ZERO DE CONDUITE: BACK TO THE GARDEN

cementgarden

Zéro de conduite is een sfeervol, (meestal) thematisch programma gewijd aan pop/cultuur op Radio Centraal in Antwerpen. Elke eerste zaterdag van de maand, van 6 tot 8 uur ’s avonds. Een muzikaal evenement van ongeëvenaarde kwaliteit! Stem af op Radio Centraal 106.7 FM: uniek in het zich steeds verder uitdijende universum.
Je kunt Zéro via
 streaming beluisteren. Hier vind je meer informatie over Radio Centraal en andere radiomakers.

francoise hardy if you listen

De tijd van de duivels is voorbij. Tijd voor andere schepsels en creaties. Tijd voor de tuin. In een tuin voel jij je veilig. Zelfs in de jaren vijftig volop in de koude oorlog voelde jij je daar veilig. Ik echter heb in mijn jeugd nooit een tuin gekend en bijgevolg ook later niet. De diepe, kinderlijke ervaring van een tuin is mij vreemd. Als ik als kind al eens een stap in een tuin zette, voelde ik me daar ongemakkelijk. De geur van de aarde bracht me uit mijn evenwicht, de planten leken op dingen die ik soms in nachtmerries zag. Rabarber! De insecten, vooral regenwormen en mieren, maakten het voor mij onmogelijk om van een tuin te genieten.
De tuin is voor mij altijd een abstracte constructie gebleven. Van abstracte tuinen kan ik wel genieten. Tuinen in films, zoals in Il giardino dei Finzi Contini, The Cement Garden en The Draughtman’s Contract. Tuinen in boeken, opnieuw Il giardino dei Finzi Contini, de roman van Giorgio Bassani, In de tuin van Vita Sackville-West. De tuin als paradijs, als Eden, altijd onbereikbaar en daarom veilig. Een echte tuin is niet voor mij aangelegd. Ik zit haast nooit in een tuin.
Dit is, als ik het goed heb, de eerste keer in meer dan dertig jaar dat ik het thema ‘tuin’ heb gekozen. Nu ik opgesloten zit in een snikheet appartement in de stad met beneden mij een ontoegankelijke tuin. Ik ken niet één lied over tuinen dat me niet bevalt. Al zullen er ongetwijfeld wel bestaan. Het aantal lelijke creaties is oneindig.

Veel luisterplezier.

Journey From Eden – The Steve Miller Band – Recall The Beginning…A Journey From Eden
From Gardens Where We Feel Secure – Virgina Astley – From Gardens Where We Feel Secure
The Chill Air – Brian Eno & Harold Budd – Ambient 2: The Plateaux Of Mirror
The Garden of Jane Delawnay – Françoise Hardy – If You Listen
The Gardener – Bert Jansch – Jack Orion
Os grilos (The Crickets Sing for Anamaria) – Walter Wanderley – The Bossa Nova Exciting Jazz Samba Rhythms, Vol. 4 en Batucada
Under The Greenwood Tree – Donovan – A Gift From A Flower To A Garden
The Hissing Of Summer Lawns – Joni Mitchell – The Hissing Of Summer Lawns
The Gardeners – John Martyn – The Tumbler
Garden Of Eden – New Riders Of The Purple Sage – New Riders Of The Purple Sage
Safe In My Garden – The Mamas & The Papas – The Papas & The Mamas
Egyptian Gardens – Kaleidoscope – Side Trips
She Wandered Through The Garden Fence – Procol Harum – A Whiter Shade Of Pale
Blackbird – The Beatles – The Beatles (White Album)
Fruit Tree – Nick Drake – Five Leaves Left
Not So Much A Garden, More Like A Maze – Michael Chapman – Rainmaker
The Garden Of Earthly Delights – The United States Of America – The United States Of America
Lawns Of Dawn – Nico – The Marble Index
Moss Garden – David Bowie – “Heroes”
Hong Kong Garden – Siouxsie & The Banshees – Once Upon A Time: the Singles – McKay, Morris, Sioux, Severin –
Garden of the Moon – Dennis Coffey – Evolution
Rose Garden – Joe South – Introspect
Mind Gardens (Alternate Version) – The Byrds – Younger Than Yesterday
Thorn Tree In The Garden – Derek & The Dominos – Layla & Other Assorted Love Songs
Sunken Garden – William Tyler – Modern Country
Milly’s Garden – Steve Gunn – Way Out Weather
Gates Of The Garden – Nick Cave & The Bad Seeds – No More Shall We Part
In The Garden – Van Morrison – No Guru, No Method, No Teacher
How Sweet I Roamed From Field To Field – Acetone – 1992-2001

