TROOST VAN MUZIEK

radio,muziek,troost,radio centraal,dj,routine,thema,zero de conduite,antwerpen,shangri la,geschiedenis,cafes,nachtleven,de kat,drinken
Alexandra Hope.

Routine. Zelfs iets wat je graag doet, zoals een radioprogramma maken, wordt na verloop van tijd een routine, een te klaren klus, zonder veel opwinding, zonder veel blablabla. Vandaag moet ik me weer naar Antwerpen begeven, voor mijn maandelijkse portie ‘zéro de conduite’ en ik heb er niet echt zin in. Maar begrijp me niet verkeerd. Het is niet in het dj-en dat ik geen zin heb. Zodra ik in de studio zal zitten zal mijn stemming zeker wel beter worden. Maar me verplaatsen is een andere zaak. Metro, trein, metro, metro, trein, metro (of als het te laat wordt: taxi.) Wat me hindert is inderdaad die routine. Je zou elke dag je leven moeten kunnen veranderen, elke dag iets anders doen, elke dag een nieuwe mens worden. Maar dat kun je niet. Kleine veranderingen in je leven verontrusten je al. Een vlekje op je huid. De telefoon die rinkelt. Het is een paradoxale houding: je walgt van de routine, maar je kunt tegelijk niet zonder. Altijd om halfacht op, altijd om twaalf uur pogen de slaap te vatten, behalve als je eens een keer doorzakt, dan kan het opeens allemaal anders. Dan laat je de remmen los.

Lang geleden maakte ik elke week een radioprogramma dat drie uur duurde, Shangri La heette dat. Het was drie uur lang vertoeven in het paradijs (waar ik alle overige uren van de week uit verbannen was). Twee dagen voorbereiding; na het programma tot ’s ochtends naar café de Kat of een andere groezelige kroeg, waar broeders en zusters in de alcohol zich kwamen vergewissen van hun gestage aftakeling; daarna een dag mijn roes uitslapen. Dat heb ik ongeveer tien jaar gedaan.
Op mijn 41ste verjaardag werd ik wakker en besefte ik dat ik volwassen was geworden. De tijd voor ernstige zaken was aangebroken. Routine, zoals ik al zei, een strikte dagindeling. Ik verhuisde van de prettig gestoorde havenstad Antwerpen naar het strakke, bureaucratische en gevaarlijke Brussel. Het zijn clichés, ik weet het, maar gedeeltelijk verwijzen ze toch nog naar het hart van die steden. Mijn programma veranderde van naam, geen paradijs meer, maar zéro de conduite, nul op gedrag. Ik dacht een stoute jongen te zullen worden tijdens mijn radiouurtjes, twee per maand nu, maar dat is nooit gebeurd, ik ben zelfs braver geworden en het programma is altijd een beetje Shangri La gebleven. Je verliest je streken niet. Ik draai nog altijd muziek die uit het hart komt, muziek vol emotie, euforie en verdriet.

Vandaag is het thema de troost. Niet dat alle songs die ik wil draaien daarover gaan, wel dat ze troost bieden, door hun melodie, door een gitaarsolo, door de stem van de zangeres of zanger. Een mooi voorbeeld vind ik The Fairest Of The Seasons van Nico. Dat lied is pure troost. Zo ook If I Have To Go, van Tom Waits, dat wellicht als begrafenislied bedoeld is. En meer troost dan Karen Dalton met Something On Your Mind kan geen mens bieden. Ik denk niet dat ze zelf veel troost heeft gekregen. Ze is jong gestorven, in absolute ellende en eenzaamheid.
Als ik nu, om elf uur ’s ochtends, een halve mens ben, zal ik vanavond om acht uur, als ik de studio van radio centraal verlaat, een hele mens zijn, getroost, geheeld. En toch nog altijd niet helemaal volwassen. Je raakt het kind in je nooit kwijt en ook dat is een grote troost, want dat kind slaagt er soms in om de routine van het dagelijks leven te doorbreken. Een schaterlach weerklinkt, de glazen bol die je gevangen houdt valt aan scherven.

