VADER, ZOON, VRIEND

[NACHTEN AAN DE KANT 29. MAART 1979]

Venez, venez vite
Je veux tout, mais tout de suite
Entrez dans ma danse
Moi je me balance, Georges Moustaki
[1]

Paul Rigaumont kwam ons een schilderwerkje brengen. Het heet De angst voor de verkorzeling en het is mooi en expressief, hoewel nog altijd een beetje in de stijl van Paul Klee. De schilder zegt dat het koude romantiek is. Ik weet niet goed wat hij daarmee bedoelt, maar als ik nog een keer, nu wat aandachtiger, kijk weet ik het wel. Paul gebruikt graag woorden als verkorzeling. Heeft het belang of dat woord niet bestaat in de Nederlandse taal? Nee, dat heeft geen belang. Het is een handschoenwoord. En wat dat dan is, een handschoenwoord? Dat moet je maar aan Paul vragen.

We verbleven drie dagen bij mijn ouders in Lanaken. Carnaval is het minst geschikte moment om daar naartoe te gaan. Al het lelijkste in de mens komt dan naar boven. Ik heb slechts één aangename herinnering aan dat verblijf. Ik herinner mij namelijk met genoegen de film La fiancée du pirate, een bescheiden maar giftig juweeltje (“poésie amère”) van Nelly Kaplan met in de hoofdrol één van mijn meest geliefde actrices, de sprankelende Bernadette Lafont. Marie, de dochter van een ‘dorpsheks’, besluit prostituée te worden. Ze verandert de hut waarin ze met haar moeder woont in een magisch bordeel en wreekt zich met de middelen die de natuur haar geschonken heeft, en de natuur is zeer mild geweest, op de dorpelingen, met hun hypocriete moraal.

Met mijn vader voel ik minder verwantschap dan met mijn schilderende koud-romantische vriend. Ik wil niet op hem lijken. Ik wil elke band met hem verbreken, zelfs de genetische. Mooie fantasie! Onmogelijk dat je niet op je vader lijkt, hoezeer je je ook inspant om volstrekt van hem te verschillen. Maar mogelijk kun je met een krachtige, volgehouden inspanning van de wil er geleidelijk aan toch minder gaan uitzien als hij en uiteindelijk een andere mens worden. Over tien, twintig jaar nog eens in de spiegel kijken. [2]

Vandaag ging ik even bij de dokter langs om iets over de toestand van mijn longen te vernemen. Die is erbarmelijk, maar het gaat al beter, meneer Pulaski, zei de welwillende dokter Clerckx. Beter, het zal wel zijn als ik nacht op nacht in rokerige kroegen en vochtige punkkelders zit, waar het stinkt naar pis en zweet – en soms bloed.
Thuis zat Paul Luyten op me te wachten. We hadden elkaar sinds december niet meer gezien. Paul heeft nu een dikke snor, waardoor hij enigszins op Nietzsche lijkt. In Pauls leven is er op die drie of vier maanden veel veranderd. Hij woont nu in Gent, waar hij een boekwinkel heeft overgenomen. Zijn plannen voor een loopbaan als acteur of als regisseur heeft hij opgegeven. Hij beweert dat hij onvoldoende talent heeft, waar ik het niet mee eens ben. Hoewel ik hem nooit heb zien acteren of regisseren. Het is intuïtie. Ik herken me in dat soort van zelfonderschatting en wegvluchten in bescheidenheid. Die is helemaal niet gespeeld of vals. Paul is uitermate intelligent en een van de meest integere mensen die ik ken. Ik weet niet wat ik van deze beslissing moet denken. Welke toekomst staat hem te wachten? Wordt hij een kleine zelfstandige, een zakenman? Hij klinkt niet erg enthousiast. Maar beter boekhandelaar dan slager of klaploper – of eeuwige amateur en grote belofte zoals ik. Veel geluk Paul, het komt allemaal goed.


[1] Een liedje uit de soundtrack van de film La fiancée du pirate, gezongen door Barbara.
[2] Deze aanmerkingen over mijn vader dateren van 1979. Later is mijn verhouding met hem beter geworden. Sindsdien heb ik al lang aanvaard dat ik op hem lijk en dat daar niets mis mee is.

DE DOOD VAN VADER

vader-vriend (2)

Nog altijd in een onrustige, gespannen periode. Wie ben ik, waar kom ik vandaan? De vragen die veel mensen zich stellen. Ook uit de dagboeknotitie hieronder valt iets te leren, denk ik. En niet alleen over mezelf. Wat ik beschreef was een andere wereld en tegelijk is het nog steeds dezelfde, die waarin we vandaag leven. De wereld waarin we ons die vroegere wereld herinneren en ons afvragen waar we vandaan komen en waar we naartoe gaan.

Dit is een dagboeknotitie uit 14 mei 1993. Ik was toen tweeënveertig:

Vader zal gestorven zijn precies op het moment dat ik gezeten op bus 17 voorbij Sint-Barbara reed. Op mijn walkman ‘I’m Scared’ van John Lennon. De hele rit lang, van Genk naar Lanaken, gingen er vreemde gevoelens in mij om… Meer iets tussen gevoelens en gedachten, tussen verdriet en euforie, tussen herinnering en anticipatie.

François heeft de hele nacht tot acht uur vanmorgen bij vader gewaakt. Om elf uur leefde vader nog. Jef en Paula zijn even langs geweest. Om twaalf uur was hij al dood. Hubert is het nieuws komen brengen, heel voorzichtig.
Ik was net thuis aangekomen. Er lag een verse biefstuk op tafel, klaar om gebakken te worden. We wisten niet wat ermee aan te vangen. Een stuk vlees. De dokter, mevrouw Vaas, kwam net langs voor moeders been. Dat is ontstoken, eigenlijk mag ze niet meer lopen, zegt de dokter. Ze krijgt elke dag een injectie, antibiotica. De bloemkool was zo plat geworden dat ze niet eetbaar meer was. We hebben alleen nog wat tomatensoep met balletjes uit blik gegeten.

François is erg van streek maar wil of kan dat niet tonen. Maar verbergen kan hij het ook niet. We zijn al een heel eind voorbij Sint-Barbara gereden voor iemand van ons dat doorheeft. De reactie van François op dit symptoom van shock is: vloeken. We hebben kleren uitgekozen om onze dode vader aan te trekken. Zijn donkergrijs gestreept pak, met vest. Ik kies een gekleurde stropdas, dat zal hem beter staan: hij moet zelf niet rouwen.

In de kamer waar hij dood ligt is het verstikkend heet. De geur van zijn dood is er blijven hangen. Toch ziet hij er nu beter uit dan gisteren, toen hij nog leefde. Hij is bevrijd. Hij is ook niet langer vastgebonden. Er zit een windsel rond zijn hoofd, zodat zijn mond niet openvallen zou. Nu herken ik vader al wat meer zoals hij vroeger was, niet langer opgezwollen van de ziekte en de medicijnen.

