DORPSTAFERELEN (LA PALMA)

natural harmony

Een aantal ‘invallen’, afkomstig uit La Palma. Waarom wil ik ze prijsgeven? Ik weet het niet. Er is geen reden om het wel te doen, er is evenmin een reden om het niet te doen.

Jij met je zigeunerachtige verleden, met je Poolse heteroniem. Jij was bijna een racist en leek in je reactie op de dood van de zeventienjarige jongen op de donkere mannen en vrouwen van de Vlaamse zuiverheid. Zoals Nietzsche voortdurend op zijn hoede was voor de Duitsers en de ‘Duitse gedachte’ moet jij voortdurend op je hoede zijn voor Vlaanderen en de Vlaamse gedachte. (Dit betekent niet dat er in Oost-Vlaanderen en in West-Vlaanderen niets moois en niets goeds aanwezig is. Inderdaad situeer ik Vlaanderen in deze twee provincies. Limburg, Antwerpen en Brabant hebben een heel andere geschiedenis en vertellen andere verhalen. Alles wat anders is en afwijkt moet je koesteren.)

Ondanks de ziekte en de sombere gedachten over België vandaag toch even verrukking gevoeld, staande bij een landschap genaamd ‘de kloof van de angsten’.
Als je ziek bent kunnen er momenten zijn dat kleine dingen je veel dieper raken. Hoe heerlijk een glas Rioja plots kan smaken! Je hoeft niet eens meer naar Umbrië voor de Montefalco, of naar Montalcino voor de Brunello. In deze eenvoudige wijn is alle wijn van de wereld aanwezig.

In het Palacio del Vino in Los Llanos werden we bediend door een bijzonder vriendelijke ober. We aten er ham en kaas afkomstig van het schiereiland, zoals ze Spanje in La Palma noemen, en dronken wijn uit het dorp Puntagorda. De naam van de ober was Jesus. Die avond heb ik Michael Cunninghams ‘Specimen Days’ uitgelezen. Het is een schitterende, visionaire roman over (onder meer) New York en Walt Whitman. De grote Amerikaanse dichter is bijna in elke regel aanwezig.

In de twee bars van Tazacorte zitten de vijftigers, moe van in de bananenplantages te werken, aan de toog tv te kijken en Haig whisky te drinken. De barman mengt die whisky met limonade. Het moet afschuwelijk smaken, maar deze mannen vinden het lekkker. Waarom ook niet. Dit jaar kan ik alleen maar even van buiten naar binnen kijken. Maar dat is niet erg. Ik weet hoe het er binnen aan toe gaat. Er gebeurt niet veel. De televisie staat aan, de mannen drinken hun whisky en wachten geduldig op de dood. Wat verderop, op een pleintje in de schaduw van de kerk, zitten de nog ouderen nog geduldiger hun beurt af te wachten. Niets schijnt deze mensen te verontrusten. Zij zitten op enkele bankjes, een paar honderd meter van de oude oceaan. De enige die hier bang is voor de dood ben ik, geloof ik.

Ik droomde van een concert van Bob Dylan. Hij zong een paar liedjes samen met Axelle Red. Zijn haar was geblondeerd en piekerig als van een jonge sportgod uit Vlaanderen. Zo’n kerel met een koelkast vol drugs. Bob Dylan was net als ik de dag voordien aan zijn hart geopereerd. M., vertelde me dat hij in hetzelfde schuitje zat. Allemaal hartpatiënten bijeen! Een zekere Guido Van Liefferinghe (dat je van zo’n man kunt dromen!) nodigde ons uit in de VIP-ruimte. Ik moest echter eerst om mijn rode leren jas, die lag nog ergens op een stoel. Daarna vond ik de weg naar die ruimte niet meer. Ik had mijn kans om met Bob Dylan te praten schoon verkeken. Het concert zelf stelde niet veel voor. Dylan zong alleen maar wat fragmenten, geen enkele song werd afgerond, het waren meestal maar wat bluesstukjes. Hij speelde wel één mooi Spaans stukje op zijn gitaar.

