HET COMPARTIMENT

Raymond-Carver

“For a moment, Myers had the impression of the landscape shooting away from him. He was going somewhere, he knew that. And if it was in the wrong direction, sooner or later he’d find out.”
Raymond Carver, The Compartment

In de trein naar hier las ik een verhaal van Raymond Carver, The Compartment. Over een man die met de trein reist. Om het even waar naartoe, als hij zijn zoon maar niet hoeft te zien. Alles vergeten wil hij. Herinneringen doen hem teveel pijn. Raymond Carver verwoordt telkens weer erg genuanceerd en helder menselijke gevoelens en emoties. Met verve maar toch in een sobere stijl beschrijft hij de banale triestheid van verknoeide en verspilde dagen. Je herkent je in veel van zijn verhalen. Hoe beter je je als lezer herkent in een verhaal of roman hoe meer de auteur ervan onze bijval verdient.

Veel te snel moet ik hier alles noteren, hier op de dertiende verdieping van de AG-building. Ik wil niet dat iemand ziet wat ik aan het doen ben. Niemand mag weten dat ik een ‘schrijver’ ben. Hoewel ik geen werk krijg moet ik doen alsof ik toch heel druk bezig ben. Waar blijft toch dat werk? Elke dag vertrek ik in de Lamorinièrestraat hopend dat mevrouw Verstraeten mij iets interessants zal voorstellen. Maar dat gebeurt niet. Niet alleen stelt ze mij niets interessants voor: ze stelt me helemaal niets voor. Ondertussen zit ik hier gemaskerd. Het is zoals destijds op de middelbare school in Tongeren tijdens de uren verplichte studie. Ik moest dan stiekem zitten lezen of de studiemeester nam mijn boek in beslag en ik zag het nooit meer terug. Lezen was verboden.

Vandaag werd me gevraagd enkele dossiers te klasseren. Om de tijd toch een beetje te doden en tegelijk de indruk te geven dat ik aan het werk was, las ik er eerst wat in.
“Dhr. Maeckelmans is sedert verscheidene jaren technisch raadgever (en feitelijk verantwoordelijke) voor de presidentiële bloemendienst. Praktisch komt dat erop neer dat deze expert instaat voor de bloemenleveringen voor het presidentieel hofhouden. De vakkennis van technieker Maeckelmans wordt door ieder naar waarde geschat.”
De expert die door de hoge ambtenaren van Ontwikkelingssamenwerking zo naar waarde geschat en met die waardering evenredig geremunereerd wordt, is eenvoudigweg de bloemist van Mobutu.

Gisteren was er niet veel volk in de bureaus. De collega’s maakten de brug. Ik had dat zelf ook beter gedaan. Maar na nog maar enkele weken ervaring weet ik nog niet goed hoe je dat doet, zo’n brug maken.

[Dagboeknotities november 1988.]

atheneum tongeren

Afbeeldingen: Raymond Carver; Latijn-Wiskunde en Wetenschappelijke-A, Tongeren, 1967

LAATSTE DAGEN

kiefer2.jpg

Het prozagedicht World’s End ontstond op 3 december 2011 tijdens een treinrit van Antwerpen naar Brussel. Ik had mijn radioprogramma Zéro de conduite aan dierenliederen gewijd en daarna vis gegeten in een Chinees restaurant. Als dessert had ik een Japanse saké gedronken. Ze hadden ook Chinese maar die was bijzonder sterk en werd mij afgeraden.  Waarom weet ik niet. Zag ik er dan werkelijk zo ziekelijk en zwak uit? Ik voelde me nochtans vrij fit. De saké was niet warm, niet lauw, eerder koud, en bevatte weinig alcohol. Toch heeft hij me aangevuurd. En die dierenliederen bleven in mijn hoofd spoken, vooral ‘Horses In My Dreams’ van PJ Harvey, uit haar elpee ‘Stories From The City, Stories From The Sea’. De zes witte hengsten komen uit een song van Gillian Welch, maar dat beeld is ouder dan de straat. Ik leen graag beelden, maar vind er even gaarne uit. Een vraag is of er nog onuitgevonden beelden kunnen ontstaan. Zoniet kun je alleen maar uit een voorraad putten. De oude Grieken hebben ons in dat opzicht wel verwend.

