ACTEUR EN MASKERADE

 

north by northwest2

De acteur stelt zich niet bloot aan zijn publiek. Zelfs als hij naakt op het podium staat is hij niet bloot. De toeschouwer ziet zijn naaktheid als een omhulsel, een lichaamomvattend masker, want de acteur draagt inderdaad een masker. Het masker is zijn rol, het spel met de anderen is zijn maskerade. Ook de toeschouwers zijn gemaskerd, maar bij hen is het geen spel, maar zeer vaak bittere ernst. Niet dikwijls kan een toeschouwer met zware problemen die tijdens zelfs een bijna perfecte opvoering van King Lear vergeten. Hopelijk voor hem zijn er toch momenten waarop hij zich bijvoorbeeld met Cordelia identificeert, of met Gloucester, het maakt niet echt uit met wie, het is maar een hoop die ik heb. Gaan niet alle mensen gemaskerd door het leven? Soms denk ik, nee, niet alle mensen, er zijn uitzonderingen, laten we zeggen: gekken en moordenaars. Maar speelt de moordenaar niet de rol van moordenaar? En de gek de rol van gek? Een korte episode van ongemaskerd zijn stelt de moordenaar in staat echt mens te zijn. Maar de prijs voor die menselijkheid wil geen mens echt betalen. Hetzelfde geldt voor de waanzin. Wie wil waanzinnig worden om mens te kunnen zijn? En dan nog maar heel kort, want al snel worden moordenaar en waanzinnige in de patronen van de maskerade, van de berusting gedwongen. Geneesmiddelen en straf, artsen en rechters hebben die functie en opdracht. Je weet toch dat alles normaal moet verlopen. Sterke, jonge mannen, vol dromen en verlangens, gaan de oorlog in alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Maar beste polemologen, is oorlog wel een normale zaak? Zeg het me, want ik heb zo mijn twijfels.

Na de voorstelling heeft de acteur zijn masker afgezet; hij heeft snel wat gemakkelijk zittende kleren aangetrokken, het spel is afgelopen. Als hij het café binnenstapt zie je dat hij nog wat nazindert, nog wat gloeit – de natrillingen van het genezende spel. Heel even zie je vanuit je ooghoek, terwijl je een slokje wijn neemt, de echte mens, zonder masker, op de grens van de gespeelde vervreemding en de echte, die waar wij in leven. Alles wat ik hier vertel is niet nieuw. Het thema van de vervreemding en de maskerade komt in duizenden boeken, films en toneelstukken voor. Een mooi voorbeeld is het personage Roger Thornhill (Cary Grant), in Hitchcocks ‘North By Norhtwest’. Het gaat om een doorsneeburger die verward wordt met een geheim agent, George Kaplan. Al van in het begin van het verhaal maakt alles wat Thornhill doet hem verdacht. Zijn gedrag maakt als het ware duidelijk dat hij George Kaplan is, terwijl dit toch niet het geval is. Deze man komt in een meta-maskerade terecht, waar niets is wat het lijkt, en het tegelijk toch is wat het is. Als je lang nadenkt over deze film stort je hele wereld in. Je weet niet meer wie je bent. Wat is je essentie, datgene wat je ziel wordt genoemd? Wat is je psyche? Ben je degene die je denkt dat je bent of ben je veeleer degene die door de anderen wordt bekeken en beoordeeld? Er zijn nog talloos veel andere voorbeelden van verhalen over maskerade en ontmaskering, over dubbelgangers en mensen zonder gezicht. Mag ik ‘Les yeux sans visage’ van Georges Franju aanbevelen? Of een biografie over Artur Rimbaud? Waarbij ik ervan uitga dat een biografie over Arthur Rimbaud niet echt over de dichter en avonturier gaat. Net zoals ‘Professione: Reporter’ van Antonioni niet echt over een reporter gaat. Veel lees- en kijkplezier!

