IN AFWACHTING VAN HET FEEST

Een warme nazomeravond, in afwachting van visite. We zullen goed voor onze gasten zorgen. De Australische Chardonnay en de Crèmant de Limoux staan koud, de Argentijnse Malbec is op de juiste temperatuur. Over de gerechten schrijf ik nog niets, onze vrienden zouden dit nog maar eens gauw moeten lezen, dan is de verrassing eraf! Ik denk dat het een leuke avond zal worden. Ik ken de genodigden niet goed, er is een collega van A. bij, die ze heel graag ziet. Ik heb hen ook al wel eens ontmoet op een paar feestjes en toen voelde ik me goed bij hen. K. kwam ik nog eens alleen tegen in een Brussels café, hij leek me een zielsverwant. We konden meteen praten over Moby Grape en Alexander Spence. Dat gebeurt omzeggens nooit. Alleen met Patrick Riguelle is me dat ook een keer overkomen, die muzikale zielsverwantschap.
Ondanks de vrolijke vooruitzichten ben ik gespannen. Dat is altijd zo als er bezoek komt. Het is dezelfde spanning als wanneer ik op reis moet vertrekken. Soms is het zo erg dat ik ziek word. Alsof mijn lichaam me geen plezier gunt. Ik kom net van onder de douche, maar door de sterke koffie die ik daarna heb gedronken voel ik me alweer zweterig. Moet ik nu nog een keer onder de douche? Heerlijk natuurlijk, maar me afdrogen doe ik niet echt graag. Ik zou liever met mijn nat lijf door het huis lopen, warm als het is. Maar ik geloof dat dat verboden is. Het zou trouwens geen zicht zijn.

GERAAS EN GEBRAL I

JOS (2)

Een paar dagen geleden vond ik oude, met de vulpen geschreven, notities terug over een bezoek aan mijn vriend Jos. De datum van de tekst is onleesbaar, maar ik weet wel zeker dat de avond die ik erin beschreef zich in 1978 voltrok.

Ik was die avond onaangekondigd bij Jos komen opdagen. Dat deden we in die tijd bijna altijd: we hadden geen telefoon en al de rest bestond nog niet. Mijn vriend was blij dat ik daar zo opeens voor zijn deur stond. Zelf was ik ook opgewekt, maar tegelijk aan hevige onrust ten prooi. Die onrust was een voorbode van een periode van ziekte. Dat fenomeen is veel meer dan een voorgevoel. Omdat het zo herkenbaar is grenst het aan zekerheid. Ik heb van dat inzicht nog geen enkele arts kunnen overtuigen. Ik denk dat de onrust wordt veroorzaakt door de zenuwen, als een waarschuwing aan het lichaam, wees voorzichtig, er is een aanval op komst.

Na een paar biertjes had ik echter mijn kalmte teruggevonden. Onze conversatie ging over vriendschap. Jos herinnerde zich mijn brief waarin ik naar de uitspraak ‘Een vriend is een ander zelf’ van Aristoteles had verwezen (Ik had die niet bij Aristoteles gevonden, maar in een verhaal van Borges. In verhalen van Borges kun je ongeveer alles vinden. Een zin van hem is soms een hele encyclopedie.). Jos vond het de mooiste brief die hij ooit gekregen had. Ik was niet zijn beste vriend, zei hij. Ik was veel meer dan dat, ik was zijn enige vriend. Ik hoopte in stilte dat onze vriendschap zou blijven duren. Want je weet maar nooit. Maar genoeg daarover.