GROTE PLANNEN, TOEKOMSTDROMEN, VERLANGENS

dromen,reizen,plannen,canada,portugal,porto,toronto,belgie,polanski,schoonheid,fassbinder,berlin alexanderplatz,barbara sukowa,robert longo,feist,biberkopf,film,mieze,vrouwen,douro,atom egoyan,joni mitchell

Natuurlijk denk ik nog aan de vele mooie dingen die de wereld heeft te bieden. Maar ik ben in de war, het is moeilijk om alles op een rij te zetten, orde te brengen in de chaos van mijn denken en voelen. Ik zou op dit ogenblik graag mooie volzinnen formuleren, maar dat is me voorlopig niet gegund. Alsof dat een toepassing is, die gewist is. Ik slaap, eet, drink en luister wat naar muziek. ’s Avonds bekijk ik een film, een aflevering van Berlin Alexanderplatz (maar daar zit ik bijna aan het tragische einde, aflevering 13). Het is een vreselijk verhaal, dat me heel vaak woedend maakt. Ik bedoel met ‘vreselijk verhaal’ niet dat het slecht geschreven is of zo, integendeel. Het is vreesaanjagend, het doet je werkelijk pijn. Hoe kan iemand zo blind op zijn noodlot toestappen – ik wil die Franz Biberkopf toeroepen: niet doen, niet doen! Maar dat heeft geen zin, dat weet ik ook wel, ik ben geen kind dat naar een poppenkastvoorstelling zit te kijken. En wat zit ik in met die onschuldige Mieze, met haar roze strikje in haar haren. Wat een fijne actrice ook, Barbara Sukowa. Ze is even oud als ik en woont samen met de kunstenaar Robert Longo. Maar Mieze toch! Biberkopf! Fassbinder heeft ons daar een mooi vergiftigd geschenk gegeven… Dank je, Rainer Werner.

Ik zou graag naar Canada reizen, maar niet nu, volgende zomer. Ik heb er een nichtje, veel ouder dan ik, met een dochter die al volwassen is. Sinds mijn vijfde of zesde jaar heb ik Josephine niet gezien. Toen was ik verliefd op haar, nu zal ze al heel wat rimpels hebben, wat verschroeid zijn van de Canadese zon. In Toronto wil ik ook graag een keer Stephanie Fysh gaan bezoeken, een fascinerende vrouw. Ik denk dat we veel zouden lachen, samen. Ja, Canada. Met een bus door het land rijden en de landschappen aanschouwen die Neil Young bezingt, de landschappen die Atom Egoyan in beeld brengt, het land van Joni Mitchell en the Band.

Net zo graag wil ik naar Porto, maar dat kan al in de lente, dan is het daar al warm. In Porto heb ik mijn hart verloren. Daar langs de Douro wandelen tot waar hij in de oceaan stroomt, en tegen zonsondergang terugkeren naar het centrum, langs de vissers lopen, en langs mannen die eenzaam in hun auto’s naar de zonsondergang zitten te kijken, alsof ze wachten op een mirakel. Mooiere dingen kun je niet doen. En ’s avonds ga je met Cristina naar een bar, ingericht in seventies stijl, en drink je een amêndoa amarga, en een paar glazen koel bier, en je praat over de films van Roman Polanski, die jullie beiden bewonderen. Ik ben gek op Cul de Sac en Repulsion, Cristina bekijkt één keer per week Rosemary’s Baby. We lezen graag, Murakami, Virginia Woolf.

Maar je zou niet in Canada, niet in Porto kunnen blijven. Op een dag zou je je koffers moeten pakken en terugkeren naar dit mooie land België waar je maar niet kunt aarden. Dit onvriendelijke land waar ongeveer iedereen de toekomst schijnt vergeten te zijn en waar het moeilijk is om nog mannen en vrouwen te ontmoeten die grote plannen hebben en grote dromen. Waar hartstochtelijk leven naar het asiel of het kerkhof leidt. Of is dat maar een idee van mij, perceptie, zoals de politici graag zeggen? Ja, het is allemaal perceptie, zeggen zij, en zeggen de journalisten hen na. Die mooipraters, die papegaaien. En op televisie kwist men er lustig op los; bekende Vlamingen, weduwen en wezen, allemaal kwissen ze er lustig op los. En toch is dit een mooi land. Dat zag ik nog op een foto van een eenzame wandelaar. En hier zit ik nu in mijn kamer en luister wat afwezig naar The Reminder van Feist.

