woorden ontsporen nog niet, geloof ik. Ja, mijn hoogdravend credo van een paar dagen geleden, dat moet ik er nog eens op nalezen.

Die behoefte, die ik hierboven ter sprake bracht, komt zeer waarschijnlijk voort uit het verlangen om geliefd te worden. Je bent schuchter, in jezelf gekeerd, maar wilt toch in de belangstelling staan. Je wilt een plaats ‘veroveren’ in het hart van de duisternis. Je verlangt ernaar dat anderen je graag zien, onder meer door je graag te lezen. Je bent zoals iedereen, maar toch anders. Een echte ‘outsider’, maar tegelijk ook een ‘insider’.
Het voorbije jaar ging je die aandacht ver zoeken. Je verwaarloosde je omgeving, je vrienden, wat nog overblijft van je familie. De liefde voor het verre nam op haast overweldigende wijze bezit van je. Je overschreed talloze grenzen. Je werd een barbaar in je eigen gemeenschap. Maar je weet dat je op een dag zal terugkeren naar de jouwen met zakken vol goud en robijnen van over de grenzen. Je weet bovendien dat op een dag die grenzen zullen verdwijnen. Gemeenschappen zullen in grillige en snel wijzigende vormen over de wereld rondzwerven, nu eens hier opduikend, dan weer daar, en niemand zal hun namen kennen, want zij zullen vele namen hebben. Tot welke gemeenschap zul jij dan behoren? Er zijn miljoenen kleuren en vormen. Laat ze met elkaar versmelten in nieuwe woorden!

Reproductie: Max Beckmann, reis op de vis.

PORTRET VAN DE KUNSTENAAR ALS POSEUR (INTERVIEW 1982)

westerns,regisseurs,pop,popcultuur,reizen,radio,schrijven,muziek,boeken,1982,antwerpen,dansen,films,interview,martin pulaski
Nicolas de Staël

Wegens ziekte, zielszwakte en een hoofd dat naar het oorkussen van de duivel snakt, is deze winkel toe. Om mijn geliefde klanten toch niet met lege handen naar huis te moeten sturen en hen op die manier met de zinloosheid van het bestaan te confronteren, bied ik hen een oud artikel aan, teruggevonden in stoffige, nog net niet weggeknaagde archieven. Het gaat om een interview met mezelf, Martin Pulaski, uit het jaar 1982. Ik ben nog jong en naïef; elke zaterdag ga ik dansen vanaf middernacht tot de dag aanbreekt. Ik wandel langs de Scheldekaaien of in de buurt van de Entrepot en de oude dokken. Mijn dieet bestaat uit films, letteren, muziek, liefde, toevallige ontmoetingen en aardappelen met uien. Af en toe doorgespoeld met een glas Nuits-Saints-Georges of Old Granddad Kentucky Bourbon. Ik begin met een muziekprogramma op radio centraal, een lokale zogenaamd anarchistische cultuurradio in Antwerpen. De verschrikkelijke Reagan is net president en the right honourable Margaret Thatcher, wellicht de meest gehate vrouw aller tijden, is ook nog maar net begonnen aan haar carrière als voorgangster van Tony Blair. Om maar een idee te geven. Foto’s uit die periode vind je hier. Je zal wel even moeten zoeken. Het vreemde is dat ik geen woord aan dat verdomde interview moet veranderen. Dat ik alles wat ik toen beweerde en vereerde nog steeds beweer en vereer. Wat zegt dit over mezelf? Ben ik stil blijven staan of heeft datgene waar ik van hield een soort van eeuwigheidswaarde? Neen, ik geloof niet dat ik stil ben blijven staan. Het zal eerde dat laatste zijn, hoewel ‘eeuwigheidswaarde’ relatief is, ‘sub specie aeternitatis’. Er zijn sinds 1982 natuurlijk nieuwe mensen, nieuwe dingen in mijn leven gekomen. Ik weet minder maar ook meer, minder omdat mijn zintuiglijkheid is afgenomen, meer omdat ik grondig heb geleefd. Ik heb vooral veel meer van de wereld gezien. Meer commentaar zal ik niet geven. Dit is het intverwiew:

Wat is je favoriete kleur ?

