DE KALKFABRIEK / THOMAS BERNHARD

Uit mijn dagboek.

Over ‘De Kalkfabriek’ van Thomas Bernhard. Hoewel deze roman mij aanvankelijk irriteerde, ben ik op den duur toch onder de indruk geraakt van zijn bijzondere stijl, van zijn heel eigen stem. Een boek over stilte en geluid – rumoer, lawaai. Over alles wat we horen op de wijze van het niet te horen (door saturatie) en alles wat we niet horen op de wijze van het te horen (door angst of stress). Er bestaat geen echte stilte.

Hoofdpersonage Konrad slaagt er niet in zijn studie over het gehoor op papier te zetten. Allerlei buitenissige omwegen zijn nodig om erover te spreken / schrijven. De omweg als enige toegangsweg. De onmogelijkheid van de verwoording brengt onrust te weeg zowel bij Konrad als bij de lezer. Heel frustrerend dat een werk van twintig jaar – zo lang werkt hij al aan de studie – niet veruitwendigd kan worden.

“De studie opschrijven, gewoon opschrijven, dacht hij steeds, die gedachte was het, de studie gewoon opschrijven, gaan zitten en de studie opschrijven, die volkomen bezit had genomen van zijn bestaan, niet meer de gedachte aan die studie, alleen maar de gedachte de studie op te schrijven, van het ene moment op het andere de studie op te schrijven; hoe meer hij echter van die gedachte bezeten was, des te onmogelijker werd het voor hem de studie op te schrijven.”
Thomas Bernhard, De Kalkfabriek, pagina 69.

Antwerps dagboek, 16 december 1980

Ω

*In de late jaren tachtig zou Thomas Bernhard een van mijn favoriete toneelauteurs worden, met stukken als ‘De macht der gewoonte’, ‘Het jachtgezelschap’ en ‘Ritter, Dene, Voss’.

OP EEN DAG IS ALLES AFGELOPEN

Op deze niet zo fraaie zomerdag wilde ik de toevallige lezer de volgende zinnen vooral niet onthouden.

“Op een dag kom je thuis en weet: van nu af aan moet ik voor alles boeten, en vanaf dat ogenblik ben je oud en dood. Op een dag is alles afgelopen, hoe lang het leven ook nog voortduurt. Eens en voor al ben je dood, en alle schoonheid, dat wat geluk is en geluk kan zijn, de rijkdom en alles heeft zich teruggetrokken, voor altijd.”

Thomas Bernhard, Vorst.

VOORBEREIDENDE OEFENINGEN VOOR DE DOOD

Vandaag laat ik met plezier eens iemand anders aan het woord. Dames en Heren, uit Oostenrijk, de onovertroffen mensenkenner Thomas Bernhard:

“Is het u nooit opgevallen dat de mensen kerkhoven bewonen? Dat grote steden grote kerkhoven zijn? Kleine steden kleine kerkhoven? Dorpen nog kleinere? Dat het bed een lijkkist is? Kleren doodskleden zijn? Allemaal voorbereidende oefeningen voor de dood? Het hele bestaan is een eeuwig beproeven van het opgebaard-liggen en begraven-worden.”

Uit: Vorst, vertaling van Thomas Graftdijk.

Tot daar mijn gastspreker van vandaag. Ik heb hier volstrekt niets aan toe te voegen.

DE MAN OP DE STOEL

Voor Thomas Bernhard.

Wat er ook moge gebeuren… Het maakt niet uit… Wat ik ook doe, het loopt altijd verkeerd af, ontspoort, loopt de spuigaten uit, de riool in, door de beek, naar de rivier, naar de zee. De open zee.
Daarom wacht ik af. Zit ik stil. Gewoon op mijn stoel. En kijk naar de muur. Werp een blik op de affiche. Hoe vaak heb ik die al niet bekeken… Maar wat staat er dan toch op afgebeeld? Ik zou het niet weten. Mijn ogen zien de dingen nog wel, maar ik zie ze niet. Ik denk alleen maar. Ik denk vooral uit schrik. Want ben ik er anders nog wel? Ja, almaar meer beperkt mijn doen zich tot dat ene: denken. Iets anders lijkt er niet te zijn. Of zei je van wel?