HEEFT MEFISTO DE TOEKOMST IN HANDEN?

Daar staat Peter Gorissen met een revolver in de hand. Bijna op de rand van het podium. Ik heb nog dertien kogels, zegt hij. Ik geef mij niet over. Ik maak er een eind aan en neem er twaalf van jullie mee. Ik zit in de zaal, niet ver van deze man, die De Dikke speelt, de naamloze nazi-minister van cultuur, waar ik meteen Göring in had herkend. Peter Gorissen speelt niet, hij is. Daarom ben ik nu heel bang dat hij echt dertien kogels in zijn revolver heeft en dat hij echt op het publiek, en misschien op mij, zal schieten. Ik acht Peter Gorissen daartoe in staat. Zozeer bewonder ik hem als acteur. Maar nu ben ik doodsbang. Ik kan me ook niet verbergen achter de theaterbezoeker voor me, want die heeft tijdens de pauze de zaal verlaten. Vreemd is dat, want dit is theater zoals het maar zelden te zien is, van een overweldigende schoonheid getuigend, elke seconde, in elk aspect – maar het is geen vrijblijvende schoonheid, dit is gevaarlijke schoonheid. Of beter nog: schoonheid die ons wijst op het gevaar rondom ons, en op de grote verantwoordelijkheid die wij met zijn allen hebben. Maar dat zijn bedenkingen achteraf. Met angst en beven kijk ik toe hoe Peter Gorissen de revolver richt. Zijn demonische blik, vol doodsverachting. Maar dan keert hij de zaal de rug toe, stopt het wapen in de mond en…

Ik heb hier nu een boek voor me liggen, de Gedichten van Hugo Claus, een verzamelbundel uit de periode 1948-1963. Dat boek heb ik lang geleden van Peter gekocht. Hij was op bezoek bij mijn beste vriend Jos, Peters neef. Peter deed zijn boeken van de hand omdat hij naar de Verenigde Staten vertrok, om er te gaan studeren in Los Angeles. Dat is bijna dertig jaar geleden. Sindsdien is er veel gebeurd in de wereld en in onze persoonlijke levens. Jos heeft zich het leven benomen. Als ik me niet vergis heeft Peter ernstige geestelijke inzinkingen gekend. Maar ondanks die tegenslagen is hij een schitterend acteur gebleven. Ook in dit stuk, Mefisto Forever, van Guy Cassiers en Tom Lanoye, schittert hij. De andere spelers moeten overigens nauwelijks voor hem onderdoen. De klasse van Dirk Roofthooft kennen we allemaal. Zijn melancholische pretoogjes kunnen de tragiek van een verhaal zeer geloofwaardig maken. Ik zal nooit vergeten hoe hij me in het café van De Bottelarij ooit troostte toen ik door te veel alcohol, en na een lang gesprek met een Amerikaanse operazangeres, ten prooi viel aan diepe melancholie – een zware aanval van verlatingsangst. Het werk van Guy Cassiers volg ik op de voet van sinds hij als jonge theatermaker van start ging. Vroeg in de jaren ’80 zag ik hem samen met zijn vader aan het werk in een gelijkvloerse verdieping aan de Cogels-Osylei. Was het een theatervoorstelling? Met zo’n twintig lotgenoten mochten we het appartement betreden. Er werd ons koffie aangeboden. Al gauw kregen vader en zoon ruzie. Er ontstond een stevige scheldpartij. Was dit komedie? Moesten we lachen? Huilen? De scène duurde gelukkig niet al te lang. Vervolgens mochten we de woning weer verlaten. Ik weet nog altijd niet wat ik toen heb meegemaakt. Wat ik wel weet is dat de vier Proust-voorstellingen van Guy Cassiers tot het beste theater behoren dat ik ooit heb gezien. En nu bereikt hij – samen met zijn ploeg – met Mefisto Forever weer zulk hoog niveau. Alleen ga je niet echt met een gelukzalig gevoel naar huis, na een voorstelling die je waarschuwt voor het reële gevaar van het huidige fascisme. Ik was me daar al wel van bewust, maar wat deed ik er eigenlijk tegen? Kunnen wij ooit voldoende doen? Wegkijken is niet de boodschap. Maar wat is dan wel de boodschap? Weinigen van ons hebben het talent van Guy Cassiers om de waarheid tot diep in de ziel te laten doordringen.

