WORSTELEN MET LOUIS PAUL BOON

lp boon 001

In 2013 begon ik aan een soort van geestelijke genealogie. Ik ging op zoek naar de wortels van mijn bestaan, los van de wederwaardigheden van mijn ouders, grootouders en dergelijke meer. Ik wilde te weten komen hoe ik geworden ben wie ik ben en nagaan wie in die menswording en bewustwording een invloedrijke rol had gespeeld. Het zouden korte autobiografische schetsen worden over de psyche, de geest of de ziel – hoe je dat rare ding, dat soms ook de zetel van het zelf wordt genoemd, ook mag noemen. Daarbij wilde ik niet uit het oog verliezen dat die geest niet bestaat, of toch niet los van het lichaam en van de gemeenschap, van de anderen. Ik wilde het toeval een rol laten spelen in het ontstaan van de teksten. In de eerste reeks die ik op die manier schreef ontdekte ik dat het toeval ook al aan het werk was geweest in ontmoetingen die ik op jonge leeftijd had met voorbeeldige mannen en vrouwen, met leraren, mentors en vrienden, met schrijvers, filmregisseurs, componisten en kunstenaars.

Enkele weken geleden nam ik die draad weer op. Mijn aandacht ging daarbij naar een aantal boeken en schrijvers die mijn wereldbeeld hebben beïnvloed en zelfs bepaald. De eerste schrijver die mij voor de geest kwam was Edgar Allan Poe. Mijn tweede beschouwing moest over Louis Paul Boon en De Kapellekensbaan gaan. Allerlei remmingen, mogelijk waren het listen van dat raadselachtige onbewuste, hebben me die taak zeer bemoeilijkt. [1] Daar is dan nog eens een flinke griep bovenop gekomen. Werken die vaccins écht of zijn die spuitjes alleen maar een onderdeel van een winterritueel, iets wat ons mogelijk sterker maakt als we er maar voldoende in geloven en niet de hele tijd twijfelen en wanhopen?
Wat maakt het mij écht zo moeilijk om over Boontjes werk te schrijven? Ik weet wel heel zeker dat hij me omstreeks mijn zestiende diepgaand beïnvloed heeft. Dat kan ik zonder meer toegeven. Mogelijk zijn er in mijn stijl zelfs nog sporen van terug te vinden, al heb ik er veel voor gedaan om die zo gauw mogelijk uit te wissen. Vooral heb ik er zorg voor gedragen geen boontjessporen meer te maken. Stel je voor: barokke taaltekens die alle richtingen uitgaan en toch stevig op het blad staan in plaats van heldere bloedsporen in de sneeuw (die soms zwart ziet van de romantiek).
Zou het kunnen dat ik niet opnieuw wil geconfronteerd worden met die zo Vlaamse verankering van Louis Paul Boon? Al vroeg heb ik de ‘Vlaamse richting’ – die met Hendrik Conscience, Ernest Claes en zelfs Filip De Pillecyn begonnen was – samen met de romantiek van de Gulden Sporenslag, Jacob van Artevelde en de hele vermaledijde Vlaamse Beweging (waar ik me niet bewust van was)– de rug toegekeerd en me naar het Noorden en daarna de rest van de westerse wereld gewend. Maar ik kan niet ontkennen dat die Louis Paul Boon-periode er is geweest. Dat ik dweepte met vergeten straten, dat ik ook een kleine oorlog voerde, dat ik het gevoel had dat ik de mensen een geweten moest schoppen (maar hoe?), dat ik gesprekken voerde met mossieu colson van tminnesterie, professor spothuyzen, tippetotje, de kantieke schoolmeester en vooral met de kleine ondine. En soms vond ik net als de meester uit Erembodegem dat het allemaal geen zin had.
Zou het kunnen dat ik op mijn zestiende al een boek wilde schrijven zo rijk als De Kapellekensbaan, een boek dat een wereld zou zijn, dat honderd werelden zou zijn, maar dat ik bijna meteen ook al besefte dat ik dat allemaal uit mijn duim zou moeten zuigen en dat ik die vervolgens bekeek, en dat ik zag dat die nogal bleek en bloedeloos was, al hing er wel wat inkt aan? Dat boek is er nooit gekomen en zal er ook nooit komen: ik heb die rijke Vlaamse taal van me afgeschud, in het begin met allerlei fantasietjes in de stijl van Edgar Allan Poe en John Lennon; later in die van de romantici en de surrealisten; soms bijna verdrinkend in de taal van Hölderlin en Nietzsche en Heinrich von Kleist; soms ten hemel opstijgend in de taal van Lucebert; maar ze in een tegenbeweging schoonspoelend met die van Remco Campert en Nescio en Raymond Carver. Tot ik stilaan mezelf werd en bijna niets meer over had. Niets om te bezingen, niets om te beschrijven, bijna geen woorden om je toe te vertrouwen. Ja, dat zou kunnen.

