HET DUBBELE LEVEN VAN VERONICA

Als ik toch een aanbidder moet zijn aanbid ik bij voorkeur een denk-beeld. Van in het begin van mijn verzinsel bestaat de sopraan namelijk niet echt. De tong die trilt in haar open mond wijst op haar onwezenlijk wezen. Als zij zingt, wandel ik bij een vijver waar kinderen zich komen verdrinken. Als zij zingt, vlieg ik over de hoge pijnboomtoppen, ergens in een woud in Centraal-Europa.

Dat verzinnen en verzinnebeelden gebeurt meestal in het donker: zonder omzien stel ik me nu voor dat Veronica zich uitkleedt voor het diepgelovige koor, dat haar losbandigheid prijst.

Is het geen droom die telkens terugkeert? Een droom van haar eeuwig evenbeeld. Van kabbelend lentewater waarin ik slaap uit mijn altijd verbaasde ogen was.

Als ik toch een aanbidder moet zijn duurt wat zich in het halfdonker aanbiedt liefst niet te lang. Er is nog zoveel schijnbaars voorhanden, zoveel schitterend beeld, voedingsstof voor de verbeelding.