De trein reed zacht, niet zoals in mijn herinneringen, naar de hoofdstad.  Op dat zachte ritme schreef ik mijn woorden neer, in een klein Japans notitieboekje. Die boekjes schaf ik me aan bij Muji. Niet in Brussel: die winkel is al lang toe. Ik geloof dat de inwoners van deze stad niet erg geïnteresseerd zijn in mooie en nuttige dingen. Er ontstond een nogal moeilijk leesbaar gedicht. Nochtans had ik gedronken. Hoe kwam het dan dat mijn handen beefden?

De dagen die erop volgden heb ik het gedicht-in-wording (of niet), niet durven bekijken. Mijn stelregel is dat je niet moet schrijven als je gedronken hebt. Maar waar dienen stelregels voor? Op een avond ben ik er opnieuw aan begonnen. Wat er stond, stond me wel aan, maar niet in versregels. Versregels drongen er een vorm aan op, terwijl de paarden nog wild waren en droomachtig. Er ontbrak ook veel, over de wereld, over de mensen. Daar dacht ik over na, en zo kwam ik bij ‘ground zero’ terecht. Wat hebben wij als mensen aan de aarde gegeven? Verdienen wij het wel om hier te leven, om te genieten van deze grond? Ik dacht ook aan het ‘ademkristal’ van Paul Celan en aan zijn ‘Todesfuge’. Aan de verschrikkingen van de uitroeiingskampen en de zelfmoord van Paul Celan. Toen het gedicht voorlopig af was – in enigszins wilde prozavorm – vond ik de reproductie van Anselm Kiefer waarop hij naar Margarethe uit ‘Todesfuge’ verwijst. Dat werk is geen illustratie. Het moest erbij staan, het hoorde erbij, zoals de bomen van Gerhard Richter bij Cydia Pomonella ii.

Ik dacht ook aan gevallen engelen. Dat is meestal het geval als ik een werk van Anselm Kiefer zie. Elke mens is een gevallen engel, ook Margarethe. Een gevallen engel moet, net als een wild paard, zijn weg hier vinden. Een eigen haard. Goud waard, zeggen de mensen soms nog. Maar wie zal dat bevestigen? Voor de haard zag ik de smid staan, Hephaistos, man met sterke armen, dunne benen. Op het eiland Lemnos vond hij zijn smidse, deze uit de hemel verbannen man, vanwege een liefdesgeschiedenis van de goden, die hem niet liefhadden. Maar wel de mensen die zich verwarmden aan zijn vuur en zijn kunsten.

Wat een sombere, negatieve tekst was het geworden! Alle wegen leidden naar nergens, naar het eindpunt, naar daar waar niets meer te zien valt. World’s End bestaat echt, maar is toch vooral een imaginaire plek. Een vriendin van me had me al verteld dat in 2012 de wereld zou vergaan: wij zouden de Apocalyps nog meemaken, zo bevoorrecht zijn we. Overigens is ‘Apocalypse!’ de titel van Bill Callahans laatste plaat, waaruit ik het nummer ‘Drover’ (veehoeder) die avond had geselecteerd. In die ondergang sleepte ik heel Europa mee, een Europa dat uitgeput is en nergens meer naar verlangt, tenzij naar zijn algehele vernietiging.

Het schrijven zelf echter riep toekomst op, idyllisch bijna, en antiek. Een sprankel hoop weerklonk in de woorden, als ik ze luidop las. Opeens zag ik het spel, niet alleen het taalspel, maar het oude spel van de Homo Ludens, het ganzenbord, de holle wegen, het dwalen en dolen, het vinden zonder op zoek te gaan.  Ik zag het hoeden van de kudden. De zorg van mensen voor dieren. Het mededogen in ziekenhuizen en tijdens rampen. Het elkaar in bescherming nemen, zoals vader en zoon in ‘The Road’ van Cormac McCarthy. Het zingen voor elkaar, zoals in ‘The Time Of Our Singing’ van Richard Powers, om elkaar te troosten, om een zindering bij de andere teweeg te brengen. Het opstaan uit lethargie en onvermogen. Het verwerpen van de ondergangsstemming. Waren dit de laatste dagen? Opeens zag ik een opening in het bos. In mijn idyllische jeugd; maar ik zag ze ook in de toekomst, vol licht en beloftes. Ik zag de paarden draven in de richting van een open veld, een vruchtbare steppe. En om ons heen stonden de bomen niet langer als vijanden, als onverschilligen. Ik geloof niet langer dat het te laat is. Vandaag niet. Maar op 3 december had ik over al deze dingen nog niet nagedacht en verwachtte het ergste: World’s End.

