TAMELIJK BETAMELIJK GEDRAG

Senga, Dolfijnstraat, omstreeks 1977.

[Nachten aan de Kant 62]

Die dag in augustus werd ik pas omstreeks het middaguur wakker. Beneden in het Groot Vertrek zat Senga aan de keukentafel te lezen in Film en Televisie. Wat lees je, vroeg ik. Een boeiende recensie van Ronnie Pede over Renaldo & Clara, zei Senga. Je hebt in de oude tijdschriften zitten neuzen, zei ik. Zo oud is dit nu ook weer niet, zei ze. Toch wel een jaar, zei ik. De tijd gaat snel, zei Senga. Je hebt ze toch weer niet allemaal door elkaar gehaald, zei ik. Ik heb die oude Photo van jou weer bovenop de stapel gelegd, zei ze. Senga zag er verrukkelijk uit, in haar lila T-shirt met de expressieve kop van Jim Morrison erop afgebeeld. In de zomer liep Senga graag in haar blote kont rond, maar nu Gabriëlla bij ons woonde was ze wat betamelijker geworden. Ik kwam wat dichterbij om te zien welke zedige oplossing ze voor vandaag gevonden had. Het was een kort dun rokje in wit katoen, dat wat meer aan de verbeelding overliet dan een blote kont, maar niet zo heel veel meer. Senga leek ervan uit te gaan dat mijn voorstellingsvermogen eerder klein was. Daarin vergiste ze zich.
Gabriëlla was het andere uiterste. Ook in de zomer liep ze gekleed alsof het elk moment zou kunnen gaan vriezen. Steevast droeg ze een jeans, een T-shirt en daarover meestal nog eens een slobbertrui. Nooit zag het zonlicht haar blote benen. En toch had ze iets, maar om dat te zien moest je over een bijzondere gave beschikken. Verbeelding volstond niet.

Photo, juli 1979

Ik had Lost in the Ozone van Commander Cody & His Lost Planet Airmen op de platenspeler gelegd. Het concert van die countryrock band, de onwaarschijnlijke opener voor Elliott Murphy op de Brusselse Grote Markt, was bij mij in de smaak gevallen, maar in vergelijking met de blonde rockdichter zag het er allemaal wat vulgair uit en klonk het ook zo. Toch kon ik nog altijd genieten van songs als Seeds and Stems (Again) en Lost In the Ozone. Ondertussen had mijn verrukkelijke Syngala de tafel gedekt. Je moet weten dat ik haar af en toe met veel plezier een andere naam gaf. Syngala paste klankmatig goed bij Bengaals vuur, vond ik Net als mijn geliefde kon dat lang, rustig en toch fel branden.

Ik dronk drie koppen van Senga’s sterke koffie, want ik voelde me erg moe. Van wat kon dat zijn? In de Mort Subite hadden we niet meer dan twee of drie glazen bier gedronken… Van schrijven zou er niets meer in huis komen vandaag. Ik vroeg Senga of ik haar wat uit De triomf van het leven mocht voorlezen. Dat vond ze een prima voorstel.

We gingen in de bruine zetels zitten, Senga en Jim Morrison tegenover me, en ik begon te lezen.

Triomf van het leven

Het leven is het leven. Rampzalige tautologie, die alles omvat en toch niets betekent. Bestond zij maar niet, of had ik ze maar meteen geschrapt. Wekenlang houdt die uitspraak me nu al in haar ban. ’s Nachts kan ik er niet van slapen, overdag belet ze mij te werken. Aan niets anders kan ik nog denken dan aan het leven dat het leven is.

Sinds het ogenblik dat deze tautologie mij een van die prachtige vondsten leek heb ik al twee cahiers volgeschreven. Geen woord van mezelf. Uitsluitend fragmenten van bekende en minder bekende denkers en dichters. Gedachten, beschouwingen, uitspraken over de zin, de oorsprong, het doel en zelfs de absurditeit van het leven. Tijdens dit voorbereidend werk, van krampachtig associatieve aard, was me opgevallen dat zowat alle auteurs het vooral en steeds weer over de dood hadden, of op zijn minst over de vervlechting van leven en dood.

