TESTAMENT

philbloomhoeplatv1967.jpg

“Vreemd is het leven toch, die geheimzinnige, genadeloos logische opeenvolging van gebeurtenissen, die nergens toe leiden. Het beste dat ervan te hopen valt, is dat je iets over jezelf leert – en dat komt dan te laat; je houdt er alleen een flinke dosis onuitwisbare spijtgevoelens aan over.”
Joseph Conrad, Hart der duisternis.

Begin negentienzevenenzestig richtte ik samen met enkele vrienden (Jan De Pooter, Henry Janssen, Guy Bleus, Luc Verjans) een alternatief schooltijdschrift op. De naam, Testament, had ik van Boudewijn De Groot/Lennart Nijgh, de vorm vonden we bij Nederlandse provotijdschriften, met hun typische afmetingen van 13,75 op 10,5 cm. Qua stijl was het een megelmoes van pop, pulp, jeugdpuistjespoëzie en flauwe humor. Inhoudelijk stelde het tijdschrift niet erg veel voor. Niemand van ons was een groot literator of een diep denker. Dat kon moeilijk anders, jong en naïef als we waren kenden we ternauwernood Rimbaud; van Baudelaire hadden we een beetje een afkeer omdat we zijn ‘Les aveugles’ – “Ils sont vraiment affreux… et cetera” – uit het hoofd moesten kennen. Nogal wat teksten schreven we over uit poptijdschriften als teenbeat, muziek express en tiq, waarin de dichteres Elly De Waard debuteerde.

als een jonge hond 001 (2).jpg

Toch zat er ook iets van onszelf in het blad, onze hoop, onze verwachtingen, onze dagdromen, ons geloof in een betere wereld, in wereldvrede, en bovenal onze liefde voor (alternatieve) popmuziek. Als onvoorwaardelijke bewonderaar van Bob Dylan was ik Dylan Thomas gaan lezen. Hugo Claus had zijn verhalenbundel ‘Als een jonge hond’ (‘Portrait Of The Artist As A Young Dog’) vertaald. Ik heb het mooi uitgegeven Zwarte Beertje hier nu voor me liggen, evenals alle exemplaren van Testament, met uitzondering van het eerste. Is dat wel verschenen, vraag ik me nu af? Zijn we niet meteen met nummer twee begonnen? Overigens veranderde het tijdschrift net zo snel als de tijdsgeest en als wij. Ook de titel veranderde meermaals. In 1968 heette het al Subterranean, nog wat later Sunshine World Magazine. In 1969, toen ik de middelbare school verliet en in Brussel film ging studeren, hield ik het voor bekeken. Mijn vriend Guy Bleus heeft op z’n minst nog een aflevering (Subterranean 2) uitgegeven.

1967a 001.jpg

In de vergeelde tijdschriften, met covers van Guy Bleus en Jan De Pooter, durf ik ternauwernood bladeren. De gedichten die ik schreef waren in weerwil van mijn ‘omgang’ met Dylan Thomas en Hugo Claus beneden alle peil. In die dagen dacht ik echter dat ze geniaal waren. Hoe naïef kun je zijn! Mijn platenbesprekingen waren aaneenschakelingen van clichés, en ga zo maar door. We kopieerden ook zomaar fragmenten uit boeken van pulpschrijvers als Leslie Charteris (“The Saint”). Over de grappen van occasionele medewerkers wil ik het al helemaal niet hebben. Gelukkig was ik zelf helemaal niet grappig, integendeel: ik had een grondige afkeer van ‘moppen tappen’. Het leven was dan wel mooi en groovy en pow wow wow, maar tegelijk ook door en door ernstig.
testament 001.jpg
Naast de schaamte is er ook trots. Ik schreef gedichten en proza geïnspireerd door Edgar Allan Poe en Louis Paul Boon, mijn vrienden en ik bewonderden de nieuwe stromingen in de popmuziek, de underground. We luisterden naar Radio London en Superclean Dream Machine, we keken naar televisieprogramma’s op VPRO (wie herinnert zich niet de mooie blote Phil Bloom) en zeker ook naar het bijzonder hippe Duitse Beat-Club, we lazen provotijdschriften, we lazen de boeken waar in de klas niet over gesproken werd, werken van Simon Vinkenoog, Hugo Raes, Jan Wolkers, Henry Miller, Louis Paul Boon en Franz Kafka. Onze bijbel was evenwel het Nederlandse tijdschrift Hitweek/Witheek/Aloha. Al die dingen waren nieuw en ongewoon in het brave Limburg, Vlaanderen, België.

