EENZAAMHEID EN VERDRIET

Soms is de eenzaamheid een zegen, soms is ze een vloek. Het leven in ballingschap – ook al heb ik er in een ogenblik van nuchterheid voor gekozen – in deze lelijke, vuile stad, is meestal een vloek. Je komt hier maar beter niet meer buiten; zelfs als de zon schijnt zie je overal het vuil en de onverschilligheid. Schoonheid speelt in dit oord geen rol meer. Sommigen durven Brussel de hoofdstad van Europa noemen, wat wel gek is voor een gat waar negentig procent van de bevolking maar één taal kent en ze dan nog gruwelijk mishandelt ook. Maar zelfs al zou Brussel helemaal ontworpen zijn door Frank Lloyd Wright in samenspraak met Victor Horta en Alvar Aalto, dan nog zou ik hier vaak ten prooi vallen aan vloekende eenzaamheid en verdriet. Ik heb vrienden in Gent en Antwerpen (en nog een aantal onnoembare plekken) en ik ken mensen in Canada, de Verenigde Staten, Denemarken, Spanje, Portugal en Ethiopië, maar in Brussel heb ik geen enkele vriend. Als mijn levensgezellin ziek is, zoals nu, en ik wil ergens naartoe, zoals morgen naar de heropening van de KVS – voor mij een historische gebeurtenis, een moment van schoonheid in onze lelijke stad, een teken van hoop, van mogelijkheden – dan is er niemand die mij kan vergezellen. Ik kan het aan niemand vragen. Er zijn geen vrienden, je staat er alleen voor, en alleen kom ik niet buiten. Ik herken me heel goed in de uitspraak van Raven Ruëll: “Ik ben heel melancholisch aangelegd en ween veel.” Vaak voel ik me overbodig, niet alleen een outsider, maar een uitgestotene uit de maatschappij.

Nu Gene Pitney dood is komen zulke gevoelens nog meer naar boven. Hij was samen met Roy Orbison en Del Shannon (zelfmoord) een meester in het bezingen van de eenzaamheid en het verdriet. Een van de droevigste liederen die ik ken is zijn ‘I’m gonna be strong’, met dit stukje perfecte wanhoop:

Our love is gone, there’s no sense in holding on
‘cause your pity now would be too much to bear
So I’m gonna be strong and pretend I don’t care

Nog droeviger is ‘I Must Be Seeing Things’. Through a tear I can see him kissing her. Pure paranoia en pathetische kitsch. Maar soms, heel soms, kan pathetische kitsch de perfectie benaderen. Dat was bij Gene Pitney vaak het geval. Toen ik jong was maakten zijn songs al veel indruk op me. Ik was gek op de twee hiervoor genoemde songs, maar nog meer op Backstage (I’m Lonely), met de volgende autobiografische regels:

Every night a different room
Every night a different club
And yet I’m lonely all the time
When I sign my autograph
When I hold an interview
Can’t get you out of my mind

Zoveel troost kwam uit die stem gevloeid, uit die woorden, uit die melodramatische muziek (die de wereld van Douglas Sirk-films oproept). Door nu te zitten luisteren naar deze songs word ik helemaal sprakeloos. Verdriet grijpt me bij de keel. Ik ben al even pathetisch als Gene Pitney, maar dan zonder zijn stem en zonder de violen. Gene Pitney speelde mee op de allereerste elpee van the Rolling Stones, samen met zijn toenmalige producer, Phil Spector. Een van de eerste songs van Jagger en Richard kreeg de titel mee ‘Now I’ve Got A Witness’ (Like Uncle Phil and Uncle Gene). Pitney’s liefste lied, Hello Mary Lou, werd een hit voor Ricky Nelson.
En hier stopt mijn ‘biografietje’. Veel is te vinden op het Internet. Ik moet nu even zwijgen. Over die andere dingen zal ik het een andere keer hebben. De klantonvriendelijkheid van een kabelmaatschappij? Wat betekent dat nu nog? Laat mij maar wat zwelgen in eenzaamheid en verdriet en daarna luister ik nog eens naar Hello Mary Lou en ik twijfel er niet aan dat er dan weer een glimlach op mijn gezicht zal verschijnen.

CHAOS EN DRONKENSCHAP IN GENT EN BRUSSEL


gerrit mia

De voorbije dagen stonden in het teken van vriendschap, psychoanalyse, alcohol, woede en verdriet. Met andere woorden: emotionele chaos. Ook gaf ik mij over aan gevoelens van paranoia ten aanzien van mijn werk en van ‘slechte mensen’ in het algemeen. Ik besefte dat therapeutische sessies bij een psychiater geen enkele zin hebben, voor mij althans niets oplossen. Naar een psychiater gaan, denk ik nu – maar mijn gedachten zijn gekleurd door allerlei vormen van boosheid – is geld weggooien. Je kunt net zo goed of beter naar de hoeren gaan. Maar daar is het nu natuurlijk veel te warm voor. Bovendien heb ik geen behoefte aan een hoer.