Terwijl hij daar zo ligt moeten we de kamer leeg maken: de kasten, de tafel, de vensterbank. Ik gooi alle fruit, hoe goed en gezond het er ook uitziet, in een plastieken zak voor de vuilnis. Maar ik vind dit allemaal bijzonder ongepast. Waarom hebben ze hem niet eerst weggehaald? Ook zijn schoenen en pantoffels en een aantal doosjes geneesmiddelen stop ik in die zak. Die zal ik straks in de vuilnisemmer gooien, ook als zij dat niet willen. Zij willen alles bewaren, zelfs de pantoffels die mij zo sterk aan zijn lijden van vorige zaterdag herinneren, aan zijn witte, erg opgezwollen voeten. Zijn voorhoofd is al koud. Even lijkt het of zijn rechteroog beweegt. Zou er helemaal niets van hem overblijven?

In de cafetaria wachten we tot de verpleegsters hem zijn pak hebben aangetrokken en hem naar het mortuarium hebben gebracht. Hij ziet er goed uit, zoals het hoort. De gekleurde stropdas staat hem uitstekend.

Bij begrafenisondernemer Bertels wordt duidelijk dat ik nu over een aantal dingen moet beslissen. Hoewel ik dit nooit eerder heb gedaan gaat het haast vanzelf. Wel vind ik het vreemd dat de winkelbediende, een jonge vrouw, daar zo kan zitten glimlachen. Tussen de bloemstukken en met waarschijnlijk een aantal lijken achter haar rug.
Een begrafenis is niet goedkoop. Die van mijn vader komt zeker op 120.000 frank. We hebben nochtans niets duurs gekozen.

Ik geloof dat ik iets zal schrijven voor het doodsprentje.

Vanaf acht uur, als A. al is aangekomen uit Brussel, beginnen we de adressen op de omslagen te schrijven. Dat is niet zo eenvoudig omdat er geen adressen zijn. Hubert en Maria, die ons daarbij helpen, doen een aantal suggesties. Ma is erg in de war en begint om het minst te brullen. Dat is wel begrijpelijk – brullen is iets typisch voor schippers – maar je krijgt het er desondanks van op je heupen. Meermaals moeten we telefoonboeken raadplegen om adressen te checken. Het trouwboekje moet nog naar Bertels. Ik lees de drukproef van de doodsbrief na. We eten die biefstuk op. Samen met A. drink ik rode wijn.

Ik kan maar moeilijk naar bed. Bekijk nog foto’s van vroeger. Toen alles schijnbaar zo goed ging. We kunnen nooit meer terug naar die tijd. Nu vader dood is voel ik opeens een grote verantwoordelijkheid.

De volgend ochtend, na een korte maar vrij rustige slaap. Jef en Paula zullen nog een aantal doodsbrieven op de bus doen. Jacqueline is er om schoon te maken, maar iedereen loopt in de weg.

Foto: vader (rechts), datum onbekend maar lang geleden.

TROEBELE HERINNERINGEN AAN TROUWE HONDEN [1]

me and laika in lanaken (2)

Ik keer terug naar de Gomera Lounge via Carretera de Playa del Inglés. Voor een voetbalsupporterskroeg in Calle Normara staat een groepje Duitse televisievoetbalfans al rokend een match te becommentariëren. Ze gaan niet voor me uit de weg, of wat had je gedacht? Lompe mensen heb je hier ook, maar ze vormen gelukkig slechts een kleine minderheid. De meeste inwoners en toeristen hier zijn vriendelijk en hoffelijk.

Waarom zijn de herinneringen aan mijn kinderjaren zo troebel? Van mijn eerste acht levensjaren, de tijd die ik bij mijn ouders op het schip doorbracht, herinner ik me bitter weinig. Alleen vage indrukken zijn overgebleven. Ook de volgende periode, die van het internaatsleven van mijn achtste tot mijn negentiende, is gedeeltelijk in mist gehuld. Oude vrienden als Ivan P. en Henry J. herinneren zich nog de kleinste details: niet alleen namen van leerkrachten, ‘opvoeders’ en medeleerlingen; ze herinneren zich ook wat we precies deden, welke rotzooi we in het internaat te eten kregen, hoe we gekleed waren, wie onze vrienden waren en wie onze ‘vijanden’, welke cafés we bezochten en wat we daar dronken. Van die cafés herinner ik me voornamelijk nog welke liedjes er op de jukebox stonden. Zelfs de meeste namen van de meisjes met wie ik danste ben ik vergeten. Mijn allereerste hond, Jimpy, herinner ik me wel nog vrij goed, Suzy, mijn tweede, nog beter.
Mijn eerste hond had mijn vader toen ik twaalf was – het was het jaar van mijn plechtige communie – doodgeschoten in de buurt van een scheepswerf in het bierdorp Bocholt. Niet dat mijn vader een dierenhater was. Jimpy, een cocker spaniël, was altijd al een zwakke hond geweest. Om de drie maanden ongeveer kreeg hij een epilepsieaanval. Hij maakte dan eerst een aantal rondjes om de keukentafel, ging vervolgens op zijn buik liggen, strekte zijn poten uit, zijn ogen draaiden weg, er kwam kwijl uit zijn bek. Na een tiental minuten leek het of er niets gebeurd was. Maar later kreeg hij een donker gezwel op de buik. Soms barstte het open; een vieze smurrie maakte donkere vlekken op het vloerkleed. Aangezien ik op internaat zat, heb ik dat gelukkig niet vaak meegemaakt. Op den duur was het niet houdbaar, vonden mijn ouders. Jimpy had ongetwijfeld ook veel pijn. Mijn vader was bang voor geneesheren en alles wat zij vertegenwoordigden. Als ik ziek was, ik kreeg geregeld astma-aanvallen, werd er soms een dokter bijgeroepen. Mijn vader maakte zich dan uit de voeten. Hij bleef buiten staan wachten tot de arts weer weg was. Zelf bezocht hij nooit een dokter. Als hij door hevige tandpijn geplaagd werd, naast rugpijn de enige kwaal die hij soms had, trok hij de verduivelde tand zelf uit. Zo ging het ook met Jimpy: geen dierenarts, maar het karabijn.

