LABYRINT VAN HET TOEVAL

‘L’Année dernière à Marienbad’ van Alain Resnais (regie) en Alain Robbe-Grillet (scenario). Tot mijn verbazing heb ik vastgesteld dat Delphine Seyrig in 1961 ouder was dan in 1979 [1]. Zou voor sommige mensen de tijd dan toch in omgekeerde richting verlopen? Wie zal het zeggen. Alle raadsels zijn nog niet opgelost. Een aantal indrukken die deze sublieme film op me maakte, zijn me bijgebleven en zullen me bijblijven (of niet): kille zielloze mensen, strakke lijnen, gepolijst marmer, kiezelstenen, rechte paden, muren, barokke ornamenten. Trappen, trapzalen, hallen, labyrinten. Een immense leegte, nauwelijks verborgen achter de luxueuze geneugten van de bourgeoisie. Kijk daar hebben we mijn ‘Eindeloze groei van een droomarchitectuur/mijn muren’ [2]. Al deze dingen staan in die tekst, die een neerslag is van mijn barokke dagen. Nu leven we volop in de tijd van naaktheid en verlies. De tijd van wegzinken. Omgespitte aarde. Toch nog omkijken, iets vastgrijpen, denken: ‘Ik ben het niet kwijt’. Je voelt dat je bloed kouder wordt, de kleuren zijn er flets gaan uitzien, meer en meer gaat alles naar kraantjeswater smaken. Zelfs de wijn verliest zijn bouquet. Vertel me liever niets over zijn aroma, zijn neus, zijn afdronk: dat is allemaal larie. Zoek ik niet langer naar een of andere zin? Wat zou ik wel zoeken? Deze tijd – in welke richting hij gaat maakt niet uit – is die van een onmogelijke litanie. De kwalen en kwellingen zijn in aantal te groot om ze in een overzichtelijke rij te plaatsen. Het is de tijd om aan idealen te verzaken. Wat we hier doen heeft niet veel om het lijf. Ondanks onze modieuze kleren en brilletjes: niets aan het lijf, zo naakt als een pier.

Laten we voor ons vermaak even in het labyrint gaan kijken. Dat is mogelijk het hoofdthema van ‘Marienbad’. Het hotel en de tuin waar geen schaduw valt vormen een gesloten wereld waaruit geen ontsnapping mogelijk lijkt. Denk maar niet dat iemand een tunnel gaat graven want dan kom je bedrogen uit. Deze mensen hebben propere handen of zie je dat niet? De mondaine dame (Delphine Seyrig) kan alleen maar wegvluchten in een ander, parallel labyrint. Het eerst labyrint is waarschijnlijk dat van het leven; het tweede, waar ze alleen achterblijft met de mondaine man, haar bevrijder, is dat van de dood. Deze absurde uitweg was haar een jaar voordien, in Marienbad of in Karlsbad, wie zal het zeggen, reeds uit de doeken gedaan.
In het labyrint van de dood, als ik het zo mag noemen, worden er net als bij gewone stervelingen spelletjes gespeeld. In een spel zit altijd muziek, zeker in een kansspel. Denk maar aan John Cage. Welke geluiden zullen de elektrisch versterkte cactussen gaan voortbrengen? Dat is toch ook wel weer toevallig, dat ik nu aan John Cage denk. En niet aan John Cale, want dat had toch ook gekund. Of Brian Eno was eveneens een mogelijkheid, hij met zijn oblique strategies.
Fascinerend in ‘Marienbad’ is de speler omdat hij nooit verliest. Uiteraard, want niemand wil verliezen. Tenzij misschien als je dood bent, maar dat weet ik niet. Toen ik in de buurt was heb ik wel veel gespeeld, dat weet ik nog. Of ik nog een wil had betwijfel ik. Zijn kaartspel (dat je ook met lucifers of tandenstokers kunt spelen): vier rijen van respectievelijk 7, 5, 3 en 1 kaarten. In het totaal dus 16 kaarten, de som van de cijfers is 7. Een heilig getal. Dat hij niet kan verliezen is het fatum van deze speler. Dat hij moet winnen is zijn lot. Vloekt dat fatalisme dan niet met het toeval? Niet als je zoals Nietzsche het lot – alsof het een mishandeld paard is – omhelst. Dat de magere speler van Marienbad uiteindelijk toch zal verliezen, dat weet hij en hij zal zich daar niet tegen verzetten.

[1] L’Année dernière à Marienbad ging in juni 1961 in première. 1979 was het jaar waarin deze notitie ontstond.
[2] Een proeve van ‘ander proza’, gepubliceerd in het tijdschrift Aurora.

VAN DE WREEDHEID EN DE TROOST

puinvrouwen 1

Een van de weinige lezers van hoochiekoochie die af en toe nog commentaar geeft (het is ooit anders geweest) vond mijn beschouwingen van enkele dagen geleden over De roverbruidegom en Friedrich II wreed. Wat zeker het geval is. Waarom schrijf ik soms zulke naargeestige teksten? Het zou kunnen dat ik mezelf, en zo ook mijn lezers, gerust wil stellen. Dat de wrede wereld waar we nu in leven nog wel meevalt, dat de menselijke werkelijkheid vroeger veel erger, veel gruwelijker was.
Omdat ik zelf vond dat zoveel bloedvergieten in het echte leven (geschiedenis) en zoveel gruwelijks in een sprookje (verbeelding) nogal ver ging heb ik er op het einde het droomstukje in conversatievorm aan toegevoegd. Ik houd niet van horror in film en literatuur, al zijn er enkele uitzonderingen, waaronder The Shining van Stanley Kubrick en Sisters van Brian De Palma, en wil mij ook niet aan dat genre wagen. Maar bij het herlezen van mijn tekst vond ik de dialoog van de prins van Homburg en zijn geliefde Natalie een beetje artificieel. Die hele droomscène was er met de haren bijgesleept. Heinrich von Kleist komt wel vaker op de proppen als ik hem niet echt nodig heb. Je zou hem een obsessie kunnen noemen. Nu is hij mijn kroniek binnengeslopen omdat ik net een Italiaanse filmversie van zijn geniaal stuk had gezien, Il principe di Homburg van Marco Bellocchio, waarin de romantische droomwereld van Kleist en zijn personages waarheidsgetrouw wordt geëvoceerd. Een paar dagen eerder had ik voor het eerst de heel bijzondere film Deutschland, bleiche Mutter van Helma Sanders-Brahms gezien. Het toeval wil dat deze enigszins miskende regisseuse debuteerde met een biografie van Heinrich von Kleist én zijn verhaal Das Erdbeben in Chili verfilmde. Dat had ik als Kleist-bewonderaar moeten weten, maar ik wist het niet. Ik vond het vooral een mooi toeval. Twee films gekocht in Berlijn, allebei met een Kleist-connectie. Terwijl ik dit jaar niet eens zijn graf aan de Wannsee ben gaan bezoeken.
Maar je laten leiden door het toeval is niet altijd wenselijk. Als je ziek bent laat je je toch ook niet door het toeval leiden om de juiste arts te vinden? Je zou een tekst als een soort van ziekte kunnen beschouwen. Die heeft de juiste geneeswijze nodig, in dit geval is dat het einde. Er moet over nagedacht worden, gewikt en gewogen, gekozen.

