ANTWERPSE DAGEN EN NACHTEN

insignificance

Wat vooraf ging. Een visite van Willy B. en Anne. Een avondje wiezen. Een bezoek aan mijn vriend Paul R. Het wit van Herman Melville’s witte walvis. Het schipperskwartier. Jacques Lacan op televisie.


Enkele dagen later. Alsnog een film van Nicolas Roeg op televisie gezien: Insignificance, met Roegs muze Theresa Russell en verder met Michael Emil, Tony Curtis en Gary Busey. Toch wel een eigenaardige cast, als je het mij vraagt, wat je natuurlijk niet doet. Wat is Gary Busey vet geworden, zeg. Was hij nog niet zo lang geleden niet de tengere Buddy Holly in The Buddy Holly Story? En was hij in Carny – die ik zag vanwege de songs en de rol van Robbie Robertson – ook al geen magere jongen? Theresa Russell is een schoonheid als geen andere. Ze zet in deze film een overtuigende Marilyn Monroe neer, wat geen eenvoudige opdracht zal geweest zijn. Insignificance is een stuk geschiedenis van de jaren vijftig in de VS, samengebald in een hotelkamer, met exemplarische personages uit dat decennium: het filmidool Monroe, de honkbalheld Joe DiMaggio, de communistenjager Joseph McCarthy (“Are you now or have you ever been a member of the Communist Party in The United States?”) en de grote geleerde Albert Einstein. Zoals zo vaak bij Roeg ontwaar je het verleden in het heden en het heden in het verleden: de regisseur bij uitstek van de relativiteit en het kubisme met zijn vele standpunten.

Na middernacht volgde ik de belevenissen van een zwaarlijvige vrouw in Zuckerbaby van de cultregisseur Percy Adlon. Marianne (Marianne Sägebrecht) is de assistente van een begrafenisondernemer. Ze wordt verliefd op de stem van een conducteur van een metrowagen – en later ook op diens lichaam. De titel van de film verwijst naar Sugar Baby, een hit van Peter Kraus (een van mijn heel kortstondige tienerhelden) uit de vroege jaren zestig. Een fijne kitschfilm, nogal triest, met bizarre kleuren en veel chocolade.

Na de uitzending van Shangri-La [1] mijn elpees bij Pat achtergelaten en samen met hem en Jessica L. naar een feestje van de Academie in de Paradox gewandeld. Nu zie ik de Waalse Kaai eens des nachts en wat ik zie stemt mij tevreden. Eenmaal binnen in de Paradox (120 frank entree) echter ga ik me gauw vervelen. Ik drink te veel en te snel en word zat. Sta een uur of zo te lullen met Jessica. Pat is inmiddels verdwenen. Blijf alleen achter, zie wel wat bekende gezichten met wie ik wat woorden wissel maar van een echt gesprek over iets is geen sprake. De jonge mensen hier verzameld zijn mij vreemd geworden, hun muziek irriteert me, hun kleren vind ik lelijk, hun bluf en hun aanstellerij lachwekkend. Ben ik dan toch die oudere jongere geworden, die met zijn tijd niet meer mee kan? Ik probeer nog een gesprek met een meisje maar ze is Franstalig en niet bijster geïnteresseerd in conversatie. De taxi naar huis dan maar, Sugar Baby.

A. staat net op als ik thuis kom. Behoorlijk deprimerend is dat. Voel me al meteen schuldig terwijl de kater nog moet komen Met moeite hijs ik me om twee uur uit het echtelijk bed en ga nuchter de straat op, dat is nog het beste, dan kots ik het doplokaal niet onder. Ik raak heelhuids weer thuis maar de afstand lijkt drie keer zo lang. Nee, is drie keer zo lang: dat is werkelijk bestaande relativiteit.

Avond. Ik voel ik me net goed genoeg om soep te eten en wat tv te kijken. Die Ehe der Maria Braun zou het geworden zijn, maar mijn vriend Jan V. komt bellen. Fijn. ’t Is goed. We drinken liters water terwijl we onze slechte gezondheid in ogenschouw nemen en hardop dromen van reizen naar de plekken waar Nietzsche verbleef, onder meer Èze, Rapallo en Turijn. We vinden in weerwil van de werkelijkheid nog tal van onderwerpen om mee te lachen. De wandelingen van Kant zoals verteld door Thomas De Quincey in zijn verhaal ‘The Last Days of Immanuel Kant’ [2], om een voorbeeld te geven. Ik ga tevreden slapen. Morgen is alles weer beter.

Een dag later… Bij Jan Cambien doe ik mijn beklag over de uitspattingen van woensdagnacht. Het schuldgevoel daarna, enzovoort. De zelfvernietigingsdrang. Ik ben bang dat ik vanavond weer teveel zal drinken, zeg ik. Want ik heb afgesproken met de vrienden van de opleiding secretariaat-talen [3]. Hoe Jan Cambien reageert zie ik natuurlijk niet. Dat zie ik nooit. Misschien is hij wel in slaap gevallen?
Op het Dageraadsplein zien A. en ik eerst Sonja staan drentelen (zij durfde niet alleen het Zeezicht binnenstappen). Daarna de rest: Martine en haar man Werner, Hilde en Luc, Ton zonder Leny, en Cathy. Ik ben in geen al te beste stemming. Zo kalm, vinden de anderen. Toch houd ik me aan mijn voornemen zo weinig mogelijk te drinken (vier glazen bier en veel water). Praat bijna de hele avond met Ton, en met Leo S. die ook een poos aan onze tafel komt zitten. Over schrijven, boeken, tekstverwerkers. Dat laatste is nu het ding: is schrijven op een computer nog wel kunst, dat is de kwestie.
Dan is het richting een volkscafé, waar we urenlang tafelvoetbal spelen. Met Luc tegen Werner, twee tegen één, en toch de hele tijd verloren.
Wat zijn wij toch veranderd. Vroeger bleven wij in de cafés hangen, dansten de hele nacht door in extase, tot we er net niet bij neervielen. Nu schiet er alleen nog verveling over. De jaren zeventig waren één lang feest. De jaren tachtig zijn een poel van ellende en onverschilligheid. Dat is alvast mijn ervaring.



