UITSTELGEDRAG

Goya-Disparate-Los-Ensacados-1815-19-etching-etc-Prado-8.jpg

“Vermoedelijk, in mijn luiheid gewend geraakt mijn werk dag in dag uit tot morgen uit te stellen, verbeeldde ik mij dat het net zo zou gaan wat de dood betrof.” Dat schrijft Marcel Proust in ‘De tijd hervonden’. Ik ga er voor het gemak van uit dat de verteller hier samenvalt met de schrijver. Marcel Proust zegt bijgevolg dat hij zijn werk aan ‘A la recherche du temps perdu’ tot morgen uitstelt. En morgen stelt hij het opnieuw uit. Dus geraakt het werk nooit af. En toch liggen de drie delen van de Pléiade en de zeven delen van de Nederlandse vertaling hier naast me. Ik leid hier uit af dat de schrijver liegt of ten minste overdrijft. De recherche is inderdaad nooit helemaal af geraakt, maar er is verdomd hard aan gewerkt. Elke zin is een kunstwerk, elk woord staat waar het staan moet. Elk personage heeft de naam die het moet hebben.

Het uitstelgedrag wijt de schrijver aan zijn luiheid. Maar ook dat geloof ik niet. Waarom stel ik zelf al maanden ongeveer alles uit wat ik wil doen, niet alleen werk maar ook plezier? Zeker niet uit luiheid. Waarschijnlijk is er al onderzoek gedaan naar uitstelgedrag, maar dat ken ik niet. Ik weet echt niet wat de oorzaak is. Ik heb honderden ideeën voor verhalen, korte prozateksten, gedichten, beschouwingen; meestal borrelen die ’s nachts op. ’s Nachts leid ik een rijk maar uiterst vermoeiend leven.
Na het ontbijt wil ik eraan beginnen, maar het gaat niet. Ik stel uit. Ik schrijf één bladzijde in mijn dagboek, onder meer dat ik de vorige dag niets heb kunnen schrijven. Na die ene bladzijde ben ik uitgeput. Mijn hoofd is helemaal leeg. Het lijkt of ik rustig ben, maar toch kan ik me niet concentreren. Ik lees een paar paragrafen in ‘Op zoek naar de verloren tijd’ en sla het boek alweer toe. Een stukje Heidegger (‘Wat is denken?’) dan maar… Daar moet ik me wel op concentreren… Maar ook dat houd ik niet lang vol. Ondertussen zijn alle ideeën van de voorbije nacht in een dichte mist verdwenen. En met het verdwijnen van die ideeën lijkt de kern van mijn existentie eveneens door het grote niets te zijn verzwolgen. Of uiteen te zijn gespat in honderden brokstukken die elk hun eigen mij onbekende weg willen gaan.

Ik kan niet meer tegen deze ledigheid, tegen deze verveling (die ik tot voor kort nooit gekend heb). Ik ben moe. Terwijl ik zeg dat ik niet wil verdwijnen verdwijn ik, terwijl ik zeg dat ik niet wil berusten berust ik. Terwijl ik zeg dat ik bang ben voor de dood trekt de dood mij aan. Terwijl ik door het raam kijk naar de wolken zie ik betekenisloze vormen. Ik hoef de wolken niet te tellen om in slaap te vallen. Ik val in slaap. Elke dag val ik in slaap terwijl ik toch wakker wil blijven. Wakker en helder en boordevol energie. Vrij van zwaartekracht en zelfbeklag. Een man met een plan, vastberaden en sterk. En dan hoor ik John Lennon het uitschreeuwen: Yes I’m lonely, wanna die. Girl if I ain’t dead already then you know the reason why. Is dit nu wat de blues wordt genoemd? De muziekvorm die mij altijd zozeer heeft weten te bekoren… Ik weet het niet. Ik heb het gevoel dat ik niets meer weet. Als je niet bestaat kun je niet denken en als je niet kunt denken kun je niet weten. Ik heb er veel voor over om uit de nachtmerrie die mijn leven geworden is te kunnen ontwaken.