DE ANDEREN MAAR NEGEREN?

Artaud-par-Pastier 2

‘Vlaanderen kan zich geen stilstand of achteruitgang veroorloven en moet visionair en ambitieus zijn’, zei Kris Peeters, de minister-president, vandaag in het Vlaams Parlement. Harald Szeemann is helaas al weer een tijdje overleden. Hij heeft alvast met veel verve aangetoond dat België uitgesproken visionair is. Of hij dat ook van Vlaanderen vond, kunnen we hem niet meer vragen. Ik denk dat Szeeman België als een veelzijdig, multicultureel en polyglot land beschouwde. Mijnheer Peeters beweert bovendien dat negentig procent van de Vlamingen tevreden is. Waarom ligt het zelfmoordcijfer hier dan zo hoog, na Finland – waar het bijna altijd donker is – het hoogste van Europa? Of schiet men zich alleen in Wallonië en Brussel een kogel door de kop, terwijl de Vlamingen kermissen, kerken en beurzen bezoeken?

Gisteren tijdens een wandeling zag ik heel wat Belgische driekleuren uit ramen wapperen. Het was nochtans geen nationale feestdag en er was geen koning of prinses gestorven. Ik denk dat de mensen bang zijn voor de ontbinding van het land en dat het door het raam hangen van de vlag een symbool of symptoom van die angst is. Ik ben niet bang voor het uiteenvallen van België. Wat er daarna gebeurt, zullen we wel zien. Niets goeds, vermoed ik: de toekomst heeft zelden goede dingen in het verschiet. Maar met de ontgoochelingen en nare tijdingen die de toekomst brengt ben ik voldoende vertrouwd om er niet langer bang voor te zijn. Wel zou ik het werkelijk oerdom vinden dat men – tegen de wil van de bevolking in – ons vaderland zou splitsen. En natuurlijk het tegendeel van democratisch. Wie ligt daar echter nog van wakker? Al Gore had in de VS destijds de meeste stemmen en de verachtelijke, sluw-domme Bush werd president, en daarna werd hij nog eens herkozen ook. Ach, laat me maar zwijgen.

‘Vous devez ignorer les autres. Les repousser. Quand je vous vois souffrir, travailler sur un mot, et tout ces poètes qui n’ont rien à dire, je ne les accepte pas. Vous ne devez pas les accepter non plus.’ Deze uitspraak van Antonin Artaud – uit een brief van Artaud aan de dichter Jacques Prével – trof ik vandaag aan in een oud dagboekfragment van me. Ik denk dat ik er me destijds heel goed in kon herkennen, vooral in de aangesprokene, Jacques Prével, die zo zit te zwoegen op een woord – terwijl ik vanop een niet geringe hoogte neerkeek op de boekenbeursschrijvers, die telkens weer opnieuw in september-oktober hun schrijfsels samenraapten en ze van een flitsende omslag lieten voorzien.

Afbeelding: Antonin Artaud door Georges Pastier.

PROCESSIERUPSEN EN DE VRIJE WIL VAN DE APOLOGEET

 

Apollo and Daphne - JW Waterhouse
JW Waterhouse – Apollo and Daphne

De wolken glijden in de lucht boven het zinken dak waar ik vijf dagen per week op uitkijk. Ik zit wat te kijken naar die wolken. Al een hele tijd zit ik te kijken en te mijmeren en te dagdromen. Er is leegte in mijn hoofd. Geen gedachten, niets. De motor van mijn verbeelding komt niet op gang. Waar een wil is, is een weg, zeggen de mensen, maar ik wil niets. Of toch wel, ik wil een ding, ik wil weg. Ver weg van hier, van de processierupsen en het bal van de burgemeester en de biefstukkenchristendemocraten. Van de laatste shows en de eeuwige wegenwerken. Van deze stad vol fijn stof van de afbraakwerken, de ononderbroken afbraakwerken. Van deze stad zonder ziel, zonder rivier. Ja, de rivier is de ziel van de stad. En muziek is het hart van de stad. Muziek creëert bijna ontelbaar veel harten. Ik ben met tellen gestopt.

