GEHEUGEN, FILM, CENSUUR

in-a-lonely-place-4

“Het ‘zuivere beeld’, onaangeroerd door taal, behoort geheel tot de natuur; het ligt in de onuitsprekelijke blikken der dieren, voor wie de beelden ondergedompeld blijven in een onontwarbare stroom van indrukken.”
Patricia De Martelaere, Een verlangen naar ontroostbaarheid

Facebook heeft een erg kort geheugen, al word je er elke dag wel aan herinnerd op welke manier en waarmee je één, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven jaar geleden geliefd (en soms ook wel gehaat) wilde worden. Is dat echter geen artificiële, mathematische en zelfs mercantiele benadering van hoe wij ons feiten en gebeurtenissen in werkelijkheid herinneren? Mijn geheugen, of wat er nog van overblijft, werkt vast niet op die manier.
Zeker is wel dat Facebook, net als god en Sinterklaas, niets vergeet. Vandaag werd ik bijvoorbeeld gecensureerd voor een clipje dat ik meer dan een jaar geleden publiek maakte, namelijk ‘Can’t Find My Way Home’ van Blind Faith. De afbeelding op YouTube [1] was een reproductie van de hoes van de eerste en enige elpee van deze supergroep, een album dat in 1969 in zowat alle platenwinkels lag. Behalve in de Verenigde Staten: aan de bijzonder mooie en vindingrijke foto van een topless pubermeisje – ik durf hem hier niet meer te tonen, maar je vind hem zo op wikipedia – van de hand van fotograaf Bob Seidemann werd in het land van de vrijheid ook toen al aanstoot genomen. De puriteinse en hypocriete moraal van mainstream Amerika is niet samen met Facebook ontstaan, laat dat duidelijk zijn.
Ondanks de belachelijke regeltjes, waar een mysterieuze zedenpolitie nauwgezet over waakt, gebeuren er op ons gezichtenboek toch fijne en verfijnde dingen. De inventiviteit van onze soort krijg je maar moeilijk kapot. Een tijdje geleden had ik het al over het filmspel dat daar – of is het hier en zowat overal, zoals in het liedje van the Beatles? – nog steeds gespeeld wordt. Je wordt verzocht om een beeld te posten uit een film die je op de een of andere manier nogal geraakt heeft. Als somtijds speelse mens was ik er meteen voor gewonnen, ook al omdat ik al van in mijn kinderjaren in de ban ben van film, film en nog eens film.
Om later nog te weten uit welke films ik beelden heb gekozen heb ik er een lijstje van gemaakt. Als het van die donkere dagen zijn zoals vandaag brengt zo’n lijstje altijd wat licht en kleur in het leven.

1. Alice in den Städten (1974) – Wim Wenders
2. In A Lonely Place (1950) – Nicholas Ray
3. Les enfants du paradis (1945) – Marcel Carné
4. Sátántangó (1994) – Béla Tarr
5. Merril’s Marauders (1962) – Samuel Fuller
6. La maman et la putain (1973) – Jean Eustache
7. The Shooting (1966) – Monte Hellman
8. Die Blechtrommel (1979) – Volker Schlöndorff
9. Down By Law (1986) – Jim Jarmusch
10. Kaagaz Ke Phool (Paper Flowers) (1959), Guru Dutt

Ik wil er nog aan toevoegen dat dit niet de allerbeste films zijn die ik ooit gezien heb. Het gaat voornamelijk om films die me om een heel specifieke reden bij de strot gegrepen hebben. Door elkaar geschud, verbijsterd, met verwondering vervuld, tot tranen toe ontroerd, enzovoort.
Wat opvalt is de lange duur van sommige films. Een groot aantal gaat over kunstenaars (fotografen, schrijvers, filmregisseurs, dj’s). Emoties spelen een belangrijke rol. Er is eenzaamheid en de onmogelijkheid van de liefde. Al bij al een verlangen naar ontroostbaarheid, zou je met Patricia De Martelaere kunnen zeggen. Een ontroostbaarheid die zoals het leven zelf lang mag duren. Liefst een leven met vrouwelijke tepels, maar als het dan toch moet zonder. Daar gaan we dan ondergronds voor.

down by law 7

Afbeeldingen: In a Lonely Place; Down by Law.
[1] Op de You Tube-link naar Can’t Find My Way Home krijg je de gecensureerde hoes te zien.

ZERO DE CONDUITE: UNDERGROUND!

king&queen (3)

Zéro de conduite is een sfeervol, (meestal) thematisch programma gewijd aan pop/cultuur op Radio Centraal in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 uur ’s avonds. Een muzikaal evenement van ongeëvenaarde kwaliteit! Stem af op Radio Centraal 106.7 FM: uniek in het zich steeds verder uitdijende universum.
Je kunt Zéro via streaming beluisteren. Hier vind je meer informatie over Radio Centraal en andere radiomakers.