Er waren, dachten we, weinig gelijkgezinde zielen, tenzij hier en daar aan de universiteiten, maar daar hadden we helaas geen contact mee. Ons tijdschrift zat in dezelfde stroming als Jazz Bilzen, vooral de editie van 1968, die helemaal in het teken stond van underground en progressieve rock. Ja, hoe naïef en stuntelig ook, we waren voorlopers van wat later de ‘swinging sixties’ en ‘mei ‘68’ zou worden genoemd. Voor ons, een vijftal vrienden, waren die sixties wel swingend, maar de meeste andere leerlingen waren al druk bezig met zich voor te bereiden op een carrière als tandarts, ingenieur, leraar aardrijkskunde of wiskunde. Een beetje zoals in Bob Dylan’s ‘Tangled Up In Blue’. Wij droomden van een leven als zwervers, als schooiers, als kunstenaars, als dichters, als verlichte nietsnutten. Een droom die gedoemd was te mislukken. Of toch niet?

De elpeehitparade uit Testament nummer vijf, november 1967:

1. The Piper At The Gates Of Dawn – Pink Floyd
2. Procol Harum – Procol Harum
3. The Doors – The Doors
4. Absolutely Free – The Mothers Of Invention
5. Surrealistic Pillow – Jefferson Airplane
6. Bee Geest 1st – Bee Gees
7. Love-In – Wally Tax
8. Are You Experienced? – Jimi Hendrix Experience
9. Da Capo – Love
10.Small Faces – Small Faces

smallfaces album.jpeg

Beelden: Phil Bloom in Hoepla (VPRO) met onder meer Simon Vinkenoog en Johnny The Selfkicker; ‘Als een jonge hond’ van Dylan Thomas vertaald door Hugo Claus; mijn vrienden en ik na de voorstelling van mijn toneelstuk ‘De droom’; Testament nummer drie, maart 1967; The Small Faces op Immediate.

DON’T LOOK BACK: BRUSSEL IN 1969 (3)

 

ritcs,filmschool,brussel,vriendschap,vrienden,film,muziek,theater,1969,bob dylan,breda,herman claeys,anti-semitisme,yellow submarine,underground,tegencultuur,tongeren,dichter,guy bleus,bizar,foto,broer,subterranean,testament
Brussel, 1969

Vervolg.

Een andere Ritcs-student die ik een paar weken later leerde kennen was Oswald. Zijn vader was een ex-nazi, die aan zijn stupide en mensonterende overtuigingen trouw was gebleven. Oswalds gedrag was soms een beetje bizar, en om in die dagen bizar te worden gevonden moest je wel heel erg bizar zijn. Toch was hij een lieve jongeman en een dichter. Hij heeft een aantal schitterende gedichten geschreven, waar weinig mee is gebeurd. Mijn toenmalige vriend uit Wellen, Guy B., die ook zeer onder de indruk was van Oswalds poëzie, heeft enkele gedichten uit de bundel ‘De val van de tandloze kannunik’, opgenomen in het Tongerse tijdschrift Subterranean. Dat was een tijdschrift dat ik had opgericht in 1966; eerst heette het Testament, later Subterranean. Eens weg uit Limburg had ik me over dat provokind niet langer ontfermd. Guy heeft nog een mooi exemplaar uitgegeven. Ik bedoel mooi van inhoud, niet van vorm. Voor mooi drukwerk was er geen geld. Oswalds gedichten in ‘De val van de tandloze kannunik’ waren uniek in hun beeldspraak, met ongewone maar toch niet al te gezochte metaforen.