Het was een lange, vermoeiende, gevaarlijke en weinig dankbare reis door de taal en de literatuur. Waarbij ik Louis Paul Boon helemaal uit het oog verloor. Tot ik nagenoeg zijn volledig werk erfde van onze benedenburen, tweetalige Brusselaars, socialisten oude stempel, die Boon nog gekend hadden en zelfs bevriend waren geweest met Herman Teirlinck en Maurice Carême, die hier aan de overkant van onze vergeten straat woonde. Er is nog steeds een klein Carême-museum, dat ik tot mijn schande nooit heb bezocht. Maar dat is een ander verhaal: dat van mijn ontmoeting op latere leeftijd met mijnheer en mevrouw Spanoghe.

Een tweeling, zegt men, is gespleten, heeft een dubbele persoonlijkheid, heeft zoals Janus – de god van het begin en het einde – twee kanten, is zijn eigen dubbelganger, en meer van dat moois. Het zou wel eens waar kunnen zijn. In mij zijn het magische, het verhevene, het romantische en het realistische met elkaar in een wankel evenwicht. Je zou ook kunnen zeggen dat de twee principes voortdurend, tot verlammens toe, strijd leveren met elkaar. Met Edgar Allan Poe bereikte ik hogere sferen, zowel van licht als duisternis, zowel van schoonheid als pure afschuw. Met Louis Paul Boon kwam ik dan weer met mijn voeten op de grond terecht. Ook al verdrong ik zijn invloed en vergat ik zijn spoor, wandel ik toch nog altijd op de bittere grond van toen, op de vuile grond van toen, onder de heldere onschuldige hemel van toen.

[1] Toen ik las dat Joachim Pohlman, de uitermate rechtse ideoloog van de N-VA (ik wil het woord  ‘fascistisch’ liever niet gebruiken) op zijn zestiende sterk beïnvloed werd door Louis Paul Boon nam mijn zin om dit stuk te schrijven nog meer af. Pohlman, las ik in hetzelfde artikel in Knack, is eveneens een bewonderaar van de antisemiet Louis Ferdinand Céline en van de bloeddorstige oorlogsschrijver Ernst Jünger.

lp boon 2 001

DORPSTAFERELEN (LA PALMA)

natural harmony

Een aantal ‘invallen’, afkomstig uit La Palma. Waarom wil ik ze prijsgeven? Ik weet het niet. Er is geen reden om het wel te doen, er is evenmin een reden om het niet te doen.

Jij met je zigeunerachtige verleden, met je Poolse heteroniem. Jij was bijna een racist en leek in je reactie op de dood van de zeventienjarige jongen op de donkere mannen en vrouwen van de Vlaamse zuiverheid. Zoals Nietzsche voortdurend op zijn hoede was voor de Duitsers en de ‘Duitse gedachte’ moet jij voortdurend op je hoede zijn voor Vlaanderen en de Vlaamse gedachte. (Dit betekent niet dat er in Oost-Vlaanderen en in West-Vlaanderen niets moois en niets goeds aanwezig is. Inderdaad situeer ik Vlaanderen in deze twee provincies. Limburg, Antwerpen en Brabant hebben een heel andere geschiedenis en vertellen andere verhalen. Alles wat anders is en afwijkt moet je koesteren.)

Ondanks de ziekte en de sombere gedachten over België vandaag toch even verrukking gevoeld, staande bij een landschap genaamd ‘de kloof van de angsten’.
Als je ziek bent kunnen er momenten zijn dat kleine dingen je veel dieper raken. Hoe heerlijk een glas Rioja plots kan smaken! Je hoeft niet eens meer naar Umbrië voor de Montefalco, of naar Montalcino voor de Brunello. In deze eenvoudige wijn is alle wijn van de wereld aanwezig.

In het Palacio del Vino in Los Llanos werden we bediend door een bijzonder vriendelijke ober. We aten er ham en kaas afkomstig van het schiereiland, zoals ze Spanje in La Palma noemen, en dronken wijn uit het dorp Puntagorda. De naam van de ober was Jesus. Die avond heb ik Michael Cunninghams ‘Specimen Days’ uitgelezen. Het is een schitterende, visionaire roman over (onder meer) New York en Walt Whitman. De grote Amerikaanse dichter is bijna in elke regel aanwezig.

In de twee bars van Tazacorte zitten de vijftigers, moe van in de bananenplantages te werken, aan de toog tv te kijken en Haig whisky te drinken. De barman mengt die whisky met limonade. Het moet afschuwelijk smaken, maar deze mannen vinden het lekkker. Waarom ook niet. Dit jaar kan ik alleen maar even van buiten naar binnen kijken. Maar dat is niet erg. Ik weet hoe het er binnen aan toe gaat. Er gebeurt niet veel. De televisie staat aan, de mannen drinken hun whisky en wachten geduldig op de dood. Wat verderop, op een pleintje in de schaduw van de kerk, zitten de nog ouderen nog geduldiger hun beurt af te wachten. Niets schijnt deze mensen te verontrusten. Zij zitten op enkele bankjes, een paar honderd meter van de oude oceaan. De enige die hier bang is voor de dood ben ik, geloof ik.