Ik luister nu naar the Scud Mountain Boys. Ze zingen ‘Where’s the Playground Susie?’, met hun mooie Amerikaanse jongensstemmen.

Foto: Martin Pulaksi (La Palma).

FUNERARIUM LA PAZ

the old men and the tree

In het dorp Tazacorte, op La Palma, logeren we al vier jaar na elkaar in een appartement in een gebouw op zo’n twintig meter afstand van een funerarium, Funerario La Paz. De voorbije jaren gebeurde daar nooit iets. We liepen er vier, vijf, zes keer per dag voorbij, de heuvel af, de heuvel op. Na een dag in Tazacorte dacht ik al niet meer aan de dood en nog minder aan dat funerarium. Maar nu lag er elke dag een dode opgebaard. Gezeten op ons terras, een glaasje Cava drinkend en een gevuld olijfje etend zien we dan familieleden en vrienden afscheid komen nemen van de overledene. Recht voor ons bananenbomen en nog wat verder de Atlantische oceaan, met soms een pittoreske zonsondergang, links, wat lager in de straat, de rouwenden, die druk staan te praten en te lachen. Het waren altijd oude doden, tachtig, negentig jaar. Dat is nog een geluk bij een ongeluk, dat ze zo oud zijn. Ik dacht, zou het een epidemie zijn, de vogelgriep misschien? Ik was zelf erg ziek, mijn lijf verzwakt van de antibiotica en de corticoïden. Ik kreeg argwaan. Er waren geen toeristen in Tazacorte. Geen buitenlander te zien. Ja, één, de Nederlandse eigenaar van het gebouw waar we ons appartement huren. Je moet Ketek nemen, zei hij. Dat is een stevig antibioticum. Ik heb hier nog een doosje liggen, zei hij. Heel vriendelijk van de man, maar het leek me toch veiliger me aan het voorgeschreven medicijn te houden, vooral omdat ik allergisch ben voor bijna alle antibiotica. Ik voelde me wel een beetje schuldig dat ik die Ketek moest weigeren. R., de man van het gebouw, beschreef het als een wondermiddel. Het leek wel of hij me het eeuwige leven aanbood. Overigens is hij een groot voorstander van antibioticagebruik. Alle dagen een pilletje antibiotica, dan kan je nooit iets overkomen, zegt hij. Cortisone is niet goed, zegt hij. Daar zwelt je kop van op. Ketek moet je nemen. We zijn zelfs met z’n beiden op het Internet gaan kijken om te zien wat de aanwijzingen waren. Ik las niets over bronchitis, luchtwegen en ik las ook niets over de vogelgriep. Mijn excuses, R., maar geen Ketek voor mij. Overigens zijn er weinig vogels op La Palma. Veel bananen en andere planten, maar geen gevederde vrienden, tenzij kippen en hanen. Daar kun je natuurlijk ook vogelgriep van krijgen. Maar goed, dat zal het niet geweest zijn, anders was ik nu al wel dood.
Ik had het over dat funerarium La Paz. Dat daar zoveel oude doden naartoe werden gevoerd.
Omdat ik ziek was zat ik vaak op ons terras, wat te kijken naar de oceaan. Dan zag ik ook dat ze bloemenkransen leverden en zo. Het ging er allemaal heel rustig aan toe. Het meisje dat de bloemenkransen bracht zag er bepaald sexy uit, met haar blote navel. Ja, zo dicht bij was het, dat ik haar navel kon zien. Maar als de stoet voorbijkwam lag ik toevallig altijd in bed. Ik zei tegen A., maak me wakker, als er een stoet is, maar dat deed ze niet. Ik vermoed dat ze mijn gevoelens wilde ontzien. Maar ik wilde heel graag zo’n begrafenis voorbij zien komen, de steile heuvel op. Dat zal dan voor een volgende keer zijn. Als er dan nog doden zijn.
Onze buurman heeft een kat in huis gehaald. Heel het huis begint er naar te ruiken. Ik denk aan verhuizen. Dieren zijn lieve beesten, maar ik kan niet goed tegen hun geur. Als ik de ramen openzet ruik ik de seringen en de blauwe regen. Ik zet de ramen zoveel mogelijk open.
Een uurtje geleden hoorde ik Smog (Bill Callahan), een kerel met een fijn gevoel voor humor:

Bury me in wood
And I will splinter
Bury me in stone
And I will quake

Bury me in water
And I will geyser
Bury me in fire
And I’m gonna phoenix
I’m gonna phoenix

zong hij. Of iets dergelijks. Hoe kan een pessimist zo optimistisch zijn? Dat was ook nog zo iets. Op een zondag, er lag net geen lijk opgebaard in funerarium La Paz, opende ik de grote ramen naar het terras. Altijd vult dan meteen, als het gelach van dolfijnen, die heerlijke, heilzame geur van de Atlantische oceaan, met een toets van vulkanische aarde en bananenbomen, de kamer. Die zondag werd er echter vuilnis verbrand, net naast het funerarium en recht voor ons appartement, op een klein stukje braakland. Braakland is een perfect woord. Net zoals in Anderlecht heb je in Tazacorte van die mannen die denken dat ze wel wat weten over het verbranden van rotzooi. Ze komen met een grote oude auto aangereden, een aftandse Ford of zo, of een Toyota misschien, stappen uit, een beetje schuw als reptielen, maar met toch heel veel zelfvertrouwen in hun bewegingen, laten de portieren openstaan, openen de immense kofferruimte, werpen vervolgens vrij snel hun voorraad giftige afval op een hoop, gieten er benzine over en steken de boel in brand (zonder zichzelf te verbranden!). En dan staan ze daar een paar uur op toe te kijken. In Tazacorte doen ze dat naast funerarium La Paz. Na een minuut al sluit ik de deur naar het terras, ga weer in bed, wat slapen, of lees enige uren in een boek van Murakami, tot de rook is weggetrokken en de grote ramen weer open kunnen. De zon gaat dan gelukkig weer onder, en dan drinken we nog een glaasje schuimwijn of iets anders om de wereld te vergeten.

Foto: Martin Pulaski

EEN ZACHTAARDIGE GOLEM

skammen_bergman

Op 28 april zat ik op het schaduwrijke terras van café Eden in Los Llanos. Ik had Het Laatste Nieuws gekocht. Of het Nieuwsblad. Beschouw dit niet als reclame. Het zijn de enige Belgische kranten die ik daar heb aangetroffen. Zelfs Le Soir was er niet. In het buitenland mis ik de kranten soms wel eens, één keer per week of zo. Hier thuis niet meer. Ik heb geen abonnementen, als er iets gebeurt hoor ik het wel. Ik lees wat er gebeurd is op de gezichten van de mensen in de metro. Of iemand vertelt mij gewoon iets. Dat volstaat. Meestal zie ik dat er weer een oorlog gaande is, of er is een ramp gebeurd, of een jongen is doodgestoken in het Centraal Station in Brussel. Maar in café Eden zat ik met die gazet, meer foto’s dan woorden. Overigens lijkt het wel of hier ook al een oorlog begonnen is, maar ik denk dat Anderlecht een match gewonnen heeft. Het zal ongetwijfeld vuurwerk zijn. Zware ontploffingen in ieder geval. Ik ben nog niet helemaal hersteld, de gewaarwordingen zijn intenser dan wanneer ik in mijn gewone doen ben. Ik zal eens door het raam gaan kijken. Het is nu toch warm. Een kou zal ik wel niet vatten. Vreemd. Ik ruik alleen de geur van buskruit. Ik hoor diepe stemmen, als van duivels, of van engelen na de val, de stem gebroken.