DE ROODBORSTJES VAN DAVID LYNCH

nergens,vluchtgedrag,david lynch,thuis,humor,hotelkamers,familie,feestjes,surrealisme,dorothea tanning,max ernst,van morrison,bijbel,drinken,vluchten,wereld,roodborstjes

Zelden, zo goed als nooit heb ik het gevoel dat ik op de plaats ben waar ik moet zijn, waar ik thuishoor. Zelden voel ik me ergens op mijn gemak, vallen mijn lichaam en mijn denken samen – als het geheel dat ze toch zouden moeten vormen. Vanwaar die gespletenheid? Hoor ik daar iets? Nee? Of toch? Ik hoor ergens in mijn achterhoofd Van Morrison zingen: I’m nothing but a stranger in this world. Dat heeft hij van een blueszanger, maar komt het niet uit de bijbel? Is de bijbel niet het meest gemeenschappelijke boek, het meest gelezen, ligt het niet in miljarden hotelkamers? Is het zich niet thuis voelen in de wereld een algemeen menselijk verschijnsel, iets waar ‘bijna iedereen’ onder gebukt gaat? Ik zou het niet weten. Ik weet zo weinig. Ik heb zo weinig te vertellen. Verwacht van mij maar geen grapjes of anekdotes. Ook al ben ik geen treurwilg, ik ben zeker geen plezante Charel. Op familiefeestjes, recepties en dergelijke maak ik me zo snel mogelijk uit de voeten, ofwel drink ik me lazarus. Vlug weggevlucht, alsof ik niet gezien mag worden, alsof ik een misdadiger ben, “an angel with a dirty face”, ja ja we kennen het allemaal wel, als een bezetene snel ik naar de uitgang, de nooduitgang, de blauwe deur door, de donkere trap af, en dan sta ik op straat, omgeven door nacht.

Behoor ik dan tot de nacht? Nee, dat denk ik ook niet. Niet tot de nacht en niet tot de dag, net zoals Kyle McLachlan en vooral Laura Dern in Blue Velvet. Herinner je je de roodborstjes?
“I had a dream. In fact, it was on the night I met you. In the dream, there was our world, and the world was dark because there weren’t any robins and the robins represented love. And for the longest time, there was this darkness. And all of a sudden, thousands of robins were set free and they flew down and brought this blinding light of love. And it seemed that love would make any difference, and it did. So, I guess it means that there is trouble until the robins come.”
Het is duidelijk dat David Lynch weet waar ik het over heb. Sommige romantische dichters en surrealistische kunstenaars wisten het evenzeer. Kijk naar de werken van Dorothea Tanning en Max Ernst. Wellicht zijn zij niet op de vlucht gegaan maar hebben ze ‘het normale’ geweigerd, en hebben ze hun eigen wereld gecreëerd. Elk werk schijnt dan een instrument te zijn dat het leven in hun eigen wereld mogelijk maakt. Elk instrument een schitterende vondst. Ik houd van die namen, David Lynch, Max Ernst, Dorothea Tanning. Met zulke namen bouw ik mijn wereld op, maar niet alleen met hun namen: hun werk zet mij op het spoor van iets wat ik nog niet ken. Ze maken een ontdekkingsreiziger van me; zie je mij hier tekeer gaan met mijn zaklamp en kompas, terwijl Nancy Sinatra enigszins vals Nights In White Satin zingt (maar zoveel mooier dan de valse kitsch van Moody Blues)? Yes I love you, oh, how I love you. Laat de roodborstjes komen!

ELKAAR WEER LEREN ZIEN

IMG_2744 (2)

Ik woon sinds 1991 in Brussel, in de deelgemeente Anderlecht. Ik spreek meestal van Brussel omdat ik tegen de artificiële indeling in baronieën ben. Negentien burgemeesters en honderden schepenen zijn nergens voor nodig. Aan de negentien verschillende reglementeringen op allerlei vlak heb ik al helemaal een broertje dood. Maar wat ik eigenlijk wilde zeggen: ondanks het feit dat ik hier al zo lang woon ben ik nog altijd een vreemde – of zal ik schrijven ‘een vreemdeling’, daarbij verwijzend naar het lang geleden ophef makende boek van Albert Camus.

Ik verbleef onlangs anderhalve week in Lissabon en daar werd ik in sommige restaurants en cafés na één of twee bezoeken al begroet alsof ik een goede klant was. In een muziekwinkel in Coimbra knoopte de zaakvoerder met mij een gesprek aan over de stand van zaken in de muziekbusiness. Hij beweerde dat de meeste Portugezen slecht opgevoed zijn en weinig van muziek kennen. Als ik hem zijn zin had laten doen was hij nu nog altijd met me aan het praten. Ik weet niet of de Portugezen slecht opgevoed zijn. De treinen in Portugal rijden in ieder geval op tijd en worden zelfs schoongemaakt. De meeste gevels zijn netjes geverfd. De mensen zijn vriendelijk en vaak ook hoffelijk. In stations word je duidelijke informatie gegeven. De echte onbeschofteriken werken volgens mij allemaal in toeristische informatiecentra. Daar ben ik niet bepaald over te spreken. De Portugezen zullen een hekel hebben aan toeristen omdat velen er op aangewezen zijn voor hun levensonderhoud. Is dit een vreemde gevolgtrekking? Ja, ik weet het, ik zit niet logisch in elkaar. Ik spring ook graag van de hak op de tak. Maar toch kom ik altijd weer met mijn voeten op de grond.