Enkele jaren later kozen we een tweede hond. Die gingen we, zoals eerder Jimpy, op de Vogelenmarkt in Antwerpen kopen. Daar hadden ze de beste en de trouwste honden, werd ons op het hart gedrukt. Voor mij heeft Suzy nooit de plaats van Jimpy kunnen innemen. Mijn emotionele band met mijn eerste hond was veel sterker. Dat kwam omdat ik met die hond was opgegroeid. Tot mijn achtste was hij mijn enige echte vriend. Meermaals viel ik op de vloer van de stuurhut in slaap, met mijn hoofd op zijn warm, langharig lijf. Wat hield ik van zijn lange flaporen. Maar Suzy was ook een goede hond. Als ik de kans zag ging ik met hem wandelen. Ik heb altijd graag met honden gewandeld, hoewel dat nu lang geleden is. De laatste keer dat ik met een hond ging wandelen was met Laïka. Dat was een paar dagen voor de dood van mijn moeder. Laïka was de hond van mijn broer; na zijn echtscheiding was mijn broer samen met zijn hond weer ingetrokken bij mijn ouders. Na de dood van mijn vader zorgde hij zo goed als het ging voor mijn moeder. Zij werd stilaan dement, op den duur dacht ze dat mijn broer mijn vader was en mij hield ze voor mijn broer. Tot ze helemaal niemand meer herkende. Laïka is gestorven op de dag dat mijn moeder begraven werd. Hoe Laïka aan zijn naam is gekomen weet ik niet. Mijn broer heeft zijn geheugen in de bars en cafés van Lanaken en Neerharen achtergelaten. Het heeft weinig zin dat ik het aan hem nu nog zou vragen. Waar Suzy’s naam vandaan kwam weet ik nog goed, zoals ik al zei. Mijn moeder en ik waren in de keuken. De soep stond op; ik herinner me de heerlijke geur van bouillonvlees, selder en laurier. Hoe gaan we die hond nu noemen, vroeg ik. Ook Jimpy, stelde mijn moeder voor. Nee, dat kan niet, zei ik. Er kan maar één Jimpy zijn, ook al is hij dood. In de keuken stond altijd een transistorradio aan, vaak op de piratenzender Radio London afgestemd. Op dat ogenblik weerklonk ‘Hello Suzie’ van Amen Corner, een Britse popgroep die toen populair was. Hun ‘(If Paradise Is) Half As Nice’ vind ik nog altijd een mooi en warm liefdeslied. Voilà, zei ik, we hebben een naam: Suzy. Mijn moeder was een goede vriend van me. Hoewel we veel ruzieden kon ik haar ongeveer alles vertellen, zelfs mijn diepste geheimen. Ze was het zeker niet altijd eens met wat ik deed en zei. Ik mocht bijvoorbeeld niet in mijn hemd, zonder onderlijfje, in de regen gaan fietsen, hoewel ze terwijl ze het zei al wist dat ik het toch zou doen. Nu echter ging ze meteen akkoord. Ja, Suzy, dat is een geschikte naam voor die hond, zei ze. Ik heb nu al zin in die soep, zei ik.

neerharen12 001

[1] Dit is deel 10 van een reeks impressies van een reis naar Valle Gran Rey in La Gomera, Canarische Eilanden. Lees het als een raamvertelling.

STILTE

Nicolas-de-STAEL.jpg

Een paar dagen geleden zag ik voor de zoveelste keer ‘Het meisje van de luciferfabriek’ (Tulitikkutehtaan tyttö) van Aki Kaurismäki, een film die niet verjaart, alsof hij buiten de tijd werd gemaakt. Wat mij dit keer bovenal opviel was de stilte, de vele scènes zonder dialoog. Misschien was ik vergeten dat ik die eigenschap vroeger ook al opgemerkt had.

Wat heerlijk toch, zulke stille mensen en bijna geen lawaai, alleen wat rommelige rockabilly en ‘zigeunermuziek’ – en af en toe een gebenedijd woord. Was het vroeger, toen ik nog een kleine jongen was, bij ons ook niet zo? Waren met name de Vlamingen geen in zichzelf gekeerde, zwijgzame mensen? Misschien vergis ik me, maar ik herinner me die oudere generaties zo. Ook mijn ouders spraken weinig; mijn moeder wat meer dan mijn vader. Die zwijgzaamheid is niet altijd een zegen. Zo heb ik met mijn vader nooit een gesprek gehad, waardoor ik nu bijna niets over hem weet. Als het in mijn psychoanalyse over mijn vader gaat moet ik er bijna altijd het zwijgen toe doen. Omdat er van mijn familie bijna niemand meer overblijft, zeker niet van de generatie van mijn ouders, kan ik ook aan niemand meer iets over hem vragen. Aan mijn oudere broer? Hij is al net zo zwijgzaam als mijn vader. En van het vele drinken zit zijn geheugen vol gaten. Ik kan bijvoorbeeld niemand vragen welke rol mijn vader gespeeld heeft in de weerstand. Waarom mijn ouders in Lanklaar gedomicilieerd waren, een gemeente waar ze nooit hebben gewoond. Of hoe mijn halfbroer heet – want dat ik een halfbroer heb, dat weet ik wel zeker.

Al gaat er in het leven weinig boven een gesprek met een vriendin of een vriend houd ik van stilte. Van stille mensen, van stille schilderijen, zoals die van Giorgio Morandi en Nicolas De Staël, van stille muziek, zoals die van Claude Debussy, Karen Dalton en Nick Drake, van stille wegen en van straten op een zondagmiddag als de winkels toe zijn, van de stille geluiden in bossen. Ik heb een afkeer gekregen van bijna alle televisieprogramma’s, het inhoudsloos gekwetter en getetter en betweterig gebrabbel. Geef mij dan maar het getsjilp van de vogels of muziek die daar op lijkt, die van Olivier Messiaen bijvoorbeeld. Wat hebben die drukke mensen toch allemaal te vertellen? ‘Praatjesmakers’ noemde iemand hen onlangs terecht. De radio zet ik ook bijna nooit meer aan. Al dat gewauwel. Zelfs het nieuws maakt een neurotische wrak van me, zeker als het belangrijkste item de moeilijkheid betreft om met de auto van Geel in Brussel te geraken. Neem dan toch de trein. Af en toe luister ik nog wel eens naar Klara, omdat de stemmen daar wat zachter zijn, maar dan schrik ik opeens op van de deprimerende tonen van Vivaldi en draai ik vliegensvlug de knop om.

Maar vergis je niet: ik houd van stemmen, ik vind het fijn naar je te luisteren, naar je woorden, je lach, en niet één lied van Sam Amidon of Neko Case werkt me op de zenuwen. Ik mis alleen die zwijgende Vlaamse boeren uit mijn kinderjaren, toen ik geheel verdiept was in een of ander avontuur van Bob Morane of me liet meeslepen door de opzienbarende ontdekking van dr. Fleming. Daarom ben ik diep gelukkig met de films van regisseurs als Aki Kaurismäki. Wat hij toont is geen mooie wereld, maar alles bij hem straalt schoonheid uit. Hij schijnt geen lelijkheid te kennen. En is de ergste lelijkheid niet het lawaai?

 

Foto’s: Nicolas de Staël.

IN DE ROOS

vaderschiet 001.jpg

Vader op de kermis. Datum onbekend (jaren vijftig).