Oswalds vriendin kwam uit Breda, waar het gemakkelijk was om aan shit te geraken. Geregeld gingen ze zich daar bevoorraden en dan kwamen ze op mijn kamer in de Karmelietenstraat blowen. Af en toe nam ik ook eens een trekje. Josie was een erg aantrekkelijk meisje, en het feit dat ik een joint in mijn mond nam waar zij eerst al aan had getrokken gaf mij een kick. Je zou kunnen zeggen dat het een heel brave vorm van groepsseks was.

Voortaan was Oswald mijn gast. Hij had geen zin om weer bij zijn nazi-vader te gaan overnachten. Een viertal maanden heeft hij bij me gelogeerd. Oswald was het type mens waar Marc niet erg op gesteld was. Hij was een ‘hippie’ en had, net als ik, weinig of geen ambities. Marc was wel ambitieus, en nu terugkijkend volkomen terecht. Ik leefde van dag tot dag, min of meer tevreden met wat er met mij gebeurde. Nog steeds leef ik zonder een plan voor de toekomst. Ik bevond me tussen twee vuren: Marc, de halve ‘rationalist’ en Oswald, de halve ‘heilig waanzinnige’. Marc, die iets wilde bereiken en verwezenlijken in de wereld en Oswald die wilde ontsnappen aan verschrikkingen uit zijn jeugd. Ik heb de vader van Oswald een keer ontmoet. Een van de dingen die hij toen zei was dat hij nog planken had gezaagd waar doodskisten van werden gemaakt. Daar werden de Joden in begraven, zei hij. Hij betreurde het dat hij daarmee had moeten ophouden. Die vader had zijn hele gezin ontwricht. Als ik het goed voor heb is het met niemand van de kinderen goed gekomen. Met Oswald heb ik geen contact meer. Ik weet zelfs niet waar hij verblijft. Het leek er sterk op dat ik moest kiezen tussen twee vrienden, maar dat kon ik niet. Ik was graag in het gezelschap van Marc, vond het heerlijk om met hem te praten en liedjes te zingen. Maar ook Oswald was me dierbaar. Zodra hij bij me was ingetrokken deden we alles samen.

Ik begon meer te blowen, ging veel minder vaak naar de cursussen, koos voor het onmiddellijke genot. We gingen samen naar de film. Ik herinner me nog hoe we ons purper lachten met ‘Yellow Submarine’, “It’s all in the mind, man…” bleven we maar herhalen. Ik wil nog eens benadrukken dat we toen nooit alcohol dronken, tenzij op een verjaardagsfeestje of iets dergelijks. We waren gewoon gezond gek en genoten van het leven in Brussel in de buurt van de Naamse Poort, waar toen een bohemiensfeer heerste, vanwege de nabijheid van Ritcs en Insas (de Franstalige tegenhanger van het Ritcs). In die buurt waren overigens ook veel luxebordelen en uitzuipkroegen.