homburg 3

Het einde behoorde de bomen van het volkspark in Friedrichshain toe. De meeste bomen daar zijn recent, de overgrote meerderheid werd tijdens de tweede wereldoorlog verwoest. Wat overbleef werd opgestookt tijdens de barkoude winters na de oorlog. Hetzelfde lot ondergingen de bomen van Tiergarten en andere Berlijnse parken en bossen. De dappere Trümmerfrauen [1] is het allang vergeven dat ze niet wilden doodvriezen. Ze stonden voor ongeveer alles alleen, hun mannen waren gedood aan het front of in krijgsgevangenschap afgevoerd.
De torens en bunkers die zich in het park bevonden werden opgeblazen, de gaten met puin gevuld en met aarde toegedekt. Het zijn nu heuvels, geschiedenisbergjes noem ik ze. Om eerlijk te zijn lijken de bomen helemaal niet op die van het bos dat ik me bij De Roverbruidegom voorstel. Maar zoals zoveel in Berlijn groeien ze op bloed doordrenkte grond. Als ik de geschiedenis laat rusten herinneren de heuvels mij vooral aan wat in de Maasvallei ‘de kip’ werd genoemd, de heuvels aan weerszijden van de Zuid-Willemsvaart, waar ik als kind zo vaak heb gespeeld en gedroomd. Ik was een romanticus lang voor ik wist wat dat woord betekende. Hele zomerdagen zat ik daar in de bomen met mijn pennenmes figuren te snijden uit boomschors en boeken van Alexandre Dumas en Victor Hugo te lezen. Zo reis ik in mijn gedachten van een eerder gruwelijke omgeving naar het pastorale landschap van mijn kinderjaren en vind ik tegelijk troost voor de verschrikkingen van deze tijd.

monte cristo dumas

[1] De puinruimsters worden ook getoond in Deutschland, bleiche Mutter. Helma Sanders-Brahms gebruikte voor haar film échte actualiteitsbeelden.

Afbeeldingen: Trümmerfrauen (puinruimsters); Il principe di Homburg van Marco Bellocchio; De graaf van Monte Cristo van Alexandre Dumas, een kopie van de uitgave die ik in een boom in Neerharen las.

EEN JAAR LEZEN

A-Sport-And-A-Pastime.jpg

Lang geleden dat ik nog eens een leeslijst heb gemaakt, waarschijnlijk omdat ik al een aantal jaren zelfs de titels van de boeken (en de namen van hun auteurs) die ik las niet meer noteerde, of bij uitzondering en zeker niet op één plaats. Vandaag heb ik het nog een keer geprobeerd. Aangezien er in 2015 in mijn agenda veel plaats was heb ik daar elke dag bijgehouden wat ik aan het lezen was. Omdat ik aanneem dat er dit jaar in die agenda nog meer plaats zal zijn, zal ik veel meer moeten gaan lezen. Films zien is ook een optie: die noteer ik eveneens opnieuw. Ik weet niet of het met mijn lectuur te maken heeft dat ik zo weinig mensen zie, maar het zal wel een rol spelen. Over boeken praten wordt sowieso nog maar weinig gedaan, denk ik, en over de boeken die ik toevallig lees nog minder. Waar praten de mensen over? Ik weet het niet.

Wat ik ook niet weet is wat mij ertoe aanzet om het ene boek wel te lezen en het andere niet. Sinds mensenheugenis verzet ik mij al tegen de markt, tegen televisieschrijvers, tegen radioschrijvers, tegen verkoopscijferschrijvers, tegen salon- een beurzenschrijvers. Ik zoek degenen op die in het donker werken, of die ziek zijn, ongelukkig, boos. En vooral de doden. Ik koester de doden en de stervenden. Schoonheid is sterker dan de tijd. Bloeddorstige barbaren mogen De Stad van Duizend Zuilen plunderen en vernietigen, ze mogen elk spoor van beschaving en religie uitwissen, de woorden in de bijbel en de koran en in zoveel andere religieuze boeken krijgen ze niet stuk. En niet alleen woorden die naar men beweert een goddelijke oorsprong hebben blijven springlevend: gelukkig voor ons, ongelovige honden, zijn er ook seculiere boeken die weigeren te sterven.

Schrijvers die alleen maar succes hadden en weinig of geen talent dringen zich gelukkig niet aan ons op. Alleen de grootsten trotseren de eeuwen. Daar gaat mijn voorkeur naartoe. Niet alleen naar de grote grootsten, ook naar de allerkleinste. Gelukkig gebeurt het af en toe dat zo’n kleine grote schrijver, die in zijn tijd geen bijval had, opnieuw van zich laat horen. Er bestaan ongetwijfeld lezers en literatuurliefhebbers die de gave bezitten om zulke schrijfkunstenaars op hun deur te horen kloppen. Als die bescheiden schrijvers daar al de moed toe hebben. Mogelijk fluisteren zij de ontdekkingsreizigers van de literatuur alleen maar iets toe in hun droomoren. Tot mijn spijt overkomt mij dat niet. Mij wordt nooit iets in het oor gefluisterd en als er op mijn deur wordt geklopt barricadeer ik ze.