Ω

Afbeelding: Goya,Los Esacados, 1815-1819

HERKENNING

Dit:

In de momenten van verveling (bijvoorbeeld tijdens de ochtendlijke treinreizen waarbij ambtenaren luidop hun wereldverbeterende visies verkondigen), op die momenten wis ik sms’jes. Een paar van die boodschapjes behoud ik, omdat ze een nostalgische waarde hebben. Die van toekomstige aflijvigen. Of omdat ze een mobiel nummer insluiten. Functioneel behoud heet dat. Een hoopje berichten conserveer ik vanuit een onbegrijpelijk genoegen : die met veel uitroeptekens en vraagtekens. Ik houd ze, omdat ze in  hun nietszeggende schreeuwerigheid, heel veel verdriet en onmacht verraden. Met andere woorden : ze hebben uitgeschreven emotie.

las ik hier:
lucdewaele.wordpress.com

Wat had ik dat graag zelf geschreven. Een en al herkenning. Maar vooral bewondering voor de mooie en gepaste formulering van een ogenschijnlijk doogewone vaststelling.

Met dank aan Uvi, die me op de waarde van het werk van Luc De Waele wees.

LIFE HAS ITS LITTLE UPS AND DOWNS

Is mijn leven niet dor geworden, saai, eentonig? Onvruchtbare algemeenheid, verstoken van poëzie en avontuur. Maar hoe komt het dan dat ik me toch niet verveel? Dat heb ik denk ik aan mijn wil te danken: in mijn gevecht met de verveling is dat mijn enige steun en toeverlaat. Hoe lang echter zal ik nog op hem kunnen rekenen?
Alles verandert, mensen en dingen, het gebeuren gebeurt – en je weet niet goed wat jij hier in die drukte kunt of moet aanvangen… Wat kun je doen? Je bent niets, je hebt immers geen macht. Aan ergens ingrijpen in een proces hoef je niet te denken. Zelfs al verkeerde je in goede gezondheid en beschikte je over twee sterke armen. Het is wel waar dat je nog altijd een arm meer hebt dan Franz Biberkopf.
Je bent niet veel meer dan een toeschouwer. Je hele leven lang zit je passief te kijken naar een min of meer dramatische maar niet bepaald spannende of ontroerende B-film, een slechte kopie trouwens – de versleten stukken werden niet gerestaureerd maar er botweg uit weggeknipt – die, en dat weet je maar al te goed, op elk willekeurig moment kan breken.

De titel van dit stukje verwijst naar een song van de nogal miskende Amerikaanse zanger en pianist Charlie Rich, destijds ongeveer samen met Elvis Presley ‘ontdekt’ door Sam Phillips in de Sun studio:

“But I can count on her to take it
With a smile and not a frown.
She knows that life
Has its little ups and downs…”

VERVELING, VERMOEIDHEID EN LEEGTE

oblomov,gontsjarov,leegte,verveling,wat te doen,boeken,luc janssen,luc tuymans,schrijvers,dbc pierre

