WAT BETEKENT HOOCHIEKOOCHIE?

le-mepris

Het woord ‘hooch’ is slang – of bargoens, nu je toch aandringt – voor sterke alcohol, ‘strong liquor’ zeggen de Amerikanen, meer bepaald als het spul van inferieure kwaliteit is of illegaal gestookt werd. De uitdrukking komt nogal veel voor in oude gangsterfilms en meer nog in de blues. ‘Coochie’ verwijst naar de vrouwelijke genitaliën. Voor de naam van mijn weblog heb ik van de C een K gemaakt, hoochieKoochie, niet omdat ik meer van de K dan van C houd, want het tegendeel is het geval, maar om vooral niet de indruk te geven dat mijn blog een creatie is voor bluespuristen. De K moet monomanen en volbloed ‘hoochie coochie men’ op een dwaalspoor zetten, of zelfs verhinderen dat ze me vinden. Ze zullen de uitdrukking nooit met een K spellen, geen sprake van. Voor Amerikanen, en zeker voor zwarte Amerikanen, heeft de K nogal negatieve connotaties, in zoverre een letter connotaties kan hebben. Als ik naar de KKK verwijs, wordt echter alles duidelijk. Het was bij het opstarten van mijn blog uiteraard niet mijn bedoeling dat mijn K naar die diabolische organisatie zou verwijzen. Als ‘coochie’ een benaming is van het vrouwelijke geslachtsorgaan, dan kan mijn K alleen maar naar het woord ‘kut’ verwijzen, hoe lelijk ik dat woord ook vind (wat ik hier al meermaals ter sprake heb gebracht, dacht ik).

Ik wil vooral benadrukken dat mannen en vrouwen van om het even welke kleur hier welkom zijn, alleen heb ik een aversie tegen – vooral blanke – door blues geobsedeerde puristen, degenen die bijvoorbeeld weten op welke dag Blind Lemon Jefferson ‘Matchbox Blues’ opnam.

‘Hoochiekoochie’ of ‘hoochie coochie’ houdt tevens verband met voodoo en in het bijzonder met de voodoo ‘priesters’ en ‘predikers’, en dat kunnen zowel mannen als vrouwen zijn. Het fenomeen voodoo staat bekend om zijn ‘voodoo queens’; de beroemdste is Marie Laveaux, begraven op het Lafayette-kerkhof in New Orleans. Of er nog iets van haar stoffelijke resten overblijft is twijfelachtig. De zwarte cultuur is in New Orleans na de orkaan Katrina voor een groot deel uitgeroeid. Blanke mannetjes in de regering-Bush – en bij haar slaafjes in dienst van de federale overheid – willen van de stad een soort van permanente Disneyland-achtige Mardi Gras voor blanke vrouwtjes en mannetjes maken. Alle dagen feest, alle dagen kermis: laat de toeristen maar komen, maar houd ze weg van de echte stad, de stad van dood en verderf. (Ja, ik heb de documentaire van Spike Lee gezien.)

Niets wat betreft ‘hoochiekoochie’ of ‘hoochie coochie’ is echt zeker. Het is een twilight zone van de begrippen. Sommigen beweren dat de twee woorden samen, ‘hoochie coochie’, niets meer of minder betekenen dan het vrouwelijk geslachtsorgaan. Drank (foezel) komt in deze betekenis niet aan bod. Een ‘hoochie coochie’ is de vagina, de ‘hoochie coochie man’ is degene die erop belust is. Sommige van die mannen willen het liever kort houden en korten het geslacht af tot ‘coochie’, zeker in een gesprek van man tot man.

Een bravere betekenis, in zekere zin, is die van de dans, de ‘hoochie coochie’. Het is alleszins een zeer seksueel beladen en geladen dans. De lichamen worden elastisch, zitten opeens vol dynamiet, elk spoor van gelatenheid verdwijnt als een blokje ijs in een glas Southern Comfort. Er wordt veel met de heupen gewiegd, met de bekkens geschud. Bovendien is elke dans een vorm van voorspel tot de daad, of alvast tot een poging tot de daad, want niet altijd lukt het de ‘hoochie koochie man’ om zich staande te houden, en vooral niet om te ejaculeren, meestal vanwege teveel ‘hooch’, maar vaak eisen ook de jaren hun tol.