In Brussel word ik nooit begroet in winkels, cafés of restaurants, zelfs niet als ik er al fortuinen heb uitgegeven zoals in de Fnac. Ik durf er niet over nadenken hoeveel franken en euro’s ik daar al naartoe heb gebracht, in ruil voor kortstondige eeuwigheid. Met dat bedrag had ik een huis kunnen laten bouwen en een bosje aanleggen. Misschien geen villa maar toch ook geen fermette.

In onze straat wordt evenmin gepraat of geglimlacht. Niemand neemt zijn hoed af of geeft een tikje tegen de rand ervan. Als men je passeert kijkt men een andere richting uit, of richt de blik naar de grond. Op die grond liggen nochtans vaak hondendrollen. Zou het daardoor zijn dat wij op straat niet worden begroet? Uit schrik om in zo’n drol te trappen? John Donne schreef dat niemand een eiland is. Ik zou willen dat het waar was en dat de wereld, zoals ook vaak wordt beweerd, een dorp is. Ik zou graag veel mensen groeten en zelf ook begroet worden zoals dat in de dorpen gebeurt (of gebeurde, want ik ben al lang niet meer in Belgische dorpen geweest). Ik zou willen gezien worden, zodat ik opnieuw, zoals in mijn kinderjaren, het gevoel krijg dat ik besta. Nu ziet noch hoort iemand mij en dat is juist de pest. Kan dit spoedig veranderen?

Foto: Anderlecht. Martin Pulaski, 2007

 

ALS ER TOEKOMST WAS ZOU ZIJ JE UITLACHEN

treinreis 2

Je zit wat ziek en enigszins levensmoe aan een tafel in de stationsrestauratie in M. In die hoop donkere stenen vraag je je af hoe je weer gezond kunt worden. Wat maakt je ziek en levensmoe? Waar ben je naar op zoek? Een andere stad? Een ander leven? Misschien wel. Is het niet je diepste wens dat alles anders wordt? Dat je terechtkomt in een plaats waar geen wanhoop is, geen ademnood, drank in zeer kleine hoeveelheden, geen drugs, geen geneesmiddelen, geen woede, geen ruzie. Nee, het gaat niet goed met je. Zeg maar: het gaat slecht. Je zou je gebrek door rijke gedachten moeten kunnen verjagen. Maar meteen sleuren ze je mee naar kamers zonder uitzicht. Soms denk je, ik ben de erfgenaam van Edgar Allan Poe, een man zonder vaderland, in zekere zin een Amerikaan, maar dan alleen maar van de geest. Amerika: je kent het land beter dan het hart van je geliefde. Maar wat maakt het uit. De tijd is een zakkenroller. Ook hier temidden van die donkere stenen, waar niets een diepe gedachte of een intens verlangen belichaamt. Je kon net zo goed als Poe op het einde in de goot liggen. Je laten gaan in een verlammend verlangen naar je noodlot. Maar je laat je nog niet gaan. Daar waar de grens begint blijf je staan, als voor een lange, donkere tunnel. Is het nog wel een plaats, een ruimte, daar waar je staan blijft? Je zou het niet kunnen zeggen, bij gebrek aan een moedertaal, een vaderland. Vader? Zijn beeld doemt op, de boerenzoon, de schipper, het natuurlijke kind. Een onontwarbaar kluwen van liefde en haat. Het beeld van je vader wordt verdrongen door herinneringen aan een film, In Cold Blood, beelden van zonen, van moordenaars.

Ook al zou je fris en monter zijn, zou je er nog keelpijn krijgen en grijze vlekken op je huid. Het is zo’n station waar bepaalde mensen – degenen die weinig weerstand bieden – onherroepelijk ziek in worden. Er hangt inderdaad iets ziekmakends in de lucht in die koude, kille ruimtes. De meeste mensen daarentegen passeren er twee keer per dag en merken er niets van. Sterke en onverschillige mensen, onderweg van de ene vergetelheid naar de andere. Jij bent echter een buitenstaander, iemand die nog net niet in de goot ligt, de sterren en de maan weerspiegeld in een plas regenwater.

