DE DRAAGLIJKE ONVERANTWOORDELIJKHEID VAN HANIF KUREISHI

kureishi

Met veel plezier sta, zit of lig ik te lezen in Hanif Kureishi’s ‘Something To Tell You’. Op de cover van de pocket wordt hij de “bestselling author of The Buddha of Suburbia” genoemd, alsof hij sindsdien niets meer heeft verricht. De man is bijzonder productief, soms overdrijft hij en lijdt zijn werk onder dat ritme – maar deze roman vind ik heel goed, en grappig. Zo goed dat ik er al twee exemplaren van bezit, een pocket voor in bed en de metro, een hardcover om naar te kijken. Overigens was de pocket duurder dan de hardcover.

Psychiaters en psychoanalysten schijnen in trek te zijn bij schrijvers. Het hoofdpersonage in Siri Hustvedts ‘The Sorrows Of an American’ is een pyschiater; in de roman van Kureishi is een psychoanalyst aan het woord. En hoe!

In Kureishi’s roman staan veel dingen die roepen om geciteerd te worden. Zoals dit:

“That word. Responsibility. When I watched Miriam on her TV ‘agonies’, it was the most-used word, apart from ‘I’. Owning your acts. Seeing yourself as an actor rather than victim. I am all for responsibility; who wouldn’t be? We are all responsible for our selves. But what are our selves? Where do they begin and how far do they extend.”

Is het niet waar? Iedereen moet de hele tijd zijn verantwoordelijkheid nemen. Ik heb zoiets van, naar verantwoordelijke mensen toe: het is tijd voor iets nieuws. Laten we het leven en de wereld veranderen, nu we er nog tijd voor hebben. Het is tijd om antwoorden te verzinnen, nieuwe woorden, nieuwe zinnen. Om vragen te stellen. Of niet soms?

MIJN CREDO

PERFORMANCE92 (2)

Als je ziek bent heb je tijd om wat aan ‘bezinning’ te doen. De ziekte is een moment van rust in het gejaagde bestaan. Wat klink ik plechtig, herderlijk bijna. Het zij zo. Ik zat er aan te denken om ooit nog eens een soort van credo te formuleren.

Bijvoorbeeld. Dat ik altijd verantwoordelijk moet zijn voor mijn daden. Dat een persoonlijke mislukking betekent dat ik zelf misluk en niet dat anderen mij doen mislukken. Dat goed en slecht niet perfect van elkaar te scheiden zijn. Dat er geen zuiverheid bestaat. Dat je altijd naar de jongeren moet luisteren en kijken. Zij brengen het nieuwe in de wereld en wijzen de weg naar de schoonheid en het ongewone. Zij geven ademruimte aan de ziel. Dat je altijd naar de ouderen moet luisteren en kijken. Zij kennen alle nuances van het bestaan. Dat je je eigen gedachten niet mag prijsgeven, maar dat je je ook niet mag opsluiten in je eigen gedachten. Dat je op elk moment moet luisteren, zien, voelen, ruiken: the politics of experience. Dat je nooit iemand mag verraden. Dat je de anderen moet behandelen zoals je zelf behandeld wilt worden. Dat je geen slaaf mag zijn van je gewoonten. Dat je tot het einde strijd moet leveren tegen berusting, moedeloosheid, verbittering, cynisme en ziekte. Strijden tegen de ziekte is ook strijden tegen de chaos. (Of moet je de chaos aanvaarden? Misschien toch wel. Het leven is chaos…)
Dat je het schrijven en de kunst nooit mag opgeven. De poëtische existentie. Ofwel schrijven ofwel niets. Leven in het ‘echte’, maar ook esthetisch leven. Dat betekent je wapenen tegen waanzin, geweld en vernietiging. Wapenen? Wil je wel wapens gebruiken? Liever instrumenten, toestellen, machines. Schrijven als reconstructie van een waardevol verleden en als verkenning van een raadselachtige toekomst. De ‘grote voorbeelden’ verzoenen met de ‘gewone mensen’. Geen hiërarchie aanbrengen. De blik van Walt Whitman, van Max Ernst, van Virginia Woolf.

Foto: Martin Pulaski, door Agnes Anquinet