UITSTELGEDRAG

Goya-Disparate-Los-Ensacados-1815-19-etching-etc-Prado-8.jpg

“Vermoedelijk, in mijn luiheid gewend geraakt mijn werk dag in dag uit tot morgen uit te stellen, verbeeldde ik mij dat het net zo zou gaan wat de dood betrof.” Dat schrijft Marcel Proust in ‘De tijd hervonden’. Ik ga er voor het gemak van uit dat de verteller hier samenvalt met de schrijver. Marcel Proust zegt bijgevolg dat hij zijn werk aan ‘A la recherche du temps perdu’ tot morgen uitstelt. En morgen stelt hij het opnieuw uit. Dus geraakt het werk nooit af. En toch liggen de drie delen van de Pléiade en de zeven delen van de Nederlandse vertaling hier naast me. Ik leid hier uit af dat de schrijver liegt of ten minste overdrijft. De recherche is inderdaad nooit helemaal af geraakt, maar er is verdomd hard aan gewerkt. Elke zin is een kunstwerk, elk woord staat waar het staan moet. Elk personage heeft de naam die het moet hebben.

Het uitstelgedrag wijt de schrijver aan zijn luiheid. Maar ook dat geloof ik niet. Waarom stel ik zelf al maanden ongeveer alles uit wat ik wil doen, niet alleen werk maar ook plezier? Zeker niet uit luiheid. Waarschijnlijk is er al onderzoek gedaan naar uitstelgedrag, maar dat ken ik niet. Ik weet echt niet wat de oorzaak is. Ik heb honderden ideeën voor verhalen, korte prozateksten, gedichten, beschouwingen; meestal borrelen die ’s nachts op. ’s Nachts leid ik een rijk maar uiterst vermoeiend leven.
Na het ontbijt wil ik eraan beginnen, maar het gaat niet. Ik stel uit. Ik schrijf één bladzijde in mijn dagboek, onder meer dat ik de vorige dag niets heb kunnen schrijven. Na die ene bladzijde ben ik uitgeput. Mijn hoofd is helemaal leeg. Het lijkt of ik rustig ben, maar toch kan ik me niet concentreren. Ik lees een paar paragrafen in ‘Op zoek naar de verloren tijd’ en sla het boek alweer toe. Een stukje Heidegger (‘Wat is denken?’) dan maar… Daar moet ik me wel op concentreren… Maar ook dat houd ik niet lang vol. Ondertussen zijn alle ideeën van de voorbije nacht in een dichte mist verdwenen. En met het verdwijnen van die ideeën lijkt de kern van mijn existentie eveneens door het grote niets te zijn verzwolgen. Of uiteen te zijn gespat in honderden brokstukken die elk hun eigen mij onbekende weg willen gaan.

Ik kan niet meer tegen deze ledigheid, tegen deze verveling (die ik tot voor kort nooit gekend heb). Ik ben moe. Terwijl ik zeg dat ik niet wil verdwijnen verdwijn ik, terwijl ik zeg dat ik niet wil berusten berust ik. Terwijl ik zeg dat ik bang ben voor de dood trekt de dood mij aan. Terwijl ik door het raam kijk naar de wolken zie ik betekenisloze vormen. Ik hoef de wolken niet te tellen om in slaap te vallen. Ik val in slaap. Elke dag val ik in slaap terwijl ik toch wakker wil blijven. Wakker en helder en boordevol energie. Vrij van zwaartekracht en zelfbeklag. Een man met een plan, vastberaden en sterk. En dan hoor ik John Lennon het uitschreeuwen: Yes I’m lonely, wanna die. Girl if I ain’t dead already then you know the reason why. Is dit nu wat de blues wordt genoemd? De muziekvorm die mij altijd zozeer heeft weten te bekoren… Ik weet het niet. Ik heb het gevoel dat ik niets meer weet. Als je niet bestaat kun je niet denken en als je niet kunt denken kun je niet weten. Ik heb er veel voor over om uit de nachtmerrie die mijn leven geworden is te kunnen ontwaken.