Een poos kleurenblind zijn zou er niet slecht zijn. De restauratie zou het decor van een film noir worden. Opeens is het een magische plek. Je ziet het meteen gebeuren. Voor de deur stoppen een paar witte, bootachtige wagens; mannen met borsalino’s op het hoofd en anjers in de knoopsgaten stappen uit, vrouwen met diepe decolletés onder de pels. James Cagney’s gevaarlijke grijns, Gloria Grahames misprijzende koortsblik, een mengeling van afkeer en wurgende seks. Maar zij in dat station? Of in een hotelkamer in het vermolmde hotel aan de overkant van de straat? De gangstergodin wachtend op haar vriend, de moordenaar Jim? Nee, jongen, dat kan niet. Je bent niet eens kleurenblind. Dit is doodgewoon de restauratie van het station van het provinciestadje M.

Ken jij een stationsrestauratie, een zogeheten buffet, waar de tijd voortsnelt als een Eurostar? Waar de diensters glimlachen als net verkozen schuimwijnprinsessen? Neen, dat is ondenkbaar. Je hebt er nochtans al veel versleten in België. Je kent het klappen van de zweep. Je kent de kneepjes van het vak. Illusies zijn een prettig tijdverdrijf. Maar desondanks besteelt de tijd je waar je bij zit. Als er toekomst was, zou zij je uitlachen.

Foto: Martin Pulaski

 

MELANCHOLIE, DOODSANGST

repulsion deneuve mirror

Ik zit vandaag vooral veel voor me uit te staren en te piekeren. Niet echt voor me uit staren: de blik is veeleer naar binnen gericht, ik zie nauwelijks wat er zich om mij heen bevindt. In de supermarkt ben ik vervreemd van de andere consumenten. Ik zet zonder iemand te zien mijn waren op de transportband, stop de etenswaren in mijn rugzak, betaal en ben weer weg. Mijn huidige toestand doet me denken aan die van Cathérine Deneuve in ‘Repulsion’. Dacht zij ook zo veel aan de dood? Dat is vandaag namelijk bij mij het geval. De dood zit mij dwars. Het is diepe melancholie, die verlammend werkt. De zekerheid dat je moet sterven. Het treuren om de dood van vrienden, familieleden, ouders, bewonderde helden.

De kwaal waar ik het enkele dagen geleden over had zit in mijn onderlijf, maar ze zit natuurlijk ook als idee in mijn hoofd – en langs die weg heeft ze mij al nare dromen over knekels en uiteenspattende vruchten bezorgd, dromen die zich afspelen in het onder een gouden nevel rustende rijk van de dood. Ik probeer aan die melancholie te ontsnappen met Brian Wilson en the Beach Boys (‘Cabinessence’, ‘Wind Chimes’, ‘Heroes and Villains’), maar veel helpt het allemaal niet. Ik zal geduld moeten oefenen en wachten tot de zon weer gaat schijnen, of me wat meer inspannen en troost zoeken in de wijsbegeerte.

SCHOONHEID EN AFTAKELING

candy

Al een tijd terug in de heimat, wennen aan de schoonheid en het vuil rondom mij. Wennen aan de zachte Belgische lente, het groen van de bomen in onze straat, de milde regen, de winkels uitpuilend van groenten en fruit, maar ook het lawaai van de auto’s en de giftige lucht. De onbeschofte taxichauffeurs. Het gevoel een vreemde te zijn in je ‘eigen’ stad, in je ‘eigen’ land. Het oude, vertrouwde dat soms zo bizar kan lijken. Of is het in wezen allemaal bizar?