Ik heb ook een tijdje vrij goed met de luchtbuks kunnen schieten, tot mijn zestiende ongeveer. Tot dan was James Bond mijn held: ik geloof dat ik meer van agent 007 hield dan van mijn vader. Maar het is goed mogelijk dat ik me daarin vergis, want wat weet ik nog van wat ik in die dagen voelde? Alleszins heeft mijn vader me niet leren schieten. Ik heb hem alleen maar vanop een afstand geobserveerd, als ik daar al de kans toe kreeg. Het grootste deel van de tijd was ik ver van hem en van mijn moeder weg.

AARDBEIENJAM EN BITTER: MIJN FIFTIES

mitzietc.jpg

Als ik er iets mee ga doen, met die notities, dan zal het in muzikale zin zijn. Hoe ben ik doorheen mijn jaren tot de muziek gekomen waar ik nu van houd, of waarvoor ik nog uit mijn zetel kom om een of andere geluidsdrager in gang te zetten, voldoende luid, zonder enige rekening te houden met de buren, zodat ik er al bij al nog enig plezier aan kan beleven?

Dat was de opdracht. Dit is het eerste deel van de jaren vijftig. Meer sociologie dan musicologie, maar zo zoet als aardbeienjam en zo bitter als een of ander Italiaans digestief drankje.

De jaren vijftig waren voor mij, zoals voor de meeste kinderen in het Westen, zowel een tijd van intens, bijna paradijselijk geluk als van allesdoordringende angst. De vreselijkste en meest mensonterende oorlog ooit was voorbij, alles in West-Europa veranderde razendsnel, maar diezelfde oorlog wierp nog een donkere schaduw op het dagelijks leven van mijn ouders, mijn familie, ons land, Europa en het grootste deel van de wereld. De wonden waren niet geheeld, de herinneringen aan de verschrikkelijke gebeurtenissen (bombardementen, ‘vliegende bommen’, nazi-uniformen, bunkers, prikkeldraad, gevangenschap) waren nog levendig. Het ergste, wat ons allen tekent, is me pas later verteld, maar niet veel later.

Over die tijd, hoe ik hem beleefde, heb ik al té vaak geschreven; ik wil niet in herhaling vallen. Ik wil me aan mijn voornemen houden: mijn muzikale ontwikkeling beschrijven. En daarmee bedoel ik geenszins dat ik ooit een muzikant ben geweest: ik weet nauwelijks iets van muziek, kan geen enkel instrument bespelen, zing vals, kan geen noten lezen… noem maar op. In deze nieuwe notities heb ik het niet over spelen, maar over mijn passionele liefde voor muziek, die van emotionele aard is, zoals bijna alles in mijn leven. Van in het begin al ben ik gevoelig, romantisch, sentimenteel, om niet te zeggen hypersensitief. Mijn wereld is een kleine wereld, een wereld van verwondering, nieuwsgierigheid, verlangen en angst om verlaten te worden, allemaal karaktertrekken waar je in zekere zin mee geboren wordt, of die in je kindertijd ontstaan en tot rijping komen.

Tot mijn achtste, het jaar van expo 58, heb ik op een kleine aak geleefd, zo’n schip van veertig meter dat vrachten vervoert van de ene streek naar de andere, met mijn ouders en mijn broer. Ik had weinig contact met andere kinderen, nog minder met grote mensen. Ik weet nog altijd niet waar die schrik vandaan komt, maar ik was voor iedereen bang, met uitzondering van mijn moeder. Mijn broer was intern op een schippersschool in Brugge, mijn moeders familie woonde in Antwerpen, die van mijn vader in Neerharen en Lanaken. Ik was altijd aan boord, als baby, kleuter, kleine cowboy, Jan zonder vrees en fan van Elvis Presley en Bobbejaan Schoepen.

Mijn ouders waren niet bepaald muzikaal. Moeder had een mooie mandoline, die ze als jong meisje had bespeeld, vertelde ze me soms, maar ik geloof niet dat ze er, eens volwassen, ooit op gespeeld heeft. Mijn vader bezat een gele accordeon, het merk ben ik vergeten, waar hij één liedje op kon spelen, ‘J’attendrai’, meen ik mij te herinneren. Dat speelde hij zo vaak dat ik al gauw geeuwerig werd van Franse liederen en van valse musette in het bijzonder. Echter, als ik nu zulke deuntjes hoor smelt mijn hart en zie ik meteen mijn vader voor me als een soort van Jean Gabin met Arletty in zijn armen. Hij kon mooi fluiten, wat mij altijd weer ontroerde. Fluiten, roken, de blik in zijn ogen, verhalen over de oorlog, over zijn krijgsgevangenschap en zijn kleine heldendaden in het verzet. Vreemd genoeg was er in vaders verhalen meer fascinatie voor de vijand dan voor de vriend. Ik heb hem nooit iets horen vertellen over de Engelsen, Canadezen en Amerikanen, maar wel over de Duitsers en de Oostenrijkers. Vooral over de Oostenrijke boerendochters kon hij urenlang doorgaan; hij was een jaar lang krijgsgevangene geweest niet ver van Innsbrück. Mijn fascinatie voor alles wat Midden-Europees is komt van hem, denk ik nu, van wat hij vertelde aan andere schippers op lange zomeravonden, als er licht bier werd gedronken en veel gelachen. De vrouwen bevestigden wat werd gezegd, hun schaars commentaar leek op een modern Grieks koor, zonder drama, zonder tragische implicaties. Later zag ik zulke situaties terug in films van Rainer Werner Fassbinder, de regisseur die deze periode het best in beeld heeft gebracht. En hoe het zo ver gekomen is zie je in zijn ‘Berlin Alexanderplatz’, een van de grootste films van de twintigste eeuw, met een geweldige, bijzonder sentimentele soundtrack. En in ‘Heimat’, van Edgar Reitz. Kijk, hier heb je al mijn gehechtheid aan Duitsland, maar het is in mijn ogen net dat Duitsland dat de nazi’s wilden uitroeien, waar ze – en dat is de tragedie – gedeeltelijk in geslaagd zijn.

Wij hadden zo’n grote lampenradio aan boord, met korte, midden- en lange golf. Voor mij was die radio een andere wereld, magisch, mysterieus, onbereikbaar. De namen van de zenders alleen al waren toverformules, Beograd, Hilversum, Moskwa, Istanbul, Belgrado, Luxembourg, Beromünster… Onder meer Sam Shepard, John Cale en Van Morrison hebben daar ontroerend over geschreven en gecomponeerd. Luister maar eens naar John Cales ‘Risé, Sam and Rimsky-Korsakov’, op tekst van Sam Shepard, een man in wie ik me vanwege die emotionele kwaliteiten herken. Risé, de toenmalige vrouw van John Cale, reciteert de tekst en het timbre en de kleur van haar stem doen me altijd weer terugdenken aan mijn kinderjaren, toen de radio een boodschapper van een ander sterrenstelsel voor me was.