TROOST VAN VREEMDEN

comfort of strangers

Wat heb ik me op de hals gehaald toen ik zei dat ik nader zou ingaan op de troost van vreemden. Er is al zoveel over geschreven, door de eersten de besten, dat zeker, want die schrijven over alles, maar ook door gewoonweg de besten, zoals Ian McEwan, Tennessee Williams, Sophocles, Julia Kristeva en Neil Young. Ian McEwan’s tweede roman, als ik me niet vergis, heet The Comfort Of Strangers, en gaat, opnieuw als ik me niet vergis (want het is lang geleden en ik ben niet op die manier wetenschappelijk ingesteld dat ik voor alles meteen ‘mijn’ bronnen ga raadplegen), over een gehuwd stel dat te zeer ‘gehuwd’ is. Twee mensen die met elkaar verstrengeld, vergroeid zijn, één lichaam en één geest. In Venetië (of is het een andere stad; ik denk dat ik ook een verfilming van dat boek heb gezien) ontmoeten ze een ‘vreemde’, een sadistische man, en zijn zeer beschadigde masochistische vrouw. Die ontmoeting wordt hun noodlot.

Ik haal er toch even het boek bij, om te zien hoe het afloopt. Het einde vergeet ik altijd. Waarschijnlijk omdat ik zelf geen einde wil. Ik wil dat alles doorgaat, een toneelstuk, een film, een gesprek, een party, seks, alles. Het leven op aarde, vooral. Ik heb het meteen gevonden. 140 frank heb ik ervoor betaald, een mooie ingebonden versie, uitgegeven bij Jonathan Cape in 1981. Inderdaad, de tweede roman van Ian McEwan, de eerste was The Cement Garden, met Charlotte Gainsbourg. Ach, neen, dat was de film. Excuses. Verwarring. Wel een mooi boek, toch, daar niet van. Alle boeken van Ian McEwan zijn mooie boeken, en zo goed geschreven; ik hoop dat ze de tijd zullen trotseren. Dat nog veel vreemden ze zullen koesteren, later, als wij er niet meer zijn om de loftrompet te steken.

Maar ik dwaal af, dat komt ervan, zoveel jasmijnthee drinken is ook weer niet goed. The Comfort Of Stangers, daar ging het over. Wat staat hij nog jong en onschuldig afgebeeld op het jacket (ik vind nu even het Nederlandse woord niet voor ‘jacket’, dat krijg je met al dat geschrijf op flickr en van die toestanden, je vergeet de woorden van je moedertaal, een erge zaak, waar we echter niet dood van gaan). Ja, het eindigt met Mary’s identificatie van het lichaam. Haar man, Colin, is dood, vermoord door de ‘vreemden’ in de vreemde stad.
En wat lees ik op de laatste bladzijde? “But she explained nothing, for a stranger had arranged Colin’s hair the wrong way. She combed it with her fingers and said nothing at all.”
Ik blader nu terug naar bladzijde 76:
“Now men doubt themselves, they hate each other. Women treat men like children, because they can’t take them seriously.”
Beste lezer, denk nu niet dat dit een standpunt van de schrijver is, want dat is niet zo. Dit is de stem van een personage, bedacht door een nog zeer jonge, enigszins idealistische, bijna feministische schrijver.
Hoe het ook zij, ver ben ik nog niet gekomen met mijn troost van vreemden. En hoe zit het dan met Blanche Dubois in ‘A Streetcar Named Desire’? Ik zou het kunnen navertellen, maar ik citeer liever, dat is eerlijker:

“DOCTOR [to the MATRON] Let go.

[The MATRON releases her. BLANCHE extends her hands towards the DOCTOR. He draws her up gently and supports her with his arm and leads her through the portières.]

BLANCE [holding tight to his arm] Whoever you are – I have always depended on the kindness of strangers.