the-rock-machine-turns-you-on

Vanavond draaien we underground [1]. Muziek die behoorde tot de tegencultuur, tot het kleine stukje van mijn generatie waar ik deel van uitmaakte. Van dat kleine stukje of groepje, bedoel ik, dat zich afzette tegen de moraal, politiek, mode en kunst van zijn tijd, de jaren vijftig en zestig. Wanneer precies die underground tot stand kwam valt moeilijk te zeggen. Ik denk dat de stad San Francisco met zijn beat generation een belangrijke rol speelde, maar ook swinging Londen, het Parijs van de bohémiens en surrealisten, en de provo’s in Amsterdam. Wie er meer over wil weten van iemand die die opwindende periode niet zelf meemaakte maar er toch met veel kennis van zaken en veel empathie over schrijft raad ik het schitterende boek ‘De jaren zestig’ van Geert Buelens aan.
Voor mij is deze aflevering van Zéro de conduite vooral een emotionele aangelegenheid, een reis terug in de tijd en de ruimte. Een reis terug naar Tongeren, naar mijn vrienden Jan De Pooter, Henry Janssen, Guy Bleus en Luc Verjans. Daar waar het voor mij allemaal begon. En naar Maastricht waar ik de platen en de wierook kocht. En naar Neerharen waar ik veel van deze undergroundmuziek beluisterde en waar ik droomde van een mooie toekomst – een droom waar vandaag alleen maar vlijmscherpe scherven van overblijven. Het lijkt erop dat de dromen die we toen koesterden naïef en kortzichtig waren. Dat er niets van verwezenlijkt is. Maar niets is wat het lijkt. Ook deze sombere, walgelijke tijd gaat voorbij en er komen betere dagen. Veel van het goede dat er nu nog overblijft is in de periode die ik die van de underground noem ontstaan. Met die grondstof kan vandaag ook nog een betere toekomst worden opgebouwd.
De muziek van de vroegere betere dagen, die van de jaren zestig, zit nog altijd vol leven en belofte.

Opgedragen aan Joop Roelofs en Marty Balin.

Veel luisterplezier.

jefferson_airplane

Break On Through (To The Other Side) [Live] – The Doors – Essential Rarities – Jim Morrison, Robert Krieger, John Densmore, Raymond Manzarek – 4:44
Trouble Every Day – Frank Zappa & The Mothers Of Invention – Freak Out! – Frank Zappa – 5:50
Hard Coming Love – The United States Of America – The United States Of America – Dorothy Moskowitz, Joseph Byrd – 4:41
Dropout Boogie – Captain Beefheart & The Magic Band – Safe As Milk – Don Van Vliet, Herb Bermann – 2:32
Save Yourself – Soft Machine – The Soft Machine: Volume One – Robert Wyatt – 2:25
Eyes of Amber – Buffy Sainte-Marie – It’s My Way! – Buffy Saint-Marie – 2:18
Fly High – Bridget St John – Thank You For… – L. Stevenson, Bridget St John – 3:23
I Couldn’t Get High – The Fugs – The Fugs First Album – Ken Weaver – 2:08
Mountain Song – Insect Trust – The Insect Trust – The Insect Trust – 2:57
Summer Thoughts In A Field Of Weed – Q’65 – Revolution – Wim Bieler, Frank Nuyens, Jay Baar – 2:25
Zsarrahh – The Outsiders – C.Q. – Outsiders- 3:28
Down Is Up – Moondog – Moondog 2 – Moondog – 1:10
Why? (The King Of Love Is Dead) – Nina Simone – Nuff Said – Eugene Taylor – 5:45
Never Too Far – Gandalf – Gandalf – Tim Hardin – 1:56
Goin’ Down Slow – Electric Flag – Old Glory: The Best of Electric Flag – James B. Oden – 4:47
The Red Wind – Tucker Zimmerman – Ten Songs By Tucker Zimmerman – Tucker Zimmerman – 3:35
Vegetable Man – Pink Floyd – The Early Years 1965-1967: Cambridge St/ation – Syd Barrett – 2:32
Balloon Burning – The Pretty Things – S. F. Sorrow – May, Taylor, Waller, Povey – 3:50
Dawn of Majic – Twink – Think Pink – Twink – 1:45
Dino’s Song – Quicksilver Messenger Service – Quicksilver Messenger Service – Dino Valenti – 3:10
Section 43 – Country Joe & The Fish – Electric Music For The Mind And Body – Country Joe McDonald – 7:28
Cosmic Charlie – Grateful Dead – Aoxomoxoa – Jerry Garcia & Robert Hunter – 5:44
Corrina, Corrina – Rising Sons – Rising Sons – Traditional – 2:58
Sitting By The Window – Moby Grape – Moby Grape – P.S. Lewis – 2:48
I Need A Man To Love – Big Brother & The Holding Company – Cheap Thrills – J. Joplin, S. Andrew – 4:55
Comin’ Back To Me – Jefferson Airplane – Surrealistic Pillow – Marty Balin – 5:23
Cripple Creek – Skip Spence – Oar – Skip Spence – 2:16
Sisters Of Mercy – Leonard Cohen – Songs Of Leonard Cohen – Leonard Cohen – 3:37

country joe

Bonus Tracks

Soapstone Mountain – It’s A Beautiful Day – Marrying Maiden – David Laflamme – 4:17
Gave My Love An Apple – Dr. Strangely Strange – Heavy Petting – Tim Booth – 6:08
Face Behind The Sun – The Plastic Cloud – The Plastic Cloud – The Plastic Cloud – 4:51
Mountain In The Clouds – Miroslav Vitouš – Infinite Search – Miroslav Vitouš – 1:52
Folk Tale – Ornette Coleman Quartet – This Is Our Music – Ornette Coleman – 4:45
Sun Watcher – Albert Ayler – New Grass – Albert Ayler – 7:30
Miss Free Spirit – Herbie Mann – Stone Flute – Herbie Mann – 12:41

Research & presentatie: Martin Pulaski.
Techniek: Sofie Sap

Uschi-Nerke-rotes-Kleid

Foto’s: In King & Queen in Tongeren (het meisje van King & Queen, Luc Verjans, Martin Pulaski, Jan De Pooter); The Rock Machine Turns You On; Jefferson Airplane; Electric Music For the Mind and the Body; Urschi Nerke, presentatrice van Beat-Club.