Af en toe steekt dat wilde verlangen om weg te gaan de kop op, de wil om te verdwijnen in een imaginair gebied, een streek die nog niet in kaart werd gebracht, tenzij door Dante misschien. Ik voel het hart van Brussel maar zelden kloppen. De muziek die ik hier hoor is mooi maar komt van ver. Import is de enige redding. Transfusie. Daar is deze stad goed in. En in mensen op de vlucht jagen, hele wijken platgooien, de Noordwijk, de Europawijk, de Zuidwijk. Cafés waar ik enkele jaren geleden nog met Poolse meisjes danste liggen nu tegen de vlakte. Jarenlang heb ik op de Lottotoren uitgekeken en zitten dromen terwijl de wolken daar boven hun eigen weg zochten. Nu staat er een karakterloos gebouw in de plaats, een gebouw dat niet zingt, dat niet wordt gevoed door een ziel en niet gekoesterd door een hart. Maar zoals deze stad is, is heel het land, ook al is er de majestueuze Maas en de diepe, diepe Schelde. Het land is ziek en schreit. Zijn inwoners zijn ontevreden, lusten elkaar rauw – en zelfs dat valt te betwijfelen. Er is vooral onverschilligheid. Niet voldoende, roepen de media. Niet voldoende onverschilligheid! Denk aan je rimpels, maak je daar zorgen over, en niet over de aarde en over de vrienden aan de andere kant van de taalgrens, die het moeilijk hebben in de buurt van hun oude mijnen en hoogovens. Dat zijn geen vrienden, zeggen ze, dat zijn vijanden. Ze spreken een andere taal en hebben ongebruikelijke zeden en gewoontes. Het woord ‘taalgrens’ is een schande, zeg ik. Een identiteit is geen schande, maar een identiteitskaart is een schande. Ik wil nu opeens wel. Deze woorden hier hebben mij een wil ingefluisterd. Ik wil als vrije mens kunnen reizen en omhelzen wie ik wil. Ik ben geen vijand van de Vlamingen, maar ik kan niet overweg met rancuneuze vetzakken die alle dagen biefstuk-friet eten en elk moment vetter worden. Die de vloek van de processierupsen over zich afroepen. En veel ergere vloeken. Klink ik als Job? Dan klink ik maar als Job. Misschien is dat mijn opdracht, mijn missie – hier in dit tranendal. Ik ben alvast geen evangelist. Ik ben eerder een apologeet, de apologeet van mijn eigen bestaan. Wat zeg je? Apollo? Nee, zeker geen Apollo. Die is van marmer en bevindt zich in Firenze. Ik wil niet naar Firenze. Firenze is ingenomen door immense processierupsen, wist je dat dan niet? Heb je dan geen enkele levenservaring? Ik wel. Maar wat maakt het uit. Ook toen ik zwarte sneeuw zag staarde ik naar de grond en liep ik met mijn hoofd in de wolken. Toen ik zwarte sneeuw zag snoof ik de geur op van de rivier en waren er talrijke gelukkige dagen. Dat was net zo goed hier in dit land dat nu zwarter is dan de sneeuw die ik zag, en dat verlamd wordt door de haat. Ik vlucht weg in de muziek en in het ritme van een ingebeelde rivier. Ik ben weg. Dat is wat ik wil. Tot een volgende keer.

SCHOONHEID EN AFTAKELING

candy

Al een tijd terug in de heimat, wennen aan de schoonheid en het vuil rondom mij. Wennen aan de zachte Belgische lente, het groen van de bomen in onze straat, de milde regen, de winkels uitpuilend van groenten en fruit, maar ook het lawaai van de auto’s en de giftige lucht. De onbeschofte taxichauffeurs. Het gevoel een vreemde te zijn in je ‘eigen’ stad, in je ‘eigen’ land. Het oude, vertrouwde dat soms zo bizar kan lijken. Of is het in wezen allemaal bizar?