Rood. Geel vind ik ook mooi, maar die kleur associeer ik te zeer met waanzin. Denk maar aan Van Goghs geel. Ook oker is een bijzondere kleur. En het blauw van Yves Klein.

Welk gerecht vind je het lekkerst ?

Een Italiaans gerecht: Osso Bucco. Mijn geliefde kan het heerlijk toebereiden. Spaghetti kan heerlijk smaken, maar lang niet altijd. Mosselen met friet. De Franse keuken is meer iets voor de Fransen, en voor mensen die alles ‘excellent’ vinden wat van bij de Fransen komt. Met hun stokbroden en hun roomsauzen en hun foie gras! Ik heb trouwens iets tegen Camembert. Hoe kun je zo’n onwelriekend goedje eten ?

Hou je van dieren ?

Ja, maar alleen als ze vrij zijn in de natuur of wat daar nog voor doorgaat. Voor huisdieren ben ik allergisch: voor katten, honden en vooral voor duiven. Duif met druiven is overigens een lekker gerecht. Misschien ben ik wel allergisch voor olifanten, maar daar kan ik geen uitsluitsel over geven. De interessantste dieren vind ik de reptielen en de dieren in de fabels. Lees er Ramon Llulls ‘Libre de meravelles’ uit 1288 maar eens op na.

Hou je van reizen ?

Ik doe niets liever. Helaas zit ik meestal thuis. Om te reizen heb je namelijk geld nodig en dat heb ik niet. Dus reis ik maar in mijn dagdromen (en in mijn nachtdromen). Soms troost ik mij ook wel wat met het opsommen van alle ongemakken die aan het reizen verbonden zijn. Dat zal ik nu niet doen. Wel wil ik nog even de namen van mijn favoriete reizigers vermelden: Des Esseintes en Raymond Roussel.

Ga je graag naar de bioscoop ?

Film is mijn eerste liefde. Ik zou elke dag in het donker van de cinema kunnen doorbrengen.

Heb je een voorkeur voor bepaalde regisseurs of voor een bepaald genre ?

Als genre gaat mijn voorkeur naar de western. Het is de enige mythe die overblijft in onze westerse maatschappij. De mythische personages uit de westerns zijn voor mij belangrijker dan Griekse helden als Perseus of Medea. De westerns van John Ford zijn de beste, met name ‘The Searchers’ is een meesterwerk. Maar die van Anthony Mann mogen er ook zijn (‘Man of the West’, ‘The Tin Star’). Een schitterende western is ‘Shane’, van George Stevens, met Brandon DeWilde en Alan Ladd. Alan Ladd was trouwens de grote held uit mijn kinderjaren. Nu blijkt dat hij een hele kleine man was, die altijd op hoge hakken liep, maar dat kreeg je gelukkig niet te zien in zijn films.Ik ben al even verslingerd aan gangsterfilms, of ‘films noirs’ of hoe je ze ook wilt noemen. Een goed voorbeeld daarvan is ‘White Heat’ van Raoul Walsh, met James Cagney: “I’m on top of the world, ma”, het Oedipuscomplex ten top gedreven. Nicholas Rays ‘They Live By Night’ is een schitterende film. Er zijn natuurlijke uitstekende Franse ‘films noirs’ gemaakt, onder meer ‘Touchez pas au Grisbi’ van Jacques Becker. Om te weten wat die ‘grisbi’ is moet je de film hebben gezien of een Franse gangster uit de jaren 50 zijn. Ik ga dat nu niet verklappen. Verder is ‘Du rififi chez les hommes’ van Jules Dassin zeker nog het vermelden waard. En de films van Jean-Piere Melville natuurlijk, ‘Le doulos’, ‘Le Samouraï’.
Mijn favoriete regisseurs zijn overigens Fransen: Jacques Rivette, Jean Renoir, Marcel Carné, en vooral Jean-François Adam (die vreselijk morbide films heeft gemaakt) en Jean Eustache. Ze heten bijna allemaal Jean. De laatste twee hebben zelfmoord gepleegd. Wij leven in een wrede wereld.Een aantal films buiten categorie moeten hier zeker genoemd worden:

‘Badlands’ van Terence Malick, ‘North By Northwest’ van Hitchcock, ‘Vampyr’ van Dreyer, ‘La chute de la maison Usher’ van Epstein, ‘Don’t Look Now’ van Nicholas Roeg, ‘El Angel Exterminador’ van Buñuel, ‘Taxi Driver’ van Martin Scorsese. De beste zal ik nu wel vergeten zijn. Ach ja, natuurlijk: zowat alle films van Fassbinder, Wim Wenders, Pier Paolo Pasolini en Bernardo Bertolucci.
Mijn favoriete actrices zijn op dit ogenblik Delphine Seyrig, Jeanne Moreau, Juliet Berto en Angie Dickinson. Acteurs: Ernest Borgnine, Karl Malden, Jean-Pierre Léaud, Marlon Brando en Richard Burton. Met uitzondering van Jean-Pierre Léaud hebben ze stuk voor stuk in abominabele films gespeeld. En een acteur die ik eigenlijk verafschuw, Jean Gabin, heeft in meesterwerken als ‘Le jour se lève’ gespeeld. Je kunt je daar dus niet op baseren bij het beoordelen van een film. Je moet een film ook niet beoordelen. Je moet hem ondergaan. Je moet ervan genieten. Critici en recensenten kunnen we missen als kiespijn.

Word je bij het schrijven beïnvloed door film?

Ik denk het wel. Onbewust zeker wel. In mijn proza wordt nogal eens verwezen naar bepaalde films, of bepaalde scènes en beelden uit films. Sommige van mijn gedichten vinden hun oorsprong in een film. In een sterk beeld van Nicholas Roeg bijvoorbeeld.

Naar welke muziek gaat je voorkeur ?

Ik houd van pop. Maar wat bedoel ik daar mee? ‘Pure pop for now people’ zegt Nick Lowe met enige ironie. Pop komt zoals iedereen weet van populair. Het is dus een zeer breed genre. Soms wordt een onderscheid gemaakt tussen rock en pop. Pop is voor zulke mensen dan het lichtere genre: Sandie Shaw, Cliff Richard, Bonie M, Blondie. Ik maak dat onderscheid niet. Rock is een onderdeel van de populaire muziek. Blues, rhythm & blues, soul, country & western, bluegrass, folk en zelfs jazz horen daar ook bij. Je zou bepaalde klassieke composities al net zo goed pop kunnen noemen, mazurkas en polonaises van Chopin, Gymnopédies van Erik Satie en zo. Een levend bewijs voor mijn theorie is James Osterberg. Zijn ‘artiestennaam’ is niet Iggy Rock maar Iggy Pop. Toch maakt hij allesbehalve popmuziek in de enge betekenis.Elvis Presley zal wel altijd mijn held blijven, hoezeer ik ook tegen heldenverering ben gekant. Elvis is
eigenlijk ook een mythische held, zoals Shane in de gelijknamige film. Waarom zou ik me daar tegen verzetten? Die man (of die mythe) legt niemand iets in de weg. Bedriegers en leefhoofden als Ronald Reagan, Margaret Thatcher of Guy Verhofstadt, met hun politiek voor de twee procent rijken van de wereld, de woekeraars en vampiers die ons bloed uitzuigen, en vooral het bloed van degenen die in de ‘ontwikkelingslanden’ overleven, dat zijn de vijanden van de samenleving. En de smeerlappen die achter de schermen werken, van wie we de namen niet kennen maar die het volk onderdrukken en die niet terugschrikken voor foltering en moord, allemaal voor macht en bezit. Dat zijn de ware vijanden. Niet Elvis Presley en ook niet Tom Jones, Will Tura of Anneke Grönloh.
De eerste singles van The Who waren fantastisch: ‘Anyway, Anyhow, Anywhere’, ‘My Generation’, ‘Substitute’. The Kinks met ‘Waterloo Sunset’. Zowat alles van Bob Dylan. The Velvet Underground was uniek: Lou Reed, John Cale, Sterling Morrison, Maureen Tucker en Nico. Grote persoonlijkheden (Sterling en Moe iets minder groot); een unieke sound, die nooit zal overtroffen worden. Van Captain Beefheart kan hetzelfde worden gezegd. Hij is een van de weinige genieën in de popmuziek. Hij heeft nooit ergens rekening mee gehouden, met geen enkele mode of trend. Van de zogenaamd zwarte muziek wil ik Aretha Franklin noemen, Irma Thomas, Howlin’ Wolf, Muddy Waters en Jimmie Reed.
Hank Williams, George Jones en Tammy Wynette bewonder ik zeer. Je mag niet bewonderen, zegt Sartre. Waarom zou ik niet mogen bewonderen? Sartre is zot. Nu vind ik the Fall erg goed, Public Image Ltd., Talking Heads, Pere Ubu, the Buzzcocks, the Jam, Joy Division, Lydia Lunch.

