TERUG NAAR VERONA

Verona_Italy_San_Anastasia.JPG

“Schrik onttrekt de levenssappen aan het bloed.”
Giacomo Casanova

Vreemd is het je duizelig te voelen als je al in bed ligt. Het overkomt me vaker. Daarom hoeft het niet te verbazen dat ik de voorbije nacht in die gesteldheid lag te lezen in ‘Duizelingen’ van W.G. Sebald, alweer een magistraal boek. Mijn duizeligheid en koorts hebben niets te maken met de titel van het werk of de toestand van de verteller. Ik weet niet wat er met me aan de hand is en misschien wil ik het ook niet weten. Het is iets periodieks, zoals maanziekte, en begint met een koortsaanval, hoofdpijn en, na anderhalf uur slaap, overvloedig transpireren. Meestal duurt het een tweetal dagen, ik voel me dan zwak, moe en moet me erg inspannen om te kunnen lezen. Gelukkig ben ik al altijd hersteld van zulke toch enigszins beangstigende aanvallen.

Los daarvan is het werk van Sebald toch ook al duizelingwekkend. Ongeveer elk woord of toch elke zin die erin voorkomt geeft me zin in iets. Lees ik de naam van een Weense straat wil ik daar ook ronddolen of verdwalen; een nummer van een bepaalde tramlijn geeft me goesting om in die tram te zitten; ik wil opnieuw naar Venetië, niet zozeer uit nostalgie, bijvoorbeeld naar de hotels waar ik ooit verbleef, maar naar de plaatsen en vervoermiddelen die Sebald vermeldt, zoals een bar aan de Riva degli Schiavoni, of een boot die voorbij het eiland vaart waar de lijken worden verbrand, “een doodstil betonnen gebouw onder een rookpluim”, en later wil ik er de volledige memoires van Casanova herlezen, niet alleen het deel over zijn ontsnapping uit de Piombi*.

1977-munchen 001.jpg

Soms komt er wel nostalgie naar boven. Als Sebald (of de verteller) zijn treinreis van Wenen naar Venetië beschrijft, meer hallucinatie dan waarneming, denk ik zelf terug aan een nacht op de trein van München naar Verona (op weg naar Rome via Pisa en San Giuliano). Veel details herinner ik er mij niet van, alleen dat het in juli 1977 was. Ook zie ik meteen de groene kaft van Aeschylus’ ‘Tragediën” voor me, waarin ik die nacht heb zitten lezen. Wacht, ik ga het boek even zoeken. Ik zie nu dat ik veel onderlijnd heb in ‘Prometheus geboeid’. Zoals

“Want in de tirannie zit deze ziektekiem
Dat zij zelfs in haar vrienden geen vertrouwen stelt.”

aeschylus 001.jpg

Nu herinner ik me eveneens dat Aeschylus in mijn rugzak zat omdat ik in die periode Shelleys ‘Prometheus Unbound’ aan het bestuderen was. Soms dommelde ik in en droomde van de mooie Antwerpse meisjes, waarbij het geschommel van de trein nogal wat lustgevoelens bij me opwekte. Eens de zon was opgekomen, omstreeks halfzes, zag ik voor het eerst het betoverende landschap van Noord-Italië; de wild stromende Adige liet mijn aandacht niet meer los tot de trein het station van Verona binnenreed. Het was nog vroeg toen ik mijn intrek nam in hotel Aurora. In die tijd reserveerde ik nog geen kamers maar ging op goed geluk op zoek naar een betaalbaar verblijf. Dit hotel, of misschien was het een albergo, trok me meteen aan omdat het dezelfde naam had als het filosofisch tijdschrift waar ik in die dagen voor werkte. Omdat de kamer nog niet vrij was maakte ik een wandeling naar het Palazzo Giusti, met de bijzonder mooie tuin in late renaissancestijl. Ik vermoed dat ik over de tuin gelezen had bij Goethe of het kan ook bij Nabokov geweest zijn (in wiens labyrint ik in die jaren opgesloten zat).