Ik sliep in een klein bed, Oswald op de canapé. Een meningsverschil hadden we nooit. Alle taken werden mooi verdeeld. Misschien was dat dan toch een soort van commune?  Een commune van twee. Het was evenwel geen homoseksuele relatie. Ik vond homo’s fijne mensen, maar zelf had ik geen homo-erotische gevoelens en Oswald evenmin. Later heb ik eens in bed gelegen met mijn beste vriend J., zijn vriendin lag tussen ons in en zei, laat hem slapen, maar ik wilde hem iets van mijn tederheid geven, en streelde zijn haren, maar hij bleef snurken. Over het algemeen ben ik als een slak als een man mij probeert te knuffelen. Met Oswald had ik een perfecte aseksuele relatie. Hij bleek wel een perfecte seksuele relatie te hebben met Josie – wellicht zat de rode libanon die ze meebracht uit Breda er voor iets tussen. In die tijd was het ‘cool’ om een Hollands liefje te hebben; alle goede dingen kwamen uit Nederland. Zelfs aan de Free Press Bookshop van Herman Claeys werd daar aandacht besteed, en aan alle mogelijk studentenprotesten en vooral aan de performances op het Conscienceplein en de Groenplaats in Antwerpen. In Nederland had men de indruk dat wij in een zeer repressief land leefden. In het weekblad Aloha werd daar meermaals aandacht aan gegeven. Mijn twee stukjes voor dat undergroundblad versterkten die indruk wellicht nog. In België heerste het ‘klootjesvolk’, vond ik. Het ‘klootjesvolk’, dat was Jan-met-de-pet. Van Marx had ik toen nog niets gelezen, ik keek vooral op naar Allen Ginsberg, Jack Kerouac en Simon Vinkenoog. En ik voedde mijn geest met wat ik in undergroundtijdschriften las. Vaak lag daaraan een sfeer van paranoia ten grondslag, die zeer waarschijnlijk voortkwam uit het gebruik van zogeheten soft drugs, maar wisten wij veel.

Zoals ik al zei had ik een bijna perfecte vriendschapsrelatie met Oswald. Maar we hadden weinig of geen pecunia. Ik kreeg van mijn ouders wat geld toegestuurd in de vorm van postcheques. Dat was telkens een stukje van mijn studiebeurs. Om het geld te in de hand te hebben moest ik dan naar de post, in de rij gaan staan. Ik heb dat altijd vreselijk gevonden, in een rij staan. Voor dat eerste jaar aan het Ritcs had ik inderdaad een studiebeurs, maar het bedrag was niet bepaald hoog. Mijn vader geloofde helemaal niet in die studie van mij, dus hij wilde zeker niet bijpassen – bovendien waren mijn ouders niet welgesteld. Oswald ging toch af en toe naar huis, naar de nazi, om wat geld te vragen en dan wist hij wel wat los te peuteren. Maar veel meer dan brood, jam, groenten en de allergoedkoopste Spaanse wijn (voor eventuele gasten) konden we ons daar niet mee veroorloven. Het filmbezoek moesten we daar ook mee betalen en Oswalds reisjes naar Breda. Dan was het geld weer op en moesten we soms een week lang van aardappelen leven. Met water uit het kraantje. En van die joints kreeg je een geweldige honger, had ik al gemerkt.

Ja, ja, we waren vegetariërs. Ik had op het Ritcs nog iemand ontmoet, een ‘kortstondige’ vriend, zal ik maar zeggen, waardoor ik me zijn naam niet meer kan herinneren. Maar dat is niet zo belangrijk want ik verander toch alle namen, zoals Bob Dylan in ‘Desolation Row’. Ik zal hem Ismaël noemen. Hij was een vegetariër die wist wat dat inhield. We aten zowat elke doordeweekse middag groenten die ik bereid had in een grote kookpan; aardappelen, uien, bloemkool, wortels met flink wat cayennepeper erin. Dat ‘gerecht’ zette ik in een grote kom op tafel. We zaten dan met een zestal vrienden op mijn kamer en aten met zijn allen uit die kom, met onze handen, want ik had maar twee messen en twee vorken. We praatten over de films van Godard, Truffaut, Pasolini en aten onze groenten doorgespoeld met water uit de kraan. Als dessert zorgde ik voor een jasmijnthee. Smakelijker heb ik zelden gegeten. Ismaël bracht grote blikken dozen mee, waarin geconcentreerde proteïne zat. Dat moesten we gewoon mixen met onze melk of in water oplossen, een glas had evenveel voedingswaarde als een biefstuk.

ritcs,filmschool,brussel,vriendschap,vrienden,film,muziek,theater,1969,bob dylan,breda,herman claeys,anti-semitisme,yellow submarine,underground,tegencultuur,tongeren,dichter,guy bleus,bizar,foto,broer,subterranean,testament
Foto: François B., Karmelietenstraat, Brussel 1969.