westerns,regisseurs,pop,popcultuur,reizen,radio,schrijven,muziek,boeken,1982,antwerpen,dansen,films,interview,martin pulaski
Lydia Lunch

Je mag het tegenwoordig niet luidop zeggen, want dan ben je een ‘ouwe hippie’, maar de jaren ’60 waren het nirvana van de popmuziek: Jimi Hendrix Experience, The Byrds, Love, Buffalo Springfield, Moby Grape, Pink Floyd, Beach Boys. Het was het decennium van de popgroep. Heel wat minder bekende groepen hebben toen prachtige singles en LP’s gemaakt. En natuurlijk had je toen ook de Phil Spector Sound, Motown en Stax. The Beatles en The Rolling Stones.
In de jaren ’50 had je de unieke Sun Sound van Sam Phillips: Elvis, Carl Perkins, Jerry Lee Lewis, Charlie Rich, Johnny Cash en Roy Orbison. Maar ook Howlin’ Wolf, Little Junior Parker en Rufus Thomas namen platen op in de Sun-studio in Memphis. Dat is nog altijd allemaal even schitterend. Ray Charles mag ik ook niet vergeten. Ik moet toegeven dat ik soms zelfs plaatjes draai van Gene Vincent, Ricky Nelson en Del Shannon. Over Connie Francis zal ik maar zwijgen.
Ben jij eigenlijk wel geïnteresseerd in Schone Kunsten !

Dat is onzin, die benaming. Maar je bedoelt het waarschijnlijk ironisch, niet? We hebben in ieder geval niet voldoende tijd om hier te gaan definiëren wat kunst is. Overigens, kun je dat wel definiëren? “All art is quite useless” zei Oscar Wilde. Ik ben het daar volkomen mee eens. Hoe nuttelozer, hoe beter. Ik houd het meest van schilderkunst. Beeldhouwkunst zegt mij niet zo veel. Op dit moment bewonder ik Rothko (kleuren!), Nicolas de Staël, Francis Bacon, Richard Hamilton, Edward Kienholz. De grootste schilder vind ik Max Beckmann. Uiteraard mag ik de Oude Helden niet vergeten: Van Eyck, Velazquez, Rembrandt, Giotto, en het hoogtepunt van de renaissance schilderkunst: Tintoretto. Als je tijd hebt moet je in Verona, nadat je dag hebt gezegd tegen Romeo en Julia, eens naar zijn ‘Musicerende Engelen’ gaan kijken.