Ik denk dat ik me nog steeds door het toeval laat leiden. De naam van een schrijver klinkt mooi, of een titel spreekt tot mijn verbeelding. Misschien heb ik er iets over gelezen en heb ik dat – ondanks mijn weerzin van recensies – onthouden. Mijn studies spelen eveneens een rol: die intellectuele achtergrond bepaalt natuurlijk voor een deel mijn keuze. Ik lees weinig pulp en onzin is aan mij meestal niet besteed. Meestal. Wat ik lees moet een hogere waarde hebben, moet bijdragen tot de ontwikkeling van onze soort. Ik heb gelukkig nog enkele vrienden. Hun aanbevelingen zijn me dierbaar. Daar houd ik bijna altijd rekening mee. En ik blijf trouw aan de schrijvers die ik ooit heb uitgekozen. Ian McEwan is daar een voorbeeld van. Ik lees hem al van in het begin, van toen hij nog quasi onbekend was. In 1978 trok zijn tweede verhalenbundel, ‘In Between the Sheets’ meteen mijn aandacht. Niet alleen door de titel, die verwees naar een liedje van the Rolling Stones (‘Live With Me’, op ‘Let It Bleed’) maar ook door de foto van het half blote meisje op de kaft. Nu kan een bloot meisje op een kaft mij niet meer verleiden, integendeel, maar in 1978 nog wel. Overigens is Ian McEwan vandaag een ernstige schrijver: geen naakt meer op zijn omslagen. En ik blijf hem trouw en zijn boeken blijven goed. Overigens vond ik zijn reactie bij de lafhartige moordaanslagen op Charlie Hebdo van een redelijkheid getuigen die ik bij weinig anderen, mezelf incluis, aangetroffen heb.

En Patrick Modiano dan, dat is toch een Nobelprijswinnaar? Ja, dat is zo. Mag ik mezelf tegenspreken? Moeten we altijd consequent zijn? Bovendien betwijfel ik of Modiano veel inspanningen gedaan heeft om die prijs te winnen. Hij is gewoonweg zichzelf gebleven, van helemaal in het begin. Of liever: hij is in zijn werk meer en meer zichzelf geworden, geworden wie hij in het begin al was. Hij heeft los van elke stroming, trend, maatschappelijke context, aan een schitterend oeuvre gewerkt. Zijn werk is een variant op de recherche van Marcel Proust. Of Modiano de verloren tijd ooit terugvinden zal durf ik echter te betwijfelen. Al zijn personages zijn voor altijd verloren, zowel in de ruimte als in de tijd. Patrick Modiano is de auteur die mij in 2015 het meest heeft weten te bekoren en betoveren en dromen. Door hem ben ik nog veel meer van Parijs gaan houden dan ik al deed. Op zaterdag 14 november heb ik een hele voormiddag zitten huilen, niet alleen omdat mijn zoon in Parijs woont, maar ook omdat ik het gevoel had dat ik zelf een Parijzenaar was geworden, een van die melancholische schimmen uit de romans van Patrick Modiano, schimmen van vlees en bloed, personages waar ik mezelf zo goed in herken.

Gelukkig was er na de terreur en de lockdown in Brussel ‘M Train’ van Patti Smith. Dat schitterend boek heeft me geholpen om me door die vreselijke dagen te worstelen en heeft mijn horizon opnieuw verruimd: er zijn goede mensen, er zijn kunstenaars, muzikanten, mensen die liefhebben, hartstochtelijke mensen, mensen die oplossingen zoeken, die elkaar willen helpen in plaats van elkaar de duivel aan te doen, mensen die leven voor schoonheid, mensen die het grote in het kleine zien. Mensen die zeggen: de andere, dat ben ik. En er is nog altijd koffie. Dat heb ik ook van Patti Smith geleerd.

Patrick Modiano, In het café van de verloren jeugd

James Salter, Light Years

Walter Benjamin, Maar een storm waait uit het paradijs

Robert Stone, Prime Green: Remembering the Sixties

Patrick Modiano, De stad van de donkere winkels

Patrick Modiano, Zondagen in augustus

Ana Teixeira Pinto (red.), The Reluctant Narrator

Hans Lodeizen, Gedichten

Patrick Modiano, Uit verre vergetelheid

Patrick Modiano, Verloren wijk

Patrick Modiano, Aardige jongens

Evelyn Waugh, Een handvol stof

Stefan Zweig, Ongeduld

Paul Rigaumont, Anekdota XIX

Rüdiger Safranski, Hoeveel waarheid heeft de mens nodig?

Elias Canetti, Het geheime hart van het uurwerk – aantekeningen 1973-1985

Knut Hamsun, Mysteriën

Haruki Murakami, 1Q84. Boek 1

Haruki Murakami, 1Q84. Boek 2

Haruki Murakami, 1Q84. Boek 3

Sandro Veronesi, Grote reizen, kleine reizen

James Salter, A Sport and a Pastime

Patrick Modiano, Pedigree

Patrick Modiano, Dora Bruder

Patrick Modiano, De plaats van de ster

Ian McEwan, The Children Act

James Salter, Burning the Days

Patrick Modiano, Het circus trekt voorbij

W.G. Sebald, Logies in een landhuis

Patrick Modiano, La petite Bijou

Patrick Modiano, Des inconnus

Sandro Veronesi, Zeldzame aarden

Patrick Modiano, Fleurs de ruine

Patrick Modiano, Chien de printemps

Fred Goodman, Mansion On the Hill

Patrick Modiano, Livret de famille

Jonathan Swift, Gullivers reizen

Patrick Modiano, Vestiaire de l’enfance

Geerten Meijsing (red.) – Van Como tot Syracuse

Patrick Modiano, Het gras van de nacht

Stefan Zweig, Schaaknovelle en andere verhalen

Paul Eluard, Lettres à Gala

Marc De Kesel, Zizek

Patrick Modiano, Remise de peine

Michel Houellebecq, Onderworpen

Rainer Metzger, London in the Sixties

Patrick Modiano, Accident nocturne

Goethe, Affiniteiten

Vladimir Nabokov, Speak, Memory

Jacques Rancière, De fabel van de cinema

Czeslav Milosz, Geboortegrond

Stefan Zweig, Reis naar het verleden

John Cheever, Bullet Park

László Krasznahorkai, Satanstango

Daniil Kharms, Today I Wrote Nothing

Raoul Vaneigem, Rien n’est fini, tout commence, livre d’entretiens avec Gérard Berréby