Ik word ouder, kaler, grijzer, maar rimpels laten nog wat op zich wachten. Het gezicht is niet doorgroefd van zware arbeid, drank en sigaretten. Het aantal kwalen waaronder ik gebukt ga is echter niet meer te overzien. Je kan niet zeggen dat ik voor gezondheid en geluk geboren ben. Ik ben niets, sta nergens, ben nergens thuis, ben gewenst noch ongewenst. Noem me maar een loser, baby. Maar als ik in de spiegel kijk ben ik niet helemaal ontevreden. Het is niet de kop van een coole schoonheid als Candy Darling – die nu weer in de belangstelling blijkt te staan – maar evenmin die van een beate idiotie uitstralende Tom Boonen of andere vedetten en kampioenen in het landschap van Big Brother. Ik ben tevreden met mijn kop omdat het een kop is. Je ziet meteen dat ik heb geleefd en wat nog beter is: dat ik nog steeds in leven ben. In leven, jongen. Thank you for the days, hoor ik Ray Davies nu zingen. Die man wist het al lang geleden. Those endless days…

Toch is er geen reden voor vreugde of ben ik niet meteen zinnens feest te gaan vieren. Tijdens mijn verblijf op La Palma (waar ik opnieuw sporen aantrof van een of ander paradijs, zeer aanwezig maar desondanks verloren, nabij en toch zo ver, om met Wim Wenders te spreken) ben ik ernstig ziek geworden en dat ben ik nog altijd en het zal zeker nog een tijdje duren. De volgende dagen worden dagen van medicatie, onderzoeken, analyses, bang en hoopvol afwachten.

Door die ziekte heb ik nu tijd om mij weer aan te passen aan de heimat. Ik gebruik graag dat Duitse woord omdat ik de drie Heimat-reeksen van Edgar Reitz tot het allebeste filmoeuvre reken dat ooit werd bijeengefilmd. Ik ben ook wel opgelucht dat ik nog thuis ben geraakt, dat ik mij hier kan laten behandelen. Niet dat ik de arts in Tazacorte wantrouwde, maar hier in mijn vaderland kennen de dokters me. Ze zijn op de hoogte van mijn zwaktes, mijn allergieën, mijn angsten, maar ook van mijn hypochondrie. Dat geeft een enigszins veiliger gevoel.

Ondertussen is het Vlaamse Circus BHV nog altijd in het land. Begrijpen de Vlaamse fanatici dan niet dat ze België vernietigen, dit uniek, fabelachtig, en inderdaad visionair land? Wie zit er te wachten op een Vlaming of een Waal? Belgen echter worden gerespecteerd, onder meer vanwege hun bedrevenheid in het oplossen van problemen. Maar meer nog omdat ze een bijzondere gave hebben om problemen te scheppen. Dat is toch buitgengewoon! De Vlaamse fanatici willen dus een soort Denen of Moldaviërs worden. Ik heb niets tegen Denen, maar zijn zij bijzonder? In wat dan? Ik ken hen alleen als een volk in een land in een stuk van Shakespeare. Een fictief volk, eigenlijk. Dezelfde fanatieke Vlamingen (of hun voorouders) hebben van Brussel een Franstalige stad gemaakt. Je moet maar eens de proef op de som nemen en in het telefoonboek kijken hoeveel Franstalige Vanderstraetens er in Brussel wonen. Allemaal afstammelingen van ‘echte’ Vlamingen. Die mensen hebben op een gegeven moment vanuit praktische en economische overwegingen (en zeker niet literaire) het Frans verkozen boven het ‘Nederlands’ (meestal ging om het Oost- en West-Vlaams: de sprekers van die dialecten waren de meest ondernemenden onder de oude Flamins). De consequentie daarvan is dat Brussel nu een Franstalige wereldstad is met inwoners uit meer dan honder landen afkomstig. So what? Als deze stad New York zou heten zou iedereen er trots op zijn. En als Brussel de hoofstad van een België zou zijn waarmee je je kunt identificeren, ook als immigrant, zoals de immigranten in de VS zich Amerikanen voelen, dan zou iedereen even trots zijn. Maar dat willen die fanatieke Vlamingen niet. Die willen BHV splitsen en met oude leeuwen zwaaien en kaakslagen incasseren en het eigen volk voor eeuwig in het eigen nat laten marineren. Ach, fanatici, een meelijwekkende soort. Ik blijf er voorlopig op vertrouwen dat de heren Di Rupo en Verhofstadt – waar ik niet de minste sympathie voor koester – een oplossing vinden voor het Circus BHV.

En vanaf nu zwijg ik over politiek en keer ik terug tot de letteren (in het Nederlands tot uitsterven gedoemd) en de rock & roll (al dood en begraven). Keep on rockin’ in the real world! Laat je niet aliëneren. En let op de parkeermeters: die hebben oren.

Foto: de schoonheid van Candy Darling