[1] The term “underground music” has been applied to various artistic movements, for instance the psychedelic music movement of the mid-1960s, but the term has in more recent decades come to be defined by any musicians who tend to avoid the trappings of the mainstream commercial music industry otherwise it tells only truth through the music. Frank Zappa attempted to define “underground” by noting that the “mainstream comes to you, but you have to go to the underground.” In the 1960s, the term “underground” was associated with the hippie counterculture of young people who had dropped out of college and their middle class life to live in an off-the-grid commune of free love and cannabis.

[2] Enige uitleg bij de hoes van The Rock Machine Turns You On (1968): “The Rock Machine Turns You On influenced a generation of music fans. At the time, what was then called “underground music” was starting to achieve some commercial success in Europe, bolstered by new radio and TV programmes such as John Peel’s “Top Gear”. CBS competed actively for this new market against other “progressive” labels such as Elektra, Island, Immediate, and the EMI subsidiary Harvest, who followed with similar samplers of their acts. Although some of the featured artists were already stars, others such as Leonard Cohen and Spirit were only starting to become known in Europe, and the album made a major contribution to their success.”
Uiteraard speelde voor ons niet alleen Top Gear een rol, maar zeker ook tv-programma’s als Beat-Club, Vibrato, het radioprogramma Superclean Dream Machine, de tijdschriften Teenbeat, Hitweek en Aloha, en zo meer.

BEGGARS BANQUET

cof

Op facebook wordt aan muziekliefhebbers door andere muziekliefhebbers al een tijdje gevraagd een selectie te maken van 10 elpees die een blijvende invloed op hun leven hebben gehad. Je vertrekt van de hoes en vertelt er, als je daar zin in hebt, een verhaal bij, maar dat hoeft niet. Soms onthullen de naam van de artiest, de titel van het album en de afbeelding van de hoes al een heel stuk van dat verhaal. Ik wil vandaag ook aan zo’n reeks beginnen, zonder dat ik weet wat het gaat worden. Een plan heb ik niet. Ik wil mezelf geen regels of beperkingen opleggen. Misschien worden het stukjes van niet veel meer dan driehonderd woorden.

godard sympathy for the devil

De eerste langspeelplaat die ik uit mijn rek haal is ‘Beggars Banquet’ van the Rolling Stones. Dat baanbrekend rockalbum verscheen in december 1968, nu bijna vijftig jaar geleden. Ik hoorde het voor het eerst in de kerstperiode in het legendarische bruine café De Kroeg in de Wolstraat in Antwerpen. Ik had in Wijnegem aan de sluis die ochtend de bus genomen voor een dagje in mijn toen favoriete stad (samen met Maastricht). Ik had het gevoel dat alle hippe mensen en alle mooie meisjes in Antwerpen rondhingen. Overal hing de geur van wierook en patchoeli en hoorde je het gerinkel van Tibetaanse belletjes; het Conscienceplein was een magische plek. Meisjes in heel korte minirokken, jongens met lange haren. Kleren even kleurig als die in San Francisco, London of Parijs. Nu het winter was zag je ook meisjes in van die prachtige Afghaanse jassen waaronder hun gelaarsde lange benen uitstaken. Met mijn hart en ledematen trillend van euforie liep ik, schipperszoon en intern in het provinciestadje Tongeren, door de betoverde straten, ging hier en daar een boetiek binnen, kocht enkele undergroundtijdschriften en boeken van Simon Vinkenoog en Hugo Raes. Tenslotte stapte ik met veel schroom De Kroeg binnen. Daar kende ik volstrekt niemand. Ik was er ook nooit eerder geweest. Ik ging aan de toog zitten, bestelde een pintje (hoewel ik bier helemaal niet lekker vond) en keek stilzwijgend voor mij uit. Hoewel mijn haren net zo lang waren als die van de meeste andere jongens en meisjes, kreeg ik al gauw het pijnlijke gevoel buiten gekeken te worden. Maar lang zat ik daar niet over te piekeren, want al bijna meteen weerklonk de nu overbekende riff van ‘Sympathy For The Devil’, het openingsnummer op ‘Beggars Banquet’. Je moet daarbij voor ogen houden dat we toen niets wisten. Er bestonden in het Nederlands nog geen noemenswaardige platenrecensies, met uitzondering van die in het Nederlandse weekblad Hitweek/Aloha. Popmuziek hoorde je alleen op de piratenzenders Radio London en Caroline en voor undergroundmuziek, genre Dr. John the Nighttripper en Tyrannosaurus Rex, moest je op het Nederlandse programma Superclean Dream Machine afstemmen. De film van Godard ‘One Plus One’ over de opname van ‘Sympathy For The Devil’ was bij ons nog niet in de bioscoop of op televisie geweest (en het zou nog lang duren eer ik hem zou kunnen zien). Wat betere popmuziek en progressieve pop en underground werd genoemd leek het terrein te zijn van een sekte van ingewijden, en dat was het ook. Een elpee was een geheim dat we deelden. Mijn vrienden en ik luisterden maandenlang naar één album en ontdekten er steeds nieuwe geluiden, betekenissen en verhalen in. Elke song riep een veelvoud van moeilijk te definiëren verlangens op. Je hoefde niet op reis te gaan om de wereld te ontdekken. Je legde een van die sublieme elpees op van the Beatles, the Rolling Stones, Pink Floyd, the Band en Traffic en je was al onderweg naar een ander universum.