Georges Simenon, Zondag

Gustave Flaubert, Bouvard en Pécuchet

Jorge Luis Borges, De geschiedenis van de eeuwigheid en andere essays

Georges Simenon, Stoplicht

Georges Simenon, Leven met Anais

J.M. Coetzee, Dagboek van een slecht jaar

Rainer Maria Rilke, Het lied van de liefde en dood van Kornet Christoph Rilke

Martinus Nijhoff, Verzamelde Gedichten

Patti Smith, M Train

patti smith m train.jpg

ALLEEN MAAR ADEM EN HUID

primrosehill

“De steden en landen verliezen hun vertrouwde geuren. En toch blijf je er naar op zoek gaan…” Mocht je kunnen zou je naar de verste uithoeken van de aarde reizen. Op de wereldkaart kijken en een willekeurige bestemming selecteren. Als kind wilde je al – samen met je oudere broer – ontdekkingsreiziger worden. Maar je kunt niet naar de verste uithoeken en er valt ook niets meer te ontdekken. De verste uithoeken zijn illusies, die voor eens en voor waarschijnlijk altijd tot het spektakel behoren. Tot de reisprogramma’s op televisie en de bijlagen van de kwaliteitskranten. In de keuze van je bestemmingen is er wel altijd een willekeur aanwezig. Maar je moet met allerlei factoren rekening houden: geld, zwakke gezondheid, ongedierte, afkeer van luchthavens, afwezigheid van verste uithoeken.

Je hebt vrienden die veel reizen. De ene dag zitten ze daar, de andere dag al daar; waar ze neerstrijken is altijd een verrassing. Maar vaak ook niet. Er lijkt een systeem in hun manier van reizen te zitten, en zeker in wat zij als bestemming kiezen. Misschien minder in de weg ernaartoe? Hun reizen zijn, denk je, in zekere zin doelgericht, zinvol, hebben nuttigheidswaarde – waar je hoegenaamd niets negatiefs in ziet. En of zij een grote ecologische voetafdruk maken? Wat maakt jou dat uit? Je vrienden zijn geen fabrieken, geen vliegtuigmaatschappijen, geen kernreactoren.

Jouw manier van reizen, waarbij de ecologische voetafdruk je evenmin zorgen baart (je leeft een bijzonder verantwoord leven wat dat betreft), is echter anders. Je reist anders dan zij, maar ook anders dan in de dagdromen van je kindertijd. Je verlangt niet naar ontdekkingen, zelden of nooit hoor je de lokroep van exotica, van nieuwe grenzen, van halfnaakte Balinese danseressen, van de ongerepte natuur en de wildernis. Er bestaat geen wildernis noch een ongerepte natuur. Je bestemmingen, nooit doelbewust of op basis van duidelijke plannen gekozen, zijn meestal dicht bij de deur. Grote steden, kleine steden of ergens dichtbij de oceaan. Meestal weet je al van tevoren wat je er zult aantreffen: geen verrassingen. Maar aangezien willekeur een belangrijke factor is bij de keuze van je bestemmingen is het toch heel goed mogelijk dat je wel verrast wordt. Net zoals wanneer je in je eigen stad de deur uitgaat en een ander parcours neemt dan datgene wat je vertrouwd is. Maar is het je daar om te doen? Wil je verrast worden door wat je vertrouwd is? En het gedwongen planmatige aspect van je keuzes houdt uiteraard eveneens de mogelijkheid in dat je verrast wordt. Want worden plannen niet altijd in mindere of meerdere mate gedwarsboomd?

Je reist, denk je, vooral om terug te kunnen keren, om weer naar huis te kunnen gaan. Niet noodzakelijk naar het huis waar je nu in woont, maar naar iets wat je bij gebrek aan een betere term ‘het oorspronkelijke huis’ durft noemen. Je bent ervan overtuigd dat dat huis, eigenlijk is het een ‘thuis’ (maar heel zeker geen ‘tehuis’) niet bestaat, nooit bestaan heeft, nooit zal bestaan. Maar als je op je bestemming bent aangekomen en je verlaat daar voor de eerste keer (of de tweede, derde keer) je hotel, dan neem je iets waar, een soort van metafysische tegenwoordigheid, wat je herinnert aan die oorsprong. Waar je misschien vandaan komt, maar misschien ook niet, want het kan net zo goed een voorstelling zijn, iets wat je je inbeeldt. Je loopt door de enigszins vreemde straten met het gevoel dat het de straten van het eerste begin zijn, van je verleden dat er nooit is geweest.

Je gaat op reis zonder er al te veel over na te denken. Maar toch gaat het om een fenomeen dat aandacht vraagt, dat misschien wel een diepere zin geeft aan je leven. In de oorden waar je naartoe trekt hoop je – meestal onbewust – de oorsprong aan te treffen van je leven, een oorsprong die er niet geweest is. Vooral hoop je er manieren te vinden om er naar terug te kunnen keren. Terug te keren naar het begin – toen er nog geen woorden waren, geen muren, geen huizen, geen straten, alleen maar adem en huid.

Foto: Primrose Hill, Martin Pulaski

 

EEN BLIK IN DE OGEN VAN PAUL AUSTER


paulauster3

Wat eerst opvalt zijn je ogen, nachtelijk, tweeslachtig, niets goeds voorspellend en volop nog in donker verleden maar fonkelend van overvolheid, vooral van ongehoorde woorden, als een gunstige spelling van het Lot. Toevallig is het dat wat in je boeken gebeurt. Armoede, verlies, verdwijnen in droomstraten, opgesloten zitten in lege kamers, met uitzicht op niets dan wat namen van vijanden en zielsverwanten.

De uitdrukking voorbedachten rade legt een nieuwe laag over rijp beraad. In je verbeelding is altijd mededogen aan het werk.

Wat je ziet: een boom in je tuin, in Brooklyn de wereld, in de handen van een honkbalspeler een kosmos, in je vrouw alle oude en nieuwe verhalen over halve liefde, hele liefde, zorgzaamheid, sterrenstelsels.