De radio was voor mij als kind vooral een taal- geluidsfenomeen. Ik luisterde vaak, vooral als het donker was, naar de vreemde klanken die uit de luidspreker kwamen als je aan de zenderknop draaide. Het waren klanken uit die vreemde wereld ergens in het verleden verdwenen, maar eveneens uit de toekomst opdoemend en voor mij als kind en nu nog altijd verwant aan de wetenschap, die in de verte een geheim was dat moest worden ontsluierd. Sindsdien is er wat dat betreft weinig veranderd. Hoeveel we ook mogen weten over DNA, kanker en de big bang. De flarden gesproken woord die ik hoorde, in onverstaanbare talen, meestal waren het vrouwenstemmen, gaven me zin om in de radio te kruipen en op zoek te gaan naar de mysterieuze steden en landen van waar die klanken de ruimte in werden gestuurd. Meestal was er op de achtergrond het rumoer van de wind op het water, de Schelde, de Maas, het Albertkanaal, het gedaver van de scheepsmotor en de chaotische geluiden van de activiteiten in de havens waar we aanmeerden en het schip werd gelost en geladen.

Maar hoe kwam ik dan in aanraking met rock & roll en hoe is het zo ver gekomen dat ik nu naar concerten van Emmylou Harris en the Flaming Lips ga? Daar moet ik nog wat over nadenken, de volgende dagen lees je er meer over. Ik weet wel al zeker dat ik het over vonken zal hebben. En spatten. De poëzie van Meister Eckhart en de schilderijen van Jackson Pollock.

vader1.jpg

Autobiografie in foto’s: jaren vijftig. Boven: Mitzi, Brigitte, Henriette en ik op de achtergrond. Onder: Mijn vader (rechts) en een vriend.

OUDE LIEDJES

vader en moeder.jpg

Mijn moeder en vader kort na de tweede wereldoorlog. Mijn moeder was negen jaar ouder dan mijn vader. Dat zie je op deze foto niet zo. Mijn vader leek wat op Hank Williams, maar dat heeft hij nooit geweten, neem ik aan. In Neerharen en omstreken kende niemand Hank Williams. Was dat erg? Natuurlijk niet, hoewel ik vind dat de liederen van Hank Williams en country in het algemeen goed passen bij de Maasvallei, zeker in die lang vervlogen dagen toen ik nog niet geboren was. En later, in de jaren vijftig en zestig ook nog. Ik herinner me nu cinema Eden in Lanaken, waar ik op zondagmiddag vaak twee films zag: toen ik jaren later naar ‘The Last Picture Show’ van Peter Bogdanovich zat te kijken herkende ik daarin meteen die hele sfeer, en dat kwam ook door de soundrack met veel songs van Hank Williams. Helaas waren dorpen als Rekem, Neerharen en Lanaken heel wat minder glamoureus dan de “small town” in Texas van regisseur Peter Bogdanovich en schrijver Larry McMurtry. Hoewel Cybil Shepherd mij aan sommige heel mooie meisjes in Eisden deed denken.

Mijn vader is gestorven op 12 mei 1993. Twintig jaar na zijn dood zal ik wakker worden in een klein hotel – Ipnos – onder de vulkaan in Catania. Overigens bewaar ik alles. Zo heb ik dozen vol oude en recente treinkaarten. Een half uur geleden opende ik nogal impulsief een oude ‘Chinese’ blikken doos, van mijn ouders geërfd: het eerste wat ik aantrof was een treinkaart van Brussel naar Genk en terug, vertrek op 15 mei 1993, terugkeer op 17 mei 1993.

VADER EN ZOON

vader.jpg
Vader.

In de meeslepende roman ‘Solar’ (2010) van Ian McEwan, een schrijver die ik sinds zijn debuut trouw ben blijven lezen, en die mij nooit teleurgesteld heeft, las ik het volgende:

“He used a poem to get a girl, and she was gone, two years dead from cancer of the liver, in fact. He was thinking how he never took Maisie to meet his father, and never invited the old man to stay at the handsome rectory in Sussex, just left him to his sorrow while the new age dawned and the arrogant, shameless, spoiled generation turned its backs on the fathers who fought the war, dismissing them for their short hair and tidy ways and indifference to rock and roll.”

Als je hoochiekoochie al een tijdje leest, besef je meteen dat ik tot die arrogante, schaamteloze, verwende generatie behoor die Ian McEwan zo genadeloos beschrijft. Wellicht begrijp je dan ook hoe schuldig ik me voelde toen ik dit las. Hoewel het uiteraard geen hele generatie was die zich tegen de vaders keerde – McEwan overdrijft voor het effect – hoorde ik zeker wel tot het rebellerende segment van die leeftijdsgroep, waarvan het motto was ‘ I hope I die before I get old’. Ja, ook ik keerde mijn vader de rug toe omdat hij niets begreep van de nieuwe tijd, van de ingrijpende veranderingen die zich aankondigden, omdat hij voortdurend opmerkingen maakte over mijn lange haren, “wat zullen de mensen daar wel niet van denken”, ook ik trad net als het hoofdpersonage van ‘Solar’, als een daad van protest op heel jonge leeftijd in het huwelijk. Ook ik nodigde vader, moeder, broer, schoonzus zo goed als nooit uit in onze alternatief ingerichte woning, waar wij ons ‘ander leven’ leidden, op de grond gezeten luisterend naar Moby Grape, the Byrds, the Velvet Underground, Sly & the Family Stone, joints rokend, ons verdiepend in macrobiotiek en theorieën over anti-autoritaire opvoeding en het einde van het gezin. Ook mijn vader was soldaat geweest in de oorlog, krijgsgevangene, verzetsstrijder.

Veel later, twee jaar voor zijn dood, heb ik me met hem kunnen verzoenen. Tot na de dood van mijn moeder, negen jaar later, heb ik moeten wachten om zijn decoraties en zijn met een klein Belgisch vlagje opgesmukte beret, die hij droeg als hij met zijn vrienden andere oudstrijders ten grave droeg, mee naar huis te kunnen nemen. Late verzoening, late respectbetuiging, en een gevoel van schuld waar ik me nauwelijks bewust van was tot ik het hierboven aangehaalde fragment las. Dat Ian McEwan zelf tot die generatie hoort biedt weinig soelaas.  Maar het fragment – met zijn resonantie – toont wel aan wat een meesterlijke, diepgravende auteur hij is.

 

DROOM, KEERPUNT EN ORAKEL

schip,neerharen,badpak,moord,lacan,baltasar gracian,moeder,broer,1978

Mijn moeder werd lafhartig vermoord: dit pijnlijke feit kwam ik pas later aan de weet. Met Laura ben ik, voor een paar dagen, in Neerharen. Bij Frankie, in de nabijheid van het schip. Zowel hij als Elfriede en ook de kleine Octavio gedragen zich geheimzinnig. Ik weet dat die geheimzinnigheid twee dingen kan betekenen: ofwel zwemmen, ofwel fotograferen. Alleszins heeft het met seks te maken. Je ondergoed uit doen en een badpak aantrekken. Want het is mooi weer. Mijn broeder neemt een afwachtende houding aan. Daarom wandel ik een eindje langs het kanaal tot aan de ijzeren brug. Aan de voet van een van de pijlers aan de kant van het dorp is de weg op zo’n ongewone wijze geplaveid dat je er niet naast kan kijken. Hoewel het min of meer normale plaveien zijn, doet het geheel denken aan een mozaïek. Het zijn rechthoekige stenen met een inscriptie erin. Elke steen draagt een boodschap. Op dat moment wordt het voor mij duidelijk dat mama dood is.

