DOOR DE TUIN NAAR DE HEL

odilon redon afdaling in de hel

 

Zaterdagavond keek ik door het raam naar de grote, verwilderde tuin. Het was bijna donker, de bomen en struiken zwiepten in de felle wind.
Er was een gat in de tuinmuur geslagen. In de richting van dat gat, bijna niet meer zichtbaar, zag ik Peter De Roover, Jan Jambon, Bart De Wever en een tweetal naamloze figuranten, zich uit de voeten maken. Ze liepen gebukt, met angstige passen, alsof ze zich schaamden. Bijna al waren ze opgeslokt door het donkerste donker, het grote en ultieme Niets. Nog enkele seconden in de schaduw en dan weg, voor altijd. Dat is het lot van landvernietigers, dacht ik.
Zondagochtend ging ik even poolshoogte nemen. Van de hopelijk voor goed verdwenen vluchtelingen geen spoor. Mogelijk had de felle regen hun voetafdrukken uitgewist. Maar ook het gat in de muur was er niet langer. Goed, dacht ik, dan zijn we veilig, dan kunnen ze niet meer terugkeren. En zeker niet via deze tuin. Nimby!

Afbeelding: Odilon Redon, Afdaling in de hel, 1873.

HOE IS HET ZO VER KUNNEN KOMEN MET DE WERELDGEEST?

272.JPG

Alles oké? Met wij wel, ja, dank je. Maar ik weet niet of iedereen er zo over denkt. Dat is uiteraard onmogelijk. Je weet nooit precies wat anderen over je denken. Maar soms hoor je al eens iets. En soms trek je uit wat je hoort al eens conclusies.

Het komt me voor dat je mij oké vindt zolang ik me maar met muziek bezig houd of me aan je toon in de gedaante van een romantische dromer. Als ik echter een wat politiek getinte uitspraak doe, wat niet vaak gebeurt (en ik denk dat ik dat al jaren bedachtzaam en genuanceerd doe), dan ben ik in jouw ogen, en in die van vele onzichtbare en naamloze anderen, opeens een linkse positivo. Je gaat nog niet zo ver mij erop te wijzen dat ik mijn ‘pilleke’ vergat te nemen, wat eveneens tot de mogelijkheden behoort. Ja, dat is al eerder gebeurd. Maar je noemt mij wel een linkse positivo, een naïeve en wereldvreemde dromer. Kortom, je vindt me dan niet oké.

Het eigenaardige is dat ik mijn vlucht in muziek, literatuur, kunst net een beetje wereldvreemd vind. Dat ik meer van de wereld word als ik op wereldse zaken inga. Niet dat muziek, kunst en literatuur negatieve krachten zijn, integendeel. Maar de kans lijkt me kleiner om de wereld en de realiteit dichter te benaderen via een of andere kunstvorm dan via kritisch denken. Jij echter noemt kritisch denken iets wat linkse positivo’s doen. Een pleidooi houden voor solidariteit en mededogen met ‘de anderen’ betekent voor jou dat ik me laat misleiden. Een pleidooi houden voor begrip voor vluchtelingen is dom. Want die vluchtelingen zijn lang niet allemaal vluchtelingen. Je lijkt te denken dat zij een leger vormen, een veroveringsleger. Binnen de kortste keren hebben ze van onze mooie vredelievende Westerse naties één groot kalifaat gemaakt. Wie zich niet aan de wetten van de sharia  onderwerpt belandt in een concentratiekamp. De plannen voor een islamitische endlösung voor ons, andersdenkenden, liggen al op tafel.  Dat zie ik je zo denken.

Vergeef me, maar dat vind ik nu net wereldvreemd. En stug en gesloten en eigenlijk ronduit onnozel. Het is niet nodig om meer dan drie behoorlijke geschiedenisboeken te lezen om tot dat inzicht te komen. Maar opgelet, inzicht is een typisch kenmerk voor linkse positivo’s.

Laat mij het nog even subjectief bekijken. Ik ben nooit een marxist geweest, noch een marxist-leninist, noch een maoïst. Al beweerde in de vroege dagen van dit blog een zekere Marlon Vanco – wat zou er met die moraalagent gebeurd zijn? – dat ik net wél een maoïst was. Waarom? Hij had op een foto gezien dat er in mijn appartement een poster van Voorzitter Mao aan de muur hing. Begin jaren tachtig, in New Wave Antwerpen. Een Mao die we een strikje hadden omgedaan. Elio Di Rupo moest toen nog aan zijn politieke carrière beginnen. Mijn vriendin en ik, polymorf pervers als we waren, vonden het subversief om voor het portret van de Voorzitter – met een strikje om – naaktfoto’s te maken.  Zo’n maoïst was ik. En links? Links is een hol woord. Een hol woord door uitgeholde mensen gebruikt als scheldwoord, als veroordeling, als een eerste stap in de richting van hun stappenplan voor minder democratie. Ik ben niet links en niet rechts. Een enkeling, dat is wat ik ben. Een enkeling voortdurend op zoek naar een gemeenschap. Een gemeenschap, ja. (Zeg nu niet dat ik niet weet wat een gemeenschap is, dat ik in een ivoren toren verblijf en van die dingen.)