Ik droomde van een concert van Bob Dylan. Hij zong een paar liedjes samen met Axelle Red. Zijn haar was geblondeerd en piekerig als van een jonge sportgod uit Vlaanderen. Zo’n kerel met een koelkast vol drugs. Bob Dylan was net als ik de dag voordien aan zijn hart geopereerd. M., vertelde me dat hij in hetzelfde schuitje zat. Allemaal hartpatiënten bijeen! Een zekere Guido Van Liefferinghe (dat je van zo’n man kunt dromen!) nodigde ons uit in de VIP-ruimte. Ik moest echter eerst om mijn rode leren jas, die lag nog ergens op een stoel. Daarna vond ik de weg naar die ruimte niet meer. Ik had mijn kans om met Bob Dylan te praten schoon verkeken. Het concert zelf stelde niet veel voor. Dylan zong alleen maar wat fragmenten, geen enkele song werd afgerond, het waren meestal maar wat bluesstukjes. Hij speelde wel één mooi Spaans stukje op zijn gitaar.

Ik luister nu naar the Scud Mountain Boys. Ze zingen ‘Where’s the Playground Susie?’, met hun mooie Amerikaanse jongensstemmen.

Foto: Martin Pulaksi (La Palma).

EUROSONG: FINAL ANALYSIS

romeinse keizers,autobiografie,pop,popcultuur,televisie,eurosong,kritiek,nietzsche,geert mak,christus,paaldanseres,epilepsie,athene

Soms kan ik laag vallen. Gisteravond, na me te hebben verdiept in onder meer Geert Mak en Friedrich Nietszche, de familiegeschiedenis van mijn ouders (waarover een van de volgende dagen of weken meer, het is een werkje van langere adem), en de muziek, schoonheid, en androgyne perversie van Polly Jean Harvey, daalde ik af naar de salon waar de televisie nog steeds een soort van ereplaats inneemt, ter vervanging van een bloedende Christus of een paaldanseres. Ik zei tegen A., ik zou graag naar de finale van Eurosong kijken. Of hoe het programma ook moge heten. Mijn geliefde kreeg net geen aanval van epilepsie. Eurosong? De finale? Die onthutsing duurde niet lang; ze pruttelde niet eens tegen. Ik geloof dat ze in haar hart wel van het Eurosongfestival houdt. Het hoort bij onze jeugd: Gigliola Cinquetti, Louis Neefs met Jennifer Jennings, etcetera. Maar ik zeg altijd dat ik dat hele circus haat. Het uitreiken van de punten is natuurlijk telkens weer wel leuk, doch daar kijk ik zelden naar.

Gisteren was het echter, zoals iedereen weet, de finale van de Vlaamse artiesten. Waar had de VRT die bonte troep bijeengeschaard? Waren ze met zijn allen ten prooi gevallen aan de vogelgriep? Ik dacht dat op zijn minst de eerwaarde heer Tony Mary, zelf een verdienstelijk eurosongszanger zo te zien, een immense voorraad vaccins in zijn koelkast had liggen. Een selectiecriterium voor deze finale was denk ik de Kempen. Als je uit de Kempen kwam en een beetje kon praten zoals ‘Patrick’ en ‘Johan’ dan mocht je ongetwijfeld meekwelen en er bestond zelfs een kans dat je naar Athene zou worden gestuurd. Naar Athene! In de schaduw van de Acropolis! Waar grote keizers als Augustus en Claudius vertoefden, om niet te spreken van de goden zelf. Je moest uit de Kempen komen, niets te vertellen hebben, er volstrekt belachelijk uitzien, een klein beetje kunnen zingen, maar dan wel zonder enige geestdrift en zonder enige originaliteit. Als je niet uit de Kempen kwam mocht je van het allochtone type zijn. Kom, moet iemand gezegd hebben, laat die jongens ook even meedoen, dan valt ons niets te verwijten, dat zijn we goed multicultureel bezig. Dat vrijwaart ons van bomaanslagen en zo. Nu waren die allochtonen niet slechter maar zeker ook niet beter dan de autochtonen. In ieder geval was hun dialect even goed en ze maakten dezelfde idiote gestes. Onhandige Vlamingen waren het, allemaal. Zelfs het Spaanse meisje Belle Perez zag er echt Vlaams uit. Haar lied was kitsch voor de bejaarden in Benidorm en Kusadasi. Ze kon trouwens goed strijken. Dat was ook wel nodig, met die oranje lakens om haar armen, daar was heel wat strijkwerk aan. Belle Perez! Wat een leuke naam! En dan had je een zekere La Sakrah of zo iets. Een wat oudere vrouw met een enigszins seniele glimlach op haar gezicht gebeiteld. Die was er niet af te krijgen, wat de idioten van de jury of wie dan ook over haar mochten beweren. Haar lied was ‘zeer geraffineerd’, een mix van cocktail jazz en roaring twenties. En tegen het einde werd haar jurk van haar lijf gerukt, gelukkig maar een gedeelte. Perfecte kitsch van het ‘betere type’ bestaat dan toch. Over een zekere Kate Ryan, een ‘Ierse’ met de uitstraling van een boerin, met een zwaar Kempens accent, moet ik het ook nog hebben. Een mannelijke Juul Kabas. Haar naam is reclame voor Ryanair. Vandaag stond in de krant dat de vliegtuigen van Ryanair zeer slecht worden onderhouden. Met Kate is dat geloof ik ook het geval, zeker met haar stembanden. En ze kan haar benen niet in bedwang houden. Bovendien heeft ze problemen met haar kapsels. Haar ogen stralen de leegte van de steppe uit. Ik hoor nu dat haar lied het gehaald heeft. Dat had ik wel gedacht, want temidden van dat moeras van slechte smaak was het werkelijk het allerslechtste. Het braakopwekkende dieptepunt par excellence.