Ik verveel me. De leegte is overal om me heen. Het lukt me niet om eraan te ontsnappen. In weerwil van mijn afkeer van de man die zich Lux laat noemen – waarschijnlijk omdat hij zich altijd met de zeep van de filmsterren wast -, heb ik gisteravond uit pure verveling toch naar Luc Tuymans gekeken. Ik heb me ontiegelijk geërgerd aan het programma, of wat dacht je. Lux vindt zichzelf zo belangrijk dat hij zijn gasten niet een keer laat uitspreken. Mensen niet laten uitspreken is het toppunt van grofheid. In een van zijn laatste interviews heeft Jacques Derrida nog op die kwalijke eigenschap van de televisie (en van de media in het algemeen) gewezen. Er mag niet geaarzeld, niet getwijfeld, niet nagedacht worden op televisie. Dat is slecht voor de kijkcijfers. En gisteravond was dat ongetwijfeld slecht voor het imago van Lux. Ik had medelijden met Luc Tuymans, ook al is hij rijk en beroemd. Voor dat verdomde programma met de grote Belgische schilder als gast (terwijl de zeepman maar niet genoeg kon krijgen van de woorden ‘Vlaams’ en ‘Vlaanderen’) had ik al naar iets over de Azteken gekeken, “de grootste beschaving aller tijden”. Ik had gelezen dat het een programma van DBC Pierre was, wiens boek Vernon God Little ik graag heb gelezen. Maar wat een shitprogramma was dat, over die Azteken! Van het begin tot het einde kitschbeelden, van een onheilspellende lelijkheid, en wat verteld werd zouden zelfs onnozele kinderen niet geloven. Het is dan nog heel goed mogelijk dat er helemaal geen onnozele kinderen meer bestaan. Toch ben ik als een ervaren couch potato in mijn sofa blijven zitten. Meestal schiet ik bij zulke rotzooi mijn televisietoestel aan flarden, maar daar had ik gisteravond de energie niet meer voor. Ik vind het jammer dat ik het moet zeggen, maar de grote DBC Pierre had de uitstraling van een ezelsoor in mijn exemplaar van Don Quichot (het is een oude uitgave). En ik die dacht dat hij zulke grote avonturier was…

Ik verveel me. De leegte dreigt me op te slokken. Ik heb nergens zin in. Stapels boeken liggen op me te wachten. Op mijn ogen, op geknetter in mijn hersens. Het treurige beroep van schrijver, van Gérard de Nerval; Down and Dirty Pictures van Peter Biskind; Vorst van Thomas Bernhard, A Wild Sheep Chase van Haruki Murakami; Hard Boiled Wonderland en het einde van de wereld, van dezelfde schrijver; De Oude Geschiedenis van de Joden, van Flavius Josephus; Middlemarch van George Eliot; On Beauty van Zadie Smith; The Grapes Of Wrath van John Steinbeck. En Oblomov van Ivan Gontsjarov heb ik ook nog altijd niet gelezen. Ja, ik verveel me, en ik heb zin om heel veel bourbon whiskey te drinken, maar daar kan ik niet meer tegen. What to do, yeah, I really don’t know what to do. Ik zal nog maar eens door raam gaan kijken, naar de zonovergoten bomen in onze straat.

EEN ZWERVER KOMT THUIS

casa de serralves

De rusteloosheid zit me in het bloed. Ik ben graag thuis tussen mijn boeken en mijn muziek en ik breng veel tijd door aan mijn computer, werkend aan oude en nieuwe teksten, of contacten onderhoudend met mijn cyberspace-vrienden. Vroeger zat ik graag aan een tafel met een boek en potloden. Al lezend onderstreepte ik en schreef uitspraken die me troffen over in een werkschrift. Dat was grondstof voor eigen geschriften. Nu gebeurt het nog maar zelden dat ik met een boek aan tafel zit en nog minder dat ik zinnen onderstreep. Ik vind het zinloos en nutteloos, haast compulsief gedrag. Als ik nog lees is het vooral in bed. Aan tafel eet ik en drink ik wijn, en als er bezoek is praat ik ook wel wat. Maar van lange tijd thuis blijven is de pret af. Werkelijk genieten van de hierboven genoemde bezigheden doe ik niet langer. Zelfs de beste film op dvd gaat me al snel vervelen. Een volledige cd beluisteren is onbegonnen werk. Na drie songs heb ik het wel gehoord. Meer van hetzelfde! Bespaar mij het cocoonen. Het zwerven zit me in het bloed. Ik wil weg van huis. Het liefst verblijf ik in een hotelkamer. Daar kom ik eindelijk wat tot rust, daar slaap ik enige uren aan een stuk. Ja, ik cocoon in een hotelkamer, en zelfs in een metrostation. Ik houd van het flaneren in een nog niet stuk geflaneerde stad. Ik verplaats me wel graag met metro en tram, desnoods zelfs met de bus, maar wat ik echt boven al verkies is te voet gaan. Dat is in mijn ogen de beste manier om een stad of een land te verkennen. De voorbije dagen in Porto heb ik mijn schoenzolen niet gespaard. Het is een magnifieke stad om in te wandelen. Vervallen, maar schrijnend mooi van (oude) architectuur. ’s Middags de geur van gebakken vis en altijd – ook al hoor je hem niet echt – de droeve klanken van de fado. Beleefde, bescheiden, wat schuchtere mensen. Ze spreken stil, alsof ze zich enigszins schamen voor hun aanwezigheid. Het katholicisme heeft er zijn akelige sporen getrokken, maar ook de kerken, vaak parels van barokkunst, baden in het helderste licht van de Atlantische Oceaan. Overal waar je kijkt zie je azulejo’s – en bovenal in het São Bento station -, een troost voor het te veel gelezen en geleden hebbende, vermoeide oog.