world's end, apocalyps, dierenliederen, paarden, wilde paarden, radio, trein, antwerpen, brussel, muji, saké, schrijven, gedicht, proza, mythe, mythes, hephaistos, paul celan, pj harvey, bill callahan, gillian welch, beelden, verbeelding, anselm kiefer, ground zero, todesfuge, shulamith, margarethe, bomen, gerhard richter, engel,  hoop, homo ludens, zorg, mededogen, liefde, richard powers, cormac mccarthy, troost, zingen

NOW LITTLE BOY LOST HE TAKES HIMSELF SO SERIOUSLY

dreamwilliamblake

Voor Isabelle, Bart, Jan, Paul en al de anderen

“The night was dark, no father was there,
The child was wet with dew;
The mire was deep, and the child did weep,
And away the vapour flew”
William Blake

Ik leef in een droom, of ik droom dat ik leef. Denk niet dat een droom mooi is. Je weet het allemaal al, als je hier in deze streken woont. Soms wordt hij een nachtmerrie, vermoed ik, en word ik een griezel, vermoed ik, want ik zie mezelf niet meer in spiegels als ik daar ben. Ik ga de straat op, de nacht in, waar alleen beregende kasseien mijn silhouet weerspiegelen. Mijn ene silhouet, het andere blijft in de schaduw. Buitenshuis zijn de spiegels altijd in mist gehuld. Of met een dikke laag vet bedekt. Met vilt, met wolvenhuid. Je kent het allemaal al, het is de natuur in ons die spreekt, en wij in de natuur.

Alvorens ik een weerwolf word ontmoet ik oude vrienden, die me gelukkig maken met hun levensloopverhalen en hun verjaardagen. Ik ontmoet nieuwe zielsverwanten, van wie ik de voornamen tot mijn spijt meteen weer vergeet. We praten urenlang en ’s anderendaags weet ik niet meer met wie over wat. De antidepressiva, het donkere bier. Deze onbekende vrienden zijn opeens veel belangrijker dan mijn zwakke gezondheid. Ik vergeet waar het station is, waar ik woon, wie ik werkelijk ben. Zijn dit avonturen? Nee, je verdwaalt in een nachtmerrie, waarin de politie je van de straat oppikt: ja, je bent weer eens in de goot gevallen, de kneuzingen bewijzen het. De zakelijke en beleefde agenten geven je een lift naar het station, dat nog uren gesloten is. Je staat voor de gesloten deuren zonder aan iets te denken, zonder te twijfelen. Je neuriet een lied dat Bart Koubaa een paar uur eerder heeft gezongen. De titel ben je vergeten, maar hij zit ergens in je zenuwen, in je hersens. Je beste vrienden zijn boos op je, of waren het, omdat je niet verantwoordelijk bent voor jezelf. Je geeft je over aan hun goedheid, hun troost – maar zij willen die rol niet langer spelen. Je bent veel ouder, je zou bijna hun vader kunnen zijn, of een veel oudere broer. Zij moeten niet voor je zorgen. Ze hebben gelijk. Daarom zijn het je vrienden: om je te zeggen waar je aan toe bent. Dat een dom en vaag avontuur geen avontuur is. Dat je, zoals Brian Wilson, voor je geestelijke gezondheid moet zorgen. Maar het station is gesloten. In een café in de buurt zitten vreemde mannen die een vreemde taal spreken te kaarten. Je kent het spel niet. Voor de rest is er niemand anders aanwezig dan een verbitterde vrouw achter de bar. De vrouw is niet loslippig, maar je mag wel even in een hoek in een stoel zitten slapen, zegt ze. Dat weiger je. Ook al wankel je, je bent te trots om te gaan zitten liggen. Je staat wankelend kaarsrecht en wil praten over het leven. Maar de vrouw is hard en zacht tegelijk: je mag wel slapen maar over haar leven vertelt ze niets. Het leven is hard, waar je ook komt, zegt ze.