no guru no method no teacher

Bonus Tracks

Life Away From The Garden – Damien Jurado – Maraqopa
The Gardens – Dave Alvin & Jimmie Dale Gilmore – Downey To Lubbock
In The Garden – John Prine & Mac Wiseman – Standard Songs For Average People
Woodstock – Ian Matthews & Matthews’ Southern Comfort – Later That Same Year
Down In The Willow Garden – Kristin Hersh – Murder, Misery And Then Goodnight
Garden of Lavender – Sun Kil Moon – Universal Themes
The Garden Song – Amanda Shires – Down Fell The Doves
The Garden Of Earthly Delights – Josephine Foster – This Coming Gladness

walter wanderley

Research, presentatie en techniek: Martin Pulaski
Afbeeldingen: The Cement Garden, Andrew Birkin; Françoise Hardy, If You Listen; Van Morrison, No Guru, No Method, No Teacher; Walter Wanderley, Organized

DE HUMANISTISCHE TUIN BLIJFT ONVOLTOOID

Bij het doorbladeren van Tzvetan Todorovs ‘De onvoltooide tuin’ heb ik nog twee voortreffelijke ‘tuinteksten’ aangetroffen:

“Aan het humanistische streven kan nooit een einde komen. Het wijst het ideaal af van een paradijs op aarde waarbij de definitieve orde tot stand zou worden gebracht. Het beschouwt de mensen in hun reële onvolmaaktheid en denkt niet dat die stand van zaken kan veranderen; het aanvaardt, met Montaigne, de gedachte dat hun tuin voor altijd onvoltooid zal blijven.”
“God is ons niets verschuldigd; noch de Voorzienigheid, noch de natuur. Het menselijk geluk is altijd voorlopig. Toch kunnen we boven elk ander koninkrijk de voorkeur geven aan de onvoltooide tuin van de mens, niet als een noodoplossing maar omdat die tuin ons in staat stelt waarlijk te leven.”
Tzvetan Todorov, De onvoltooide tuin – Het humanistische denken in Frankrijk.

 

TUIN IN DE WINTER

first snow #1

‘Onze’ tuin in november 2005. De cipres waarover ik het in het vorige stukje had was zoals je kunt zien een soort siamese tweeling. Nu is daar een leegte. De sneeuw onttrekt de lelijkheid ook nog wat aan het oog.
Ach, misschien was het zelfs geen cipres, ik ken niets van bomen, ik ben een stadsmens, zoals de mensen zeggen.

Foto: Martin Pulaski.

DE VERDWIJNING VAN DE CIPRES UIT ONZE TUIN

Laura was nog maar net thuis van het werk gisteravond toen ze me riep om even te komen kijken door het raam van onze slaapkamer. Van daaruit heb je het beste zicht op ‘onze’ tuin. Het was een stralende februariavond, de wolken in het Westen kleurden al wat rood. Had je dat al gezien, vroeg ze. Onze boom is weg. Welke boom, vroeg ik. De grote cipres, zei ze. En inderdaad, de hoge cipres, die zo vaak voor afleiding heeft gezorgd in ons leven, was verdwenen. Ik was de hele dag thuis geweest en ik had helemaal niet gemerkt dat iemand de boom was komen omzagen en uit de tuin verwijderen. Het is een vreemd zicht, de tuin zo leeg en in de nabije verte de vuile achterkant van merendeels lelijke huizen en de vele hokken die erachter ‘gebouwd’ zijn. Honden, duiven, ganzen, hanen, geiten, stuk voor stuk dieren die er grauw en ziekelijk uitzien. Die ene cipres onttrok die lelijkheid aan ons zicht, aan onze schone zielen. Vaak zaten er vreemde vogels in onze boom, soms zelfs de limoengroene parkieten van een buurvrouw. Waar moeten die parkieten nu naartoe als ze eens een luchtje willen scheppen? En hoe moeten wij ons onttrekken aan de nieuwsgierige blikken van de onbekenden in de vuile huizen aan de overkant? Elke mens maakt – na de verbanning uit het paradijs – bewust of onbewust een moordkuil van zijn hart, las ik afgelopen nacht nog, zowel in een roman van Georges Simenon als in een surrealistisch manifest van André Breton.

Ik moet hier in het licht van voorgaande discussies en commentaren verduidelijken dat de tuin niet echt van ons is. Ik kan er niet zelf in werken. Een keer per jaar wordt hij door studenten van de tuinschool aan een mij volstrekt onduidelijke orde onderworpen. De grote tuin hoort bij de gelijkvloerse verdieping, waar een nogal mysterieus bedrijfje is gevestigd, dat geld leent aan een bepaalde categorie van mensen die een huis bouwen maar daar het geld niet voor schijnen te hebben. In ons huurcontract staat dat wij van de tuin gebruik mogen maken, maar dat doen we nooit. We moeten daarvoor immers een hele afstand afleggen en tenslotte via de kelder de tuin betreden. Je kunt net zo goed naar het Astridpark gaan, dat is hier maar honderd meter vandaan. Het is wel een mooie tuin om naar te kijken, vooral als hij er wild bijligt. Dan denk ik vaak aan Virginia Woolfs To The Lighthouse, waar een tuin in voorkomt die er vooral in het hoofdstuk ‘Time Passes’ nog veel wilder bijligt. Liggen? Neen, je ziet en hoort hem groeien in de betoverende en vaak ook ontluisterende woorden en zinnen van Virginia Woolf. De tuin van Voltaire zijn we inmiddels grondig vergeten.