Meer dan eens denk ik: wat voel ik nu toch? En ja hoor, dan voel ik pijn. Het voelen neemt de overhand, het denken delft het onderspit. Het denken wordt naar de laagste regionen verbannen. De diepste lagen van het ondermaanse. Neen, dat is geen pretje. Denken is veel aangenamer dan voelen. Ik wil – want ik mag de wil niet uit het oog verliezen – niet langer voelen. Want voelen betekent bijna altijd pijn. Onbehagen. Weerzin. U begrijpt me wel. Neen, dat is geen pretje. Ik wil een lichaam worden zonder pijn. Een engel of iets dergelijks. Laat die vleugels maar weg. Een engel zonder vleugels volstaat. Een hoofd hoeft ook niet echt. Een torso is voldoende. Een beeld van een engel.
Maar vergis u niet: ik verander niet. Ik houd stand. Ik houd vast aan het leven. Het lijkt bijna alsof ik kranig ben. Ja, ik heb zelfs de indruk dat ik nogal moedig ben. Maar ik neem aan dat de mensen die me voorbijlopen op straat of in de Delhaize daar anders over denken. Die vinden vast dat ik niet moedig ben. Met mijn gebogen rug. Met mijn neerwaartse blik. Die geloven dat ik zwak ben. Dat ik geen ruggengraat heb. Was dat maar waar. Dat laatste. Een ruggengraat is nergens goed voor.

Dit lijkt wel Thomas Bernhard, zegt u. Maar dit is geen Thomas Bernhard. Gaat Thomas Bernhard naar de Delhaize? Thomas Berhard moet niet eens de straat op. Zie je hem niet aan zijn schrijftafel zitten? Daar in Oostenrijk in de sneeuw? Ja, een Oostenrijker, of wat dacht u misschien? Zoals Adolf Hitler en Egon Schiele. Hij heeft talrijke publicaties op zijn palmares staan. Es, ja. Vat de koe maar bij de horens. De analyse van een psychische ontbinding. Thomas Bernhard is een beklagenswaardig man. En dat niet alleen omdat hij mensen aan de andere oever van het meer met elkaar kan horen praten. Neen, neen. Dat niet alleen. Hij is helemaal niet aardig. Hij is beklagenswaardig. Waarom? Omdat hij zo veel klaagt. Ik heb al velen bezig gehoord, maar Thomas Bernhard slaat alles.

In den beginne hield ik van deze bittere man. Ik hield van zijn logica. Van zijn klagende, zeurende personages, waarin ik bijwijlen iets van mezelf herkende. Van zijn haat jegens het vaderland hield ik. Maar wordt het nu niet van het goede teveel? Op tijd en stond wil een mens ook eens hartelijk lachen. Beslist. Denken, voelen, willen, lachen. Niet altijd in het donker rondtasten. Niet altijd grijnzen aan de rand van de pikzwarte komedie. Soms wil een mens wel eens weg uit dat limbo.

De witte sfinks zal de zwarte sfinks omhelzen. Lachen en brullen dat het leven een hel is. “Het leven is een hel!” “Volstaat het niet er op een laag pitje in te hebben gesudderd?” “Met kerstmis, bijvoorbeeld.”

Maar denk nu niet dat de zee er stil bij ligt. De zee is altijd in beweging. Zo onafgebroken beweegt zij, kabbelt zij, deint zij, wiegt zij, reilt zij en zeilt zij en golft zij wijnrood of schuimt zij wit en stormt zij woedend over het strand en wast zij de ziel van de romanticus en van de Oude Griek vrij van schuld, dat je haar bewegen haast voor eeuwige rust zou aanzien. Maar jij laat je niet beetnemen door maritieme zinsbegoochelingen. Op je stoel van goud en donker schaduwspel. Zie nu de dwaze figuurtjes die dansen in het zwarte gat van Francis Bacon. Neen, lieve vriendin, ik weet het, dat je niet van zijn werk houdt. Maar hij is het. Ik kan er niets aan doen. Ik herken hem nu. Ik zie opeens wat beter.

