BEELDEN UIT PORTUGAL MEEGEBRACHT

Clichés zijn soms waar. Bijvoorbeeld dat beelden soms meer zeggen dan woorden. Ik bedoel echte beelden, ontstaan voor de taal tussenbeide komt, gemaakt alsof je van tevoren al weet dat je toch geen woorden zult vinden om te beschrijven wat je ziet, wat je zag. Dat gebrek ervaar ik nu inderdaad. Daarom hieronder enkele beelden die ik meebracht uit Portugal. Ik ben niet zo voor het publiceren van vakantiekiekjes, maar nu kan ik er niet aan weerstaan. Vergeef me!

scarlet head II

chestnut vendor

the yellow house and the sky

reading on a chilly afternoon

endless beach

tavira scene

a great day

remake / remodel

take these shells

DE ZOMER VAN DE NATTE VOETEN

Gisteren is mijn vakantie begonnen, twee weken, een week thuis en een week in Berlijn. Maar sinds eergisteren heb ik ook bronchitis. Dat verbaast me niet meer. Het is een regelmatig terugkerend patroon. Vakantie = ziekte. Eigenlijk voel ik me zelfs te slap om dit hier neer te schrijven, maar ik wil het toch doen. Zo wil ik straks ook naar Antwerpen om er mijn radioprogramma te gaan maken. Ik wil het, het moet. En over een week wil ik genezen zijn, omdat ik dan, nogmaals, naar Berlijn vertrek! Maar het zou niet de eerste keer zijn dat ik ziek op reis vertrek. Ach genoeg zelfbeklag… Als er een god bestond zou ik die nu vervloeken, maar er is niemand om te vervloeken, tenzij mijn werkgever, die me voor een opdracht door de regen gestuurd heeft, helemaal naar de Kempen. Vorige woendsdag heb ik in Overpelt door de natte, verlaten straten gelopen en in de gietende regen op de trein staan wachten. Een station was er niet, wel een klein hokje, waar een mens of een dier aan terreinafbakening had gedaan aan de hand van een vrij grote hoeveelheid fecaliën.

De volgende dagen zal ik het rustig aan moeten doen, hoewel ik DJ Shadow en Ed Harcourt nog op mijn programma heb staan. Als het echter blijft regenen zie je mij niet op dat Blue Note festival, dan blijf ik binnen en lees een boek; hier staan er nog voldoende, of luister naar muziek. Er is altijd wel iets. Gisteravond heb ik een schitterende film noir gezien van Nicholas Ray, In A Lonely Place, met Humphrey Bogart en Gloria Grahame. Ik ben gek op Gloria Grahame; in 1994 of daar omtrent heb ik een gedicht over haar geschreven. Gisteren las ik dat ze getrouwd is geweest met Nicholas Ray. Na hun scheiding is ze opnieuw getrouwd, dit keer met de zoon van Nicholas Ray. Wel de zoon uit een vorig huwelijk van Ray. Anders had het niet gemogen.

GLORIA GRAHAME

Altijd en overal is zij een dame
met een diep decolleté dat
als haar donkere pels open valt
haar witte huid zonlicht gunt.

Binnenskamers wordt zij een slanke
tijgerin op roodgelakte hakken
haar vel in een vlies van lingerie.
Een tijgerin vol melancholie.

Is haar oogopslag zwoel of gelaten
ontwaar je op haar gelaat sporen
van wurgseks en sodomie of is het

gewoonweg ’s werelds verveling
als zij haar enige vriend belt,
een dooddoener zonder geweten.

Dat schreef ik in 1994 na het zien van The Big Heat van Fritz Lang. Nog een film noir meesterwerk. Nu zou ik zulke verzen niet meer kunnen, niet meer willen schrijven. Vandaag al helemaal niet.

Over enkele uren vertrek ik naar Antwerpen. Vandaag maak ik een programma over the summer of love in 1967. Een groot deel van de songs die ik draai werden in dat jaar opgenomen. De playlist plaats ik hier morgen of overmorgen, zo houd ik de spanning er nog wat in. Helaas ben ik helemaal niet in de stemming voor een summer of love. Love-ins kunnen mij vandaag gestolen worden. De rook rond mijn hoofd is geheel verdwenen.

TEGEN DE ARBEID: ANDRE BRETON

breton 2Mijn korte vakantie is gisteren begonnen. Eigenlijk al donderdagavond en vrijdagochtend, een heel stuk nacht waarvan ik me te weinig herinner. Dan ook maar beter – voorlopig dan toch, tot het allemaal wat bezonken is – zwijgen over restaurants, cafés, toevallige ontmoetingen, potentiële nieuwe vriendschappen. Om mijn vakantie in te leiden wil ik hier gewoon even citeren uit André Breton’s Nadja:

“En laten ze mij hierna niet spreken over de arbeid, ik bedoel over de zedelijke waarde van de arbeid. Ik ben gedwongen het denkbeeld van arbeid als materiële noodzaak te accepteren, in dit opzicht ben ik er een groot voorstander van dat het werk beter, dat wil zeggen rechtvaardiger wordt verdeeld. Dat de troosteloze verplichtingen van het leven mij tot werken nopen, het zij zo, maar als ze mij vragen erin te geloven, mijn werk of dat van anderen met eerbied te beschouwen, dat nooit. Nogmaals, ik loop liever in het donker dan dat ik mij verbeeld dat ik in het daglicht loop. Terwijl je werkt heb je er niets aan dat je leeft. De gebeurtenis waarvan ieder mens het recht heeft de openbaring van de zin van zijn eigen leven te verwachten, die gebeurtenis die ik misschien nog niet gevonden heb maar waarheen ik mijn weg zoek, kan door arbeid niet worden verkregen.”