De enige dame voor wie ik enig respect kon opbrengen was Els De Schepper. Ik ken die vrouw niet, maar ik had de indruk dat ze probeerde zoveel mogelijk zichzelf te zijn. Helaas, ze was een teef – pardon my English- in een kegelspel. Ze had echter beloofd dat ze bloot zou komen en dat heeft ze niet gedaan. Dat vond ik een beetje jammer, anders had ik toch nog iets aan mijn avond gehad. Nu zal ik toch opnieuw zo’n paal moeten installeren. Misschien kan ik aan de Els De Schepper eens vragen of ze wilt komen dansen. Zingen hoeft niet, alleen maar dansen. Ze mag me ook een spannend verhaal komen vertellen, met haar vurige ogen.

Foto: performance van Gunther Brus.

Ik hoop dat het mij geoorloofd was in deze context enige ongerijmdheden in te lassen, het detecteren waarvan het favoriete tijdverdrijf is van Hollywoodwatchers.

HET NIEUWE LEVEN

on the barge

Wat doe je op dit strand? Je weet het niet. Je loopt in de zon die het zout in je huid brandt. Achter je rug rijdt een Volkswagen voorbij. Een rode vlek die vermoeid klinkt. In een van de witte huizen zingt een vrouw een lied. Maar je luistert niet. Je hoort de koekoek roepen in de dennenbomen. Toen je klein was. Koekoek. Koekoek.Koekoek. Met je vogelborst was je zelf die koekoek. Harde kale berken stonden tussen de dennen. In de koude bossen.

Maar niet lang blijf je daar rondhangen. De hitte van Lissabon verjaagt je rijke gedachten. En rode wijn uit de witte stad danst in je hoofd. Er is geen schaduw. Alleen deze wrange smaak op de tong. Alleen de oceaan.

Met zijn rug naar Europa zit op een steen een neger. Een zwarte Homerus die niet meer vertelt. En jij? Vertel jij hém iets? Over je schaduwrijk land. Over de Noordenwind en zijn woeste zee. Onze gitzwarte zee. Onze koude wind. Hoor je zijn lied, Violetta? Hoor je de meeuwen schreeuwen? Mijn platteland schreeuwen ze. Onze meeuwen. Mijn platteland. Er hangt wat pek aan hun vleugels. Wat baggerspecie.

Als je zijn gegier terughoort stopt hij je weer tussen de arme lakens. In je donkere kamer. Achter de versleten gordijnen. Over Vlaanderens helden weet iedereen alles. Wie zij liefhebben en wie zij bedriegen. De kleur van hun ogen en van hun dasspeld. En dat zij allemaal te koop zijn. Maar wat gebeurt achter de gordijnen? Waar geen zout in de huid brandt. Waar je leeft op de gele bladzijden van de gelezen en leven zal op de witte bladzijden van de ongelezen boeken.

De Noordenwind. Je ontsnapt niet aan zijn streken. Mijn goede vriend, zegt hij. Je zwarte haren rukte ik uit. Je dromen sloegen voor mij als Arabische paarden op de vlucht, als Arabische vluchtelingen lieten ze alles achter. Wat wanhopige minnaars met zichzelf doen, dàt deed ik met je illusies. Ik gooide ze van het balkon naar beneden. Wat waren ze bloedeloos, die illusies van jou. Wilde je ze zelf buitenschoppen Had je genoeg van de verstikkende lucht die ze verspreidden? Metafysische systemen, zegt hij, die kreeg je voor niets. De zwarte sneeuw moest je er wel bijnemen. Dank zij mij, zegt hij, keerde je die dwaasheid de rug toe.