Niet alles wat ik verneem over mama’s overlijden staat in de stenen ingegrift. Gedeeltelijk komt het mij verbaal ter ore, als verhaal, gedeeltelijk wordt het mij in beelden meegedeeld.
Mama loopt aan de andere oever van het kanaal, in de buurt van de kiezelgroeve. Terwijl het schip wordt volgeladen met grint maakt zij een wandelingetje. Een arbeider van de kiezelwasserij komt in haar richting gelopen. Zodra hij haar ziet ondergaat hij een gedaanteverwisseling. Hij neemt een dreigende houding aan en houdt haar tegen. Een grijns verschijnt op zijn gezicht. Mama weet instinctmatig dat er onheil te wachten staat.
“Dacht ge dat ik altijd in de grint gewerkt had?” vraagt hij, “dan zit ge er lelijk naast. Want vroeger was het wel anders.” Een brutale lach.
“Vroeger… Toen stopte ik de vergaste lijken in de kisten. Ja, toen stopte ik de lijken in de grond…”
Mama begrijpt te laat met wat voor smeerlap zij af te rekenen heeft. Niet alleen een smeerlap, een salaud, maar een gevaarlijke kerel. Met deze man valt niet te praten. Ze grijpt vliegensvlug een baksteen die daar op de grond ligt en slingert hem naar zijn hoofd.
Ik hoor haar dit vertellen. Het is een verhaal dat zich afspeelt in de verleden tijd. Haar stem klinkt alsof zij van ergens onder water komt.
“Dat was een grote vergissing,” zegt ze, “dat ik die baksteen naar zijn hoofd heb geslingerd. Ik had onmiddellijk weg moeten lopen, misschien had hij me dan niet meer te pakken gekregen.”
Hoe heeft de nazi mama vermoord? Met zekerheid valt dat niet te zeggen. Er zijn twee mogelijkheden: ofwel heeft hij haar gewurgd, ofwel heef hij haar hoofd onder water gehouden tot ze verdronken is. In ieder geval heeft hij haar dood of levend in één van de oude kiezelgroeven geworpen, een van de putten die zich met water hebben gevuld en die er nu uitzien als slecht onderhouden, door oorlog geschonden vijvers.
Ik betreur het nu dat ik zoveel van de inscripties op de plaveien vergat.Op één van de stenen las ik :

LIEVE ZOON
LIEVE LAURA

Ze is er niet meer. Ik barst in tranen uit. Ik mis je, mama, ik mis je. Haar liefde voor Laura, zoals zij daar op die steen geschreven staat, in synthesewoorden die symbolen zijn, die duizend woorden en niet-woorden samenvatten, verhevigt mijn verdriet. Toch rijst er ook twijfel: wie is die ‘lieve zoon’, is dat mijn broer, ben ik het, zijn wij het beiden?
Voor haar dood heeft mijn moeder nog een onderzoek ingesteld naar de identiteit van haar moordenaar. De resultaten daarvan staan ook op de stenen als waarschuwing voor de overlevenden. Een uiting van haat of wraaklust ten aanzien van haar moordenaar kan ik me niet herinneren.

Na het ontwaken vertel ik de droom aan Laura. Zij wijst me op de afwezigheid van vader. Ik schrik. Want ik denk aan Lacans theorie van de psychose; de verwerping van de naam van de vader. Zou het dan toch waar zijn? Voor ik deze droom vertelde had ik nog een nachtmerrie.Een wedstrijd: hardlopen. Het gaat om een marathon die allesbehalve olympisch is. Geen van de lopers is werkelijk gemotiveerd. Het lopen is maar een middel, het doel een onbenulligheid, iets absurds. Ik denk: deze renners zouden even weinig gemotiveerd de dood tegemoet lopen en misschien is het dat wat ze hier doen.Het parcours is een kunstzinnig uitgevoerd labyrint, grotendeels in wit dennenhout uitgevoerd. Het geheel drijft op een wateroppervlak. Aan weerszijden van de loopstroken is er water. Hindernissen zijn er natuurlijk ook. Een van de lopers, een jonge man, speelt vals. Hij kort namelijk het verplichte traject eigenhandig in; soms springt hij van de ene strook op de andere. Door de bosjes en plantsoentjes raakt hij echter, na dergelijke sprongen over het water, gedesoriënteerd: hij weet niet meer welke richting hij uit moet. Vele, zo niet alle supporters sympathiseren met hem – waarschijnlijk precies omdat hij vals speelt – en wijzen hem de juiste richting.De loper en ik komen samen aan bij een openbaar toilet. Het is alleen maar een houten raamwerk – ook de deuren zijn doorzichtige ramen. Het is tegelijk ook een stortbad, merk ik nu. Een jongensachtige figuur, helemaal nat, maar glimmend, glibberig als een aal, opent de deur en komt naar buiten. Ik voel onmiddellijk een fysieke afkeer voor hem. Angst dat hij me zal aanraken. Hij is naakt en naar het mij wil voorkomen geslachtloos.
“Je bent zeker mijn vijand”, zeg ik.
“Neen”, antwoordt hij, “dat is niet waar!”
Vervolgens verdwijnt hij.

Nu zijn we al met zijn drieën, de jongen, het meisje en ik. We bereiken de grootste hindernis – een hoge, steile berg, die net als al de rest onnatuurlijk, kunstmatig is. Het is een bijzonder ingenieuze constructie in steen, hoekig, loodrecht als een flatgebouw, zeer solide. Er zijn platte stenen in verwerkt, een soort plaveien die afgerond zijn aan de rand en die ook wat uitsteken: ze moeten de beklimming van de berg mogelijk maken.