1977-verona 001.jpg

1977-verona2 001 (2).jpg

Het vreemde is dat ik bijna niets bewaard heb van dat verblijf in Verona en er ook niets over heb geschreven. Het enige** wat ik nog bezit is een stadsplan en toegangsbiljetten – van mij en mijn levensgezellin, met wie ik deze, en tientallen andere reizen maakte – voor de Giardino Giusti, identiek dezelfde als de kopie ervan in het boek van Sebald. Alleen de nummers verschillen – en alleen daaruit zou je kunnen afleiden dat ik er eerder geweest ben dan de Duitse auteur (of de verteller van het verhaal). En zo kom ik vanuit een nostalgische dagdroom toch weer bij de zinnen van de schrijver uit, die me zo’n zin geven in alles. En zo stel ik vast dat je nooit uit het labyrint ontsnapt, hoeveel je ook aan de Minotaurus offert, hoezeer ook Ariadne je genegen is.

Ω

*Deel vier van de uitstekende Nederlandse vertaling door Theo Kars.

** Alleen deze wat infantiele notitie, geschreven tijdens of na een bezoek aan Sant’Anastasia: “Marmer dat nog tot leven komt… Het is warm, de huizen schitteren, trillen als klinkers. Het volk is moe en lacht en hoest. In Sant’Anastasia gaat het bidden door, je hoort de echo van een oudere tijd, bijna zoals die van het water in de Adige. Maar in tegenstelling tot dat kalmerend geruis heeft het bidden een macabere klank. Niet eens de klank van wapengekletter, en zeker niet van stroomversnelling of waterval. Is het niet de klank van mensen die sterven gaan?”