michael joseph keith with orange

‘Beggars Banquet’ van the Rolling Stones, de tot dusver beste en zeker meest opwindende rock- en bluesband die we kenden, was zo’n universum. Als het album een dichter was geweest had het met recht kunnen zeggen “I am large, I contain multitudes”. En eigenlijk zei het dat ook, maar met andere woorden, met andere stemmen, met heel aardse en bijwijlen toch ook verheven muziek. Elke song op de plaat greep me naar de keel. Een wervelwind van gitaren (Keith Richards, Brian Jones), bas (Bill Wyman), drums (Charlie Watts), piano (Nicky Hopkins), mondharmonica (Brian Jones) en de vuile goddelijke stem van Mick Jagger dreigde me van mijn barkruk te blazen. Stil blijven zitten hoorde er niet meer bij. Luister nog maar een keer naar ‘Parachute Woman’. Ook nu nog doet dat helse ritme je rechtveren. Zo hadden the Rolling Stones nooit eerder geklonken. Dat was voor een deel te danken aan hun nieuwe producer, Jimmy Miller, wat ik toen waarschijnlijk niet eens wist. Wilde, angstaanjagende schoonheid spatte uit elk lied. En zo’n rijkdom aan emoties had ik nooit eerder in popmuziek gehoord. Woede, verdriet, pijn, genot, geluk, vreugde, geilheid, sarcasme, vertwijfeling, opstandigheid, onzekerheid – al die eigenschappen kwamen aan bod. Zonder het helemaal goed te beseffen hoorde ik die avond in De Kroeg een verzameling weerbarstige songs die me voor lange tijd zouden bepalen en die me nu ik vijftig jaar ouder ben nog steeds geheimen vertellen. Met die schat in mijn hoofd liep ik naar het busstation om er de bus terug naar Wijnegem te nemen. De hele rit lang hoorde ik flarden ‘Beggars Banquet’ in mijn hoofd. Maar vooral deze regels uit ‘No Expectations’: “Never in my sweet short life have I felt like this before.”
Beggars Banquet, hét album van 1968, vertelt niet alleen geheimen aan oude ingewijden maar iedereen die het maar wil kan er bekende verhalen in horen,
verhalen over onszelf en over de wereld, telkens ongeveer dezelfde verhalen maar in telkens wisselende constellaties met verschuivende metaforen en betekenissen.

Als hoes kies ik de witte, die voor mij de originele is. De échte originele, die lange tijd verboden was, heb ik nooit zo mooi gevonden. Ik heb altijd van propere toiletten gehouden, goedverlicht en hygiënisch. Wat mij betreft mag ook smerige muziek in een schone hoes verpakt zitten.

Foto’s: Martin Pulaski; Jean-Luc Godard (uit ‘One Plus One’); Michael Joseph.

DE GROT VAN DE DOLLE MOLLEN

0bascarlamarlunsford.png

Voor Philippe Quesne en de mollen.

Met grote verwachtingen naar het Kaaitheater voor ‘La nuit des taupes’ van Philippe Quesne. In de buurt van de KVS tientallen zo te zien nog piepjonge straathoeren. Café Tropicalia, het ‘kantoor’ van de pooiers, is al een tijd geleden gesloten. Nu zitten de pooiers wat verderop gezellig in gemakkelijke zetels op een terras, vadsige koningen van het kwartier. De hele buurt wordt groezeliger: dronkaards, uitschot, ‘kleine’ delinquenten. Ook in de metro valt de verloedering op. De politie zit achter de terroristen en de jihadi’s aan. De boeven hebben vrij spel. Noem het straattheater, helemaal gratis. Ondanks al die dingen is het een mooie, aangename lenteavond. Je laat je niet van je stuk brengen.

In het café van het Kaaitheater, van de oude glorie uit de tijd van La Luna blijft hier ook niet veel meer over, heb ik voldoende tijd om het publiek te observeren en wat na te denken. Vroeger dronk ik bier of wijn voor een voorstelling, nu tonic, liefst Schweppes (voor de kinine), maar dat wordt hier niet geschonken. Eens te meer valt mij op hoe oud ik word; de andere kunstenfestivalgangers worden almaar jonger. Het is zoals in sommige films van Sam Peckinpah: de oude revolverhelden willen er tot elke prijs bij blijven horen, met hun roestige revolvers en hun vermoeide paarden en hun oude, strikte  moraal – terwijl de jongere gunfighters machinegeweren hanteren, de auto gebruiken om zich te verplaatsen en een ondoorgrondelijke erecode hebben (of amoreel zijn). Het is een natuurwet, niets aan te doen. Erger is de apartheid. In een theater als dit zie je geen zwarten, geen moslims, geen kleine delinquenten, geen dronkaards. Het kunstenfestival is er voor de blanke, goed opgeleide en grotendeels Nederlandstalige elite. Het is van in het begin zo geweest en ik vrees dat het zo zal blijven. Vorig jaar zag ik een stuk van Marokkaanse vrouwen: het publiek was volledig blank.