Ging het zo? Wie zal het zeggen? Wij zijn zo begaan met onze eigen mythologie. Ja, je ziet het al gebeuren. Je stapt in het vel van de verongelijkte minnaar. Gaat met de deuren slaan. Omdat je aan een ander denkt. Altijd iemand anders dan degene die je bent. Een die je zijn wil. Een die je graag was geweest. Een derde. En met een andere derde op nog een ander strand.

In dat kleine café aan de haven. Daar zat je nooit. Aangetrokken door het lied op de jukebox omstreeks middernacht. Liep je er voorbij. Liep je er nogmaals voorbij met je kop op het kussen. Alleen met je gedachten over het universum en op de pick-up Paul Anka’s Hello Jim. Je hand voerde het ritueel uit om de kosmos en de liefjes te vergeten in onschuldige slaap. Binnenstappen deed je niet. Je was op je hoede voor het gevaar. De blauwe zeeman met het bloedgleufmes. Een vent als twee druppels water je vader. De dreiging uit zijn dronken ogen. De zatte broederschap van zes uur ’s morgens. Het blote vlees op hoge hakken. De diepgang van gelogen liefde kende je uit het hoofd. De daad was overbodig.

Onverhoeds wat wrange woorden. Bitter tegen je dame uit de mond gemorst. Geen esdoornblad bij de hand. Geen Venetiaans masker. Als de wijngeest zijn dwarse danspassen zet in je dagdroom. Als hij zijn rode hoofd schudt en zijn blanke voeten verroert. Met je schampere tong een moment van geluk verspild. Onmin gezaaid. Maar weet je het dan niet? Je krijgt geen tweede kans. De tijd staat niet stil. En niet elk decennium baart een renaissance. Niets duurt hier lang. Het aftandse doek gaat op. Je zegt een paar woorden. Het aftandse doek valt. Ook Elvis werd dik en moest heengaan. De waarheid is eenvoudig. Op het einde doet iemand de deur dicht.

Hoor hem eens zingen, mijnheer. Hij is in de wind. ’t Zal zo’n hula hula lied zijn. Hij valt nog steeds voor Hawaïanen. Met vreemd gestemde gitaren. Hùn muziek vond je niet op de jukebox. En niet in de platenwinkel in het dorp. Hij wist alles van de Hawaïanen. Dat ze goed waren, met eerlijke ogen. Hij zei, zo wil ik ook zijn. Met net zo’n vette buik en zo’n gekleurd hemd en zulke ogen.

Luister nu maar. Doe die was maar uit je oren. De kust is klaar.Alle gevaar is geweken. De rode Volkswagen is een kleine kever geworden, vlekje vermiljoen aan de horizon. Ja, nu hoor je al beter. ’t Klinkt minder exotisch dan je vermoedde. ’t Is geen blues wat zij zingt. Geen Tristan und Isolde. ’t Is meer zo’n levenslied. Zo een waarin rake klappen worden uitgedeeld. Waarin alle leed toebehoort aan de zwakken en alle honger aan de armen. Verdriet schittert als diamant in de vergeten straat. Het bekende melodietje. Wat lijkt het op het oude deuntje. Van de kleine jongen in pied-de-poule met gouden polshorloge. Het brave mannetje dat zijn weg verloor.

Wat deed hij in de buitenwijken? Hij wist het niet. De stadsranden met hun geur van seringen. Wat verder de stinkende giftige krotten. Waar de ongewensten wonen. De propere mensen een doorn in het oog. Een doorn in het donker gestreeld en gekoesterd. Zijn wij niet proper! zeggen de propere mensen. Zijn wij niet goed! Ja natuurlijk, als je eerst de anderen slechtmaakt en uitbant.

Is het niet mooi, dan? Aan de drooglijn het ondergoed met woestijnvlekken in die geen waspoeder eruit krijgt. Moestuinen. Netels en pisbloemen tussen het puin. Een vermolmde sinaasappelkrat uit Spanje. Een Cortinawrak in het bosje. Een roestige Flandria-brommer. Daar verloor het brave ventje zijn weg.

De deuntjes lokken ons naar de steden. Die levens opbranden als regenwoud. Daar gaan wij op zoek naar schoonheid. Niet in de natuur. Die wij slecht noemden en hebben gedood. In de steden bezoeken wij de musea. De rotte appelen van Cézanne. Nature morte, still life. We aanschouwen beelden van goden, van engelen, van de natuur die wij verloren in een kinderspel. In de steden wandelen wij door groene parken. Bestuderen wij de namen van de bomen. Vieren wij Pasen vanwege het woord. Wij verliezen onze tijd. Slaan op de vlucht voor een wonder. Onze wieg stond in Hollywood. Daar ben ik geboren. Daar voel ik me thuis. Mijn moeder heet Marilyn. Mijn vader heet Marlon. Noem mij maar Elvis. In die naam voel ik mij thuis.