Er wordt met stelligheid beweerd dat ‘coochie’ gelijk staat aan ‘cunt’, vagina. Vagina vind ik wel een mooi woord. Het roept bij mij altijd associaties op met Virginia Woolf en vooral met haar zuster, Vanessa. Ik heb daar geen duidelijke verklaring voor. Dat van die vagina wisten we inmiddels al. De ‘hoochie coochie’ doen echter is in deze versie niet zomaar wat schuifelen op de dansvloer, maar is echt de daad begaan. In niet zo lang vervlogen dagen was het datgene waarover niet mocht worden gesproken. En indien er echt niet over gesproken kon worden dan moest er ook niet over gesproken worden. Men kon nog altijd zingen en, tientallen jaren later, schreeuwen en brullen zoals Yoko Ono, John Lennon, John Lydon en Kurt Cobain.

Voilà, beste lezers, zo weet u in welk wespennest u terecht bent gekomen. Maar schrik niet, het is niet alleen een wespennest, het is ook een labyrint – en elk labyrint is aangenaam om in te vertoeven, ook al wil je voor het donker naar huis.

moonshine_old_timey_main

JOHNNY JENKINS / DUANE ALLMAN: TON-TON MACOUTE

Johnny-Jenkins

Mensen die me lang geleden goed of minder goed hebben gekend zeggen bijna allemaal dat ik een hippie was. Zelfs mijn beste vrienden zeggen het. Telkens voel ik me dan min of meer gedwongen om die bewering te ontkennen. Nee, ik ben nooit een hippie geweest. Jawel, zeggen ze dan, een echte hippie. Als ze met ‘hippie’ iemand met lange haren bedoelen, dan klopt het. Maar ik bedoel met ‘hippie’ iets helemaal anders. Mensen die ‘hippie’ werden en worden genoemd gaven alles op en gingen buiten de maatschappij leven. Ze ontkenden alles wat met de gevestigde orde te maken had. Ik heb niets tegen hippies, ik vind dat ze een aantal goede dingen in gang hebben gezet, vooral op ecologisch gebied. Met zulke echte hippiezaken heb ik me nooit ingelaten.  Maar ik heb dit allemaal al eens uit de doeken gedaan, zodat ik het hierbij laat.

Ik wilde het eigenlijk over een elpee van Johnny Jenkins hebben, de unieke verzameling songs die ‘Ton-Ton Macoute’ heet. In mijn zogenaamde hippieperiode was ik een tijdlang een grote fan van Derek& the Dominoes, vooral de dubbelelpee ‘Layla And Other Assorted Love Songs’ (1970) vond ik geweldig, en aanbad ik the Allman Brothers Band, in het bijzonder de gitarist Duane Allman. Via ‘Layla’, waar Duane Allman op meespeelde, was ik bij de blues- en rockband uit Georgia terechtgekomen. In interviews vertelde Eric Clapton wat voor schitterende gitarist Duane Allman wel niet was. Hij speelde op talloze soulplaten, waarvan ik er veel kende, zonder echter te weten wie die funky gitarist was. Na het verschijnen van ‘Layla And Other Assorted Love Songs’, die ik al spoedig voor weinig geld op het Vossenplein aantrof, ging ik op zoek naar alles waar Duane Allman op meespeelde (en wat ik  kon betalen). Daardoor kwam het dat ik op een dag met ‘Ton-Ton Macoute’ naar huis ging (zeker wel drie Allman Brothers stonden op de hoes als sessiemuzikanten vermeld). Op bus 95 naar Watermaal-Bosvoorde, de mooie gemeente waar ik toen woonde, bekeek ik de donkere hoes, met de expressieve foto van Johnny Jenkins. Ik las de titels, de namen van de muzikanten, las de bijna magische naam van het platenlabel, ‘Capricorn’. Het was duidelijk dat de elpee iets met voodoo had. Na de zenuwslopende rit met de bus – aan die ritten kwam nooit een eind, zeker niet als ik nieuwsgierig was naar nieuwe muziek – legde ik de langspeelplaat meteen op mijn Lenco en ging in mijn knusse zelfgemaakte hippiecanapé zitten. Die canapé bestond uit een aantal houten kratten, met een plank op, en daarover een Perzisch tapijt gedrapeerd. Het leek een beetje op de interieurs in de film ‘Performance’ (1968), zij het minder duur en chic. Was mijn toenmalige vrouw ook een hippie? Ze had hennahaar, droeg korte doorzichtige jurkjes en had best een kleine rol kunnen spelen in die paddenstoelenfilm van Donald Cammell en Nicholas Roeg. Ze maakte heerlijke jasmijnthee.

