THUIS IN TRIËST EN IN TRIËST THUIS

Anderlechtse zonsondergang

Terwijl ik door de straten van Triëst wandelde dwaalde ik soms af van het leven om me heen en dacht aan thuis. Misschien regende het daar wel? Misschien regende het binnen in mijn kamer? Of had een brand onze woning verwoest? Duizenden boeken en miljoenen songs allemaal weg. Nu ben ik weer thuis en alles is hier nog. Mijn enige wens is om weer in Triëst te zijn.

Foto: Anderlechtse zonsondergang, Martin Pulaski

ERVARING VAN DE GRENS

claudiomagris

In ‘Langs grenzen’ van Claudio Magris las ik een veelzeggende uitspraak:
“Het individu is zich bewust van een diepe wond, die het hem moeilijk maakt zijn persoonlijkheid in overeenstemming met de maatschappelijke evolutie ten volle te verwezenlijken en hem de afwezigheid van het echte leven doet voelen.”

Ik zou eigenlijk het hele boek kunnen citeren, het is schitterend – en het roept ook zoveel herinneringen op aan die wonderlijke grensstad, Triëst, waar Claudio Magris, James Joyce en Italo Svevo als het ware op elke straathoek staan te roken, in elke bar whisky of witte wijn zitten te drinken. Waar ze de uren vullen met gesprekken over grenzen, en heel in het bijzonder de verdwenen grens met het Oosten en het ‘Rijk van het Kwaad’. Ze zullen het ook wel over misplaatst pattriotisme en ballingschap hebben.
Om die grens zelf te voelen nam ik de tram vanuit Triëst naar Opicina, nog op Italiaans grondgebied maar toch al met veel opschriften in het Sloveens. Vlakbij voelde ik het nazinderen van het Ijzeren Gordijn, een fenomeen dat me in mijn kinderjaren zoveel angst heeft ingeboezemd en nu pas werkelijk voor me wordt, zij het op imaginaire wijze.

“Elke grens”, schrijf Claudio Magris, “heeft met onzekerheid en behoefte aan zekerheid van doen. De grens is een noodzaak, want zonder grens oftewel zonder onderscheid is er geen identiteit, is er geen vorm, geen individualiteit en zelfs geen werkelijke existentie, die dan immers wordt opgezogen in het vormeloze en ongedifferentieerde. De grens schept een werkelijkheid, maakt omtrekken en karaktertrekken en vormt de individualiteit, de persoonlijke en de collectieve, de existentiële en de culturele. Grens is vorm en dus ook kunst.”

WEER EEN VERTREK

Schelde

Dit is de Schelde bij Weert, mooie streek, mooie herinneringen. Maar de onrust jaagt me naar andere streken, andere steden. Morgen omstreeks deze tijd ben ik in Triëst. Over twee weken ben ik terug. Als voorlopig afscheid haal ik deze woorden aan van Roger McGuinn:

Flow river flow
Let your waters wash down
Take me from this road
To some other town

All he wanted
Was to be free
And that’s the way
It turned out to be
Flow river flow
Let your waters wash down
Take me from this road
To some other town

Flow river flow
Past the shaded tree
Go river, go
Go to the sea
Flow to the sea

The river flows
It flows to the sea
Wherever that river goes
That’s where I want to be
Flow river flow
Let your waters wash down
Take me from this road
To some other town

Roger McGuinn schreef deze tekst samen met Bob Dylan voor de film Easy Rider. De song is terug te vinden op de soundtrack van de film en in een versie van The Byrds op The Ballad Of Easy Rider.

Ciao!

Foto: Martin Pulaski.