Ω

Afbeelding: Goya,Los Esacados, 1815-1819

HERKENNING

Dit:

In de momenten van verveling (bijvoorbeeld tijdens de ochtendlijke treinreizen waarbij ambtenaren luidop hun wereldverbeterende visies verkondigen), op die momenten wis ik sms’jes. Een paar van die boodschapjes behoud ik, omdat ze een nostalgische waarde hebben. Die van toekomstige aflijvigen. Of omdat ze een mobiel nummer insluiten. Functioneel behoud heet dat. Een hoopje berichten conserveer ik vanuit een onbegrijpelijk genoegen : die met veel uitroeptekens en vraagtekens. Ik houd ze, omdat ze in  hun nietszeggende schreeuwerigheid, heel veel verdriet en onmacht verraden. Met andere woorden : ze hebben uitgeschreven emotie.

las ik hier:
lucdewaele.wordpress.com

Wat had ik dat graag zelf geschreven. Een en al herkenning. Maar vooral bewondering voor de mooie en gepaste formulering van een ogenschijnlijk doogewone vaststelling.

Met dank aan Uvi, die me op de waarde van het werk van Luc De Waele wees.

LIFE HAS ITS LITTLE UPS AND DOWNS

leven,wil,verveling,machteloosheid,toeschouwer,charlie rich,elvis presley,sam phillips,muziek,rock and roll,pop,sun

Is mijn leven niet dor geworden, saai, eentonig? Onvruchtbare algemeenheid, verstoken van poëzie en avontuur. Maar hoe komt het dan dat ik me toch niet verveel? Dat heb ik denk ik aan mijn wil te danken: in mijn gevecht met de verveling is dat mijn enige steun en toeverlaat. Hoe lang echter zal ik nog op hem kunnen rekenen?
Alles verandert, mensen en dingen, het gebeuren gebeurt – en je weet niet goed wat jij hier in die drukte kunt of moet aanvangen… Wat kun je doen? Je bent niets, je hebt immers geen macht. Aan ergens ingrijpen in een proces hoef je niet te denken. Zelfs al verkeerde je in goede gezondheid en beschikte je over twee sterke armen. Het is wel waar dat je nog altijd een arm meer hebt dan Franz Biberkopf.
Je bent niet veel meer dan een toeschouwer. Je hele leven lang zit je passief te kijken naar een min of meer dramatische maar niet bepaald spannende of ontroerende B-film, een slechte kopie trouwens – de versleten stukken werden niet gerestaureerd maar er botweg uit weggeknipt – die, en dat weet je maar al te goed, op elk willekeurig moment kan breken.

De titel van dit stukje verwijst naar een song van de nogal miskende Amerikaanse zanger en pianist Charlie Rich, destijds ongeveer samen met Elvis Presley ‘ontdekt’ door Sam Phillips in de Sun studio:

“But I can count on her to take it
With a smile and not a frown.
She knows that life
Has its little ups and downs…”

VERVELING, VERMOEIDHEID EN LEEGTE

oblomov,gontsjarov,leegte,verveling,wat te doen,boeken,luc janssen,luc tuymans,schrijvers,dbc pierre