[The poker players stand back as BLANCHE and the DOCTOR cross the kitchen to the front door. She allows him to lead her as if she were blind. As they go out on the porch, STELLA cries out her sister’s name from where she is crouched a few steps upon the stairs.]”

Blanche legt haar lot in de handen van een dokter, zeer waarschijnlijk zal ze korte tijd later al een elektroshockbehandeling krijgen, maar dat weten we niet met zekerheid, want hier houdt het stuk van Tennessee Williams op. Blanche vertrouwt op de troost (of de vriendelijkheid) van vreemden, maar hoe komt dat? Blanche is zwak, zenuwziek (zo werd dat toen genoemd), neurotisch; ze gedraagt zich alsof ze blind is. Als je blind bent voor de werkelijkheid, als je niet wil zien wat om je heen gebeurt, als je in een illusionaire wereld leeft, dan worden de vreemden, hoe vijandig ook, je vrienden. Als je geen vrienden hebt, vind je ze wel uit.
Om eerlijk te zijn: ik bevind me op een dood spoor. Het wordt donker rondom me. Waar ben ik? Is dit het punt waar de wegen kruisen? Wie komt daar op me af? Vijand of vriend? Een oude man, een vreemde vent?

“Wee en nogmaals wee! Hoe steekt in mij meteen de prikkel van de pijn en de herinnering.” (Sophocles, Koning Oedipus).

JOHNNY CASH EN DE TROOST VAN VREEMDEN

johnny cash,new orleans,barcelona,gevoelens,pop,popcultuur,bbc,sixties,flower power,vietnam,muziek,voelen

De voorbije week is er veel gebeurd, maar bijna allemaal buiten het hoofd en buiten de taal. Moet ik daarover dan zwijgen? Het is niet onzegbaar maar er zijn ook geen woorden voor. Ik vlucht liever weg in het verleden, naar de ellende van de jaren ’60, toen de oorlog in Vietnam woedde en de atoombommen net niet ontploften. Flower Power, noem ik dat soms nog wel eens, in een nostalgische bui. Maar iedereen weet wel beter. Toch hebben jonge mensen vaak de indruk dat in die dagen echt alles goed ging. The Beatles, the Rolling Stones, Bob Dylan, Living Theater, vrije liefde, Henry Miller, Ken Kesey, Twiggy, Mary Quant, Sharon Tate, Easy Rider, noem maar op. De manier waarop we ons kleedden, vooral dat wordt nu bewonderd.

Voor mij persoonlijk was het een betere tijd omdat ik toen jong was en dromen had. Jong zijn is altijd beter. Je voelt je een uitzonderlijk iemand, een held, een genie. Wat later is de droom al voorbij. De spiegel ligt aan scherven. Zeven jaar ongeluk. En dan nog eens zeven jaar. De ellende van de liefde, het huwelijk, het broodverdienen. Geen troost te vinden op temptation islands. Die bullshit stelt immers niets voor. Er is alleen de naakte realiteit en de muziek. Zoals nu Chris Isaak, No I don’t want to fall in love with you. Had ik daar maar eerder naar geluisterd. Maar in die oude dagen van wijn en rozen was er nog geen Chris Isaak, toen was er Barry White! Neen, beter te zwijgen. Er zijn geen goede woorden voor wat ik voel en denken kan ik niet. Ik ga beter in bed liggen wachten op slaap. Stoppen met zelfbeklag.