Uit je oude machine haal je mysterieuze juwelen – veelkleurige duiven komen uit je hoge hoed, mensen zonder verhaal, met de rug tegen de muur. Zolang boven water tot Lulu’s brug het begeeft. En dan begin je opnieuw, met je donkere ogen elke dag wat lichter.

(Over je rooksignalen hebben we het later wel eens.)

 

AAN HET TOEVAL OVERGELATEN / BEELDEN

umbrie hotel

Raymond Depardon – Brigitte Bardot
Johan Grimonprez – Dial History
Martin Pulaski – Reflection (Rome)
François Truffaut – Domicile Conjugal
Martin Pulaski – Zelfportret met gemaskerde dame
Max Beckmann – Paris Society
Franz Radziwill – Eglise de Wehde en Frise
Joseph Severn – John Keats On His Deathbed
Roger Raveel – Herinnering aan het doodsbed van mijn moeder
Elia Kazan – Baby Doll
Martin Pulaski – Zaafrane (Tunesië)
Martin Pulaski – Reflections (Hotel Room, Umbria)
David Hockney – Man In A Shower In Beverly Hills
Michel Sima – Antonin Artaud
Fotograaf onbekend – Martin Pulaski in hotellobby (Helsinki)
Elvis Presley in Tickle Me
Domenico Di Michelino – Dante e il suo Poema
Leo Dohmen – L’ambitieuse
Harry Heirmans – Exposeert in Parbleu
Valdes Leal – Fin de la gloria del mundo
Martin Pulaski – Shoo-Bop (Building in New York)
François Lamorinière – Het sparrenbos
Yves Klein – Antropométrie (ANT 130)
Béla Utz – Vöröskatonák elöre
Nicolas de Staël – La route
Félicien Rops – Pornokrates
Man Ray – André Breton
Ken Heyman – Marylin Monroe & Arthur Miller,
Panamarenko – Zip Bangalore
Raghu Rai – Satiyajit Ray
Martin Pulaski – Reflections (Santiago de Compostela)
Kunstenaar onbekend – Voeten van de heilige Maagd
Andy Warhol – Jackie
Edward Hopper – Gas 

Ω
Gebruik je verbeelding of google.

ZERO DE CONDUITE: NAZOMER

P1010678(1)

Nazomer alweer, net als de lente een seizoen voor begin en vernieuwing. Maar er hangt ook mist in je hoofd en melancholie werpt donkere schaduwen op wat je nog ontwaart. Hoe kun je een thema kiezen in een warrige periode als deze? Chaotisch zowel op persoonlijk als op politiek vlak. Je voelt je machteloos, het lijkt er soms sterk op dat je geen vat hebt op wat er rondom je gebeurt. Alsof het lot erover beslist wat jij doet. Er zijn zo van die dagen dat je fatalistisch bent.

Voor de samenstelling van deze aflevering van Zéro de conduite heb ik me laten leiden door het toeval, door het verlangen naar verandering; en het feit dat ik niet langer werk heeft zeker ook een rol gespeeld in de keuze van de songs. Ja, het blijft nog wel een keuze. Je zou kunnen zeggen dat het onderliggende thema van vandaag de op de proef gestelde existentie is, maar ook de natuur, de seizoenen en de schoonheid.

Love Train – Back Stabbers – The O’Jays
Way Back Home – The Definitive Collection – Junior Walker & The All Stars
Home Cookin – The Best Of Eric Burdon & War – Eric Burdon & War
Tired Of Being Alone – Al Green Gets Next To You – Al Green
Everybody’s Got To Change Sometime – Taj Mahal – Taj Mahal
Lovin’ Cup – The Elektra Years – Paul Butterfield Blues Band
All Your Love – The Classic Cobra Recordings – Otis Rush
The Other Woman – Blame It On the Dogg: The Swamp Dog Anthology – Eleanor Grant
A Woman Left Lonely – A Woman’s Viewpoint – Irma Thomas
Grow Too Old – Bobby Charles – Bobby Charles
I Would Change My Life – Little Love Affairs – Nanci Griffith
Got No Bread, No Milk, No Money, But We Sure Got A Lot Of Love – James Talley
Old Man – Harvest – Neil Young
Tried So Hard – Sometimes You Eat The Bear – Ian Matthews
Dreaming My Dreams With You – Dreamin Waylon’s Dreams – Chuck Prophet
After I Made Love To You – Ease Down The Road – Bonnie “Prince” Billy
Skip’s Song – Dreamland – Robert Plant
The Sleepy Giant – Leave Your Sleep – Nathalie Merchant
Oh So Lovely – Tomorrow Morning – Eels
I’m An Animal – Middle Cyclone – Neko Case
This Is Love – Stories From The City, Stories From The Sea – PJ Harvey
No Tears To Cry – Wake Up The Nation – Paul Weller
Half Light II (No Celebration) – The Suburbs – Arcade Fire
The Diamond Church Street Choir – American Slang – The Gaslight Anthem
Morning Song – Circular Sounds – Kelley Stoltz
Heaven, Sitting Down – Here’s To Taking It Easy – Phosphorescent
When The Leaves Have Fallen – If The Ocean Gets Rough – Willy Mason
Australian Winter – Admiral Fell Promises – Sun Kil Moon
Time Of The Season – Hawk – Isobel Campbell & Mark Lanegan
Sweet Days Waiting – Shadows – Teenage Fanclub
Wild Roses – Through The Devil Softly – Hope Sandoval & The Warm Inventions

 


 

Samenstelling: Martin Pulaski
Presentatie en techniek: Sofie Sap & Martin Pulaski

 

 

EERST HET TOEVAL, DAARNA DE EXTASE?

eze-village,psychoanalyse,flaming lips,toeval,orde,reizen,pop,extase,ontroering,angst,ziekte,muziek,dood,empathie,gevoelens,emoties,nietzsche,2002,nice,1976,controle

Ik zeg tegen iedereen die ik zie, geniet van het leven, maar mij lukt dat niet zo goed. Gisteravond beluisterde ik nog een keer Do You Realize? uit Yoshimi Battles The Pink Robots van the Flaming Lips. Wayne Coyne deelt daarin mee dat we alleen maar nu hebben. Do you realize that everyone you know someday will die, zingt hij. Het was halfdonker in mijn kamer, bovendien had ik mijn ogen toe. Toch zag ik opeens bloemen opengaan en vanuit een middelpunt wegvliegen en zoals vuurwerk uiteenspatten in schoonheid. Ja, een dergelijk effect had de muziek van the Flaming Lips bij mij. Dat was lang geleden. Kan ik dan toch nog iets voelen, ontroerd worden? Blijkbaar wel. Meestal heb ik alleen maar negatieve gevoelens, fysieke pijn en allerlei angsten voor ziekte en dood. Of ik voel helemaal niets. Geen empathie, geen ontroering, niets.

