TRAGE ESCAPADE

Sap van appels zijn je oude woorden
als van de appels in de boom van je buren
rijp voor de oogst in opgespaarde zomer,
ongeplukt, geur en smaak in de lucht
als huid van onbegrepen vrouwen.
Na zonnige Europese doem in oktober
rotten ze op steeds te weinig bezongen gras,
elke zondag zo zorgvuldig gemaaid.

Aan David Lynch denk je, als aan een havik,
zijn trage escapade, een laat weerzien
met broer: wat woorden over vader,
moeder, stoppen met roken, dit en dat.
Omdat ver verwant wat familie volhardt.
Je ziet een gedicht: maak ik terzinen,
binnenrijm, tel ik afgunstig voeten –
als waren het die van Dante of Pindaros?

Wat essentie beweer je zou blijven,
niet van appels, van vrouwen niet. Nee,
van duidelijke woorden. Essentie
van de essentie mocht het toch lukken
op goede voet te staan als gewervelde
met het vruchtbare sap van de wereld.
Dan blijven die kleine druppels nog even
tegen slecht spijsverteren, bloedbaden,
tegen schrik en beven, tegen vergeten.

 

Een eerdere versie van dit gedicht verscheen onder de titel ‘Het vruchtbare sap van de wereld’.

WENNEN AAN EEN EILAND

P1040696.JPG
In westelijke richting. Foto:Martin Pulaski

Je went redelijk snel aan de traagheid van het leven op een klein eiland. Ongeveer alles staat in het teken van de zon en de oceaan. Omstreeks negen uur of wat later verschijnt de zon boven de Tequergenche in het Oosten, om ongeveer half zeven gaat ze weer onder achter de bocht van Punta La Calera en het naaktstrand Playa del Inglés. (Tien jaar geleden of langer ging je daar graag een uur per dag in de zon liggen niksen, lezen in de zon heb je nooit gekund.) De uren daartussen verdwijnen in het oneindige van de Atlantische Oceaan. Je geniet van een eenvoudig ontbijt terwijl de zon je lichaam verwarmt. Je drinkt voldoende koffie omdat het ontwaken ook trager verloopt. Voor de middag zit je wat muziek te beluisteren, waarna je een wandeling maakt naar La Calera, Vueltas, of naar het Westen (maar in die richting raak je niet ver).

Al gauw is het weer tijd om te eten. Een salade, lekkere sardines of inktvis, een Dorada Especial (of twee). Daarna lees je wat in een van de vier boeken die je hebt meegebracht;  Mojo en Uncut heb je al uitgelezen. Vandaag ben je aan The New Yorker begonnen. Het nieuws in De Standaard Online geeft je weinig zin om naar België terug te keren. Zoveel drukte om niets.

Terwijl je dit zit te schrijven (en op de promenade een ‘zwerver’ wat willekeurige akkoorden op zijn gitaar zit te spelen) zoek je een paar dingen op over La Gomera. Toevallig ontdek je dat Tim Hart hier in Valle Gran Rey tot aan zijn dood in 2009 woonde. Tim Hart was –  samen met Maddy Prior – oprichter en bezieler van de populaire Britse folkgroep Steeleye Span. Je hebt enkele weken geleden hun hele oeuvre voor een habbekrats aangeschaft. Vreemd dat je de vorige keren dat je hier verbleef nooit iets vernomen hebt over deze vrij beroemde inwoner van dit dorp. De muzikant is op eenenzestigjarige leeftijd gestorven ten gevolge van longkanker. Jij bent nu ook eenenzestig en maakt je zorgen over je eigen mogelijk nakende einde. Hoewel je, voor zover je weet, geen longkanker hebt. Maar die aanhoudende hoest dan?

Je zit dus ook wat te schrijven en op internet te lezen – er is nu al een paar dagen uitstekende verbinding. Na zonsondergang drink je een glas cava en wordt er beslist in welk restaurant er vis met mojo wordt gegeten. Het is geen moeilijke knoop om door te hakken: veel restaurants zijn hier niet, en nergens is het menu uitgebreid. De meeste avonden zitten muzikanten van hier heerlijk te spelen en zingen in Casa Maria, een blauw huis waar je nu op uitkijkt. Hun stijl lijkt op die van Buena Vista Social Club. Als je die stemmen en die snareninstrumenten hoort voel je je gelukkig. Misschien niet de hele tijd, maar toch even. Ten minste een lied lang. Ja, ja, je went hier snel aan de traagheid van het leven. Is dat wat de meeste mensen genieten noemen?

(De straatmuzikanten hebben ‘It’s All Over Now, Baby Blue’ ingezet. Tijd om dit hoofdstuk af te sluiten.)

WHO KNOWS WHERE THE TIME GOES?

neerharen2

Sinds de vorige notitie is er een hele afstand gelopen door heel wat lange afstand-lopers. Ik van mijn kant ben traag geweest. Maar is een schildpad traag? The hands on the clock keep turning time, hoor ik nu net Sandy Denny zingen. Niets is toevallig, denk ik soms. Sandy Denny is jaren geleden dronken van een trap gevallen, teveel flessen gekocht in het nachtwinkeltje om de hoek. Ze liet een dochter van een jaar ongeveer achter. Sandy Denny heeft een door geen enkele populaire zangeres geëvenaarde stem. Ze wordt bij de folkzangeressen onderverdeeld, maar ze overstijgt alle genres. Luister eens naar Who Knows Where The Times Goes…

De ondraaglijke traagheid van het bestaan als iedereen zegt: sneller, sneller, sneller! RAP. Help! Ik kan niet meer volgen. Nochtans bewonder ik sommige mensen vanwege hun werklust, hun energie en hun inzet. Ze lijken zeven dagen te werken en nul uur niets te doen. Ik denk dat ik op een hele ‘werkdag’ ongeveer 3 uur niets doe, tenzij: 1° tijd verliezen; 2° afzien van de tijd. Er zijn zelfs dagen dat ik helemaal niets doe. (Trouwens, mijn winterslaap is in het verschiet.)
Wat zou alles eenvoudiger en lichter zijn als tijd niet zou bestaan. We zouden er kunnen van uitgaan dat hij inderdaad niet bestaat, dat alleen dag en nacht en de seizoenen bestaan. We zouden kringlopen kunnen aanvaarden, en de eeuwige terugkeer. Een troostende gedachte.

Deze overwegingen doen me denken aan Haruki Murakami, die op zijn veertigste (in 1989) plots een enorme schrik kreeg. De beste jaren van zijn leven waren voorbij, de meest productieve, dacht hij, hij zou zich enorm moeten haasten om nog iets duurzaams tot stand te brengen.
Op mijn veertigste dacht ik daar helemaal niet aan. Ik voelde mij nog een jonge man en genoot van het leven. Ik had wel een aan het pathologische grenzende angst voor de dood, maar dat ging slechts om momenten die ik heel snel weer vergat. Ik besefte niet dat ik mijn kostbare tijd verspilde met oppervlakkigheden. Ik besefte niet echt hoe kort het leven is. Inmiddels zijn we zestien jaar later en besef ik het wel. En toch wil ik nog af en toe het surrealistische spelletje spelen dat tijd niet bestaat. Maar ik doe niets liever dan werken. Ik wil niets anders meer dan werken als een homo ludens.