Ik heb een mooie documentaire over Johnny Cash gezien, opgenomen van BBC. Als ik iets zou kunnen voelen zou ik tot tranen toe bewogen zijn geweest, maar ik kan niets voelen. De laatste keer dat ik iets gevoeld heb, was toen New Orleans bijna verwoest werd door het water. Toen heb ik geweend. In Barcelona voor het gebouw van Ludwig Mies Van der Rohe heb ik niets gevoeld. Alleen muziek soms, ja. De troost van de muziek. En de troost van ‘vreemden’. Sommigen van die ‘vreemden’ worden hierboven bij naam genoemd. Zijn dat nog wel vreemden, als sommigen van hen me elke dag meer dierbaar worden. Als sommigen van hen zelfs gevoelens bij me beginnen op te roepen? Ja, natuurlijk spreek ik mezelf weer tegen. Gevoelens, geen gevoelens. Neen, ik moet stoppen, zoals ik al zei. Onderduiken in het Blue Hotel. Op die troostende vreemden moet ik een andere keer dieper ingaan. Nu gaat het niet. Johnny Cash zit in mijn hoofd, en zijn vrouw June Carter, die hem van de drugs heeft afgeholpen. Van de bennies. En zijn liefhebbende dochter Rosanne zit ook in mijn hoofd. En Rick Rubin, die Johnny Cash een nieuw artistiek leven schonk toen de geldwolven van CBS hem aan de deur zetten. Die man met zijn lange baard zit ook in mijn hoofd. Er zijn goede mensen, zeker, en heel veel zelfs. Maar ik zie ze geloof ik alleen maar op televisie, of ik lees hun namen in de krant, zoals die van Werner Herzog, of hierboven, in mijn erelijstje, dat om de twee weken wat verandert. (De namen die verdwijnen houd ik wel bij!).
Onthouden: een van de volgende dagen moet ik het hebben over wat er de voorbije week is gebeurd en over de troost van vreemden die geen vreemden zijn.

WILSON PICKETT : ER IS NOG ALTIJD ZIJN LIED

zelfportret,foto,wilson pickett,pop,popcultuur
Zelfportret met Wilson Picket’s Hey Jude

Werken en werken, maar niet gek worden en ook niet gevaarlijk. Er blijft de troost van muziek. Al is de zanger dood, er is nog altijd zijn lied. Zijn stem. De liefde voor de wereld in de vergetelheid van het zijn. Ik ben nu alleen, maar toch ook bij jou, die ik wil redden. (Mezelf wel behoeden voor sentimentaliteit.)

ZERO DE CONDUITE: LICHTE EN DONKERE MELANCHOLIE

playlist,radio centraal,zero de conduite,vriendschap,antwerpen,link wray,zero,radio

Hieronder de playlist van mijn radioprogramma Zéro de conduite van vorige zaterdag 7 januari. Radio Centraal was op verplaatsing in een kraakpand aan de Tavernierskaai. Heel gezellig! De sfeer die er heerste riep herinneringen op aan de pionierstijd van 1982. Toch voelde ik me wat eenzaam omdat mijn vriend er niet bij kon zijn vanwege familiale verplichtingen. Maar uiteindelijk biedt deze melancholische muziek veel troost. Soms had ik het gevoel dat goede vrienden en vriendinnen speciaal voor mij deze uit het diepste van hun ziel opgestegen liederen zongen.

Townes Van Zandt – Rex’s Blues
Daniel Lanois – All Fall Down
Karen Dalton – I Love You More Than Words Can Say
Richard and Linda Thompson – Withered And Died
John Fogerty – She Thinks I Still Care
The Youngbloods – All My Dreams Blue
Moby Grape – 8.05
Pete Townshend – There’s A Heartache Following Me
Mamas And Papas – Look Through My Window
The Rolling Stones – Torn And Frayed
Gene Clark – In A Misty Morning
George Harrison – I’d Have You Anytime
Neil Young – Pardon My Heart
Bobbie Gentry – Papa Won’t You Let Me Go To Town With You?
Mark Lanegan – Shilo Town
John Cale – Darling I Need You
Link Wray – La De Da
Link Wray – Be What You Want To
Link Wray – I’m So Glad I’m So Proud
The Lemonheads – It’s All True
Hope Sandoval & The Warm Inventions – On The Low
Judee Sill – Loping Along Thru The Cosmos
Leonard Cohen – Who By Fire
Beach Boys – Till I Die
Walker Brothers – Archangel
Tim Buckley – Happy Time
Steve Miller Band – Seasons
Grass Roots – Where Were You When I Needed You?
Kinks – There’s Too Much On My Mind
Patti Smith – Piss Factory
Kaleidoscope – Pulsating Dream

playlist,radio centraal,zero de conduite,vriendschap,antwerpen,link wray,zero,radio