Gevoelens, zei je? Gevoelens zeggen niets. Het woord doet denken aan dikke kale priesters. Toeterzatte venten stinkend uit hun bek. Vrouwen van over de veertig verlangend naar de operatietafel. Zonsondergangen in Napels op digitale foto’s. Zo’n karretje met koele watermeloenen. Een ritje op de rug van een kameel. Drie muntjes in de fontein. Altijd zoals in een lied. Wij dromen er lustig op los en weten het: Dromen zijn bedrog. Voor kostschoolmeisjes en Freudianen voedingsstof.

Three coins in the fountain. Each one seeking happiness. Verliezen is scheepsrecht, zeg je. De beste schippers staan aan de toog. Rollen over de vloer Lazarus achterna. Vestigen zich op het Eilandje En verliezen hun gezond verstand. Ballingen die graag thuis zouden komen. Waarom zou je iets voelen voor hen?

Jij gaat op zoek naar schoonheid. In de ogen van moordzuchtige cowboys. In het gekwek van zuipende wijven in louche kroegen. Op de wangen van jongetjes met puisten. Titaantjes die friet eten en voetballen. In de fervente ogen van jonge meisjes die pa en ma brutaal de rug toekeren. Op zoek naar schoonheid in schofterige seksfilms zonder actie of plot. In de dialogen van smakeloos geklede boeven tevreden met hun lot. Bij uitvretertjes thuis. Mislukkelingen die haring eten met mayonaise. Of sardientjes uit blik. Op met jenever doordrenkte bierviltjes kribbelen zij hun onsterfelijke verzen
, denkend aan hun moeder, aan hun eerste lief tussen de dennenbomen, denkend aan Walt Whitman. Die schoonheid zoek je soms. Als je het aankunt. Als je lever nog meewil. Als je longen het toestaan. Als je bereid bent.

Neen, zeg je. Ik heb mijn buik vol Vlaanderens helden, zelfingenomen nulliteiten die rondzwerven op golfterreinen of door onze straten jagen in Jaguars. Hun huizen vol kitsch en schone kunsten. Voortaan hou ik van pure Vlaamse lelijkheid. Wat wij pure Vlaamse lelijkheid noemden, aldus beschouwden. Daar hou ik van. Dit is het nieuwe leven. Vanaf nu bewonder ik de baksteen. Ik ga op bedevaart naar Rupelmonde. Die duivenkoten. ‘k Zie ze zo geire. Mosselen met friet. Een tripel van Westmalle en een boterham met plattekees. Vlaamse karbonade. Witlof en spruiten. Een heerlijk nieuw leven met een bord vol spek en bloemkool. Schipper naast Mathilde op DVD. Bobbejaan Schoepen op CD.

Je verbergt je waanzin in een houten kistje en gaat naar de kermis. De vrouw met de drie tieten ga je zien. De dame met de baard. De madam met de elf vingers. De koning der boksers. Op de kermis haal je je olie. Daar steek je je licht op. Vanaf heden ben je te vinden op de foor. Kramer onder de kramers.

Begin een nieuw leven. Houd van de taxichauffeur die kotst in het Centraal Station. Vraag de Brabantse dwerg in ruil voor de blonde jongen op het Lido. Dat Noorse matroosje van Visconti. Geef Madonna gratis en voor niks erbovenop. Verlang naar de WC-madam in de Quick. Dat is vast een goed mens. Een die veel peren heeft gezien. Die een wijsje kan meezingen. Na de dagtaak is ze wellicht een van die zuipende wijven in de louche kroeg. Sluit ook haar in je hart.

Je zit niet om raad verlegen? Al goed. Je moet niet overdrijven met het tegendraadse. Schoonheid kan ook doodgewoon schoonheid zijn. Zo’n beeld van Klee. Zo’n Zone van Apollinaire. Zo’n Atalante van Jean Vigo. Zo’n Blue Moon Of Kentucky. Zo’n Doodslied van Blind Willie McTell. Op doodsliederen heb je het wel begrepen. If the blues was whiskey I’d stay drunk all the time. Zo’n bottleneckgitaarsolo van Blind Willie Johnson. De duim over de bassnaren, de melodie van de langere vingers. And the people did run and pray. And the people did run and pray. And the people did run and pray. And the people did run and pray. And the people did run and pray. Dat antieke voorhoofd. Die Ethiopische trots. Emotie stroomt uit elke noot. Uit elke porie.