sampeckinpah ride the high country.png

‘La nuit des taupes’ (onderdeel van ‘Welcome to Caveland!) van Philippe Quesne gaat over mollen in een grot. Daarin staat een witte barak die aan de voorkant open is. Via een buis komen de mollen met hun logge lijven de barak binnen. Het zijn bijzonder grote mollen, zo groot als mensen. De klompen aarde lijken op rotsen. De mollen lijken blind te zijn en met hun grote handen zijn ze erg onhandig. Ze lopen elkaar in de weg. Het publiek lacht want wat het te zien krijgt is erg grappig. Ha ha ha! Mij vergaat het lachen al snel. De anderen hoor ik ook al gauw niet veel meer lachen. Je wordt reeds na kwartier of zo geconfronteerd met de zinloosheid van het bestaan, met de absurditeit van alles wat je elke dag doet, de routine, de sleur. Ook met de overbevolking, hoe je altijd en overal met te veel bent, elkaar in de weg loopt. Je beseft dat je blind als een mol door het leven gaat. Goed georganiseerd, kijk maar eens hoe werd omgegaan met de tragedie in Zaventem en Maalbeek, maar zonder duidelijk doel. Als je een tijdje naar de activiteiten van mieren kijkt vraag je je soms ook wel eens af: waarom doen ze dat allemaal? Voor ons is het net hetzelfde. We bouwen onze huizen voor de eeuwigheid en één tsunami vernielt er 250.000 in een oogwenk.
Terug naar de voorstelling. Ze is nog maar net begonnen. Voor we de mollen te zien kregen hoorden we – voor het eerst met de versterker op 10 – de mysterieuze folksong ‘I Wish I Was a Mole in the Ground’ van Bascar Lamar Lunsford, opgenomen in een studio in Ashland, Kentucky in 1928. Velen in het publiek zullen het nummer nooit eerder gehoord hebben. Wat gaat er in hun hoofd om als deze geheimtaal, deze roestige banjoklanken tot hen doordringen? Zou nog iemand in dit theater Greil Marcus’ schitterende essay ‘World Upside Down’* (over dit lied) gelezen hebben. Philippe Quesne misschien? De acteurs? Iedereen zou het moeten lezen. Iedereen zou ongeveer alles van Greil Marcus moeten lezen. En alle liedjes op de ‘Anthology of American Folk Music’ van Harry Smith op z’n minst één keer per jaar moeten beluisteren. Zes langspeelplaten, dat moet te doen zijn.
We leven er maar op los, zonder duidelijk doel, schreef ik. Is muziek de uitweg? Zo lijkt het wel. Of is muziek in dit geval een metafoor voor creativiteit? Tegenover destructie verbeelding en scheppingskracht, tegenover de duisternis van de grot het licht van de poëzie. Poëzie betekent iets moois maken, iets duurzaams, iets wat de soort voor lange tijd ten goede komt.
Nu is het gaan regenen. Ik had me al zitten afvragen of die mollen nooit honger kregen. Nu wordt het duidelijk: ze verorberen gigantische regenwormen. Ze zijn natuurlijk niet echt gigantisch, wij zien ze alleen maar zo. Als je door een microscoop naar kleine wezentjes kijkt lijken die ook immens, maar dat is gezichtsbedrog, dat weet het kleinste kind. De sterren zijn dan weer veel groter dan wat wij te zien krijgen. Te veel regenwormen eten is slecht voor de gezondheid. Ja, het valt op: geboorte en dood verschillen bij mollen niet echt van geboorte en dood bij mensen. Net als mensen kennen mollen empathie, verdriet, verlangen. Geert Van Istendael zit net voor me. Met zijn stekelige haren belet hij me het zicht op de poten van de mollen. Wat zou hij er van vinden? Misschien verveelt hij zich wel? Maar dan zou hij toch gewoonweg naar huis gaan? Zou hij van de 4/4 beat, de krautrockachtige muziek van de mollenband houden? Want inderdaad, inmiddels is zo’n mollenbandje beginnen te spelen. Ze hebben gaten geslagen in een wand van de barak en zijn daar door gekropen. Niet alle mollen, net genoeg voor een rockgroepje. Maar daarover later meer.

Quesne.jpg

‘La nuit des taupes’ roept bij mij tal van associaties en herinneringen op, een beetje alsof ik bij de psychoanalyticus op de zetel lig. Mijn eerste associatie is die met het lied van Bascar Lamar Lunsford, dat spreekt vanzelf.  “I’d root that mountain down / And I wish I was a mole in the ground.” Maar dan gaan mijn gedachten al gauw naar De dolle mol, ooit een beruchte bar in Brussel. Ik werkte er enkele maanden in de zomer van 1971. Net als in deze voorstelling gebeurde daar alles letterlijk en figuurlijk onder de grond. De dolle mol bevond zich toen op de Kaasmarkt in een oude jazzkelder. Vandaar, denk ik, de naam die Herman J. Claeys eraan gaf. Het publiek dat er kwam bestond uit ‘undergroundtypes’, vertegenwoordigers van de tegencultuur, langharig werkschuw tuig. We leefden ondergronds, we waren vijanden van het establishment. Mollen die de berg van de macht wilden ondergraven. Niemand van ons wilde lang ondergronds blijven: we wilden de hele wereld mooier en beter maken. Vooral met liefde en muziek.