En positief ben ik evenmin. Psychologen zouden mij een negativist, een piekeraar, een hypochonder, een melancholicus noemen. Alleszins ben ik diep pessimistisch. Ik maak me veel zorgen over mezelf, maar ook over jou, en eigenlijk over iedereen die ik ken en zelfs over iedereen die ik niet ken. Hoe is het zover kunnen komen met de wereld, met de mensen, met de wereldgeest?

Maar weet je wat? Ik geloof nog steeds dat het tij kan keren. Jazeker. Er zijn altijd tekens, er zijn altijd opflakkeringen van het goede. Dat zie, voel, hoor ik elke dag. Zelf noem ik me helemaal niets, maar mocht jij me iets willen noemen mag dat een ‘optimistische pessimist’ zijn. Dat ben ik altijd geweest, denk ik. En optimistische pessimisten zijn mij het dierbaarst, al doe ik mijn uiterste best om zoveel mogelijk anderen niet alleen het licht in de ogen te gunnen, maar te aanvaarden en te begrijpen. Of dat voldoende is weet ik niet.

Ω

[Een genuanceerd antwoord op de vraag ‘Alles oké?’ zou zo kunnen luiden: nee, zeker niet. Althans met mij niet. Zolang het met jou niet goed gaat, gaat het met mij ook niet goed.]

TIEN DAGEN DIE MIJN WERELD DEDEN WANKELEN (5)

jean-louis-barrault.jpg

Dag 3: 4 november 2016 (voormiddag)

Als je een halve dag in bed ligt, het hoofd zwaar van teveel drank, kan het lijken alsof er buiten je slaapkamer volstrekt niets gebeurt. Misschien is het ook wel zo, misschien is de wereld en alles wat gebeurt slechts een voorstelling die wij ons maken. Maar ik geloof het niet. Als kind was ik bang voor overstromingen, politieagenten en de Bom. Niets wat ik zelf bedacht joeg me angst aan, alleen wat van buiten naar binnen kwam. Het is daarom best van al je voor de wereld af te sluiten, niets tot je te door te laten dringen, in je verbeelding te leven, naar je eigen muziekje te luisteren. Maar dat is een ijdele, onleefbare droom. In werkelijkheid ben je altijd met alles en iedereen verbonden.

Na deze overwegingen tijdens een laat ontbijt was ik nieuwsgierig geworden naar wat er gisteren en deze voormiddag zoal gebeurd was. Ik herinnerde me een gedicht van Lawrence Ferlinghetti, “The world is a beautiful place”:

“The world is a beautiful place
to be born into
if you don’t mind happiness
not always being
so very much fun
if you don’t mind a touch of hell
now and then
just when everything is fine
because even in heaven
they don’t sing
all the time”

(Maar opgelet, wat hier staat is niet het hele gedicht.)

Hillary Clinton poses with singer Pharrell.jpg

Hillary Clinton poseert met Pharrell Williams in Raleigh, North Carolina.

the blast trail of China27s heavy-lift rocket Lon-.jpg

In Wenchang, op het eiland Hainan in China, wordt een zeer krachtige raket gelanceerd, de Long-Mars 5. Met de lancering van de Long March 5 hoopt China Europa en Amerika in te halen. De Long March 5, waaraan ruim vijftien jaar is gewerkt, is de grootste raket die China ooit heeft afgeschoten en geldt als het vlaggenschip van een nieuwe generatie Chinese raketten. Wereldwijd kent de raket slechts één evenknie: de Amerikaanse Delta IV.