Terug in België, in Brussel: de duisternis hier is wat mij meteen opvalt, de terneerdrukkende duisternis en pas daarna de vochtige kou. Je hele appartement is al na een week afwezigheid een vreemde plek geworden, vijandig aan je lichaam. Het is gaan toebehoren aan die donkere wereld van vocht, kou. Het heeft iets boosaardigs gekregen. Net als veel inwoners van dit land is het niet gastvrij, zelfs niet voor zijn oude vertrouwde bewoners, die het nochtans koesteren en zelfs met liefde bejegenen. Misschien is het appartement zich bewust van mijn ontrouw, van mijn diepe wens om het voor altijd de rug toe te keren en een zwervend bestaan te gaan leiden. Mijn kamers mogen echter op twee oren slapen: gebrek aan financiën, zwakte en vermoeidheid kluisteren mij gemiddeld veertien uur per dag aan ze vast. Tussen hun muren ontvang ik nieuwe woorden en luister ik naar soul, blues, country, en voortaan ook fado of bekijk ik nog een keer Days Of Heaven. De straten van mijn stad ontwijk ik zoveel mogelijk. God die niet bestaat, laat het maar regenen op de slechte mensen!

Foto: Martin Pulaski, Casa Seralves in Porto.

LUSTELOOS EN GEIL

Je zou kunnen schrijven over het weer. Over de hitte. Over hoe de hitte je loom en lusteloos en geil maakt. Schrijven dat je geen zin hebt om wat dan ook te doen. Geen muziek beluisteren, zelfs niet ‘A Sucker’s Evening’ van Bonnie Prince Billy, dat nochtans goed past bij dit weer, geen films bekijken, zelfs niet ‘Coup de torchon’ van Betrrand Tavernier, die nochtans uitstekend de morele aftakeling laat zien die gepaard gaat met hitte, loomheid, lusteloosheid en geilheid (maar natuurlijk ook met kolonialisme, militarisme, racisme en uitbuiting). Een film die door merg en been gaat, met een Philippe Noiret die zichzelf overtreft – en Isabelle Huppert is altijd mooi meegenomen, zeker in de rol van een ‘onschuldige’ geile teef (om even vrouwonvriendelijk te klinken, maar dat is nu eenmaal haar rol). ‘Coup de torchon’, gebaseerd op een pulpmeesterwerk van Jim Thompson, ‘Pop. 1280’, en zijn ‘The Killer Inside Me’ is nog beter. Green On Red hebben er een van hun elpees naar genoemd. Maar je hebt geen zin om te lezen. Je hebt geen zin om te schrijven. Il n’y a rien à faire. Alleen maar koel water drinken en zeggen dat het leven goed is zoals het is. Neen, vandaag is het niet nodig. Je voegt er niets aan toe.