Zo, dat hebben we dan weer gehad. Daar zat je naar te zoeken. Niets interessanters te doen, dan? Neen, niet echt. Ik ben nog steeds niet verbitterd. Cynisch? God vergeve me. Ik wil liever glimlachen. En later, als het weer zomer is, in het koren zitten wachten tot de zon ondergaat en daar als dan mijn vijand opdaagt hem wat schrik aanjagen met mijn zwarte gaten. Hem alleen maar wat doen huiveren. Neen, een slachtpartij wordt het niet. Dit is een Vlaams verhaal, ook al wil ik me al heel mijn leven aan dit anemisch bloed en deze verdomde bodem ontrukken.

NAAKT IN EEN RODE LEREN JAS EN ANDERE HERINNERINGEN

naakt,ierland,oostende,thomas bernhard,damiaan de schrijver,theater,stan,leer,hamsun,galway,hoochiekoochie

De schitterende nazomer wekt herinneringen aan Ierland, de Aran-eilanden, met de fietstocht in de gietende regen, de heerlijke verveling in Roundstone, wandelen en fietsen in de zon in Doolin; in de pubs Guinness drinken en de ziel die opgetild wordt door de muziek. In Galway belden we aan op een verkeerd adres. Ik dacht dat dit het bed and breakfast-huis was waar we een paar keer zouden overnachten. De eigenaar toonde ons onze kamer, bood ons thee en koekjes aan. Ik had al een paar spullen uitgepakt. De man zei: jullie komen toch uit Londen. Nee, uit Brussel, moesten we hem teleurstellen. Zijn vrouw was op familiebezoek, zei hij. Had zich waarschijnlijk vergist, vermoedde hij. Ze had Londen en Brussel door elkaar gehaald. Dat was niet het geval. Ik had mij vergist. We moesten weer vertrekken. En op zoek gaan naar het juiste adres. Mijn schoenen had ik naast het bed laten staan. ’s Avonds moest ik nog eens terugkeren om die te gaan halen. Wat een mens allemaal meemaakt!

Twee keer kruiste een vrouw in een rode leren jas onze weg. Ze had open schoenen aan de voeten, je zag haar blote tenen. Ook haar benen waren bloot, en haar jas waaide even open, waardoor je een stuk van haar bloot bovenbeen te zien kreeg. Ik was ervan overtuigd dat ze naakt was onder haar jas. De tweede keer hield ze haar jas nadrukkelijk dicht, als om erop te wijzen: kijk ik ben helemaal naakt onder dit leder.

Als ik schrijf zoals nu besef ik dat mijn taalgebruik aangetast is door het werk voor de overheid. De ambtelijke taal, waar ik me altijd zo tegen verzet heb, heeft mijn geestelijke paden overwoekerd. Die titel van Knut Hamsun, zijn laatste boek, zogezegd, Langs overwoekerde paden, werd een paar jaar geleden met veel sarcasme uitgesproken, geroepen bijna, door Damiaan Deschrijver, de toneelspeler van Stan, in Alles is rustig. Een burlesk, nihilistisch, pessimistisch en bijzonder grappig stuk van Thomas Bernhard. De zwartgallige Oostenrijker. Wat had Thomas Bernhard een afkeer van de cultuur, die hij door en door kende en die hij als geen ander koesterde! Hoe was hij gedegouteerd, niet door Goethe, maar door de Goethe-vereerders, de Duitse cultuurminnaars, de schone zielen… Maar net zo goed was hij geobsedeerd door de ziekte en alle mogelijke lichamelijke kwellingen. Een verwante ziel. Met Knut Hamsun daarentegen voel ik mij niet verwant, wat mij niet belet zijn boeken geweldig te vinden.

Foto: Martin Pulaski. AA is echt naakt onder haar leren jas.