112886273_A woman sits in her damaged apartment on the explosion site on November 4 2016.jpg

Een vrouw in haar appartement na een explosie in een gebouw in Dyarbakir in Turkije. Als ik het goed voorheb is Dyarbakir het centrum van de Koerdische minderheid in Turkije. Mijn vriend J. zal er mij meer over weten te vertellen. Om sentimentele redenen voel ik me verbonden met Turkije, voornamelijk met Istanbul, maar ik weet weinig over het land en ben er nooit geweest. Lang geleden, in het najaar van 1969, wilde mijn broer met mij naar Istanbul rijden om er eindelijk Helena te ontmoeten, maar toen was het voor mij al te laat. Ik had mijn hart in Brussel verloren.

firenze - overstroming.jpg

In 1966 waren er op 4 november grote overstromingen in Venetië en Firenze. Ik herinner me foto’s van mensen die boeken uit bibliotheken redden als waren het drenkelingen. Nu, vijftig jaar later, kan ik me dergelijke vormen van heldhaftigheid niet meer voorstellen. Maar vergeet niet dat je nooit cynisch mag worden. Jan Fabre waarschuwt daar ook voor. Als je cynisch word is het met je menselijkheid gedaan. (Hoewel ik geen bewonderaar ben van Jan Fabre, eerder integendeel, voel ik toch een grote verwantschap met hem. Ik denk dat Jan Fabre degene is die ik wilde worden, maar niet geworden ben. Daar moet ik eens goed over nadenken.)

Ik zie dat ik al op de vlucht ben voor het heden. Maar zal ik aan het verleden meer genoegen beleven? Die overstroming in Florence en Venetië voorspelt alvast niet veel goeds.

ZANGZAAD IN UTOPIA

utopia

Zoals sommige van je vrienden en helden van vroeger, die symbolisch verdronken zijn, zoals de vlinder van Boudewijn De Groot, heb je nu ook wel eens zin om je aan de goede ouderwetse morfine over te geven en in een roes – die je nooit hebt gekend – op een wolk van vergetelheid ver van hier weg te zweven. Naar een land waar zelfs geen goede prinsen heersen, een land waar goden gedichten schrijven zonder er ook maar een ogenblik trots op te zijn. Een groen land, een ijsland. Maar je hebt geen morfine bij de hand en gaat er ook niet naar op zoek. Zo’n land bestaat trouwens niet. Je leeft hier en nu, met in je achterhoofd het verleden en in je voorhoofd de mogelijkheden van de toekomst. Je hebt altijd affiniteit gehad met het begrip ‘het mogelijke’, dat je wellicht voor het eerst bij Ernst Bloch hebt aangetroffen.

Het is waar dat je je dagenlang, soms weken, onttrekt aan de ‘realiteit’ en soelaas zoekt in wijn en muziek – wat natuurlijk ook een realiteit is. Maar nu moet de gemeenschap voorrang krijgen op de eenzaamheid van het individu. De machtigen, de superrijken, tussen de twee en de vijf procent van de mensheid, geloof ik, die denken eeuwig te zullen leven, hebben het in hun hoofd gehaald ons nog veel meer uit te buiten dan ze ooit hebben gedaan. Hun families hebben hele continenten onvruchtbaar en ziek gemaakt, alsof ze de aliens waren van Stephen Hawking. In die uitgeputte streken valt echter niet zoveel meer te rapen. Nu is het ‘oude Europa’ en het ‘Rijk van het Kwaad’ aan de beurt. Portugal, Griekenland, Spanje, Ierland, België, Oost-Europa… Niemand weet waar het ophoudt, en niemand weet heel precies welke wapens de uitbuiters hanteren. Ze hebben de beurzen, de media, het goud. En als het erop aankomt hebben ze ook de wapens en de huurlingen.

Een van hun – met ‘hun’ verwijs ik naar die kleine groep parasieten – wapens is zeker het virus van de verlamming. Ons zover brengen dat we denken dat niets kan worden veranderd, dat er geen mogelijkheden zijn. Dat we hard moeten werken, onze belastingen betalen en naar spektakelfilms uit Hollywood kijken (waarin op cynische wijze onze levens worden nagebootst)… en kort daarna het ziekenhuis, de ziekenhuisbacteriën en het vuur van het crematorium. Niet in de grond: we hebben teveel van hun antidepressiva en antibiotica geslikt en van hun giftig voedsel gegeten, waardoor we de weinige vruchtbare grond die er nog is wel eens zouden kunnen vervuilen met ons dood vlees.