PESSOA EN ONZE VELE ZELVEN

TV

Fernando Pessoa schrijft in Het boek der rusteloosheid dat ieder van ons meerdere anderen is, een uitgebreide reeks zichzelven. “Daarom is degene die de omgeving minacht, niet dezelfde als die zich erover verblijdt of eronder lijdt. In de uitgestrekte kolonie van ons zijn bevinden zich lieden van velerlei soort, die verschillend voelen en verschillend denken.”

Dat is helemaal waar. Vroeger, als me weer eens werd aangewreven dat ik mezelf tegensprak – “gisteren zei je dat het wit was en vandaag beweer je dat het zwart is” -dan verdedigde ik mij met de stelling dat elke mens twee kanten heeft en verwees daarbij onwillekeurig naar de psychoanalyse met het bewuste en het onbewuste (wat sommigen het onderbewuste noemen), of naar de dialectiek met de these en de antithese, of naar het Oosterse denken, met yin en yang, of naar de linguïstiek en de taalfilosofie met de tekst en de subtekst, en zo kon ik nog wel wat voorbeelden aanreiken. Maar het ging daarbij telkens om twee facetten van een mens.

Ik denk nu dat wat Pessoa beweert veel juister is. Wij bestaan uit veel meer dan twee zelven. De ene dag vind ik Brussel een aangename stad om in te leven, de andere dag, meestal als bij donker weer, erger ik mij aan de stank, het lawaai en de lelijkste gebouwen van de wereld. Het ene moment heb ik het enigszins verheven over Fernando Pessoa, het andere moment sta ik te dansen op de muziek van The Walkabouts of Los Lobos. Ik ben een jongeman van 25 en dan kijk ik in de spiegel en zie ik een ander zelf en denk ik: bijna even oud als Neil Young, als Bob Dylan. Beide mannen zijn op het nippertje aan de dood ontsnapt. Hoe lang heb ik nog te leven? Wat staat er mij nog te wachten? Ik moet dringend eens naar de nieuwe cd van Neil Young (Prairie Wind, beeldige titel) luisteren om te horen wat hij daar over denkt. Wat staat er mijn generatie te wachten? De boomers… Maar als jongeman van 25 heb ik nog een grootse toekomst voor mij. Er zijn nog zoveel mogelijkheden.

Een van mijn zelven ging gisteren naar het Kaaitheater waar Chunking van Grace Ellen Barkey, choreografe van Needcompany, werd opgevoerd. De voorstelling had één voordeel: ze duurde niet lang, zodat we al snel naar het café konden, om te hoesten en Duvels te drinken. Wat een vervelend gedoe! Wat denken deze mensen? Dat ze kunstenaars zijn of wat? Ik ben natuurlijk geen theaterrecensent die met behulp van een aantal hoogdravende woorden allerlei kwaliteiten verzint omdat hij anders de volgende keer misschien niet meer wordt uitgenodigd om champagne te komen drinken. In mijn ogen ging deze voorstelling nergens over, ging ze nergens naartoe, betekende ze niets en, erger nog, was ze onsamenhangend, langdradig en lelijk van uitvoering. Alleen het decor was echt heel mooi. Daar heb ik dan ook veel zitten naar kijken. In het derde deel werd ‘gedanst’ op Kill yr Idols van Sonic Youth. Sonic Youth was ooit cool, begin jaren negentig. In het zwart geklede kunstenaars dweepten met deze band uit New York. Basspeelster Kim Gordon vonden ze het einde. Niet alleen omdat ze een knappe blondine was, maar vooral omdat ze een kunstenaar was. Ze stelde tentoon in echte galerijen! Maar luister toch eens naar Sonic Youth. Die jongens en meisjes kunnen niet spelen en niet zingen. Ik ken maar een song van hen die de moeite loont en dat is Tunic, over Karen Carpenter. Maar dat lied is vooral mooi door het onderwerp en niet echt door de uitvoering.