Ik herinner me nu een gesprek van een jaar of vijf geleden. Ik zat bij mijn psychoanalyste en had het over de afwezigheid van – min of meer intense – emoties en gevoelens. Ik vertelde haar van het voorval, als ik het zo al kan noemen, helemaal boven in Eze-Village, in de Jardin Exotique daar. Zesentwintig – nu eenendertig – jaar geleden had ik daar al eens gestaan, in verrukking door de azuren hemel, de Middellandse Zee in de diepte, de geuren van de Provence; wat nu haast banaal en clichématig klinkt was destijds voor mij een nieuwe wereld. Het was die dag mijn verjaardag: ik was zesentwintig geworden. Op onze wandeling naar Eze hadden twee zachtmoedige honden ons vergezeld, de weg gewezen, zei ik ietwat ironisch. Hun gezelschap zag ik als een goed teken. Een ander goed teken was de wetenschap dat Nietzsche een belangrijk deel van zijn Zarathoestra in Eze heeft geschreven.
Nu, in 2002, waren we naar boven gegaan samen met een zwerm, vooral Aziatische, toeristen. Heel het oude Eze was in een toeristisch kitschwinkeltje veranderd. De Jardin Exotique lag er nog netjes bij, met een mooie verzameling cactussen en andere planten. Maar er was niets dat mij van mijn stuk bracht. Ook niet boven op de top, met de zee in de diepte. Ik voelde geen tweede adem, er was niets in mij gaande wat op verrukking leek. Er was eigenlijk alleen maar de bewuste gedachte dat ik het toch wel goed vond om daar op dat ogenblik te zijn. Beter in Eze dan thuis, dacht ik.

Thuis had ik me nog afgevraagd of het wel mogelijk zou zijn om vanuit Nice met het openbaar vervoer Eze te bereiken. Geen enkele verplaatsing is ooit gemakkelijker geweest, zo bleek echter. Het is een aangename en korte rit met de bus vanuit de centraal gelegen Gare Routière. Zo eenvoudig is het leven. Misschien is dat een van de hindernissen op de weg naar ontroering en verrukking? Dat het allemaal zo gemakkelijk gaat. Een andere hindernis is wellicht de planning: alles is van tevoren al uitgestippeld, waardoor een verrassing niet meer mogelijk is. In 1976 kwam ik geheel toevallig in die Jardin Exotique terecht. Onze bestemmingen werden grotendeels bepaald door de auto’s – en hun bestuurders – die ons meenamen als we stonden te liften. Als we maar onderweg waren was het al lang goed, maar wel liefst op weg naar een plaats die zich voldoende ver van Brussel bevond. (Ver was toen uiteraard niet zo ver als nu.) Tegenwoordig is dat niet meer zo: elke reisdoel is het resultaat van lang wikken en wegen en beslissen en uitstippelen. Van reisgidsen kopen, vliegtuigtickets bestellen, hotels reserveren, restaurants selecteren, musea uitkiezen, catalogi verzamelen. Daarna foto’s maken van hotelkamers, van huizen, van elkaar, van objecten die we naar huis mee willen nemen (wat natuurlijk in de meeste gevallen onmogelijk is). Misschien maakt een te geordend leven met teveel controle ontroering en verrukking onmogelijk. Die behoefte aan controle, aan een ordelijke wereld zit diep in mij verscholen en ik kan me eigenlijk niet herinneren dat ze er nooit is geweest. Vreemd, want ik beweer zo vaak dat het toeval mijn leven bepaalt en voeg daar meestal aan toe dat ik dat goed vind.

Foto: Busrit van Nice naar Eze, Agnes Anquinet

BLAUWSEL

georges simenon,was,blauwsel,kinderjaren,boeken,dick bruna

Toevallig toch weer. Onlangs zat ik tijdens het avondmaal met Laura te praten over blauwsel. Je hebt zo van die gesprekken waarbij van de hak op de tak wordt gesprongen. We hadden het er opeens over hoe onze moeders blauwsel gebruikten in de wastobbe. Ja, in die dagen werd de was nog in een wastobbe gedaan. Dat blauwsel diende om het linnengoed zo wit mogelijk te krijgen, voordat het gebleekt werd op het gras (als er gras was). Als kleine jongen vroeg ik mij af hoe dat blauwsel het linnen wit kon maken. (Overigens associeerde ik het blauwsel van mijn moeder met het blauwe krijt dat mijn vader gebruikte bij het biljarten. Het blauw van het labeur tegenover het blauw van het plezier.) Ik ben nooit te weten gekomen hoe het mogelijk was: ik ben volwassen geworden. Op een dag is het vragen stellen opgehouden; hoewel de vragen nu ik ouder word opnieuw de kop opsteken…

Vanmorgen in de metro sloeg ik De blauwe kamer van Georges Simenon open en daar stond het, op pagina 6 al: “Hij moest zo’n vijf, zes jaar zijn en hij vroeg zich af door welk wonder de blauwe kleur het linnen wit kon maken.” Ik heb trouwens de indruk dat ik dit boekje graag zal lezen. Jammer dat het zo vlug uit zal zijn. De troost is echter dat er nog veel andere boeken van Simenon bestaan. Maar mag ik mijn tijd wel aangenaam verdrijven? Zal al niet spoedig de filosofie mij weer tot de orde roepen?