REIZEN IN DE REGEN

Giacomo-Casanova

  1. De voorbije dagen had ik weinig dorst.
  2. Woensdag was ik om beroepsredenen in De Panne, net na de door komkommers druk becommentarieerde wolkbreuk. Het was een dwaas idee erheen te reizen met de trein, er reeds zelfs geen kusttram meer. In bijna elke straat in De Panne stond een brandweerwagen een kelder leeg te pompen. Waar ik zijn moest, kon ik niet geraken.  Ik stapte een restaurant binnen, helemaal leeg, en vroeg of ik iets kleins kon eten. Dat zou ik je afraden, antwoordde de kelner, je gaat beter op de dijk, daar zijn heel wat zaken waar kleine hapjes op het menu staan. Dat heb ik dan maar gedaan, helaas. Na een zurige sla met smakeloze garnalen en een glas even smakeloze witte wijn ben ik onverrichter zake naar Brussel teruggekeerd. Voor in de trein was nog een behaaglijk eenzame plek. Maar net toen de trein vertrok kwamen drie vreemdelingen bij me zitten, wat lichte ergernis bij me veroorzaakte, niet omdat ze vreemdelingen waren, maar omdat ik nu niet meer zou kunnen lezen. Mijn positieve was in een negatieve eenzaamheid veranderd. Ik probeerde dan maar hun nationaliteit te raden, wat niet wilde lukken. Welke taal spraken deze mannen? Net voorbij Koksijde kwam de treinbegeleidster de kaartjes nakijken. Geen van de drie reizigers had iets wat op een treinkaartje leek in zijn bezit. Ze gingen ervan uit dat ze gratis naar Brussel mochten. In Lichtervelde, een halte of twee verder, moesten ze uit de trein. Ik vraag me nog altijd af wat er met deze mensen daarna is gebeurd. Hoewel ik nu weer alleen was heb ik toch niet meer gelezen.
  3. Gisteren zijn we naar de Ardennen gereden. Ik zat achter in de auto en wierp af een toe een mistroostige blik op een beregend landschap. We moesten in Dinant zijn, in Marche-en-Famenne en nog een aantal plaatsen, ik weet al niet meer welke. Het nieuws op de autoradio ging over files, overstromingen in Duitsland en Zwitserland en Joëlle Milquet. Het Vlaamse journaille vond het een schande dat mevrouw Milquet zich voor ongeveer twaalf uur aan de politieke onderhandelingen had onttrokken om haar kinderen op te zoeken. Wat een misplaatste verontwaardiging – en dat terwijl de menselijke beschaving en de hele wereld zeer snel hun einde tegemoet snellen. In Marche-en-Famenne zijn we gestopt om een hapje te eten. Ik had aan een typisch streekgerecht gedacht, paté, boerenworst, eend, wild zwijn, paddestoelen, maar het regende, we wilden geen natte voeten krijgen en we vonden geen typisch Ardens restaurant. Op de grote markt van het stadje hebben we een Marokkaan aangetroffen en daar hebben we dan maar couscous gegeten. Wat zouden de velden en de bossen er mooi hebben uitgezien, glooiend in de zon. Nu was alles donker en grauw. Ik verlangde alleen maar naar huis. Dit was mijn laatste werkdag, het einde van een bizarre week. Alle mensen en dingen om me heen leken vreemd en ver, alsof ik er niet echt bij hoorde, alsof ik me al elders bevond.
  4. Vandaag heb ik mijn koffers gepakt. Morgen heel vroeg vertrekken we naar Charleroi en van daar naar Treviso. Daar nemen we de trein naar Triëst, waar we een week blijven. Ik heb net gezien dat het er de volgende dagen zal regenen. Een week later reizen we verder naar Ferrara, vlak bij de Po, die dan misschien al buiten zijn oevers zal zijn getreden. Maar misschien ook niet. Een van mijn uitverkoren schrijvers, Giorgio Bassani was uit Ferrara afkomstig en heeft er veel over geschreven, het mooiste in De tuin van de Finzi-Contini’s. We beëindigen onze reis in de waterige stad Venetië, waar toeristen als vee worden behandeld, heb ik gehoord. Al deze negatieve berichten schrikken me niet af. Ik vertrek met veel plezier, zoals altijd, en ik houd van Italië. Zelfs de Venetianen zal ik in mijn armen sluiten, hoewel ik nooit zal vergeten dat ze destijds de grote avonturier en meesterlijke schrijver Casanova in hun gevangenis hebben opgesloten.  En na zonsondergang sluipt door de steegjes van Venetië een zeer boosaardige rode dwerg (zie ‘Don’t Look Now’ van Nicholas Roeg).
  5. Dit kun je onmogelijk een sexy rock & roll-leven noemen. Maar maakt het uit? De aanslagen, de invasie van Irak, de oorlogen – dat alles maakt iets uit.