Ik had nochtans veel verwacht van Chunking, omdat ik enorm veel houd van het werk van de Needcompany. Isabella’s Room, No Comment en the Snakesong Trilogy waren echt wel goede stukken. “Het onderbewuste is als een slapende vulkaan en Chunking is jouw ‘wake-up call’!” schrijft Elke Janssens in het programmablaadje. Hoe komt het dan dat ik voor een keer zo goed heb geslapen? En dat mijn vulkaan zich nog altijd in comateuze toestand bevindt?

In een interview met Grace Ellen Barkey las ik dat ze het Brussels openbaar vervoer vreselijk vind. De reizigers worden als vuilniszakken behandeld, zegt ze. Dat is honderd procent waar. Had ze daar maar een stuk over gemaakt. Over die vuilniszakken die in bussen worden gestopt, in trams, in metro’s, in treinen; die worden afgeblaft; die niet weten waar ze naartoe worden gevoerd; die in duistere stegen worden gedumpt omdat de bestuurder vindt dat het zo welletjes is geweest en terugkeert naar af. Of die een half uurtje in een donkere bus moeten zitten wachten tot de bestuurder zijn sigaret heeft opgerookt. En dan maar hopen dat de man tijdens de rit geen hartaanval krijgt.

De Duvel daarentegen was bijzonder lekker. België is een fantastisch land, als je een glas bier voor je hebt staan. Maar een van je zelven komt toch weer roet in het eten gooien als je wat pindanootjes zit te eten: jongen, die zijn slecht voor je cholesterol, en al dat zout! Als je niet oppast krijg je nog een hartaanval. En een ander zelf krijgt een hoestaanval, zodat het naar de toiletten moet snellen, om daar in alle intimiteit een bevrijdend salvo af te vuren. En nog een ander zelf hoort Slow Train Coming van Bob Dylan in zijn hoofd opklinken.

FUCK

Na het enthousiasme en het verdriet van de voorbije week is opnieuw een tijd van leegte aangebroken. Ik zit te wachten op wat? Ik zit te kijken naar wat? Moe. Suf. Korte zinnetjes kunnen nog net, maar ze zijn wel leeg. Wat moet ik hier dan? ’s Middags een broodje eten, even in de krant bladeren, wat onzin lezen over John Lennon. Zaterdag komen de Walkabouts. Who cares. Veel mensen, zie ik, maken foto’s van bloemen of van vlinders, van keitjes zelfs. Ze houden zich met de kleine dingen bezig en vervelen zich niet. Maar ik verveel me. Dat ik me verveel, zeg ik. Ik begrijp niet dat de kunstenaars in de 19de eeuw die ennui zo koesterden. Er is niets vervelenders dan verveling. Het enige wat je er waarschijnlijk kunt tegen doen is naar de fles grijpen of erger. Je ophangen, zal wel de beste oplossing zijn, maar wel erg definitief. Want morgen komt de kermis misschien naar de stad, en stelt een of ander mooi meisje je voor om met haar uit te gaan. De hele nacht. Dat dienstertje van in het Oerwoud, bijvoorbeeld, dat meisje dat zo kickt op Devendra Banhart! Ach, jongen, je bent een oude kerel, en nog getrouwd ook. En heb je die kop van jou al eens bekeken? Wel dan? Maar het is wel een kop natuurlijk. Dat kan niet iedereen zeggen, dat hij een kop heeft. En we zullen Roger McGuinn nog maar eens citeren: I trust everything will turn out alright. Als ze nu die verdomde Bush maar snel naar huis sturen. En dan eens lekker slapen.