Maar sta me toe terug te keren naar de kern van de zaak. Een krantenbericht, een bagatel, een Belgisch drama. Zoals zovelen dacht ik dat de moord op Joe ergens verband hield met het geloof dat islam heet, ook al heb ik me meteen verzet tegen het denkbeeld dat de islam een slechtere of betere religie is dan enige andere. Toch was er die associatie, waar ik me voor schaam. Op het terras van café Eden schaamde ik mij diep. Ik had me laten meeslepen door gevoelens van alledaags racisme. Ik had er mezelf van overtuigd dat het Marokkaanse jongeren waren geweest die Joe hadden gestoken tot hij daar in het Centraal Station, een plek waar ik elke dag kom, was doodgebloed. Ook al had ik gezegd dat het om uitzonderlijke amorele delinquenten ging, ook al had ik gezegd dat wijzelf mee verantwoordelijk zijn door ons gebrek aan gastvrijheid, toch had ik niet kunnen weerstaan aan de lokroep van het alledaags racisme. Het is niet omdat ik al drie keer ben overvallen, beroofd en één keer zwaar toegetakeld door zulke jongeren dat ik de vijfde keer ook door diezelfde bevolkingsgroep zal worden overvallen, beroofd of het ziekenhuis ingeklopt. Dat is niet zeker. Messentrekkers en roofmoordenaars tref je overal aan. Vooral in de hoogste regionen, bij de masters of war. Maar dat zijspoor sla ik even niet in. Ik had het over mijn schaamte. Ik wil mijn verontschuldigingen aanbieden…. Maar aan wie? Aan de naamlozen die ik misschien, ongewild, heb gekrenkt. Aan Hotman, Hoessein en Fatia. Heb ik de beredeneerde onzin van mijn vijanden van het Vlaams Blok en van idioten als de judopatser Marie-Jeanne dan al zozeer verinnerlijkt dat ik hun gedachten uitspreek? Neen, zo ver is het nog niet gekomen. Maar ik ben wel op het slechte pad. Natuurlijk ben ik Joe niet vergeten, en de andere slachtoffers evenmin. Ik denk er elke dag aan, hier in Brussel, maar ook op een terrasje van café Eden in Los Llanos, niet genietend van een kop koffie. Dat monument ben ik ook niet vergeten. In mijn hoofd is het al opgericht. Nu moet ik er met andere mensen over gaan praten. Ik weet niet wat er inmiddels is gebeurd. Ik dacht helemaal niet aan een monument zoals dat voor de onbekende soldaat. Meer een monument van de geest. Iets wat tijd en ruimte doorboort en toekomst zoekt, iets gevleugelds en gracieus, maar ook bijna van vlees en bloed, een soort van homunculus, een soort van kleine zachtaardige golem.

Terloops wil ik Eric Corijn bedanken voor zijn lezersbrief in Humo, die mij er mee toe aangezet heeft deze bekentenis openbaar te maken.

Foto: Schaamte, Ingmar Bergman

ZIEK IN TAZACORTE

Ziek zijn op La Palma is geen pretje. Afgesneden van het vaderland, wachtend op de terugkeer. De goede lucht schijnt haar werk niet behoorlijk te doen. Een hardnekkige hoest. Ik denk veel aan de vrienden en iedereen daar bij ons. Ook aan deze unieke wereld hier van skynetblogs, die ik nu al een tiental dagen de rug heb toegekeerd. Ik zit in het halfduister, buiten schijnt de milde zon. Om het kwartier begint hier om een onverklaarbare reden James Browns I Feel Good, een tiental seconden en dan is het weer gedaan. Waarschijnlijk een computer game. Ik verlang naar huis, maar wacht geduldig 1 mei af. Lieve groeten voor iedereen die dit leest.