REIZEN IN DE REGEN

Giacomo-Casanova

  1. De voorbije dagen had ik weinig dorst.
  2. Woensdag was ik om beroepsredenen in De Panne, net na de door komkommers druk becommentarieerde wolkbreuk. Het was een dwaas idee erheen te reizen met de trein, er reeds zelfs geen kusttram meer. In bijna elke straat in De Panne stond een brandweerwagen een kelder leeg te pompen. Waar ik zijn moest, kon ik niet geraken.  Ik stapte een restaurant binnen, helemaal leeg, en vroeg of ik iets kleins kon eten. Dat zou ik je afraden, antwoordde de kelner, je gaat beter op de dijk, daar zijn heel wat zaken waar kleine hapjes op het menu staan. Dat heb ik dan maar gedaan, helaas. Na een zurige sla met smakeloze garnalen en een glas even smakeloze witte wijn ben ik onverrichter zake naar Brussel teruggekeerd. Voor in de trein was nog een behaaglijk eenzame plek. Maar net toen de trein vertrok kwamen drie vreemdelingen bij me zitten, wat lichte ergernis bij me veroorzaakte, niet omdat ze vreemdelingen waren, maar omdat ik nu niet meer zou kunnen lezen. Mijn positieve was in een negatieve eenzaamheid veranderd. Ik probeerde dan maar hun nationaliteit te raden, wat niet wilde lukken. Welke taal spraken deze mannen? Net voorbij Koksijde kwam de treinbegeleidster de kaartjes nakijken. Geen van de drie reizigers had iets wat op een treinkaartje leek in zijn bezit. Ze gingen ervan uit dat ze gratis naar Brussel mochten. In Lichtervelde, een halte of twee verder, moesten ze uit de trein. Ik vraag me nog altijd af wat er met deze mensen daarna is gebeurd. Hoewel ik nu weer alleen was heb ik toch niet meer gelezen.
  3. Gisteren zijn we naar de Ardennen gereden. Ik zat achter in de auto en wierp af een toe een mistroostige blik op een beregend landschap. We moesten in Dinant zijn, in Marche-en-Famenne en nog een aantal plaatsen, ik weet al niet meer welke. Het nieuws op de autoradio ging over files, overstromingen in Duitsland en Zwitserland en Joëlle Milquet. Het Vlaamse journaille vond het een schande dat mevrouw Milquet zich voor ongeveer twaalf uur aan de politieke onderhandelingen had onttrokken om haar kinderen op te zoeken. Wat een misplaatste verontwaardiging – en dat terwijl de menselijke beschaving en de hele wereld zeer snel hun einde tegemoet snellen. In Marche-en-Famenne zijn we gestopt om een hapje te eten. Ik had aan een typisch streekgerecht gedacht, paté, boerenworst, eend, wild zwijn, paddestoelen, maar het regende, we wilden geen natte voeten krijgen en we vonden geen typisch Ardens restaurant. Op de grote markt van het stadje hebben we een Marokkaan aangetroffen en daar hebben we dan maar couscous gegeten. Wat zouden de velden en de bossen er mooi hebben uitgezien, glooiend in de zon. Nu was alles donker en grauw. Ik verlangde alleen maar naar huis. Dit was mijn laatste werkdag, het einde van een bizarre week. Alle mensen en dingen om me heen leken vreemd en ver, alsof ik er niet echt bij hoorde, alsof ik me al elders bevond.
  4. Vandaag heb ik mijn koffers gepakt. Morgen heel vroeg vertrekken we naar Charleroi en van daar naar Treviso. Daar nemen we de trein naar Triëst, waar we een week blijven. Ik heb net gezien dat het er de volgende dagen zal regenen. Een week later reizen we verder naar Ferrara, vlak bij de Po, die dan misschien al buiten zijn oevers zal zijn getreden. Maar misschien ook niet. Een van mijn uitverkoren schrijvers, Giorgio Bassani was uit Ferrara afkomstig en heeft er veel over geschreven, het mooiste in De tuin van de Finzi-Contini’s. We beëindigen onze reis in de waterige stad Venetië, waar toeristen als vee worden behandeld, heb ik gehoord. Al deze negatieve berichten schrikken me niet af. Ik vertrek met veel plezier, zoals altijd, en ik houd van Italië. Zelfs de Venetianen zal ik in mijn armen sluiten, hoewel ik nooit zal vergeten dat ze destijds de grote avonturier en meesterlijke schrijver Casanova in hun gevangenis hebben opgesloten.  En na zonsondergang sluipt door de steegjes van Venetië een zeer boosaardige rode dwerg (zie ‘Don’t Look Now’ van Nicholas Roeg).
  5. Dit kun je onmogelijk een sexy rock & roll-leven noemen. Maar maakt het uit? De aanslagen, de invasie van Irak, de oorlogen – dat alles maakt iets uit.

DROMEN VAN DE TUIN VAN DE FINZI-CONTINI

Finzi-Contini

Over reizen had ik het, onder meer. Over vluchten, verdwijnen. Ook nu, nadat ik een lange blik heb geworpen op het zinken dak en de blauwe hemel daarboven, denk ik aan reizen in het verschiet. Over minder dan een maand vertrek ik naar Berlijn. Ik houd van Berlijn. Ik denk dat die stad mij het dierbaarst is, nog dierbaarder dan New York, the city that never sleeps. Een rationele verklaring voor die aantrekkingskracht kan ik niet geven. Het is gewoon zo. Op de avond van 15 juli begeef ik mij naar een hotel in de buurt van de Oranienburgerstrasse om er mij in een soort van wellicht aangename eenzaamheid onder te dompelen. Ik zal alleen zijn, een week lang. Maar Berlijn trekt eenzame mensen aan en op die manier zal ik niet echt alleen zijn. En als ik me toch soms alleen zal voelen zal ik mij tot de engelen richten, op het bestaan waarvan Wim Wenders ons lang geleden heeft gewezen in Der Engel Über Berlin. Als ik verdwaal, wat heel goed mogelijk is, zullen zij me de weg wijzen. Het enige spijtige aan die zaak is dat het mannelijke engelen zijn. Ach, als het lot mij gunstig gezind is kruisen misschien wel enkele vrouwelijke engelen mijn pad. Of het kan ook zijn dat ze helemaal geen geslacht hebben, want ik vermoed dat de strijd nog altijd niet beslecht is.
Ik weet nog niet wat ik in Berlijn ga doen. Samen met Laura heb ik er alles al bezocht. Alles? Nee, dat is niet mogelijk. Streunerin, een Berlijnse, schreef me dat zoals elke mens elke stad op zijn minst twee gezichten heeft. Laten we er dan maar van uitgaan dat ik een tweede, derde, of vierde gezicht ga zoeken. Dat ik het aandachtig ga observeren. Mag ik hopen dat ook dat gezicht mij zal bevallen en inspireren?