KATJA SCHUURMAN EN CONNIE PALMEN

Zomergasten is dan toch niet altijd goed. De aflevering gisteravond was zelfs gewoon heel slecht en buitengewoon vervelend.  Katja Schuurmans leeftijd impliceert niet dat zij representatief is voor de jeugd, wat sommige commentaren op het forum van zomergasten lijken te willen poneren. Ik hoop alvast dat ze niet representatief is voor de jeugd. Aan de ene kant een ideale, multiculturele samenleving nastreven, en aan de andere kant een Hollandse racist als Theo Van Gogh verafgoden lijkt me weinig consequent. De reactie van Connie Palmen op die naïeve verheerlijking van haar goeroe was zeer terecht. Van Gogh verdiende niet te worden vermoord, dat verdient geen mens. Maar hij was een kinderachtige domkop, dat alleszins. (Nog dommer was hem vermoorden.)
Ik had de indruk dat Connie Palmen zich erg verveelde in het bijzijn van haar gast. Ik heb me ook verveeld. Waarom iemand uitnodigen die weinig te vertellen heeft en vooral lijdt aan slechte smaak, vooral op audiovisueel gebied. Ik heb nooit slechtere muziekclips gezien dan gisteravond in Zomergasten. En ook zelden heb ik zo slecht zien acteren als in het fragment van het heldenepos Gandhi. Dan werd er ook nog een pathetische brabantse ‘soldaat’ getoond: dat leek echt een Hollywood soap. Irréversible heb ik helaas gemist, toen lag ik al in bed. Connie Palmen had dat ook beter gedaan, ze zag er moe uit. Of toch verveeld? Gelukkig was er die storing, heb ik net gelezen. Dan kon iedereen toch wat vroeger naar huis. En Magnolia had iedereen al gezien.

Ik had beter een terrasje gedaan, men vertelde me dat het gisteren zeer mooi weer was. Of gewoon wat gelezen in een van de vele boeken die ik in Berlijn heb gekocht. Of Duchess of Coolsville van Rickie Lee Jones beluisterd. Dat is pas een spannende vrouw, en forever young, ondanks haar rimpels. Katja Schuurman ziet er nu al oud uit, zonder rimpels. Maar genoeg.

DOCTOR ARTURO MAUSS EN DE VERVELING

portrait of the artist as a young vampire

Doctor Arturo Mauss verveelt zich altijd. Overal waar hij komt verveelt hij zich en dat doe hij met veel nadruk. Een toevallige voorbijganger die hem eens vluchtig bekijkt zou kunnen denken, kijk, iemand die zich vreselijk verveelt en die daar nog een hoge borst over durft opzetten, hoe is het in hemelsnaam mogelijk.

Maar de verveling van Doctor Arturo Mauss is zomaar geen gewone verveling. De mensen die de man met wat meer aandacht bekijken worden onvermijdelijk getroffen door zijn hoog, wijs voorhoofd, zijn scherpe, vorsende blik; dit zijn nu eens ogen die elk levend wezen tot op het bot, die elk voorwerp tot op de draad kunnen ontleden. Aandachtige mensen komen steeds tot dezelfde conclusie: wat ziet deze man er toch verstandig uit. Dat moet wel een knappe kop zijn. Ze hebben overigens gelijk. Hij is zeer verstandig. Niet voor niets is Doctor Arturo Mauss een door alle academici gerespecteerd academicus. Wordt zijn naam in intellectuele kringen niet met diepe eerbied, als het ware op fluistertoon, uitgesproken, overal waar onze christelijke beschaving is doorgedrongen? En heeft iemand het ooit nagelaten zijn naam door zijn titel te laten voorafgaan?

Maar dat verstand is nu precies zijn probleem. Doctor Arturo Mauss is zo geleerd, zo overvol van ‘Vernunft’, hij is met zijn buitengewoon intellect zo ver boven het gewone leven der mensen verheven, dat hij niet goed meer weet wat hij daar boven, op die eenzame hoogte, met al zijn kennis moet aanvangen.