Ik word ouder, kaler, grijzer, maar rimpels laten nog wat op zich wachten. Het gezicht is niet doorgroefd van zware arbeid, drank en sigaretten. Het aantal kwalen waaronder ik gebukt ga is echter niet meer te overzien. Je kan niet zeggen dat ik voor gezondheid en geluk geboren ben. Ik ben niets, sta nergens, ben nergens thuis, ben gewenst noch ongewenst. Noem me maar een loser, baby. Maar als ik in de spiegel kijk ben ik niet helemaal ontevreden. Het is niet de kop van een coole schoonheid als Candy Darling – die nu weer in de belangstelling blijkt te staan – maar evenmin die van een beate idiotie uitstralende Tom Boonen of andere vedetten en kampioenen in het landschap van Big Brother. Ik ben tevreden met mijn kop omdat het een kop is. Je ziet meteen dat ik heb geleefd en wat nog beter is: dat ik nog steeds in leven ben. In leven, jongen. Thank you for the days, hoor ik Ray Davies nu zingen. Die man wist het al lang geleden. Those endless days…

Toch is er geen reden voor vreugde of ben ik niet meteen zinnens feest te gaan vieren. Tijdens mijn verblijf op La Palma (waar ik opnieuw sporen aantrof van een of ander paradijs, zeer aanwezig maar desondanks verloren, nabij en toch zo ver, om met Wim Wenders te spreken) ben ik ernstig ziek geworden en dat ben ik nog altijd en het zal zeker nog een tijdje duren. De volgende dagen worden dagen van medicatie, onderzoeken, analyses, bang en hoopvol afwachten.

Door die ziekte heb ik nu tijd om mij weer aan te passen aan de heimat. Ik gebruik graag dat Duitse woord omdat ik de drie Heimat-reeksen van Edgar Reitz tot het allebeste filmoeuvre reken dat ooit werd bijeengefilmd. Ik ben ook wel opgelucht dat ik nog thuis ben geraakt, dat ik mij hier kan laten behandelen. Niet dat ik de arts in Tazacorte wantrouwde, maar hier in mijn vaderland kennen de dokters me. Ze zijn op de hoogte van mijn zwaktes, mijn allergieën, mijn angsten, maar ook van mijn hypochondrie. Dat geeft een enigszins veiliger gevoel.

Ondertussen is het Vlaamse Circus BHV nog altijd in het land. Begrijpen de Vlaamse fanatici dan niet dat ze België vernietigen, dit uniek, fabelachtig, en inderdaad visionair land? Wie zit er te wachten op een Vlaming of een Waal? Belgen echter worden gerespecteerd, onder meer vanwege hun bedrevenheid in het oplossen van problemen. Maar meer nog omdat ze een bijzondere gave hebben om problemen te scheppen. Dat is toch buitgengewoon! De Vlaamse fanatici willen dus een soort Denen of Moldaviërs worden. Ik heb niets tegen Denen, maar zijn zij bijzonder? In wat dan? Ik ken hen alleen als een volk in een land in een stuk van Shakespeare. Een fictief volk, eigenlijk. Dezelfde fanatieke Vlamingen (of hun voorouders) hebben van Brussel een Franstalige stad gemaakt. Je moet maar eens de proef op de som nemen en in het telefoonboek kijken hoeveel Franstalige Vanderstraetens er in Brussel wonen. Allemaal afstammelingen van ‘echte’ Vlamingen. Die mensen hebben op een gegeven moment vanuit praktische en economische overwegingen (en zeker niet literaire) het Frans verkozen boven het ‘Nederlands’ (meestal ging om het Oost- en West-Vlaams: de sprekers van die dialecten waren de meest ondernemenden onder de oude Flamins). De consequentie daarvan is dat Brussel nu een Franstalige wereldstad is met inwoners uit meer dan honder landen afkomstig. So what? Als deze stad New York zou heten zou iedereen er trots op zijn. En als Brussel de hoofstad van een België zou zijn waarmee je je kunt identificeren, ook als immigrant, zoals de immigranten in de VS zich Amerikanen voelen, dan zou iedereen even trots zijn. Maar dat willen die fanatieke Vlamingen niet. Die willen BHV splitsen en met oude leeuwen zwaaien en kaakslagen incasseren en het eigen volk voor eeuwig in het eigen nat laten marineren. Ach, fanatici, een meelijwekkende soort. Ik blijf er voorlopig op vertrouwen dat de heren Di Rupo en Verhofstadt – waar ik niet de minste sympathie voor koester – een oplossing vinden voor het Circus BHV.

En vanaf nu zwijg ik over politiek en keer ik terug tot de letteren (in het Nederlands tot uitsterven gedoemd) en de rock & roll (al dood en begraven). Keep on rockin’ in the real world! Laat je niet aliëneren. En let op de parkeermeters: die hebben oren.

Foto: de schoonheid van Candy Darling