Met Laura verbleef ik een avond, een nacht en een voormiddag in Gent, een stad waar ik graag zou wonen. Er is weinig lawaai van het verkeer, de architectuur is er imposant en toch op mensenmaat, de mensen zijn er over het algemeen vriendelijk, er wordt veel gefietst en de trams zijn er comfortabel. Er zijn ontelbaar veel cafés, ‘bistros’ en restaurants, plaatsen waar van de tijd wordt genoten (waar hij wordt vergeten). Bovenal zag ik er veel mooie meisjes, met opwaaiende zomerjurken aan en glinsterende juweeltjes in de navel. Jeunes filles en fleur, waar het in de Brusselse straten zozeer aan ontbreekt. Schoonheid en jeugd vluchten weg uit onze betreurde Europese hoofdstad. Zij laten vervallen panden, puin van Horta en, het ergste van al, de stank van urine en hamburgers achter. Als je in Brussel Zuid uit de trein stapt, betreed je een urinoir. Blijkbaar trekt urinegeur delinquenten aan. En extremisten natuurlijk, want zij lopen er graag rond om de delinquenten in raciale categorieën onder te verdelen, ondertussen van genot in hun broek zeikend. Ik heb me voorgenomen om Brussel Zuid zoveel mogelijk te mijden en op en af te stappen in Centraal, ook geen ideale ruimte, maar alvast gebruiksvriendelijker.

In Gent logeerden we bij onze broer en vriend, in zijn bohémienoptrek, in het centrum. Wij sliepen in de kamer waar hij zijn patiënten ontvangt, hun verhalen noteert, hun knopen probeert te ontwarren, hen tracht te verlossen van hun double bind. Mijn goede vriend en broer is inderdaad ook een psychiater. Ik twijfel er geen ogenblik aan dat hij al veel mensen heeft geholpen. Als ikzelf meer schade dan baten ondervind van de psychiatrie ligt de oorzaak van dat falen bij mij. Wil ik dan doelbewust falen? Ik weiger mij in ieder geval de weg te laten wijzen naar middelmatigheid, naar een evenwichtig leven zonder gevaar en zonder ‘kwalen’. De ‘grote gezondheid’ van Nietzsche kan mij gestolen worden. De man was overigens zelf voortdurend ziek. Veel liever klaag ik onrechtvaardigheid aan dan de vijand te lijf te gaan. Waarom zou ik hem zelfs maar in de ogen kijken? Je verandert de mensen niet met een blik, of met enkele woorden. Ik verkies het dichterberoep boven de redelijkheid. Maar versta me niet verkeerd: ik heb grote achting voor de rede, ook al koester ik dromen en sprookjes en ga ik het irrationele niet uit de weg. Ik weet dat Gerrit me nooit de gulden middenweg zou aanpraten als ik bij hem in psychoanalyse zou gaan. Hij zou me stimuleren in mijn eigenheid en zeggen dat de poëzie het hoogste is. Maar Gerrit analyseert mij niet: hij is mijn vriend, mijn zielsverwant. Beiden houden we al jarenlang van Fernando Pessoa, van the Rolling Stones en – zeker in elkaars gezelschap – van verfrissende wijn. Als we samen zijn drinken we die met volle teugen. If the river was whiskey I’d stay drunk all the time, is een van onze onuitgesproken motto’s. Donderdagavond waren we samen om onze vriendschap te vieren. De Brusselse straten en pleintjes bruisten van leven, wat zalig is, omdat het zo weinig gebeurt. Ik denk dat de zinderende hitte toch enige schoonheid vanonder de grijze stenen weet te lokken. Het was een gloedvolle nacht, wat nog werd bevorderd door het vuur van onze conversatie. Op weg naar huis zongen we mee met the Rolling Stones: ‘Get Off Of My Cloud’, It’s All Over Now. “But he can’t be a man because he doesn’t smoke the same cigarettes as me.”

In Gent was Gerrit er niet bij. Wel in gedachten natuurlijk, omdat we van zijn gastvrijheid gebruik konden maken. Gastvrijheid is een heel mooi woord en heel mooi begrip, zeker in het Frans: hospitalité. We waren uitgenodigd op een feest van jonge vrienden en konden daar praten met verwante zielen, luisteren naar rock & roll en ook nog een beetje – bijna wankelend – dansen. Om ten slotte in dronken waanzin de eerste taxi te nemen. Alle ellende uit het lijf gejaagd met liters vergif. Nu is het weer tijd voor heel veel water.

Foto: Martin Pulaski