GESPREK MET AGATA OVER BOEKEN EN FILM

murakami2

Haruki Murakami is mij een te modieuze auteur, zegt A. Ik heb geen zin om hem te lezen. Iedereen leest hem. Misschien wel, zeg ik, wellicht is hij een hype. Maar hij is desondanks een uitstekend schrijver. Waarom lees je geen boek van Julio Cortazar, Rayuela, bijvoorbeeld? Ik zeg haar dat ik het ooit geprobeerd heb, in de jaren zeventig van de vorige eeuw, toen ik hier in Brussel in een wonderlijke boekwinkel werkte, maar dat de roman mij niet echt lag. Hij was me wat te experimenteel. Waar moest je bijvoorbeeld beginnen? Dat is enigszins ironisch want ik schreef toen zelf nogal experimenteel – en tegelijk ook wel archaïsch. Het heeft lang geduurd tot ik toegang vond tot Rayuela, zegt A, maar uiteindelijk is het me gelukt en nu vind ik het een meesterwerk. Het boek zal wel niet meer verkrijgbaar zijn in het Nederlands, zeg ik. De schrijver is nochtans in Brussel geboren. Zijn werk zou hier alleen al daarom permanent verkrijgbaar moeten zijn. Maar ik heb alleszins een mooi excuus gevonden om mij nog wat langer in Murakami te verdiepen.

Ik begrijp A.’s verzet tegen het modieuze maar al te goed. Toen ik nog zo jong was als zij – dat was in 1977 – had ik net dezelfde houding. Ik weigerde resoluut bestsellers te lezen. Jef Geeraerts, Umberto Eco, Een vlucht regenwulpen, fuck you! Wat ik zocht waren zonderlingen als Lautréamont, Joris-Karl Huysmans (waar in die tijd nog bijna niets van in het Nederlands was vertaald, gek, want Huysmans was van Nederlandse komaf), Raymond Roussel, Heinrich Von Kleist of Alfred Kubin.

Maar ik vind Murakami inderdaad een uitstekend schrijver. Neem nu ‘De tweede aanval op de bakkerij’. De verteller en zijn echtgenote – ze zijn nog maar net gehuwd – worden ’s nachts wakker met een razende honger. In de koelkast ligt echter niets eetbaars en het is te laat om nog op restaurant te gaan. De verteller associeert de honger met een vulkaan. Opeens herinnert hij zich dat hij een hele tijd geleden nog eens zulke honger heeft gehad. Dat was ten tijde van de aanval op de bakkerij. Het grappige is dat Murakami een eerder verhaal ‘De aanval op de bakkerij’ had genoemd. Nu krijgt de bruid van de echtgenoot-verteller dit verhaal in het kort voorgeschoteld – om maar eens een culinaire term te gebruiken. Die eerste aanval op een bakkerij gebeurde ten tijde van de studentenrevolte in Japan in 1969. Samen met een vriend overviel hij om financiële en ‘filosofische’ redenen een bakkerij. De bakker was echter niet bereid om meteen zijn brood af te staan. De twee ‘revolutionaire’ studenten moesten eerst de ouvertures van Tannhäuser en Der Fliegende Holländer beluisteren, voor ze met een voldoende grote voorraad brood mochten vertrekken. Die daad was meteen het einde van de ‘revolutie’ voor de verteller. Al snel had hij zich aangepast aan de burgerlijke maatschappij met haar repressieve normen en waarden. Dat verraad aan de jeugdidealen knaagt echter aan zijn geweten (of maakt vreemde kronkelingen in zijn onbewuste). Het is een vloek die op hem rust. In ‘De tweede aanval op de bakkerij’ voert de verteller dan opnieuw een aanval uit op een bakkerij, samen met zijn bruid, die tot verbazing van de verteller blijkt te beschikken over een Remington geweer en skimaskers. Geen van beiden hadden ooit geschoten of geskied. “Het huwelijksleven is een vreemde zaak”, merkt de verteller daarbij op. Na de tweede aanval op de bakkerij is de verteller van de ‘vloek’ bevrijd. Wat een prachtig verhaal! Het doet mij heel sterk aan sommige films van Buñuel denken.

A. vertelde me dat Sven Nykvist is overleden, een van de beste cameramannen (de uitdrukking ‘director of photography’ dekt beter de lading) die de filmwereld ooit heeft gekend. Ik wist het niet, omdat ik, zoals u weet geen kranten lees en niet naar journaals luister of kijk. Soms vang ik wel eens iets op, bijvoorbeeld over de rellen in Budapest, maar meestal weet ik van niets. Ik leef al een tijd lang met mijn blik naar binnen gekeerd, waar niets te zien is, zelfs geen vulkaan. Alleen films kunnen mijn blik weer naar buiten doen keren. Voorlopig althans. Nykvist is vooral bekend vanwege zijn onovertroffen samenwerking met Ingmar Bergman (De Stilte, Persona, Het uur van de wolf, De schaamte, Scènes uit een huwelijk, Herfstsonate), maar ook door onder meer zijn camerawerk voor The Unbearable Lightness of Being van Philip Kaufman, Het Offer van Andrej Tarkovski, Le Locataire van Roman Polanski en Pretty Baby van Louis Malle. Ik noem maar enige titels van films die ik zelf heb gezien en bewonderd.

Ik opende net mijn boekenkast om iets op te zoeken (soms zoek ik iets op in een boek, in plaats van via google); er viel een aarden kruik uit, waarvan het oor afbrak. Uit de kruik viel één ding: een medaille van de 8ste sportdag van de Vlaamse ambtenaren op 25 september 1997. Gisteren was het de 17de sportdag, waar ik niet bij aanwezig kon zijn. Weer zo’n vreemd toeval. Jammer van die kruik natuurlijk. In het stuk van Heinrich von Kleist ‘Der zerbrochene Krug’ is de gebroken kruik een symbool van de verloren onschuld. Maar nu ga ik wellicht te ver met mijn associaties. Nochtans gaat het in die twee bakkerijverhalen van Murakami ook over de verloren onschuld. En waar gaat het in de films van Bergman over?