Ik wierp een steelse blik op Senga, haar bevallige blote benen gekruist. Ze zat met de ogen toe en leek aandachtig te luisteren. Mijn tekst verveelde me. Veel liever had ik lekker met haar gevrijd. Haar lijf nog getaand door de zon van de Camargue. Maar zelfs de gedachte aan al die opwinding putte me uit.

De volksmond leert ons dat het leven een strijd is. Charles Darwin heeft die wijsheid wetenschappelijk onderbouwd. Ook bij Hegel, Marx en zelfs Nietzsche vinden we ettelijke passages over strijd, oorlog, destructie, volstrekte negativiteit terug. Arthur Schopenhauer, voorloper van de Weense School en inspiratiebron voor Samuel Beckett, ziet het leven als één lange ontgoocheling.
“Wat ligt er toch een afstand tussen het begin en het einde van ons leven: het begin met de waan van de begeerte en de verrukking van de wellust, het einde met de vernietiging van alle organen en de stank van rottende lijken…” De wereld is een boeteoord, een strafkolonie, vindt hij. Schopenhauers epigoon Sigmund Freud is niet minder fatalistisch. Het levenloze (steen) was eerder aanwezig dan wat leeft (adem) en alles wat leeft neigt naar deze oorspronkelijke toestand. Het doel van het leven is de dood.
Ik weet dat ik de psychoanalyse hiermee geweld aandoe.

Freuds belangstelling voor de klassieke tragedie bracht me op het spoor van Sophocles:
Niet geboren zijn is ’t allerbeste,
dan, als tweede, dat wie in het licht verscheen
snel daarheen weer keer’, vanwaar hij kwam,
want wanneer de jeugd verdwijnt met haar onbezonnenheid,
wat plaag van smart is ’s mensen lot dan vreemd?

Het klinkt allemaal nogal somber, zei Senga. Ja, zei ik, ik weet het. Maar het blijft niet alleen maar kommer en kwel. De weg naar het licht begint in duisternis. Wil je dat ik voor vandaag ermee ophoud? Nee, hoor, zei Senga, lees maar door. Ik wil liever met je vrijen, zei ik, zoals je daar nu zit, zo’n lekkere vrucht. Dat is pas leven. Senga stond op, stapte blootsvoets naar me toe, bukte zich en kuste me lang op de mond.

Een paar uur later zaten we in alle rust Winstons te roken en een glas Gewürztraminer te drinken. De smaak van die wijn deed mij altijd aan onze eerste kus denken. Tijd voor Tim Buckleys Happy Sad, met daarop het magnifieke Buzzin’ Fly. Weet je wat, Senga, morgen lees ik alleen mijn bevindingen voor, of een aantal ervan, boeiende tekstfragmenten die ik over het thema heb gevonden. Want mijn essay is beslist nog niet af; het is nu nog erg onevenwichtig. Lang niet zo geslaagd als Taferelen van onverschilligheid. Wat erg dat Guy zich bij het lezen van dat verhaal herkend heeft in Ergo Verdussen, of was het in Jacky Avontuur, zei Senga. Heel erg en heel onterecht, zei ik. In wie van die twee idioten, die de verteller met een roestig zwaard dreigt te zullen onthoofden, weet ik eigenlijk niet. Ik heb Guy een brief geschreven om hem op het hart te drukken dat ik hem hoegenaamd niet als model heb genomen. Mogelijk zit hij hem nu al te lezen en komt alles nog goed tussen ons.

Guy Bleus, You Can Never Go Home Anymore!

TIM BUCKLEY’S HAPPY TIME

pop,troubadour,happy time,stem,verheven,subliem,tim buckley,coming home to stay,schoonheid,folk,gitaar,poezie,popcultuur,clip

Happy Time

Ah, it’s a happy time inside my mind
When a melody does find a rhyme
Says to me I’m comin’ home to stay
Oh, Lord, home to stay
I’m comin’ home to stay
Home to stay
Ah, lord, it’s just the same old story
Something about love for glory
A nickel and a dime a dozen
Fame
Ah, it’s such a shame
Ah, the way they use your name
Ah, you know it’s such a shame
When it’s only mine to sing a song
Hoping that you’d cross along my way
Before I have to move along
Ah, now move along
Ah, but I’ll be back again
Ooh back again
Ah, it’s a happy time inside my mind
When a melody does find a rhyme
Says to me I’m comin’ home to stay
Oh, Lord, home to stay
I’m comin’ home to stay
Home to stay
Sleep late now mama
Let the mornin’ sun warm your bed
While I’m away
While I’m away