In augustus maken we – dit keer samen – een nostalgische en literaire reis naar Noord-Italië. Eerst naar Triëste, de stad van Italo Svevo en waar diens vriend James Joyce een groot deel van Ulysses schreef. Vlakbij ligt het dorp Duino waar Rainer Maria Rilke in 1911 en 1912 logeerde bij de gravin Marie von Thurn und Taxis. Je kunt er in de omgeving, heb ik gelezen in Triëste autrement, een Rilke-wandeling maken langs het traject waar Rilke wandelde en nadacht over zijn meesterwerk, De Duineser Elegien. Tegenwoordig is Triëste de stad van Claudio Magris, de onvolprezen schrijven van onder meer Donau.

Van Triëste reizen we naar Ferrara, niet al te ver van Bologna. Ferrara is de stad van de Estes-familie, die ervoor zorgde dat het een van de allereerste renaissancesteden van Italië werd. Petrarca verbleef aan hun hof. Overigens zag ik enkele jaren geleden een mooie tentoonstelling over de Estes, in het Paleis voor Schone Kunsten hier in Brussel (Een bijzondere renaissance. Het hof van de Estes in Ferrara.) Ferrara is voor mij evenwel in de eerste plaats de stad van de meesterlijke schrijver en uitgever Giorgio Bassani. Zijn Ferrara-romans zijn in het Nederlands vertaald en uitgegeven in één deel. Het hoogtepunt is De tuin van de Finzi-Contini, een meeslepende roman over een rijke Joodse familie. Daar maakte Vittorio De Sica dan weer een meer dan behoorlijke film van met de de nu wat vergeten Dominique Sanda, een van de vamps van de jaren ’70. Hoewel die tuin van de Finzi-Contini verzonnen is ga ik hem in Ferrara toch bezoeken. Ik ben er zeker van dat ik hem zal vinden. En heel zeker zal ik eveneens het graf van Giorgio Bassani vinden.
Om onze reis af te sluiten gaan we drie dagen naar Venetië, de stad waar Laura ooit in een woeduitbarsting in mijn duim beet. Dat is dan het nostalgische deel van de trip. Venetië is voor mij minder een stad van schrijvers dan van filmregisseurs, hoewel Henry James er heeft gewoond en The Comfort Of Strangers van Ian McEwan zich er afspeelt. Venetië associeer ik heel sterk met Don’t Look Now van Nicholas Roeg, een film die al even luguber is als het boek van McEwan. Maar wel mooi. Met Julie Christie en Donald Sutherland. Bijna even mooi is natuurlijk Dood in Venetië van Luchino Visconti, maar uiteraard is dat gebaseerd op een klassiek verhaal van Thomas Mann.

Tot het zover is probeer ik niet de dagen te tellen. Elke dag geteld is een dag verloren. Je moet vind ik de dagen niet tellen maar ze leven. Anders heeft het leven geen zin.

Foto: uit de film Il giardino dei Finzi-Contini.