Op de trein neemt een meisje uit Taiwan naast je plaats. Ze straalt. Ze heeft stralende ogen. Haar leven is vol geopende zaken, terwijl die van jou bijna allemaal toe zijn. Je praat en iemand luistert. Zij praat en jij luistert. Het is nog ver naar Brussel. Maar Brussel is veel te nabij. De droom mag soms langer duren. Als je maar niet ouder wordt ondertussen, of dement, of doodgaat.

Alles wat niet meer kan gezegd worden, wordt poëzie. Poëzie is de enige waarheid, niet het onzegbare, maar het ongezegde, het ongezegende, het omgekeerde van het loslippige. De adem na storm en afgedwongen stilte. Poëzie is roken en diep inhaleren, zonder de schadelijke neveneffecten. Het is amour fou zonder zelfbedrog, niet seksueel overdraagbaar ziek, maar desondanks uitzonderlijk gevaarlijk. Poëzie is alles wat ik de voorbije dagen niet heb gehoord en niet heb gezegd. Poëzie is bijna-stilte, maar dan heel luid en met heel veel ingehouden verlangen en geweld.

Ω

Beeld: Dream, William Blake

SMULTRONSTÄLLET

wilde aardbeien,dood,ingmar bergman,droom,leven

De man zoekt beschutting in de schaduw van een wijzerloze klok. Hij is ouder en wijzer geworden en dor als een oase kan zijn in een gedroomde woestijn. Hij kijkt zijn schaduw in de ogen. Toch heeft hij geen gezicht. Dan ligt zijn schaduw te bloeden op het trottoir. Zwart bloed op witte stenen, als een schaakspel van leven en dood in grillige vormen aan het begrip onttrokken.

Hij loopt op een graf af, waarin hij zijn naam en de naam van zijn geliefde leest en de woorden “Waren zij geen mensen?”. Het kerkhof baadt in verblindend zonlicht waardoor de doden aan het zingen slaan. De man balt zijn vuisten, drukt ze tegen zijn oren. Overal luiden nu klokken. Hoe laat is het? Zijn horloge heeft geen wijzers. Middernacht waarschijnlijk, met dit licht, hoe kan het anders. Marcel gaf me zijn pen, denkt hij. De oude Marcel. Stille paarden trekken een zwarte kar voort waarop weer een nieuwe lijkkist de man het voorhoofd doen fronsen. Wat is al dit gesterf? In de kist ligt zijn eigen kwetsbaar lichaam dat hem wenkt. Donkere man, lichte man. Nee, nee, nu niet, nu ik nog kan. De middernachtzon brandt hem in de ogen. Waar is mijn geliefde? Dat aantrekkelijk wezentje. Het mooiste wat ik in mijn handen houden kan hier in dit ondermaanse.

Op de trein naar A. vraagt hij aan een jonge vrouw die tegenover hem zit en die hem aan zijn overleden echtgenote doet denken: Zal ik je mijn droom vertellen?
Ik ben niet geïnteresseerd in dromen, antwoordt zij. Dromen zijn bedrog, zoals het leven een grote grap is. Laat me niet lachen.

De man kijkt door het raam. Hij ziet zijn rimpelig hoofd, zijn grijze haren. Op het veld staat het koren gereed. Het is volop zomer, er is niets veranderd. Nog steeds dezelfde zomer als toen ik me in dat koren verstopte. Dit is mijn hoofd niet. Kan niet zijn. Dit is het hoofd van een ander.

Woedend legde de schrijver zijn pen neer, ging de deur uit. Een wandeling over de zonnige boulevard zou hem goed doen, weg van amfetamine en afgezaagde symbolen. De woestijn van de werkelijkheid tegemoet. Goodbye to all that, glimlacht hij.