Met z’n drieën moeten we nu deze berg beklimmen – het blijkt niet zo moeilijk te zijn Het meisje is lief, ik merk dat ze bezorgd is om mij, wat me een warm gevoel geeft. We zijn aangkekomen. Of toch niet? We weten niet of we ons doel bereikt hebben. Althans: ik weet het niet.
Plotsklaps stort het meisje in een afgrond. En als ik haar hartverscheurende kreet hoor ga ik zelf wankelen, alsof ik ook val. De andere jongen is zo snel beneden…dat gaat mijn petje te boven. Het meisje is nog in leven. Nu is ze nog meer begaan met mijn lot. Vanuit de afgrond roept ze me toe:
“Blijf daar toch niet hangen of je zal vallen! Kom naar beneden, voorzichtig!” Maar afdalen kan ik niet. Alle stenen zitten los, en bovendien zijn ze nog glad ook. Ik kan me nergens meer aan vasthouden. Ligt dat aan mij of aan de berg? Ik val… En daarna ontwaak ik uit de leegte waarin ik neerviel en vertel ik de dromen aan Laura in dezelfde volgorde als ze hier neergeschreven zijn…

schip,neerharen,badpak,moord,lacan,baltasar gracian,moeder,broer,1978

Eindelijk wakker nam ik het boek ter hand dat op mijn nachtkastje lag, Baltasar Gracians Handorakel en kunst der voorzichtigheid:

“Uitwegen vinden! De vrucht van een fortuinlijke levendigheid van geest! Dank zij die vlugheid en beweeglijkheid hoeft men verrassingen noch moeilijkheden te duchten. Menigeen overlegt lang, om zich daarna toch nog totaal te vergissen. Anderen bereiken alles zonder enig voorafgaand beraad. Er zijn van die antiperistatische naturen, die hun volle maat pas geven als zij in de knel zitten: onberekenbare wezens, wie zonder voorbereiding alles gelukt, en met overleg niets. Wat hun niet terstond invalt, vinden zij nooit; voor hen bestaat geen hoger beroep. De vluggen verwerven dus bijval omdat zij blijk geven van wonderlijke bekwaamheid: fijnheid in het denken en geschiktheid in het handelen.”

Die dromen droomde ik en dat boek lag op mijn nachtkastje op een vrijdag in november in 1978. Wat betekende dat allemaal? Wie legt het mij uit? Ik heb de indruk dat er sindsdien weinig is veranderd in mijn droomleven, en het citaat van Baltasar Gracian kwam tegemoet aan mijn ideale ik. Tot dan had ik op die manier geleefd. Fortuna lachte me toe. Waar had ik dat aan verdiend? Ik weet het niet. Maar het mooie liedje zou niet blijven duren. Mijn kansen zouden keren. Al heel snel zou ik slechte kaarten krijgen. Zelfs een schoppenboer was mij niet langer gegund. Ik vraag me af of dat toen een keerpunt in mijn leven was, die vrijdag, die droom, dat boek.

IN MEMORIAM BUCK OWENS

buck owens 2

“It’s crying time again, you’re gonna leave me.” Dit waren waarschijnlijk de eerste woorden uit een country & western song die ik ooit hoorde, of die een bewuste indruk achterlieten. Een grote droefheid sprak uit dat eindoordeel, maar het werd gezongen met een bepaalde vrolijkheid, en de melodie van het lied deed ook niet voor honderd procent naar euthanasie verlangen. Het waren overigens geen tijden van euthanasie, het begin van de jaren zestig van de vorige eeuw. Als je er een punt achter wilde zetten moest je je opknopen aan de hoogste boom in het meest nabije bos of een fles Javel La Croix leegdrinken (wat waarschijnlijk geen kans op slagen had, wel veel nare gevolgen). Ik hoorde die woorden van Buck Owens, die manier van zingen (op de manier van Bakersfield in Californië, waar veel ‘immigranten’ uit Oklahoma woonden), die eenvoudige levenswijsheid, die melodie meteen zeer graag.

Mijn vader bracht toen ik nog een kleine jongen was van zijn vrij zeldzame maar toch geregeld terugkerende nachtelijke escapades ‘afgedankte’ 45-toerenplaatjes mee, ‘singles’ noemden wij ze, het leken wel archeologische vondsten, sporen van een andere wereld. Sommige exemplaren, zoals ‘Diana’ van Paul Anka waren grijsgedraaid, andere zoals ‘The Boppin’ Rock Boogie’ van The Sparkletones waren nog zo goed als nieuw.
Ik wil eerlijk zijn in het oog van andermans dood. Ik weet niet meer of bij er die singles die mijn vader meebracht van de Rekemse nachtcafés, bijvoorbeeld van bij Leontine, of van de Congo Bar, een bij was van Buck Owens, maar ik denk het wel. Door Buck Owens en Ray Charles heb ik de buitengewone schoonheid en het sterke realisme van de countrymuziek ontdekt. De zogenaamde tranerigheid was het leven zoals het was. Toen, zonder dat het al een commercieel ‘format’ was, op maat van voyeurs gemaakt. Het leven was gewoon zoals in het lied. ‘Listen to what the blues are saying’, in de woorden van Willie Nelson.

Buck Owens was niet meteen een held van me. Wel hoorde ik het genre meteen graag. In zijn vaderland had Buck Owens veel succes, en veel epigonen. Veel fans ook, die in bars hun verdriet met hun vrolijkheid probeerden te combineren. In Groot-Brittannië had Buck Owens, en zijn begeleidingsgroep the Buckaroos, bijzonder veel bijval. In die periode verloor dat machtige imperium zijn macht; koloniën glipten als zand door zijn vingers. Het Verenigd Koninkrijk werd zelf een kolonie, van de Verenigde Staten, zeker op cultureel gebied. En wij luisterden naar Britse zenders, Amerika was te ver. WDIA zouden we pas veel later in bluesgeschiedenisboeken ontdekken, en bij bezoeken aan Memphis en New Orleans. Op die Britse zenders, en vooral op Radio Luxembourg, leerden we the Beatles kennen. Twist and Shout, een cover, natuurlijk. De Britten hadden zichzelf nog niet heruitgevonden. (De Belgen ook niet, overigens.) Buck Owens was een held van the Beatles, vooral van Ringo Starr (die altijd een zwak had gehad voor het erfgoed van de ‘rednecks’ en ‘the appalachians’). Buck Owens’ ‘Act Naturally’ maakte deel uit van de doorsnee merseybeatgroep, ook van the Beatles. Op die manier was de stap snel gezet.

Ik leerde Buck Owens echt kennen via een zwarte rhyhtm & blueszanger, Ray Charles. Hij was wel een van mijn eerste muzikale helden, wat ik hier al heb verteld. De eerste single die ik ooit kocht was zijn ‘I Can’t Stop Loving You’, op ABC-Paramount. Ik bezit hem nog altijd, maar waar? Niet veel later had de blinde zanger (en junkie) een hit met Buck Owens’ Crying Time.

Ik herinner me nu ook een feestje in het Atheneum van Tongeren. Er trad een Nederlandse zangeres op, misschien was het Conny Vandenbos (van ‘Ik ben gelukkig zonder jou’ en ‘Paleis met gouden muren’), maar ik ben niet zeker, ik zou het moeten opzoeken, maar een mens is moe, en zijn energie is uitputtelijk. Misschien was het iemand anders, dat kan ook. In ieder geval zong ze dat overrompelende lied, Crying Time, en wij internen zongen allemaal mee, zij het niet met tranen in de ogen. Want wilden wij niet zelf op dat podium staan zingen, of liever nog, gitaar spelen of drummen? Zoals Mick Jagger, Keith Richards, Keith Moon, En hoe kun je dan om die kleine mislukkingen van het leven huilen? Je kent dat nog niet. Je hebt nog niet geleefd.