Ik klink somber, maar ik ben niet somber. Omdat ik in het mogelijke geloof. Ik weet dat het een abstract, vaag begrip is. Maar als je erover nadenkt, als je er met je kameraden over praat wordt dat begrip al heel wat begrijpelijker en concreter. Ik bedoel dat we het gesprek en de dialoog nodig hebben om deze georkestreerde, spectaculaire ‘crisis’ te kunnen en durven ontmaskeren… en dat we op die manier met veel inzet en inspanning en verbeelding van de wereld een vruchtbare tuin kunnen maken, waar we met z’n allen onszelf kunnen verwezenlijken. (Ik geloof echter niet in een utopie, in een wereld zonder haat, jaloezie, conflicten, etcetera. Maar gelijkertijd geloof ik wel in een wereld van broeder- en zusterschap, een muzikale wereld.) Een tuin leggen we aan, waar mogelijk mooie vogels zullen zingen. Hun gezang, en dat van onszelf, zal papavervelden en kalasjnikovs overbodig maken. Er zal zangzaad worden geoogst. En we zullen samenwerken en samen plezier maken en het leven leven dat ons toebehoort.

 

JOHNNY CASH EN DE TROOST VAN VREEMDEN

johnny cash,new orleans,barcelona,gevoelens,pop,popcultuur,bbc,sixties,flower power,vietnam,muziek,voelen

De voorbije week is er veel gebeurd, maar bijna allemaal buiten het hoofd en buiten de taal. Moet ik daarover dan zwijgen? Het is niet onzegbaar maar er zijn ook geen woorden voor. Ik vlucht liever weg in het verleden, naar de ellende van de jaren ’60, toen de oorlog in Vietnam woedde en de atoombommen net niet ontploften. Flower Power, noem ik dat soms nog wel eens, in een nostalgische bui. Maar iedereen weet wel beter. Toch hebben jonge mensen vaak de indruk dat in die dagen echt alles goed ging. The Beatles, the Rolling Stones, Bob Dylan, Living Theater, vrije liefde, Henry Miller, Ken Kesey, Twiggy, Mary Quant, Sharon Tate, Easy Rider, noem maar op. De manier waarop we ons kleedden, vooral dat wordt nu bewonderd.

Voor mij persoonlijk was het een betere tijd omdat ik toen jong was en dromen had. Jong zijn is altijd beter. Je voelt je een uitzonderlijk iemand, een held, een genie. Wat later is de droom al voorbij. De spiegel ligt aan scherven. Zeven jaar ongeluk. En dan nog eens zeven jaar. De ellende van de liefde, het huwelijk, het broodverdienen. Geen troost te vinden op temptation islands. Die bullshit stelt immers niets voor. Er is alleen de naakte realiteit en de muziek. Zoals nu Chris Isaak, No I don’t want to fall in love with you. Had ik daar maar eerder naar geluisterd. Maar in die oude dagen van wijn en rozen was er nog geen Chris Isaak, toen was er Barry White! Neen, beter te zwijgen. Er zijn geen goede woorden voor wat ik voel en denken kan ik niet. Ik ga beter in bed liggen wachten op slaap. Stoppen met zelfbeklag.

Ik heb een mooie documentaire over Johnny Cash gezien, opgenomen van BBC. Als ik iets zou kunnen voelen zou ik tot tranen toe bewogen zijn geweest, maar ik kan niets voelen. De laatste keer dat ik iets gevoeld heb, was toen New Orleans bijna verwoest werd door het water. Toen heb ik geweend. In Barcelona voor het gebouw van Ludwig Mies Van der Rohe heb ik niets gevoeld. Alleen muziek soms, ja. De troost van de muziek. En de troost van ‘vreemden’. Sommigen van die ‘vreemden’ worden hierboven bij naam genoemd. Zijn dat nog wel vreemden, als sommigen van hen me elke dag meer dierbaar worden. Als sommigen van hen zelfs gevoelens bij me beginnen op te roepen? Ja, natuurlijk spreek ik mezelf weer tegen. Gevoelens, geen gevoelens. Neen, ik moet stoppen, zoals ik al zei. Onderduiken in het Blue Hotel. Op die troostende vreemden moet ik een andere keer dieper ingaan. Nu gaat het niet. Johnny Cash zit in mijn hoofd, en zijn vrouw June Carter, die hem van de drugs heeft afgeholpen. Van de bennies. En zijn liefhebbende dochter Rosanne zit ook in mijn hoofd. En Rick Rubin, die Johnny Cash een nieuw artistiek leven schonk toen de geldwolven van CBS hem aan de deur zetten. Die man met zijn lange baard zit ook in mijn hoofd. Er zijn goede mensen, zeker, en heel veel zelfs. Maar ik zie ze geloof ik alleen maar op televisie, of ik lees hun namen in de krant, zoals die van Werner Herzog, of hierboven, in mijn erelijstje, dat om de twee weken wat verandert. (De namen die verdwijnen houd ik wel bij!).
Onthouden: een van de volgende dagen moet ik het hebben over wat er de voorbije week is gebeurd en over de troost van vreemden die geen vreemden zijn.