0themroc-3.jpg

Ik dacht terug aan de film ‘Themroc’ van Claude Faraldo. Michel Piccoli is een arbeider die genoeg heeft van de macht en haar repressie. Hij stopt met werken, verwerpt de taal van de vader (of is het die van de moeder?) en brengt voortaan alleen nog maar dierlijke geluiden voort. Mollentaal. In zijn appartement sloopt hij de muren. Hij bedrijft de liefde met zijn zus. ’s Nachts gaat hij op jacht naar voedsel. Hij doodt een flik. Het kadaver neemt hij mee naar zijn woning, die nu op een grot lijkt, om het daar te roosteren en vervolgens samen met enkele ‘medeplichtige’ buren op te peuzelen. Zo herinner ik mij de film. ‘Themroc’ is geen utopische vertelling (wat ik als twintigjarige waarschijnlijk wel dacht). Het is een verhaal van uitzichtloze, brutale anarchie. Je kunt niet ontsnappen uit de grot. Bij ‘Themroc’ is er zelfs niet de uitweg van de muziek en de creativiteit.
Tijdens de voorstelling kon ik maar niet op het woord komen voor het instrument dat the Beach Boys in ‘Good Vibrations’ gebruiken. ‘Theremin’ is het, gelukkig heb ik het niet moeten opzoeken. Een van de muzikanten van de mollenband bespeelt namelijk de theremin, of iets wat er op lijkt. De groep bestaat verder uit een bassist, een drummer en een gitarist. Met die grote, onhandige mollenpoten van ze kunnen ze alleen maar repetitieve muziek spelen. Krautrock of motorik, zoals ik hierboven al schreef. Denk aan Neu!, daar lijkt hun muziek het meest op. Eerst verzet je je tegen dit ‘lawaai’. Maar dat is verkeerd. Je moet loslaten, je overgeven aan het ritme. Dan geraak je in een trance. Dat gebeurt alvast bij mij. Ik weet niet of Geert Van Istendael het ook zo beleeft en ik heb het hem niet durven te vragen. Tijdens het miniconcert breken de andere mollen de barak helemaal af, zoals Michel Piccoli zijn appartement. In het halfdonker vervoeren een drietal mollen op gemotoriseerde fietsen stalactieten. Niet bepaald ergens naartoe. Maar het lijkt er wel op dat de blinde dieren het prettig vinden.
Het meest lyrische gedeelte, waarbij de mollen zich achter een doek (dat een scherm is) bevinden, roept bij mij meerdere associaties en herinneringen op. Op het scherm krijgen we goede oude vloeistofprojecties te zien. Die doen me terugdenken aan Pink Floyd in februari 1968 in het Pannenhuis in Antwerpen. Dat was met net dezelfde, echt heel mooie vloeistofprojecties. Ze zetten je aan tot dagdromen, ze openen een andere wereld. Nog mooier waren de projecties in mijn toneelstuk ‘De droom’ in mei 1968 in Tongeren. Niet omdat het mijn stuk was – ook wel een prestatie – maar omdat mijn vriend Henry Janssen een werkelijke magister van de vloeistofprojecties was. Echt waar, de mooiste, dromerigste vloeistofprojecties zag ik in de gymzaal van het Koninklijk Atheneum in Tongeren!

0Flaming-Lips.jpg

Wayne Coyne en zijn Flaming Lips maken tijdens hun concerten eveneens gebruik van zulke projecties. Dat is niet de enige overeenkomst met ‘La nuit des taupes’. Bij the Flaming Lips staan er steevast als dieren verklede mensen op het podium. Zo vrolijk, zeker met de grote kleurige ballons die door de zaal vliegen. Ook al zijn de liedjes van Flaming Lips soms erg melancholisch. Maar nooit macaber of uitzichtloos; bijna altijd op de toekomst gericht. De verbeelding biedt een uitweg. Carnaval, feest, fanfare!
Je denkt niet logisch maar associatief. Soms worden die associaties onderbroken door wat je waarneemt. Bij een performance is dat nog meer het geval. Met Wayne Coyne associeerde ik ‘Lucy in the Sky With Diamonds’ en zo ging ik helemaal terug naar mijn kinderjaren in Neerharen. Mijn vader kwam uit een arme boerenfamilie. In die omgeving was de mol de vijand. Hij moest worden bestreden, afgemaakt. Het was een genocide in het klein, maar mag ik dat wel schrijven? Elizabeth Costello kreeg met een gelijkaardige uitspraak heel wat problemen. Een hele tijd heb ik zelf dat beeld van de mol als vijand gehandhaafd. Ik denk tot in 1971, tot ik in De dolle mol ging werken en besefte dat de mol in wezen een revolutionair dier is.