 

MIJN ONVERDRAAGZAAMHEID

Johan Huizinga  archivio Giovannetti/effigie

Een tijdje geleden viel ik de komediantenmaatschappij aan, waar wij met zijn allen deel van uitmaken. Individuen als Johan Huizinga (van Homo Ludens) en André Breton (van L’amour fou) zijn niet meer mogelijk, denk ik. Authentieke mensen, die volledig autonoom denken en handelen. Iedereen gedraagt zich min of meer volgens dezelfde regels en stilzwijgende afspraken. Alleen misdadigers wijken daar nog van af – of bevestigen ze net door ze te ontkennen, door ze te overtreden. Iedereen handelt alsof hij/zij de wereld aangenaam vindt en niet ziet wat voor een schandaal het bestaan in werkelijkheid is. Alsof het doodgewoon is dat de armen razendsnel armer worden, de ellendigen ellendiger, en dat de minderheid die bezit zich zeer ellendig voelt (zonder het te uiten, tenzij tegen de psychiater). Alsof het vanzelfsprekend is dat niets nog iets betekent.

Ging ik te ver met mijn tirade? Ik weet het niet. Ik was in de war. Vandaag ben ik nog meer in de war. Ik heb zo van die dagen. Niets schijnt dan nog steek te houden. Supermarkten, televisietoestellen, hondenhokken, sterrenstelsels. Wat maakt onze samenleving kapot? Moeilijk te zeggen. In de eerste plaats onze verdraagzaamheid, denk ik. Ik heb het nu niet over het omgaan met mensen uit andere landen, over onze houding tegenover onze broeders en zusters, onze gelijken. Ik heb het over de verdraagzaamheid ten aanzien van alles wat ik hierboven al heb genoemd. Wij zwijgen en doen wat van ons wordt verwacht. Uit ons midden staat geen Themroc op, of, zoals in de Pantserkruiser Potemkin, een matroos die weigert nog langer rot vlees te eten.
Is het de teleologie die onze wereld vernietigt? Het kantiaanse doelgerichte denken? Where will it end? De managersmaatschappij? Ik manage jou als jij mij managet. Come on baby, scratch my back!

We lijden aan het onvermogen om werkelijk kritisch te leven, onszelf telkens opnieuw uit te vinden, we zijn slaven van onze gewoonten, van onze dagelijkse routines. Wij zij arrogant in onze zelfgenoegzaamheid. Wij zijn niet brutaal als we brutaal zouden moeten zijn en verbannen de waanzin van de liefde uit ons bestaan. Lef is een lelijk woord, maar ik vind geen ander. Of toch wel… Opstandigheid, rebellie, gelukzalige ontevredenheid, verontwaardiging, woede, razernij, tederheid, ziedend verlangen, niets ontziende liefde, alles ontziend egoïsme, openheid… Zijn die begrippen geen sporen die in de juiste richting wijzen? Die ons opnieuw wortel kunnen laten schieten in een vruchtbare afgrond? Ja, afgrond, want ik huiver van de grond, die met bloed doordrenkt is. Ik ben in de war vandaag. Hoe kunnen wij de wereld zuiveren van al dat bloed? Hoe kunnen wij de eeuwige vrede vinden? Hoe kunnen wij de laatste oorlog luidkeels een halt toeroepen? Hoe? Ik ben in de war vandaag en zeer onverdraagzaam. Hoe kan ik anders zijn?

Noten

“Men kan bijna al het abstracte loochenen: recht, schoonheid, waarheid, goedheid, geest, God. Men kan den ernst loochenen. Het spel niet. Maar met het spel erkent men, of men wil of niet, den geest. Want het spel is, wat ook zijn wezen zij, niet stof. Het doorbreekt, reeds in de dierenwereld, de grenzen van het physisch bestaande. Het is ten opzichte van een gedetermineerd gedachte wereld van louter krachtwerkingen in den volsten zin des woords een superabundans, een overtolligheid. Eerst door het instroomen van den geest, die de volstrekte gedetermineerdheid opheft, wordt de aanwezigheid van het spel mogelijk, denkbaar, begrijpelijk. Het bestaan van het spel bevestigt voortdurend, en in den hoogsten zin, het supralogisch karakter van onze situatie in den kosmos. De dieren kunnen spelen, dus zij zijn reeds meer dan mechanismen. Wij spelen, en weten, dat wij spelen, dus wij zijn meer dan enkel redelijke wezens, want het spel is onredelijk.”
Johan Huizinga, Homo Ludens