anita pallenberg
Anita Pallenberg in ‘Performance’.

Maar ik had het over Ton-Ton Macoute van Johnny Jenkins… De elpee komt meteen op gang met  ‘I Walk On Guilded Splinters’ van Doctor John the Night Tripper. De originele versie die al buitengewoon indrukwekkend en spooky is, staat op Gris-Gris, het eigenlijk debuut van de goede doctor. Doctor John maakte in de jaren vijftig en begin zestig ook al plaatjes in New Orleans. Onder zijn echte naam, Mac Rebennack bracht hij het gedenkwaardige ‘Storm Warning’ uit en als lid van Morgus and the Ghouls was hij verantwoordelijk voor ‘Morgus the Magnificent’, allebei verschenen op het nu nog weinig bekende Ace-label van Johnny Vincent. Dr. John schreef in samenwerking met Jack Rummel een hilarische autobiografie, getiteld ‘Under A Hoodoo Moon – The Life of the Night Tripper’.

grisgris

Ik kende ‘I Walk On Guilded Splinters’ ook van op weide van Jazz Bilzen in 1969 waar Humble Pie het uitvoerde met de bezwerende achtergrondzang van Marsha Hunt. Ik kende het eveneens van op een feestje voor mijn achttiende verjaardag – maar dat is stof voor een ander verhaal. (Doctor Johns ‘Gris-Gris’ zorgde toen wel voor een natural high, met wat gin gemengd. Een uitstekend cocktail, als je het met mate tot je neemt.)
Deze Johnny Jenkins was echter uit nog veel donkerder voodoo-hout gesneden dan Mac Rebennack, en ik heb het vooral niet over zijn huidskleur, want die speelt geen rol. Dit was muziek van een bezwerende, angstaanjagende schoonheid. Als je je ogen sloot waande je je meteen in de swamps van Louisiana. De dreigende stem van Jenkins, het bezwerende achtergrondgezang van Southern Comfort, de opzwepende drumpartij van Butch Trucks, ook een brother, en de subtiele dobro van Duane Allman. Je zag de bomen met hun stammen in het water staan, overal mos aan de kruinen. In het bruine water dreigden alligators. In kleine, donkere vissersbootjes passeerden cajuns op weg naar een fais-dodo. Exotische vogels zongen en krijsten. De zwarte Indianen dansten in hun veelkleurige uitrusting op Congo Square, tot de zon opkwam… En bij zonsopgang begon de volgende  song, ‘Leaving Trunk’, oorspronkelijk van Sleepy John Estes, maar bekend dank zij de geïnspireerde versie van Taj Mahal, ook een van de grootmeesters van de ‘ontspoorde’ blues. Je opent je ogen en krijgt zin om te dansen, ook al is de tekst niet bepaald opgewekt.

“I went upstairs to pack my leavin’ trunk
I ain’t see no blues, whiskey made me sloppy drunk
I ain’t never seen no whiskey, the blues made me sloppy drunk
I’m going back to Memphis babe, where I’ll have much better luck.”

Het volgende nummer is weer voor de nacht, het gaat immers over blinde vleermuizen en moerasratten. Daarna volgt een weergaloze versie van ‘Rollin’ Stone’, waarbij Jenkins de meester zelf, Muddy Waters, overtreft. Met een glansrol voor Duane Allman op slidegitaar.