the_residents.jpg

In de sixties was er het liedje ‘We Are the Moles’ van The Moles. Er werd beweerd dat het the Beatles waren, onder een andere naam. Het had best gekund, maar in werkelijkheid was het Simon Dupree & the Big Sound. Het gaat van ‘We are the moles and we live in our holes…’
Hoe lang is het niet geleden dat ik nog naar the Residents heb geluisterd… Zij hebben een viertal elpees uitgebracht voor een project dat ‘The Mole Trilogy’** heet. Deel drie van de trilogie is nooit verschenen, maar deel vier dan weer wel. En waar is volume 2 van the Travelling Wilburys? Nu ik eraan denk: waren Nelson Wilbury, Otis Wilbury, Lefty Wilbury, Charlie T. Wilbury jr. en Lucky Wilbury ook niet een soort van mollen. Terug naar the Residents. Ik sla een boekje open dat bij een verzamelbox*** zit en lees het volgende: ‘While the Residents are singular in their dedication to unmasking the rotten cavity [hol, gat] at the heart of the American dream, they are equally insistent in keeping the mask on their own identities.” Hun studio in San Francisco wordt ‘this windowless, cramped space’ genoemd.
De identiteit van de mollen in ‘La nuit des taupes’ wordt wel meegedeeld en op het einde van de voorstelling, bij het applaus ontdoen de acteurs zich van hun mollenhoofd (niet meteen, we moeten eerst voldoende in de handen klappen) en zien we ook dat ze niet echt blind waren. Wat ik een beetje vreesde, vooral toen ze op die fietsen zaten. Maar stekeblind hadden ze zelfs geen motorik kunnen spelen. Wat moeten de mollen het warm gehad hebben! Ik had niet in hun plaats willen zijn.

In een bespreking in De Standaard lees ik – van de hand van Wouter Hillaert – dat Quesne “in het duister is blijven tasten over wat hij meer wilde vertellen dan die eenduidige dierenfabel” en “ofwel heeft het allemaal weinig meer om het lijf dan grote mollenpakken, goed voor spijtig leeg spektakel.” Dat “in het donker blijven tasten” vind ik wel leuk. Maar leeg?

lanuitdestaupes.jpg

*World Upside Down, in ‘Three Songs, Three Singers, Three Nations’, Greil Marcus, Harvard University Press, 2015.
**The Mole Trilogy bestaat (voorlopig) uit: Mark of the Mole (1981); The Tunes of Two Cities (1982); Intermission (1982); The Big Bubble (1985)
***The Residents, Our Tired, Our Poor, Our Huddled Masses, Ralph Records, 1997

Afbeeldingen: Bascar Lamar Lunsford; Ride the High Country, Sam Peckinpah; La nuit des taupes; Themroc, Claude Faraldo; The Flaming Lips; The Residents; La nuit des taupes

IN MEMORIAM HERMAN J. CLAEYS

 

herman
Foto: Martin Pulaski

Als een eenzame jongeman kwam ik in september 1969 in Brussel aan. Ik zou er film studeren aan het Ritcs. Na enkele dagen was ik echter al goed bevriend met Marc Didden. Marc en ik praatten bijna voortdurend over ‘alternatieve’ muziek en over undergroundtijdschriften zoals het Nederlandse Aloha, het Britse it (International Times) en het Amerikaanse Rolling Stone, die we bij Herman Claeys in de Free Press Bookshop gingen kopen. Marc hielp daar soms een handje, als Herman een glas wijn ging drinken in de Florio of een dringende boodschap moest doen. Dat gebeurde allemaal tijdens de laatste maanden van 1969. Altamont moest nog plaatsvinden; wij waren onschuldig en geloofden in een betere toekomst, een andere samenleving. Was het daarom dat wij zoveel belang hechtten aan zulke tijdschriften en aan muziek? De undergroundkranten brachten ons op de hoogte van nieuwe, experimentele vormen van samenleven in de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Nederland en de muziek hielp ons vergeten in wat voor strontland wij leefden. Het leek wel alsof utopische ideeën nu eindelijk konden worden verwezenlijkt. Vreemd was wel dat Marc zeer hevig gekant was tegen hippies, terwijl hij lange haren had, en ik er al helemaal als een hippie uitzag. Ik was trouwens gek op ‘Hippie Boy’ van the Flying Burrito Brothers. Af en toe discussieerden we daarover, maar onze standpunten lagen niet zo ver uiteen omdat ik zelf ook geen ‘echte hippie’ was: ik leefde niet in een commune, deed niet aan groepsseks, gebruikte weinig of geen drugs, dronk slechts bij speciale gelegenheden, maar rookte wel heel veel sigaretten van het merk Lucky Strike.

Ik vond Herman Claeys een beetje een vreemde man. Hij was zeker tien of vijftien jaar ouder dan ik. Een oude kerel. Moest zo iemand niet al lang dood zijn, ‘My Generation’ van the Who indachtig? Nee, hij verkocht liever schunnige blaadjes aan langharig werkschuw tuig. Herman keek je niet aan als hij met je sprak. Al spoedig had hij zijn eigen, zeer verlieslatende club, De dolle mol, op de Kaasmarkt. Voorheen was het een jazzkelder geweest. Er hingen veel hippies rond in De dolle mol. Die zaten daar maar en dronken niets. Wel rookten ze joints, wat voor het voortbestaan van de club een groot gevaar was. Een zekere Vranckx was in die dagen minister van justitie, een socialist, die kennelijk in de leer was geweest bij Stalin. Soft drugs, dat bestond in zijn ogen niet. De gevangenis in met het gespuis dat zich daarmee drogeerde, en zeker met de waarden die dat gebruik gedoogden.