Ik verveel me. De leegte is overal om me heen. Het lukt me niet om eraan te ontsnappen. In weerwil van mijn afkeer van de man die zich Lux laat noemen – waarschijnlijk omdat hij zich altijd met de zeep van de filmsterren wast -, heb ik gisteravond uit pure verveling toch naar Luc Tuymans gekeken. Ik heb me ontiegelijk geërgerd aan het programma, of wat dacht je. Lux vindt zichzelf zo belangrijk dat hij zijn gasten niet een keer laat uitspreken. Mensen niet laten uitspreken is het toppunt van grofheid. In een van zijn laatste interviews heeft Jacques Derrida nog op die kwalijke eigenschap van de televisie (en van de media in het algemeen) gewezen. Er mag niet geaarzeld, niet getwijfeld, niet nagedacht worden op televisie. Dat is slecht voor de kijkcijfers. En gisteravond was dat ongetwijfeld slecht voor het imago van Lux. Ik had medelijden met Luc Tuymans, ook al is hij rijk en beroemd. Voor dat verdomde programma met de grote Belgische schilder als gast (terwijl de zeepman maar niet genoeg kon krijgen van de woorden ‘Vlaams’ en ‘Vlaanderen’) had ik al naar iets over de Azteken gekeken, “de grootste beschaving aller tijden”. Ik had gelezen dat het een programma van DBC Pierre was, wiens boek Vernon God Little ik graag heb gelezen. Maar wat een shitprogramma was dat, over die Azteken! Van het begin tot het einde kitschbeelden, van een onheilspellende lelijkheid, en wat verteld werd zouden zelfs onnozele kinderen niet geloven. Het is dan nog heel goed mogelijk dat er helemaal geen onnozele kinderen meer bestaan. Toch ben ik als een ervaren couch potato in mijn sofa blijven zitten. Meestal schiet ik bij zulke rotzooi mijn televisietoestel aan flarden, maar daar had ik gisteravond de energie niet meer voor. Ik vind het jammer dat ik het moet zeggen, maar de grote DBC Pierre had de uitstraling van een ezelsoor in mijn exemplaar van Don Quichot (het is een oude uitgave). En ik die dacht dat hij zulke grote avonturier was…

Ik verveel me. De leegte dreigt me op te slokken. Ik heb nergens zin in. Stapels boeken liggen op me te wachten. Op mijn ogen, op geknetter in mijn hersens. Het treurig beroep van schrijver, van Gérard de Nerval; Down and Dirty Pictures van Peter Biskind; Vorst van Thomas Bernhard, A Wild Sheep Chase van Haruki Murakami; Hard Boiled Wonderland en het einde van de wereld, van dezelfde schrijver; De Oude Geschiedenis van de Joden, van Flavius Josephus; Middlemarch van George Eliot; On Beauty van Zadie Smith; The Grapes Of Wrath van John Steinbeck. En Oblomov van Ivan Gontsjarov heb ik ook nog altijd niet gelezen. Ja, ik verveel me, en ik heb zin om heel veel bourbon whiskey te drinken, maar daar kan ik niet meer tegen. What to do, yeah, I really don’t know what to do. Ik zal nog maar eens door raam gaan kijken, naar de zonovergoten bomen in onze straat.

EEN ZWERVER KOMT THUIS

casa de serralves

De rusteloosheid zit me in het bloed. Ik ben graag thuis tussen mijn boeken en mijn muziek en ik breng veel tijd door aan mijn computer, werkend aan oude en nieuwe teksten, of contacten onderhoudend met mijn cyberspace-vrienden. Vroeger zat ik graag aan een tafel met een boek en potloden. Al lezend onderstreepte ik en schreef uitspraken die me troffen over in een werkschrift. Dat was grondstof voor eigen geschriften. Nu gebeurt het nog maar zelden dat ik met een boek aan tafel zit en nog minder dat ik zinnen onderstreep. Ik vind het zinloos en nutteloos, haast compulsief gedrag. Als ik nog lees is het vooral in bed. Aan tafel eet ik en drink ik wijn, en als er bezoek is praat ik ook wel wat. Maar van lange tijd thuis blijven is de pret af. Werkelijk genieten van de hierboven genoemde bezigheden doe ik niet langer. Zelfs de beste film op dvd gaat me al snel vervelen. Een volledige cd beluisteren is onbegonnen werk. Na drie songs heb ik het wel gehoord. Meer van hetzelfde! Bespaar mij het cocoonen. Het zwerven zit me in het bloed. Ik wil weg van huis. Het liefst verblijf ik in een hotelkamer. Daar kom ik eindelijk wat tot rust, daar slaap ik enige uren aan een stuk. Ja, ik cocoon in een hotelkamer, en zelfs in een metrostation. Ik houd van het flaneren in een nog niet stuk geflaneerde stad. Ik verplaats me wel graag met metro en tram, desnoods zelfs met de bus, maar wat ik echt boven al verkies is te voet gaan. Dat is in mijn ogen de beste manier om een stad of een land te verkennen. De voorbije dagen in Porto heb ik mijn schoenzolen niet gespaard. Het is een magnifieke stad om in te wandelen. Vervallen, maar schrijnend mooi van (oude) architectuur. ’s Middags de geur van gebakken vis en altijd – ook al hoor je hem niet echt – de droeve klanken van de fado. Beleefde, bescheiden, wat schuchtere mensen. Ze spreken stil, alsof ze zich enigszins schamen voor hun aanwezigheid. Het katholicisme heeft er zijn akelige sporen getrokken, maar ook de kerken, vaak parels van barokkunst, baden in het helderste licht van de Atlantische Oceaan. Overal waar je kijkt zie je azulejo’s – en bovenal in het São Bento station -, een troost voor het te veel gelezen en geleden hebbende, vermoeide oog.