MOMENTEN VAN GELUK: TIM BUCKLEY

Ik heb op YouTube een opname gevonden van Tim Buckleys Happy Time, een van mijn favoriete songs. Ik heb zelden een sterkere uitdrukking van het geluksgevoel gehoord, ook al heeft het geheel een melancholische ondertoon, waardoor het eigenlijk nog sterker wordt. Hier heet het lied echter nog I’m Coming Home Again. De clip dateert uit 1968, een periode waarin Buckley afscheid nam van de poëtische folk en steeds meer free jazz en avant-garde in zijn composities integreerde. De elpee Blue Afternoon uit 1969, waar de originele versie van Happy Time op terug te vinden is, is naar mijn weten nooit op cd verschenen. Al het andere werk van Tim Buckley wel, ook zijn twee laatste elpees, Look At The Fool en Sefronia, die – waarschijnlijk ten gevolge van zwaar druggebruik – grotendeels mislukkingen moeten worden genoemd, maar nog altijd beter klinken dan 99 procent van de ‘popmuziek’ die de radiostations nu op ons uitspuwen.

Tim Buckley stierf op 28-jarige leeftijd. De klank van onderstaande clip is niet schitterend, maar het blijft me verrassen dat zulke documenten al die tijd al hebben bestaan en dat we ze nooit eerder konden zien.

Happy Time

Ah, it’s a happy time inside my mind
When a melody does find a rhyme
Says to me I’m comin’ home to stay
Oh, Lord, home to stay
I’m comin’ home to stay
Home to stay

Ah, lord, it’s just the same old story
Something about love for glory
A nickel and a dime a dozen
Fame
Ah, it’s such a shame
Ah, the way they use your name
Ah, you know it’s such a shame
When it’s only mine to sing a song
Hoping that you’d cross along my way
Before I have to move along
Ah, now move along
Ah, but I’ll be back again
Ooh back again

Ah, it’s a happy time inside my mind
When a melody does find a rhyme
Says to me I’m comin’ home to stay
Oh, Lord, home to stay
I’m comin’ home to stay
Home to stay

Sleep late now mama
Let the mornin’ sun warm your bed
While I’m away
While I’m away

Tim Buckley / Blue Afternoon, 1969

DE OUDE MAN EN DE VLIEG

De kleine vlieg ziet het gesukkel van de oude man. De telefoon brengt zijn familie thuis. Tim Buckley en O.J. Simpson ontmoeten elkaar tijdens een dagje uit naar de maagdenbron. Een film is dat, hoe kan het ook anders?

Hoe je je blind maakt voor de sterren, verrekijker, sterrenkijker nochtans altijd binnen handbereik, of niet soms? Als een vertaler, met verstomming geslagen, ben je vaak, woord voor woord: “duinbranden, purperslakken”… Wat heb je nog te betekenen na al die verdomde Oude Grieken? Zij die zo dicht bij de sterren waren. Heraclitus, Empedocles en hun honderden niet geboekstaafde epigonen.

Hoe je naar het Westen terugkeert. Maria, Sterre der zee! Genadeloos ontvangen daar waar de wilde hoeders waken. Begrijp je hen die hun juwelen laten fonkelen? De jouwe van Spaanse gitaarklanken overvloeiend, of van de echo van stemmen in de donkere en lichte straten van Cadiz. Uit dorre mond stijgt gekrijs op, een Enola Gay zonder de bommen, in elke snik het heimwee naar Hölderlins dagen, als hij aan Antigone dacht en zich in een hoek verschool, met zijn lange nagels, zijn sierlijke ogen die de bliksem hadden aanschouwd.

Toen zij allen nog slakken waren was jij een volleerde egel. Tot schuim bereid, niet meer tot schuimwijn of, zoals in de jaren ‘vijftig, op tafels het monotone ritme meekloppen.

De oude man ziet het gesukkel van de vlieg. Een halve dag nog om je te zalven. Zijn bevende handen. Of hij die somtijds observeert? Een uur nog, een half uur, een stonde, om je geluk te geven: eeuwigheid.