Kant twee opent met een typisch New Orleans-nummer, ‘Sick And Tired’, vooral bekend van Fats Domino en Chris Kenner, waarna Jenkins zich ‘Down Along the Cove’ (uit ‘John Wesley Harding’) geheel eigen maakt. ‘Bad News’, is een countrynummer van John D. Loudermilk, vooral bekend in de uitvoering van Johnny Cash en ook op ‘Ton-Ton Macoute’ zeer aanstekelijk. De elpee eindigt enigszins in mineur met John Lee Hookers ‘Dimples’ en nog een voodoo-song, ‘Voodoo in You’. Later heb ik de cd-versie gekocht, waar twee nogal overbodige bonustracks toegevoegd zijn. Voor geen geld van de wereld doe ik mijn vinyl-versie van de hand. De plaat is uitstekend geproduceerd door Johnny Sandlin en Duane Allman: ze klinkt alsof ze morgen nog moet worden gemaakt. Wat ‘Ton-Ton Macoute’ betekent moet je zelf maar opzoeken. Ik raad je ten stelligste aan om daarna ‘I Walked With a Zombie’ van Jacques Tourneur te bekijken, een nogal bizarre maar genadeloos mooie film, die zich in Haïti afspeelt.

duanaallman
Duane Allman

Na aanschaf van ‘Ton-Ton Macoute’ ben ik zoek gegaan naar meer informatie. Johnny Jenkins was in het begin van de jaren zestig de leider van een band die The Pallbearers heette. Otis Redding was hun chauffeur, die af en toe een stukje zong. Johnny Jenkins speelde gitaar op Reddings eerste succesnummer, de emotioneel geladen ballad ‘These Arms Of Mine’. Volgens een aantal publicisten zou Jenkins nogal wat invloed uitgeoefend hebben op de gitaartechniek van Jimi Hendrix. Johnny Jenkins stierf in 2006 in Macon, waar hij geboren was. Macon, Georgia is een gedenkwaardig oord voor de popcultuur: niet alleen de Allman Brothers en de platenbaas van Capricorn Records Phil Walden, maar ook Emmett Miller, Little Richard, Otis Redding en de helft van R.E.M. kwamen of komen uit die stad in het diepe Zuiden.

macon, georgia

 Als toemaatje de tekst van ‘I Washed My Hands in Muddy Waters’, waarin Macon, Georgia wordt vermeld. Ik heb altijd gedacht dat het van Charlie Rich was. Maar ja, wat denk ik niet allemaal. Ik denk zelfs dat ik geen hippie ben geweest… ‘Hipster’ vind ik een beter woord, maar het duidt net zo goed een hokje aan, een term waarmee mensen kunnen ingedeeld worden en van elkaar verwijderd.

I Washed My Hands in Muddy Water
(words & music by Joe Babcock)

I was born in Macon Georgia
They kept my daddy over in Macon jail
He told me if you keep your hands clean
You won’t hear them bloodhounds on your trail

Well I fell in with bad companions
Robbed a man, oh up in Tennessee
They caught me way up in Nashville
They locked me up and threw away the key

I washed my hands in muddy water
Washed my hands, but they didn’t come clean
Tried to do what my daddy told me
But I must have washed my hands in a muddy stream

Well I asked the judge now when’s my time up
He said son, oh you know we won’t forget
If you try just to keep your hands clean
We might just make a good man of you yet

Oh I couldn’t wait to get my time up
I broke out, broke out of Nashville jail
I just crossed the state-line of Georgia
Well I can hear those bloodhounds on my trail

I washed my hands in muddy water
Washed my hands, but they didn’t come clean
Tried to do what my daddy told me
But I must have washed my hands in a muddy stream

Voor de geïnteresseerden: Ton-Ton Macoute van Johnny Jenkins werd in 1997 door PolyGram op cd uitgebracht en dit jaar verscheen de cd op het Acadia-label.