Korte tijd later werd ik een part time countrymuziekliefhebber (ongeveer vijftig procent, ik hield ook wel van Soft Machine, Albert Ayler, Led Zeppelin en the United States Of America, en vanzelfsprekend van the Velvet Underground). The Byrds en the Flying Burrito Brothers hadden mij de weg gewezen naar de ‘echte country’. Alleen vond ik nergens platen. Niet één elpee. Ooit heb ik een Duitse plaat gekocht, vol vreselijke covers van allerlei bekende bluegrass- en countryliedjes, om toch met iets te kunnen meezingen. Er was niets anders te vinden. Uit pure ellende heb ik me aangesloten bij een boeken- en platenclub en zo ben ik in het bezit gekomen van een verzamelelpee, de titel ben ik vergeten, met één of twee liedjes van een aantal countryzangers en –zangeressen op, waaronder Merle Haggard en Buck Owens (en vooral mindere goden). Van Buck Owens was het Sweet Rosie Jones. Inmiddels was ik in Brussel gaan wonen om er naar de filmschool te gaan. De studenten daar hadden, zoals je wel kunt raden, nooit van Buck Owens maar evenmin van The Velvet Underground gehoord. Ze hielden vooral van kleinkunst., genre Zjef Vannuytsel. De progressieven onder hen hadden een voorkeur voor Yes, Pink Floyd, Deep Purple. Die jongens waren de toekomst van Vlaamse cinema en televisie. Lang ben ik er niet gebleven. Ik vond het prettiger joints te roken met mijn vriend O. en onder invloed naar al die heerlijke landelijke muziek te luisteren, ondertussen boekend lezend van Henry Miller, Dylan Thomas en Remco Campert.

Kort nadien ben ik getrouwd. Ik had kennis gemaakt met de groep Pendulum, de eerste en enige echte countryrockgroep in België. Erik Vaneigen is korte tijd een goede vriend van me geweest. We hadden elkaar ontmoet in een Brussels café en ontdekt dat we allebei fans waren van the Byrds en heel veel van countrymuziek hielden, vooral van Buck Owens. Erik heeft dan met een paar leden van Pendulum op ons trouwfeeest gespeeld, onder meer Sweet Rosie Jones. Zij zaten gewoon op ons bed, en wij zaten op de grond te luisteren en goedkopen Chianti te drinken. (We hadden maar twee kamers.) De benedenverdieping was een zwarte club, Les Anges Noirs. De tegenstelling kon niet groter geweest zijn: boven de rednecks, beneden de negers. Maar hoe zat dat dan met Ray Charles, en Buck Owens zelf die rock & roll speelde van Chuck Berry? Dat is een ander verhaal. Het was een alleszins gedenkwaardig trouwfeest, waar ik Erik Vaneigen nog altijd dankbaar voor ben. En de politie die plotseling binnenviel om allerlei dingen te controleren!Want eigenlijk leefden we in die dagen in een politiestaat. Als je nog maar aan marihuana dacht werd je voor een tweetal maanden in Leuven, Gent of Antwerpen opgesloten. Ik overdrijf niet. Maar ik ben de jongens in uniform toch dankbaar, want zij maakten de avond nog spannender.

Ik sla tenminste tien jaar over.

Later, na punk en new wave, kwam ik weer op het spoor van Buck Owens door de betere epigoon Dwight Yoakam (die tevens een stukje kan acteren). Dwight Yoakam maakte duidelijk waar het allemaal vandaan komt. De Bakersfield Sound, Buck Owens, The Buckaroos. Ik heb enkele weken een radioprogramma gemaakt dat Buckaroo heette. Nu is de de echte Buckaroo dood. Laten we toch nog maar eens naar dat liedje luisteren, en naar Crying Time, en naar The Streets Of Bakersfield. Laten we vooral deze minzame
pionier nooit vergeten.

 

OP EEN ZOMERNACHT…

my dad

Hier zit ik dan in een hete kamer, zeker wel veertig graden, en Lucinda Williams zingt Too cool to be forgotten, en de drugs willen niet werken. Er zijn niet eens drugs. Alleen rode wijn, witte mag niet van de dokter, daarom: schenk me nog maar een glaasje Vino Nobile in, want het leven is niets, zoals Pessoa al zei. Niet dat ik zijn voorbeeld wil volgen: ik ben veel te bang voor ziekte, armoede en dood. Een levensgenieter wil ik zijn, zoals mijn vader. Mijn vader is nu al twaalf jaar dood. Gisteren, na de grote schoonmaakbeurt, heb ik zijn foto op mijn bureau gezet. Hier staat zijn portret nu, bijna recht voor me, mijn vader met een zomerhoed op en een sigaret in zijn mond. Ik ben niet langer bang voor hem. Ik word geleidelijk aan zelf mijn vader en na mijn dood zal mijn zoon mij wel overnemen, denk ik. Zo geven wij onszelf enigszins door aan elkaar. Maar aan alles komt een einde, ook aan het doorgeven. Aan alles komt een einde, zelfs aan deze warme nacht, de kortste van het jaar… En zelfs aan de songs van James Brown. En aan James Brown zelf. I love you so, please don’t go, please stay here with me in Mendocino. Doug Sahm, ook al een tijdje zes voet onder de grond, zoals ze in Texas zeggen. Wat was dat toch een zalige zomerhit, misschien wel de allermooiste, met dat orgeltje van Augie Meyers. Ik heb the Sir Douglas Quintet in 1983 in Hof Ter Lo zien optreden. Ik werd er zo extatisch van, zonder drugs en nauwelijks alcohol in mijn lijf, niet meer dan drie Stella’s, dat ik er het hoofd bij verloor en achterover viel, op mijn rug, en er met de schrik van af kwam. Waarom vertel ik dit? Het zal de hitte zijn.

De muziek is er altijd, soms luid en verlammend, verstommend, soms zacht en fluisterend en inspirerend. Ten minste tot ruwe brokken stof, waarin je later kan gaan zoeken naar het edele materiaal, of naar een stuk glas dat soms opeens heel zeldzaam kan lijken en daardoor “diamant kan doen misprijzen”. Het is een zaak van alles of niets. Voor niets is het nu te laat, mijn leven is ver gevorderd, en de nacht is dat ook, al ligt de wijn wal wat dwars (helaas geen Vino Nobile, dat was ijdele praat) en zijn er de talloze voorbeelden uit het verleden en natuurlijk ook heden. De dode helden, die ik alle eer betoon maar daar blijft het bij. Hun doodlopend spoor volg ik niet.

Mag ik je nog eens iets aanbevelen? Ken je de tweede elpee (of cd) van Television, Adventure? Luister dan eens naar Days… En nu ga ik op mijn matras liggen wachten tot de ochtend komt.