We hebben het nog niet over de letteren gehad…

Neen. En misschien is het heel wijs om daarover maar te zwijgen. Wat kun je zeggen over de literatuur? Het staat allemaal in de boeken. In die moeilijke werkjes van Philippe Sollers, Octavio Paz, Jacques Derrida, Jean-François Lyotard. Doorgaans zijn het Fransen die zich daarmee bezighouden. Die hebben mijn hoofd goed op hol gebracht, die mannen! Bij uitzondering vertoeft er wel eens een dame in hun midden. Julia Kristeva, bijvoorbeeld. Die is zelfs knap. Enfin, het staat allemaal in hun boekjes. Wat kun je daar nog aan toevoegen, zoals ik al zei.
De meeste schrijvers zijn aanstellers, leugenaars, would-be-mediafiguren. De meesten kunnen niet eens schrijven. Of ze hebben niets te vertellen. Zo van die leraar-schrijvers in wier leven niets is gebeurd, tenzij dat ene slippertje en dat glaasje teveel op een feestje of dat reisje naar Egypte met de flauwte bij de piramiden. Ik denk dat zij negen kansen op tien niet aangetast zijn door het virus, dat ze die doorn niet in het vlees hebben zitten, dat zij niet bezeten zijn. Dat moet niet, neen, maar ik vind het wel belangrijk. Het heilige vuur, werd dat vroeger genoemd. Maar dat ‘heilige’ mag er wel af. Ja, laat dat er maar af. Dat heilige. Je moet je spraakkunst kennen. Je moet wat woorden kennen. Je moet al eens een keer over iets nadenken. Je moet al eens in een ziekenhuis zijn geweest. Je moet al eens gevochten hebben. Je moet de zee hebben gezien. Al eens een keer een museum binnenstappen, met een kunstenaar praten, een film of een toneelstuk gaan zien. Een concert bijwonen. Al eens van gedacht veranderen. Een pakje sigaretten gaan kopen en pas twee jaar later terugkeren. Dat laatste is niet echt noodzakelijk. Zeker niet als je niet rookt. De dingen eens van een andere kant bekijken.
Een gekunstelde woordenschat en een doorwrocht verhaal zijn bijkomstig, het verlangen en de bezetenheid zijn essentieel. Dat impliceert uiteraard dat je bloed uitzweet en tranen laat als je een tekst maakt. Je schudt die niet zomaar uit je mouw.
Nu moet je vooral niet denken dat ik niet van schrijvers of van boeken houd. Ik houd van William Blake, August Strindberg, Percy Shelley, Marcel Proust, Rober Musil, Arthur Schnitzler, Herman Gorter, Nicolaj Gogol, Gustave Flaubert, Stendhal, James Joyce (zij het met een half hart en Finnegans Wake heb ik meteen in het rek gezet, dat is gekkenwerk), Franz Kafka, Heinrich Von Kleist, Friedrich Hölderlin, Friedrich Nietzsche, Antonin Artaud, Walt Whitman, Lautréamont, Carson McCullers, Arthur Rimbaud, Céline, Thomas Mann (hoewel), T.S. Eliot, Gerrit Achterberg, Lucebert, Martinus Nijhoff, Hendrik Marsman. Van tientallen anderen. Van mijn vrienden die schrijven (of schilderen of iets anders doen dat waardevol is).

Waarom schrijf je ?

Als ik dat eens wist. Ik schrijf omdat ik schrijven moet. Dat is één. En ik schrijf om sommige dingen die al gezegd zijn nogmaals te benadrukken. Ik heb er plezier in iets te zeggen dat ooit al is gezegd. Maar dan nog eens een keer. Dan horen de mensen het opnieuw, of liever, dan lezen ze het opnieuw. Dan gaat wat ik waardevol vind niet zo vlug verloren. Dat is twee. Ja, ik geloof dat ik vrij behoudsgezind ben. Maar dat moet je uiteraard niet politiek interpreteren. Meer kan ik er nu niet over zeggen. ’t Moest kort blijven. Mijn tijd zit erop. Ik moet nog een hemd gaan kopen.

Tot daar het interview met mezelf uit 1982. Veel heeft het allemaal niet om het lijf, sub specie aeternitatis.