De gedachte dat zijn kennis overbodig zou kunnen zijn, – door hemzelf als ‘pseudo-gedachte’ bestempeld aangezien ze een oorsprong heeft buiten hem en het bijgevolg door hem niet verifieerbaar is of zij wel een ware gedachte is – heeft hij, zoals van hem kon worden verwacht, reeds lang geleden verworpen, hoewel we moeten toegeven dat het laatste voltooid deelwoord wat onnauwkeurig is gebruikt, zeker als we een poging doen om uit te gaan van Doctor Arturo’s standpunt dat een gedachte die a priori reeds als minder-dan-een-gedachte werd onderkend, een gedachte is die nauwelijks of helemaal niet het overwegen waard is, zodat het eveneens uitgesloten is dat zij zou kunnen worden verworpen.

Dat een bepaalde gedachte-inhoud eerst de indruk kan geven te moeten worden verworpen, omdat zij een gedachte wordt genoemd, en dat zij daarna, omdat zij als pseudo-gedachte wordt bestempeld toch niet wordt verworpen, heeft zo zijn redenen. En wel de volgende.

In de eerste plaats is er sprake van snelheid. Snelheid van uitvoering. Snelheid van uitvoering van denkprocessen. Bij doctor Arturo Mauss worden denkprocessen zo snel uitgevoerd dat ze voor een gewone sterveling niet eens lijken plaats te vinden. Een gewone sterveling merkt er niets van, zoals hij ook niets merkt van de snelheid van het licht en zich niet afvraagt hoe het komt dat planten kunnen groeien of hoe het weer eigenlijk in elkaar zit. Zo snel voert Arturo Mauss zijn denkprocessen uit.

Snelheid dus. Maar daarnaast treffen we logica aan. Want we mogen natuurlijk evenmin de ijzeren logica uit het oog verliezen waarmee doctor Arturo Mauss zijn lichtsnelle denkprocessen, eens ze in gang zijn gezet, binnen de juiste banen weet te houden, onder meer door zijn koortsachtige geest niet toe te staan zich om de tuin te laten leiden door allerlei verleidelijke buitenissigheden, wat eigenlijk geniaal is, want iedereen weet hoeveel knappe koppen er al op de klippen zijn gelopen door wel toe te geven aan die verleiding.

Hoe komt nu zo’n denkproces op gang? Want iets moet toch dat buitengewoon ingewikkelde denkproces een prikkel hebben gegeven, en aangezien het resultaat, het denkproces dus, belangrijk is, moet de prikkel ook belangrijk zijn. Wat is er dan zo belangrijk voor doctor Arturo Mauss? Bewondering. Verering. Succes. De gedachte dat zijn kennis overbodig zou kunnen zijn is eigenlijk een spelletje om de tijd te doden, om de verveling te bestrijden (maar ook om ze zichtbaar te maken). Maar zeg doctor Arturo Mauss: het is een pseudo-gedachte, aangezien ik ze niet echt heb gedacht, maar ze mij uit verveling heb laten influisteren. Door wie? Door de reclamebureaus. Door de reclamebureaus die de verkeerde ideeën en de pseudo-gedachten aanreiken. Ik wist van in het begin dat het om een pseudo-gedachte ging. Maar waarom verwerpt hij ze dan niet? Doctor Arturo Mauss hoeft een pseudo-gedachte helemaal niet te verwerpen omdat hij van de buitenwereld een prikkel krijgt die hem zegt dat hij daar te belangrijk, te verstandig voor is. Over heel de wereld maakt zijn kennis het voorwerp uit van lof, bewondering, ontzag, verering, noem maar op, wat er allemaal toe bijdraagt hem in een oogwenk te doen inzien dat het onzinnig zou zijn een overbodige pseudo-gedachte, namelijk dat zijn supermenselijke verstand overbodig zou zijn, in overweging te nemen, te verwerpen of proberen te weerleggen.

We vermoeden dat er op de hele wereld niemand te vinden is die het hierover met doctor Arturo Mauss oneens zou kunnen zijn. Tenzij iemand die zich nog meer verveelt dan doctor Arturo Mauss. Maar zo iemand bestaat niet.