DEZE TREIN STOPT HIER NIET LANGER

kinderjaren 2 001 (4)

Ik droomde over mijn vader, mijn moeder, mijn broer, mijn oude schoolvrienden. Heftige emoties hadden me in hun greep. Je moet naar hen toe, je moet het hen zeggen. Wat? Wat er in je hart omgaat… De landschappen die ik zag tijdens mijn reis lagen te zuchten onder een genadeloze zon. Of hevige regen veranderde akkers en boomgaarden in bruine modderpoelen. Vaak kon ik niet verder. Veel wegen waren versperd. Iedereen scheen de aarde te hebben verlaten en toch waren overal werken aan de gang. Onzichtbare arbeiders hadden diepe gaten in het asfalt geboord. Maar nu hing de stilte van een sneeuwvlakte boven afgronden. Mijn vijanden konden me niet van mijn plan afbrengen om mijn moeder op te zoeken. Maar ik kon haar niet vinden. Mijn vader was ver weg in een vergeten land. Wat ik hem nooit gezegd had. Mijn liefde voor hem. Wat hij nog steeds voor me betekende. Donkere en dreigende schaduwen waar ik zijn gezicht zocht. Nergens zijn stem of de geur van zijn lichaam, die ik me zo goed kon herinneren. Tabak, aftershave, brillantine. In Limburg reisde ik door kleine dorpen, duizenden kilometers van elkaar verwijderd en op geen enkele kaart aangeduid.
Het openbaar vervoer was een chaos. Bussen en treinen brachten me overal en nergens heen. Mijn naam was Niemand, maar zonder muziek van Ennio Morricone op de achtergrond. De namen van mijn oude schoolvrienden zaten wel nog diep in mijn geheugen gegrift. Hen moet ik zien. Ik huur een hotelkamer in Maastricht. Ik nodig hen uit. We gaan drinken, lachen. Maar hoe kon ik hen bereiken? Ik had geen adressen en ik was vergeten hoe ze eruit zagen. Ik voelde me uitgeput, een oude kerel. Veel te oud voor de reünie die ik voor ogen had gehad. Iedereen zou me uitlachen als ik met zulk voorstel op de proppen zou komen. Of moest ik toch Ivo maar eens aanspreken. Hij is de geknipte persoon om een reünie te organiseren. Of zou ik aanbellen bij de ouders van Josiane. Ik kom in vrede, ik heb jullie mooie dochter goed gekend. Neen. Ze zouden me niet geloven. Ze zouden allerlei dingen zoeken achter de woorden die ik zou uitspreken. Bijvoorbeeld achter het voltooid deelwoord ‘gekend’. Met tranen in de ogen dacht ik terug aan de tijd toen ik Josiane’s blonde haren streelde. Waar ben je? Waar is iedereen naartoe? Ik moet dringend bij mijn broer op visite, voor het te laat is. De tijd staat niet stil. Het begin van de wereld snelt naar het einde van de wereld.
Deze trein stopt hier niet langer, mijnheer. Neen, dat station is al een tijdje geleden afgebroken. Het spijt me zeer, ik kan u niet helpen.

Foto: Marina B.

SPOREN IN AUTOMATISCHE ZINNEN

Wereld-dingen, wendingen. Waarom dit en niet dat? When the night has fallen. Stand by me? Vrienden stellen geen vragen. Maken geen lijstjes? Geen lijsterbessen? Waarom niet? Angst voor waanzin, dronkenschap, afdwalen, verdwalen.

Een heel avontuur: van Antwerpen naar Brussel met natte voeten in de trein. Een sneeuwstorm, na de warme dagen, en nu wennen aan het vuur. Het vuur in mij, in jou. Het vonkje van de ziel. Ik kan geen zin meer zien en geen zinnen bouwen. Had ik een huis of een auto, dan misschien… Automatische zinnen. Zingenot. Maar de gave blijkt te verdwijnen. Een gebrek, een open wonde. Jongens, meisjes, vrolijkheid gevraagd op dit late uur, als de geliefden al lang te slapen liggen!

De nachtwacht ploetert door de sneeuw, maar waarschijnlijk heeft hij geen natte voeten. Of zij? Rode laarsjes? Cowboy boots. Blijft ze even staan voor mijn deur? Belt ze aan? Laat ik haar binnen? Sporen. Ja, ze laat sporen na. Uitwissen. Een nieuw leven beginnen, waar alles mogelijk is, geen draadjes, geen rafels, geen stenen tafels. Een vrij leven. Een toekomst tegemoet. Aan ziekte en dood ontsnappen en voor de liefde leven. Sporen van rode laarsjes, van Arthur Schnitzler en alle andere namen uitgewist.