 

GEHEIME LEVENS

Toevallige dingen die in je leven gebeuren: daar moet je op letten, ze vormen je geheime leven. Dat heb ik van Paul Auster geleerd, en van Paul Theroux ook wel een beetje. Wie had ooit gedacht dat de zoon van Paul Theroux, Louis, beroemder zou worden dan zijn beroemde reizende vader? Paul Theroux heeft een boek, Mijn geheime leven. Er staat niets in over de roem van zijn zoon. Dat kan ook niet, die jongen was toen nog niet beroemd.

Elke mens heeft een geheim leven, een ander leven, een schaduw, een dubbelganger (hij is zelf zijn eigen dubbelganger). Ik bied mijn verontschuldigingen aan de vrouwen aan voor het gebruik van de hij-vorm, de hele tijd. Maar wat doe je eraan? Het zijn conventies.

Ik ontdekte vorige nacht dat een goede vriend van me, die ik al een tijd niet meer heb gezien, ‘beroemd’ is op het Internet. Heel toevallig ontdekt door een tekst van Guy Debord op te zoeken. Ik vertel er nu niets over, ik geef zijn identiteit niet prijs. Eerst met hem over praten. Andy Warhol had echt wel gelijk met zijn boutade dat we allemaal 15 minuten roem zullen kennen. Het is al zo ver.

Ik liep voorbij een etalage en zag een dvd van Buñuel liggen, vijfendertig euro. Een surrealistische grap waarschijnlijk.

Het is wel fantastisch toch dat de lente is begonnen. Maar om daar nu meteen een gedicht over te gaan schrijven? Ik schrijf, denk ik, liever over kelders, junkies, ellendige toestanden, de ‘zwarte zon van de melancholie’ dan over aprilvissen en krokussen en dergelijke meer.

MONTAIGNE’S VRIENDSCHAP

Ja, zeker, ik herhaal het hier ook nog eens, voor de duizenden lezers van deze bijzonder populaire weblog, Montaigne maakt inderdaad een onderscheid. Hij maakt een onderscheid tussen toevallig tot stand gekomen ‘vriendschappen’ en de éne, unieke vriendschap, heel bepaald met La Boétie (1530-1563), “een vriendschap die zo volmaakt en totaal was, dat je iets dergelijks in de literatuur niet gauw zult tegenkomen en waarvan onder onze tijdgenoten al helemaal geen spoor te bekennen valt. Om een dergelijke vriendschap op te bouwen moeten zoveel gunstige omstandigheden samenwerken, dat het al veel is als het lot dat eens in drie eeuwen tot stand brengt.” Motaigne schrikt niet terug voor enige overdrijving. Er zullen ongetwijfeld nog zulke ‘unieke’ vriendschappen bestaan hebben en nog bestaan. Maar kan ik zelf iets dergelijks beweren? Ik heb enkele heel goede vrienden, maar het gaat nooit om een vriendschap die volmaakt en totaal is. Niemand is perfect en totaal, niemand is af, we zijn altijd in wording. De beste vriend die ik ooit heb gehad, Jos D., is helaas al lange tijd dood. Hij is in oktober 1991 vrijwillig uit het leven gestapt, op een ogenblik dat ik hand in hand met mijn geliefde een wandeling maakte op het strand van het heerlijke Cadiz (waar ik vaak terugkeer, omdat ik er mijn hart heb verloren, maar niet toen, die eerste keer, toen Jos van een gebouw is gesprongen in Leuven).

Dat toeval toch altijd! Ik dacht net te schrijven: een vriend die ik me had toegewenst is Townes Van Zandt zaliger, en net op dat moment, zoals een paar dagen geleden met Patti Smith’s Free Money, speelt mijn jukebox Pancho and Lefty, uitgevoerd door Bob Dylan en Willie Nelson. (Bob Dylan en Willie Nelson zijn overigens ook bewonderaars van Townes).

TOEVALLIG PATTI SMITH’S BIRDLAND?

orgone

Ik luister al de hele middag naar mijn persoonlijke jukebox. Ik heb de voorbije maand of zo heel precies 2335 songs op mijn harde schijf gezet. Mag ik het herhalen? Ik ben geen dief. Die songs komen allemaal uit mijn eigen cd-collectie. Overigens weet ik niet of mensen die liederen van het internet halen (zonder ervoor te betalen) wel dieven zijn. Ik wil dat hier buiten beschouwing laten, er is al voldoende over gediscussieerd en er zal nog veel over gediscussieerd worden. De indruk die ik heb is dat mensen die muziek kopiëren vaak ook heel veel muziek kopen en zodoende veel te veel geld uitgeven aan modieus geneuzel op een dwaze beat. Where have all the good times gone, met andere woorden.

Terwijl de muziek op de achtergrond weerklonk zat ik wat te lezen op een website gewijd aan Wilhelm Reich. Ik was daar nog maar een paar minuten mee bezig toen zomaar opeens de woordenvloed die Birdland heet (van Patti Smith, en op een wijze beat) uit de luidsprekers golfde. En over wie gaat die song? Over Peter Reich en over zijn vader, Wilhelm. Patti Smith roept in Birdland de vreemde wereld van Wilhelm Reich op en vertelt onder meer hoe hij zijn zoon een nachtelijk bezoek brengt aan het stuur van een UFO:

“It was if someone had spread butter on all the fine points of the stars’
Cause when he looked up they started to slip.
Then he put his head in the crux of his arm
And he started to drift, drift to the belly of a ship,
Let the ship slide open, and he went inside of it
And saw his daddy ‘hind the control board streamin’ beads of light,
He saw his daddy ‘hind the control board,
And he was very different tonight’
Cause he was not human, he was not human.”

Een vreemd toeval toch wel dat mijn jukebox uit 2335 songs heel precies Birdland kiest. Wat heeft dit te betekenen? André Breton spreekt van “verbijsterende coïncidenties”, over “bepaalde samenlopen van omstandigheden die ons begrip verre te boven gaan en die het ons slechts mogelijk maken terug te keren tot een beredeneerde activiteit indien we, in de meeste gevallen, het instinct tot zelfbehoud te hulp roepen.” Het is zeer zeker een verbijsterende coïncidentie dat Wilhelm Reich’s ontregeling van de zinnen (denk maar aan zijn theorie van de orgonen en zijn karakteranalyse) nogmaals wordt verweven met de verheven razernij van Patti Smith.

Foto: Wilhelm Reich en de orgonen-accumulator