Hoe speel je het klaar? Je gooit je niet zomaar voor de leeuwen. Je weet hoe het moet. Je beheerst de dingen die je doet. En die doe je goed. Je hebt je beide handen onder controle. Je moet niet overdrijven met het tegendraadse. Je moet je kunsten kennen. Je talenten. Ze hangen aan je handen en je lippen. Schoonheid stroomt uit elke porie.

Wil je nog een goede raad? Luister dan. Je moet altijd naar alles en iedereen luisteren. Je moet alles horen. Luisteren naar het verdriet van Michelangelo. Luisteren naar de vrouwen die de kamer binnenkomen leuterend over baby’s en tepelzweren, de stam van de holenbeer en de truitjes van Marc’O Polo. Het geheimzinnige van hun stemmen. Ook het gerinkel van hun koffiekopjes kan verrukkelijk klinken. Luisteren naar Connie Francis en Anneke Grönloh. Naar de rolschaatsers buiten op het trottoir. De trage wagens in de beregende straat. De dreunende bussen. Zo’n bellende tram met reclame van Captain Iglo op z’n flank. Die nu ook in dit gedicht zijn plaats vindt. Sponsor kom maar op met dat geld! Generale! De Leeuw! Vooruitzicht! Colombia! Baggerwerken De Paepe! Saddam Hoessein! Hier met dat geld! Ik zal je sandwichman zijn. Ik zal je naam door de straten dragen.

Luister. De steden zitten als brandkasten met goudstaven vol met verhalen die uitpuilen van schoonheid en gevaar. Je kunt er niet naast kijken. De parels liggen voor het rapen. De zwijnen doen er niets mee. Maar jij.

Drie muntjes in de fontein. De eeuwige liedjes stijgen je naar het hoofd. Door hùn woorden bekijk je de wereld. Maar je kunt er niet op dansen. Verloren gelopen jongetje in pied de poule pak met je gouden polshorloge. Met je nauwe schoenen. Met je stramme benen. Met je beeld uit de oude tijd dat je aankijkt in de spiegel. Wat heeft ie een gek hoedje op. Je luistert niet. Je maakt het jezelf lastig. Je verklaart jezelf gek. Je geeft je aan bij de instanties. Je stopt je ziel weer in het kistje. Terug in het houten kistje. Rustig.

Je zit op een steen in het brandende zand aan het water. Voor eeuwig in de zon. Alles is wit en verblindend. Je bent rustig. Gelukkig zonder verhaal. Je moet niets meer vertellen. Je bent thuis. Voor altijd bij het water.

LEVE BELGIE!

belgische vlag 3Ik ben geen royalist, maar houd wel van mijn land en zie geen enkele reden waarom het zou moeten ophouden te bestaan. België is een mooie constructie, heb ik altijd gevonden, en een goed werkende democratie. Ons land heeft sinds 1999 vrij goede federale regeringen gehad, zeker wat de ethische kwesties betreft. Voor sociale zaken is een regering met liberalen natuurlijk altijd te rechts, maar in dat verband wordt een mooi tegengewicht geboden door de Walen, met Elio Di Rupo als voortrekker. De Walen hebben altijd een veel sterker sociaal bewustzijn gehad dan de Vlamingen. Degenen die voor een splitsing van België zijn, streven naar een landje waar de conservatieve, bezittende klasse opnieuw de macht verwerft. De perfecte fermettestaat. Bart De Wever, helaas moet ik zijn naam hier noemen, beweert dat hij voldoende peilingen kan opsommen waaruit zou blijken dat de Belgen niet langer wensen dat hun land blijft voortbestaan. Die peilingen zou ik wel eens willen zien. Mijn intuïtie zegt me dat de koning gelijk heeft: een grote meerderheid van de Belgen wil niet splitsen. Overigens maken De Wever en zijn papegaaien zich belachelijk door zich over zulke onbenulligheden op te winden terwijl fanatieke moordenaars onze democratie willen vernietigen en wij democraten zelf onze ogen sluiten voor verwoesting van de bakermat van onze cultuur. En dat laatste gebeurt in onze naam, zogezegd om onze democratische waarden te vrijwaren.
België is een detail in de geschiedenis, niet meer maar ook niet minder. Bart De Wever en zijn nieuwe Vlaamse alliantie doen aan kortzichtige, egoïstische, antisociale politiek. Hun streven naar etnische zuiverheid kan ernstige gevolgen hebben. Maar ik blijf ervan uitgaan dat de meeste Belgen voldoende gezond verstand – en zin voor surrealisme – hebben om niet op de lokroep van de haat in te gaan.