Terug in België, in Brussel: de duisternis hier is wat mij meteen opvalt, de terneerdrukkende duisternis en pas daarna de vochtige kou. Je hele appartement is al na een week afwezigheid een vreemde plek geworden, vijandig aan je lichaam. Het is gaan toebehoren aan die donkere wereld van vocht, kou. Het heeft iets boosaardigs gekregen. Net als veel inwoners van dit land is het niet gastvrij, zelfs niet voor zijn oude vertrouwde bewoners, die het nochtans koesteren en zelfs met liefde bejegenen. Misschien is het appartement zich bewust van mijn ontrouw, van mijn diepe wens om het voor altijd de rug toe te keren en een zwervend bestaan te gaan leiden. Mijn kamers mogen echter op twee oren slapen: gebrek aan financiën, zwakte en vermoeidheid kluisteren mij gemiddeld veertien uur per dag aan ze vast. Tussen hun muren ontvang ik nieuwe woorden en luister ik naar soul, blues, country, en voortaan ook fado of bekijk ik nog een keer Days Of Heaven. De straten van mijn stad ontwijk ik zoveel mogelijk. God die niet bestaat, laat het maar regenen op de slechte mensen!

Foto: Martin Pulaski, Casa Seralves in Porto.

LUSTELOOS EN GEIL

coup de torchon,jim thompson,philippe noiret,green on red,lusteloosheid,spleen,geil,the killer inside me,bertrand tavernier,pop,muziek,popcultuur,bonnie prince billy

Je zou kunnen schrijven over het weer. Over de hitte. Over hoe de hitte je loom en lusteloos en geil maakt. Schrijven dat je geen zin hebt om wat dan ook te doen. Geen muziek beluisteren, zelfs niet ‘A Sucker’s Evening’ van Bonnie Prince Billy, dat nochtans goed past bij dit weer, geen films bekijken, zelfs niet ‘Coup de torchon’ van Betrrand Tavernier, die nochtans uitstekend de morele aftakeling laat zien die gepaard gaat met hitte, loomheid, lusteloosheid en geilheid (maar natuurlijk ook met kolonialisme, militarisme, racisme en uitbuiting). Een film die door merg en been gaat, met een Philippe Noiret die zichzelf overtreft – en Isabelle Huppert is altijd mooi meegenomen, zeker in de rol van een ‘onschuldige’ geile teef (om even vrouwonvriendelijk te klinken, maar dat is nu eenmaal haar rol). ‘Coup de torchon’, gebaseerd op een pulpmeesterwerk van Jim Thompson, ‘Pop. 1280’, en zijn ‘The Killer Inside Me’ is nog beter. Green On Red hebben er een van hun elpees naar genoemd. Maar je hebt geen zin om te lezen. Je hebt geen zin om te schrijven. Il n’y a rien à faire. Alleen maar koel water drinken en zeggen dat het leven goed is zoals het is. Neen, vandaag is het niet nodig. Je voegt er niets aan toe.