“De eenvoudigste surrealistische daad is met een revolver in de hand de straat op te gaan en lukraak, zoveel als mogelijk, op iedereen te schieten. En wie heeft nooit in zijn leven de neiging gevoeld op die manier af te rekenen met het heersende systeem van getrapt en geslagen worden; zijn buik zit ter hoogte van de loop. De rechtvaardiging van een dergelijke daad valt volgens mij goed te rijmen met het geloof in het schijnsel dat het surrealisme diep in ons tracht op te sporen. Mijn bedoeling is alleen hier de wanhoop van de mens te berde te brengen; niets anders kan dit geloof rechtvaardigen.”
André Breton, Manifestes du surréalisme

In een voetnoot waarschuwt Breton voor een simplistische interpretatie van deze uitspraak. Breton hechtte heel veel waarde aan de droom en aan onbewuste verlangens. Heeft een tekst niet altijd een subtekst, en is letterlijk lezen niet wat simplistisch, zoals hier beneden al werd opgemerkt.

Foto: Johan Huizinga

HET DODE MEISJE EN DE BLOEMEN

collage 2

Ik ga geregeld naar ons tuintje kijken. Het achterste stuk, zowat de helft, is in twee ongeveer gelijke delen verdeeld. Op het linkergedeelte deponeren we ons afval: etensresten, rotte groenten, enzovoort, een stinkende brij. Opeens heb ik de indruk dat de brij hard is geworden, dat er eigenlijk geen verschil meer is tussen de twee delen. Ik wil dat toch eens van dichterbij bekijken. Maar zodra ik mijn voeten op de toch nog altijd stinkende massa zet zakken zij erin weg. Dat wekt een grote walging bij mij op. Ik stel nu vast dat het daar krioelt van de wormen.
Wat later. Ik heb een schop in mijn handen. Tussen het afval zoek ik naar wormen. Telkens als ik er eentje gevonden heb, verpletter ik hem met mijn schop.

Een zomerdag in een grote, schilderachtige tuin, een beetje zoals in Bertolucci’s ‘Strategie van de spin’. Rechts in de tuin ligt een man in het gras met het geweer in de aanslag. Maar het is duidelijk dat hij ernstig gewond is. Hij heeft niet lang meer te leven. Op ongeveer twee meter van hem verwijderd staat de persoon op wie de liggende man zijn geweer probeert te richten. Ben ik zelf deze persoon? Hij staat daar heel stil, alsof hij niet kan bewegen. Misschien denkt hij dat het geen zin meer heeft zich nu nog uit de voeten te maken? De man in het gras zal hem toch neerschieten. Nu maakt de liggende man, nog steeds op zijn buik, zeer traag een draai van 180 graden. Waarom doet hij dat? Toch lijdt het geen twijfel dat zijn laatste kogel de staande persoon, die zelfs van deze kans geen gebruik maakt om zich te verwijderen, dodelijk zal treffen. Wat verderop, enigszins aan het zicht onttrokken door enkele bloeiende rozenstruiken, speelt een klein meisje met lange blonde lokken met een springtouw. Een schot weerklinkt. Het meisje stort neer. Bloed stroomt uit een wond in haar borst. Ze is dood.

Nu komt haar vader op haar toegesneld. “Bloemen!” roept hij, met stem die verstikt in zijn verdriet. “Bloemen!”. Onmiddellijk daarop komt er een dame uit het huis en loopt op de vader toe met een vaas vol delicate paarse tulpen in haar handen. Een zusje van het gestorven meisje komt met een tuiltje vergeet-mij-nietjes en viooltjes aangelopen. Nog andere mensen brengen andere bloemen, waarvan ik de namen niet ken. Alle aanwezigen gaan in een kring om het dode meisje staan. Ook de man die dreigde neergeschoten te worden voegt zich bij de rouwenden. Hij heeft het geweer van de liggende man bij zich.
Ze gaan hem van deze moord beschuldigen. Dat kan toch niet, denk ik in een moment van paniek, hij is toch onschuldig.
Op kalme toon vraagt de vader of hij de fatale kogel heeft afgevuurd.
“Neen”, antwoordt de man met het geweer, “de liggende man heeft het gedaan.”
Een van de aanwezige vrouwen, die blijkbaar alles gezien heeft, bevestigt deze uitspraak. Maar zelfs zonder dit getuigenis, besef ik nu, zou niemand de staande man hebben durven beschuldigen. Zijn “neen” klonk zo ondubbelzinnig en direct, dat niemand had durven betwijfelen dat het de waarheid was.

Foto: Martin Pulaski, Zelfportret