IN EUROPA EN ELDERS

isabelle huppert

Gisteren heb ik van mijn vrienden Brecht en Bart een mooi en interessant boek als verjaardagscadeau gekregen: ‘In Europa’, van Geert Mak. Afgelopen nacht heb ik er al wat zitten in lezen, onder meer las ik een treffend hoofdstuk over de verwoesting van Brussel en over het provincialisme van de eentaligheid van mijn stad. Brusselaars scoren zeer slecht op meertaligheid, maar ook op vriendelijkheid en gastvrijheid. Overigens hebben we gisteren – naar aanleiding van Brechts en mijn verjaardagen – met z’n drieën bijzonder lekker geluncht in een Italiaans wijnrestaurant aan de Naamse Poort. (Waar ik hier geen reclame voor wens te maken.) De spijzen en dranken uit Italië waren een genot, en ik besef maar al te goed wat een voorrecht het is op deze manier te kunnen leven. Ook de conversatie met mijn vrienden gaf me weer meer zin om mijn leven van de zonnige kant te bekijken!

Na het lezen in Geert Mak en een nogal middelmatige psychologische film op televisie (K-Pax, met Kevin Spacey en Jeff Bridges) heb ik me teruggetrokken op mijn kamer. Mijn dokter heeft me aanbevolen veel water te drinken maar ook zoveel mogelijk zaad te lozen: dat is goed voor mijn gezondheid. Het probleem is nu dat mijn levensgezellin wel begrip heeft voor die medische adviezen, maar niet elk uur van de dag bereid is om een handje te helpen bij het nastreven van dat doel. Ik mag niet zo afhankelijk zijn van anderen in mijn pogen om gezonder te worden. Ik heb dan maar wat op het internet zitten surfen met het oog op wat opwindend materiaal. Wat ik tijdens mijn traject de revue heb zien passeren tart zeker niet de verbeelding, maar ligt zeer voor de hand. Ik heb een zwak voor mooie vrouwen, ook zonder kleren en zelfs in opwindende poses. In uiterste nood kan ik het nog wel hebben dat ze worden gepenetreerd, maar dat moet dan toch in een voldoende esthetisch kader gebeuren. Wat ik echter zag was van een zeer uitsprekelijke goorheid, platheid en wanstaltigheid, zodat ik mijn toevlucht gezocht heb bij wat foto’s van Isabelle Huppert. Dat is puur esthetisch genot. Het was dan al twee uur in de nacht. In onze straat was alles stil en donker. Iedereen leek te slapen. Ook ik ben dan maar naar bed gegaan, want ik had slaap nodig.
Maar mijn lichaam blijft gespannen, mijn geest actief. Mijn verbeelding slaat op hol. Ik ben extreem onrustig. Wat is er met me aan de hand? Ik voel me niet slecht, drink liters water, ben moe en toch kan ik de slaap niet vatten. Ik probeer dan nog wat te lezen, maar kan me niet meer concentreren. Dat alles heeft voor gevolg dat ik vandaag als zombie naar de Delhaize stap en later met een verward hoofd de krant doorneem. Daarin lees ik een interview met Geert Mak (ook toevallig). Hij heeft het daarin onder meer over de jaren zestig van de vorige eeuw. Volgens Mak werd toen (in Nederland dan toch) het begrip ‘nationale identiteit volledig’ gebagatelliseerd. “Dat werd weggewuifd. Wat logisch was, na de opgeblazenheid van de jaren dertig en het sombere polderse nationalisme van de jaren vijftig. Maar daardoor ontstond er wel een leegte. Bijna niemand wist nog wat het betekende Nederlander te zijn. Wie zijn wij met z’n allen? Dat wijgevoel is door de generatie van de jaren zestig – mijn generatie – volstrekt verwaarloosd. Dat terrein is helemaal aan rechts en ultra-rechts overgelaten.” Ik denk dat hij gelijk heeft, en dat het ook voor België en zeker voor Vlaanderen opgaat, ondanks het studentenprotest en de betogingen voor Leuven Vlaams. Mijn vrienden en ik gaven het streven naar afsplitsing, Vlaamse onafhankelijkheid en dergelijke meer, van nationale identiteit al, al gauw op. Dat had allemaal zijn tijd gehad, en vooral voor veel ellende gezorgd. Ook de oude cultuur hadden wij opgegeven. Toch hadden wij wel een identiteit, er ontstond niet echt een leegte, er ontstond een tegencultuur, een beweging tegen het establishment. Daar hadden wij onze hoop op gesteld. Ik zal maar niet dieper ingaan op de tragische gevolgen van ons naïef en bijna a-politiek idealisme. De verbittering en treurnis van veel van mijn generatiegenoten (en van mezelf in de eerste plaats) spreekt boekdelen. Overigens zijn de besten van mijn generatie al lang dood, of ze zitten in psychiatrische instellingen en denken dat ze K-Pax of zo zijn. Neen, ik wil er niet verder op ingaan en ik ben er ook veel te moe voor. Hoe sterk echter het verlangen naar een nieuwe, betere wereld, zonder onderdrukking en uitbuiting was, kun je nalezen in ‘1968’ van Mark Kurlansky, een zeer spannend en meeslepend boek.