Op een zomerdag in 1970 was er geen geld meer. Evenmin was de brandveiligheid gegarandeerd, geen vergunning dus.  De dolle mol ging toe. Maar we beslisten om het café illegaal te openen in een appartement boven de club. Op dat ogenblik werd ik onbezoldigd barman boven in het Dolle Mol-appartement. Daar was geen kraantjeswater en ook geen tap. Om glazen uit te wassen moest ik telkens de kelder afdalen, om een emmer met vers water te vullen. Dat stelde ik altijd zo lang mogelijk uit. Toen ik daar op een nacht aan het werk was werd mijn zoontje geboren. De volgende nacht dronk ik uitzonderlijk een keer mee met de schrijvers en dichters die er vaak zaten te kletsen, Jeroen Brouwers, Julien Weverbergh, Marcel Van Maele, Paul Snoek (geloof ik toch) en Herman zelf.

Eten deed ik eigenlijk niet. Omstreeks zes of zeven uur ’s avonds gaf Herman me enkele franks, waarmee ik me een kommetje rijst kon aanschaffen aan de overkant van de straat. Pita-bars waren er toen nog niet aan de Kaasmarkt.

Na ongeveer een maand verhuisden we opnieuw naar de kelder. Ik hield veel meer van de kamer boven. Herman had weinig oog voor hygiëne, en daar hadden we soms wel eens conflicten over. Achter de toog op de grond lagen planken, waaronder zich plassen stinkend zwart water bevonden. Die werden groter met de dag. Op een keer zag ik wormen kruipen. Die wormen moeten hier weg, zei ik tegen Herman. Met veel tegenzin zijn we dan maar gaan schoonmaken. Een vreselijke stank.

Marcel Van Maele zat drie weken lang aan de bar te brallen: “Wie werkt voor vrouw en kind, ’t Is vader”. Meer zei hij niet. Een vrouw toonde me foto’s van de orgieën waar ze aan had deelgenomen. Lelijke foto’s, niet eens pornografisch. Op een middag werd de Belgische vlag op de vloer opengevouwen. Herman en een vriendin zouden er een nummertje op maken. Hermans idee van revolutie: neuken op de Belgische vlag. Gelukkig waren de wormen toen al weg. Een fotograaf, wiens naam ik vergeten ben, heeft die ‘happening’ vastgelegd voor de toekomst, nu dus. Ik weet nog dat ik zo bang was voor minister Vranckx en de gevangenis dat ik de fotograaf gesmeekt heb die negatieven waar ik op de achtergrond misschien wel herkenbaar was te vernietigen. Herman was een held met kleine kantjes en grote gebaren. Hij schrok er niet voor terug om vanop een Amerikaanse tank die op het De Brouckèreplein stond – naar aanleiding van de film ‘Patton’, geloof ik – de rijkswacht en de BOB uit te dagen.

Op een dag had ik genoeg van die anarchie. Ik was gehuwd, had een zoontje en wilde opnieuw gaan studeren. Het Ritcs had ik opgegeven omdat ik vond dat er teveel kleinkunstenaars met ringbaardjes rondliepen, maar ook omdat ik een afkeer had van de vakken elektriciteit en scheikunde. Ik begreep niet waarom je al die formules moest kennen om een film te maken zoals Bergman of Bo Widerberg. Samen met mijn toenmalige echtgenote ben ik filosofie gaan studeren aan de VUB. In De dolle mol kwam ik niet meer. We leefden een ander leven, een leven van anarchistische, revolutionaire intellectuelen. De dolle mol is in die periode naar de Spoormakersstraat verhuisd.

Ik ben er nog een keer geweest, toen ik al in Antwerpen woonde. Ik kwam van een verbluffend concert van Bruce Springsteen & the E-Street band en moest naar Antwerpen terug, maar er waren geen treinen meer. Dan maar de nacht in de kroeg van Herman doorgebracht, die er trouwens niet was.

Net zoals ik is Herman later naar Antwerpen verhuisd. Daar hebben we elkaar opnieuw ontmoet en heb ik ingezien dat ik de man enigszins onderschat had. Zijn gedrevenheid, zijn altijd opnieuw beginnen, zijn totale inzet voor de poëzie en de tegencultuur. Er was niemand zoals hij in Nederlandstalig België. We hebben een viertal keer samen op het podium gestaan, of na elkaar dan toch, en een keer ben ik nog eens dronken geworden met mijn oude vriend, in het ‘oude’ Brussel waar ik nu alweer vele jaren woon.

Een paar jaar geleden heeft Herman me uitgenodigd om te komen voorlezen in De Muziekdoos in Antwerpen. Hoewel Syd Barrett enkele dagen voordien was gestorven zag Herman er goed uit, in bloemetjeshemd gehuld. Ik heb een poëziehappening gehouden, we hebben met z’n allen een liedje van Syd Barrett gezongen (The Gnome) en met Herman heb ik over de oude tijd gepraat, De dolle mol, de dolle dagen, het grote avontuur van 1969-1971. Dat deden we altijd als we elkaar terugzagen. En bier drinken.

Het vreselijk aan het leven is dat we allemaal dood gaan en dat het dan gedaan is. Het vreselijke aan de dood van Herman is dat ik nooit met hem meer over de dolle dagen zal kunnen praten en ’s nachts in de straten van Brussel of Antwerpen verdwalen.

Herman, je was een eigenzinnig man, onverzettelijk en volkomen open. Ik zal je missen tot ik zelf in rook opga of onder de grond word gestopt. Vaarwel, broeder des woords! Vaarwel lieve anarchist!