TESTIKEL EN HOOFD

monsieur teste

Word ik een etymoloog? Ik heb ‘testikel’ altijd een vreemd woord gevonden. Waarom weet ik niet meteen heel goed. Waarschijnlijk door de etymologisch niet correcte associatie met het Franse ‘teste’ of ‘tête’. Wat is het verband tussen testikel en hoofd, vraag ik me dan af. De vorm misschien? Een testikel ‘rust’ dan weer in een balzak, wat naar de populaire Franse schrijver Balzac zou kunnen verwijzen, maar het niet doet. Hoe het ook zij, logisch denken is niet mijn sterkste kant. Toen ik logica studeerde, in de jaren zeventig van de vorige eeuw, leed onze professor aan een zware depressie, vandaar. Opdat zijn broek niet zou afzakken gebruikte hij in plaats van een broeksriem een stuk touw.

Bij de oude Franse vorm van ‘tête’, ‘teste’ dus, denk ik haast altijd onwillekeurig aan het zeer cerebrale hoofdpersonage uit een aantal boeken van Paul Valéry (La Soirée avec Monsieur Teste, 1896; Lettre de Madame Émilie Teste, 1924; en Extraits du log-book de M. Teste, 1926). Hoofdpersonage, grappig toch, hoe het ene naar het andere leidt. Roland Barthes heeft niet voor niets het plezier van de tekst ontdekt. Teksten zijn nu eenmaal plezierig, of liever, je beleeft er plezier aan als je ze leest, of als je ermee speelt, zoals ik nu doe met die ‘testikels’. Maar terwijl Monsieur Teste over een hoofd beschikt dat bijna zuivere geest is, is het plezier van de tekst alleen maar mogelijk door de lichamelijkheid. Voor dat soort plezier is het noodzakelijk dat lichaam en geest één zijn. Er moet heel duidelijk een punt gezet worden achter die eeuwenoude dichotomie tussen lichaam en geest; er moet komaf worden gemaakt met het beeld van ‘the ghost in the machine’.

In een tekst op internet – ik kan hem niet meer achterhalen – las ik dat er een verband bestaat tussen testis / testikel en het woord testament, op basis van het Latijnse testis ‘getuige’. “We moeten ons verplaatsen”, lees ik, “in de uitgesproken macho-maatschappij die de oude Grieks-Romeinse wereld was. Iemand zonder testes, een castraat of eunuch dus, was geen man en kon dus ook geen rechtsgeldig getuigenis afleggen.” De Amerikanen leggen bij de eedaflegging hun hand op de bijbel, de Grieken en Romeinen grepen daarbij naar hun balzak. Als er nooit een bijbel zou geschreven zijn, zouden die Amerikanen echt wel een gek figuur slaan, in al die rechtbankspektakels waarmee ze onze Westerse beschaving overspoelen.

Ik wil graag nog eens terugkomen op de x. Er is al veel over geschreven, onder andere in de commentaren bij een stukje van mij over ‘seks’ en ‘sex’. Van Edgar Allan Poe, lazen we, is er het verhaal ‘X-ing a Paragrab.’ Destijds, in het pre-computertijdperk, werden teksten (of texten) doorgehaald met een x. Ik heb nog talloze kladversies van gedichten liggen, die krioelen van de x-en. Nee, tip-exx bestond toen ook nog niet. En je kunt de X – liefst de hoofdletter, dat gaat sneller en is duidelijker – tevens als kruis gebruiken om op je kalender de dagen te doorkruisen. Zo lees ik in ‘A Wild Sheep Chase’ van Haruki Murakami het volgende: So it went: I passed through the month the way people X out days on a calendar, one after the other.”Zelf kruis ik dagen nooit uit met een X of met wat dan ook. Mijn kalenders zijn te mooi en ik vind het bovendien erg als er weer een dag voorbij is. Vandaag moet eigenlijk nog beginnen en is in zekere zin alweer voorbij.

Afbeelding: Paul Valéry.