GEHEUGEN, FILM, CENSUUR

in-a-lonely-place-4

“Het ‘zuivere beeld’, onaangeroerd door taal, behoort geheel tot de natuur; het ligt in de onuitsprekelijke blikken der dieren, voor wie de beelden ondergedompeld blijven in een onontwarbare stroom van indrukken.”
Patricia De Martelaere, Een verlangen naar ontroostbaarheid

Facebook heeft een erg kort geheugen, al word je er elke dag wel aan herinnerd op welke manier en waarmee je één, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven jaar geleden geliefd (en soms ook wel gehaat) wilde worden. Is dat echter geen artificiële, mathematische en zelfs mercantiele benadering van hoe wij ons feiten en gebeurtenissen in werkelijkheid herinneren? Mijn geheugen, of wat er nog van overblijft, werkt vast niet op die manier.
Zeker is wel dat Facebook, net als god en Sinterklaas, niets vergeet. Vandaag werd ik bijvoorbeeld gecensureerd voor een clipje dat ik meer dan een jaar geleden publiek maakte, namelijk ‘Can’t Find My Way Home’ van Blind Faith. De afbeelding op YouTube [1] was een reproductie van de hoes van de eerste en enige elpee van deze supergroep, een album dat in 1969 in zowat alle platenwinkels lag. Behalve in de Verenigde Staten: aan de bijzonder mooie en vindingrijke foto van een topless pubermeisje – ik durf hem hier niet meer te tonen, maar je vind hem zo op wikipedia – van de hand van fotograaf Bob Seidemann werd in het land van de vrijheid ook toen al aanstoot genomen. De puriteinse en hypocriete moraal van mainstream Amerika is niet samen met Facebook ontstaan, laat dat duidelijk zijn.
Ondanks de belachelijke regeltjes, waar een mysterieuze zedenpolitie nauwgezet over waakt, gebeuren er op ons gezichtenboek toch fijne en verfijnde dingen. De inventiviteit van onze soort krijg je maar moeilijk kapot. Een tijdje geleden had ik het al over het filmspel dat daar – of is het hier en zowat overal, zoals in het liedje van the Beatles? – nog steeds gespeeld wordt. Je wordt verzocht om een beeld te posten uit een film die je op de een of andere manier nogal geraakt heeft. Als somtijds speelse mens was ik er meteen voor gewonnen, ook al omdat ik al van in mijn kinderjaren in de ban ben van film, film en nog eens film.
Om later nog te weten uit welke films ik beelden heb gekozen heb ik er een lijstje van gemaakt. Als het van die donkere dagen zijn zoals vandaag brengt zo’n lijstje altijd wat licht en kleur in het leven.

1. Alice in den Städten (1974) – Wim Wenders
2. In A Lonely Place (1950) – Nicholas Ray
3. Les enfants du paradis (1945) – Marcel Carné
4. Sátántangó (1994) – Béla Tarr
5. Merril’s Marauders (1962) – Samuel Fuller
6. La maman et la putain (1973) – Jean Eustache
7. The Shooting (1966) – Monte Hellman
8. Die Blechtrommel (1979) – Volker Schlöndorff
9. Down By Law (1986) – Jim Jarmusch
10. Kaagaz Ke Phool (Paper Flowers) (1959), Guru Dutt

Ik wil er nog aan toevoegen dat dit niet de allerbeste films zijn die ik ooit gezien heb. Het gaat voornamelijk om films die me om een heel specifieke reden bij de strot gegrepen hebben. Door elkaar geschud, verbijsterd, met verwondering vervuld, tot tranen toe ontroerd, enzovoort.
Wat opvalt is de lange duur van sommige films. Een groot aantal gaat over kunstenaars (fotografen, schrijvers, filmregisseurs, dj’s). Emoties spelen een belangrijke rol. Er is eenzaamheid en de onmogelijkheid van de liefde. Al bij al een verlangen naar ontroostbaarheid, zou je met Patricia De Martelaere kunnen zeggen. Een ontroostbaarheid die zoals het leven zelf lang mag duren. Liefst een leven met vrouwelijke tepels, maar als het dan toch moet zonder. Daar gaan we dan ondergronds voor.

down by law 7

Afbeeldingen: In a Lonely Place; Down by Law.
[1] Op de You Tube-link naar Can’t Find My Way Home krijg je de gecensureerde hoes te zien.

TEPELS ALS HOORNIGE DUIVENSNAVELS

tepels

De vergelijking was een burgerlijk stijlmiddel. De burger was niet tevreden met wat hij om zich heen zag, dus verving hij het door een beeld. Dit heb ik niet zelf bedacht, het idee komt van Robert Musil, zoals uit het citaat hieronder zal blijken.
Inmiddels is de hele samenleving een burgerlijke samenleving geworden. Een arbeiderscultuur is ver te zoeken. En waar zijn de bohémiens en de beatniks en de hippies gebleven? Die draven op in talkshows of laten zich opsluiten in het huis van Big Brother. Er zijn wellicht nog wel wat echte ‘outsiders’, maar veel laten ze niet van zich horen. Misschien is dat maar best ook, anders worden zij toch maar deel van het grote spektakel, genaamd Circus Wereld.

De tijd waarin wij leven is, zoals we allemaal heel goed weten, die van het beeld: iets bestaat pas echt als er een beeld van bestaat. Het beeld heeft ogenschijnlijk meer werkelijkheid dan de realiteit. Maar dat is paradoxaal in die zin dat de werkelijkheid verdwijnt in het beeld, alsof het een zwart gat is dat alles opslorpt. ‘People take pictures of each other, just to prove that they really existed’, zong Ray Davies al lang geleden. En dat klopt, maar terwijl zij die foto’s maken bestaan ze niet echt, ze gaan op in het poseren en het fotograferen. We weten dat uit ervaring omdat we zelf natuurlijk ook veel foto’s maken en bijzonder graag poseren.

Het belang van het beeld viel goed te zien aan de recente oorlogen en burgeroorlogen die hebben gewoed – met als begin de oorlog in Vietnam – en de oorlog die nu gaande is in Irak. Wij zien het allemaal ‘live’ op televisie (als we onszelf dat toestaan), net de Olympische Spelen of de Ronde van Frankrijk! Wat zouden we er ons nog zorgen over maken! Het moet wel spannend blijven en het mag niet te lang duren.

In ‘De man zonder eigenschappen’ schrijft Robert Musil het volgende:“Het schijnt dat de brave, praktische werkelijkheidsmens de werkelijkheid nergens volmaakt liefheeft en serieus neemt. Als kind kruipt hij onder de tafel, om de kamer van zijn ouders, als zij niet thuis zijn, door deze geniaal eenvoudige truc avontuurlijk te maken; hij hunkert als jongen naar een horloge; als jongeling met horloge naar de bijpassende vrouw; als man met horloge en vrouw naar de betere positie; en als hij deze kleine cirkel van wensen voorspoedig tot stand heeft gebracht en daarin kalm als een slinger heen en weer zwaait, schijnt zijn voorraad onvervulde dromen nochtans niets verminderd te zijn. Want wil hij daar boven uitstijgen, dan gebruikt hij een vergelijking. Omdat sneeuw hem klaarblijkelijk veel minder bevalt, vergelijkt hij die met zachtglanzende vrouwenborsten, en zodra de borsten van zijn vrouw hem beginnen te vervelen vergelijkt hij ze met zachtglanzende sneeuw; hij zou ontzettend schrikken als haar tepels op een dag hoornige duivensnavels zouden blijken te zijn of ingezette koralen, maar poëtisch windt het hem op.”