Op BBC was er een documentaire over de schilder Théodore Géricault, wiens werk ik niet goed kende. Er gaat een morbide aantrekkingskracht van uit. De schilder bracht lijken van terechtgestelden mee naar zijn atelier om de dood zo getrouw mogelijk te kunnen weergeven. Zo liet hij hoofden enige weken rotten en volgde al schilderend het ontbindingsproces. Soms bracht hij alleen maar ledematen mee (er was dan niet meer beschikbaar). Ik wil meer over hem te weten komen en Het vlot van de Medusa in het echt zien.

JEAN_LOUIS_THÉODORE_GÉRICAULT_-_La_Balsa_de_la_Medusa_(Museo_del_Louvre,_1818-19)

[1] Een radioprogramma dat ik maakte van 1982 tot 1991 op Radio Centraal in Antwerpen.
[2] The Last Days Of Immanuel Kant vonden wij buitengewoon grappig maar het is heel goed mogelijk dat De Quincey het allemaal heel serieus bedoelde. Het verhaal, als ik het zo mag noemen, kun je terugvinden in de verzameling The English Mail-Coach and other Essays.
[3] In 1987-1988 volgde ik een opleiding secretariaat-talen en informatica van de RVA in de Provinciestraat in Antwerpen. Ik dacht op die manier eindelijk werk te vinden in een of ander kapitalistisch bedrijf. De directie van het opleidingscentrum beweerde dat 99,9 procent van de leerlingen een job vond. Ik zat in een klasje van acht, zes vrouwen, twee mannen. De zes vrouwen vonden inderdaad een job.

Afbeeldingen: Theresa Russell in Insignificance van Nicolas Roeg; Het vlot van de Medusa van Théodore Géricault.

BAD TIMING

bad timing 8

Je ziet plotseling iemand door de muur je kamer binnenkomen. Je ziet meteen dat het je andere helft is. Je vriend, je vriendin, je toekomstige geliefde. Een ander zelf. In een ogenblik word je verliefd. Koorts overmant je, je lippen barsten van de hitte in je mond. Je lichaam tintelt. Je zweet van opwinding, maar dat heeft niet de geur van ziekte, eerder van appelbloesem. Je weet niets meer. De elektrische verbindingen in je hersens laten het afweten. Smelten als staal in de hitte van honderd zonnen.

Je zat in je kamer, alleen. De wereld te overschouwen. Een oude kaart van de Red Star Line had je aandacht getrokken. Je blik gleed over landen die al lang niet meer bestaan. Revoluties, burgeroorlogen, verdragen, tirannen – met veel volk dat achter hen aan door de modder en het bloed ploeterde – hebben grenzen uitgewist, naties van de kaart geveegd, volkeren verjaagd, namen doen vergeten. Je dacht daar zo nog jaren te zullen zitten op die stoel, met die kaart voor je, en links van je het raam met daarachter de altijdgroene sierspar. Zou het pijn doen als hij wordt gesnoeid? Het slagveld Europa laat hem onverschillig. Overschilligheid en cynisme zijn de grootste schandalen. Maar kun je een spar onverschilligheid verwijten?

Deze vrouw – want was een vrouw – echter, was je wederhelft. Je vergat de kaart, de wereld, de bestaande en vergeten naties. Je luisterde niet meer naar de radio, vergat tijdschriften en kranten. In die tijd bestond het Internet nog niet, maar iedereen weet dat staal veel sterker is.
Appelbloesem. Zij was kersenbloesem. We benaderden elkaar voorzichtig. In het midden stond een eeuwenoude eik. Weer een boom. Jij kwam van de linkerzijde, ik van de rechter. Aan de andere kant van de boom, de schaduwzijde, vielen we elkaar in de armen. De ene was over een brug gekomen, over een grens. De andere was naar de brug toegegaan, in zijn eigen land gebleven. Zoals Art Garfunkel en de mooie, altijd wat perverse Theresa Russel in ‘Bad Timing’.

Heel snel begon hun leven op die film te lijken. Enkele woorden, enkele muzikale thema’s of leidmotieven, vatten vele jaren samen. De stemmen van Billie Holiday en Tom Waits. Muziek van Gustav Mahler, van Hector Berlioz. Een mengeling van melodrama, obsessies, bezitsdrang, jaloezie (zelfs op het verleden), decadentie, theater, alcohol, amfetamine, zenuwinzinkingen, psychoanalyses, wellust, zelfvernietiging, zijnsvergetelheid. Het volledig en absoluut willen bezitten van de andere. Zich de andere willen toe-eigenen. En als een lokroep waren er de steden Boedapest en Wenen, vooral Wenen. Dat was hun stad vonden zij, de stad van ‘Bad Timing’, van de pyscho-analyse, van Egon Schiele, van Otto Weininger, van Arthur Schnitzler, schrijver van Reigen, Traumnovelle, van Fräulein Else vooral. Wenen, de naam ‘Wenen’.

Zo zie je iemand plotseling door de muur je kamer binnenkomen. Is het een schim? Een dagdroom? Is het een herinnering? Speelt je verbeelding je parten? Werk je aan een autobiografie? Vertel je iets over een film? Laat je de lezers binnen in je laboratorium?

Afbeelding: Art Garfunkel en Theresa Russell in ‘Bad Timing’.