STRIJD IN HET RIJK DER ZINNEN

[Nachten aan de Kant 35. November 2020]

Natuurlijk waren het leven en de tijd in Antwerpen waarover ik het voorbije jaar [1] al zoveel heb geschreven geen ononderbroken la dolce vita. Er deden zich net als overal en in alle tijden talloze problemen voor en allerlei conflicten, ruzies en zelfs gevechten maakten het bestaan soms uiterst onaangenaam. Zoals ik in het echte leven conflicten meestal uit de weg ga doe ik dat ook in mijn neergeschreven herinneringen. Het lijdt geen twijfel dat niemand geheel en al goed, deugdzaam en voortreffelijk is. Elke mens heeft zijn schaduwzijde, iedereen bezit karaktertrekken die minder fraai zijn, soms zelfs verontrustend en angstaanjagend. Dat geldt in mindere of meerdere mate ook voor de besten onder ons. Het is mij echter nooit gelukt om daarover met enige nauwkeurigheid te schrijven, niet omdat ik het negatieve bewust aan het licht wil onttrekken maar omdat ik er de woorden niet voor vind. In algemene termen kan ik wel negatieve aspecten van de samenleving en van de mens als sociaal wezen aan de kaak stellen, vooral als het om politiek en religie gaat, als het vormen van boosaardigheid betreft, bijvoorbeeld racisme, onderdrukking of uitbuiting.

In de woelige dagen van punk en new wave en, niet te vergeten, van werkloosheid, had ik meermaals ruzie met vrienden, meestal op café, onder invloed van alcohol en amfetamine. Sommige vrienden, onder wie L. S., hadden wat we een kwade dronk noemen. Daarmee wil ik geen oordeel uitspreken: het gaat om een genetisch verschil in de hersenen. Ik beschouwde hem als een van mijn beste vrienden maar soms veranderde hij in een onuitstaanbare en agressieve man. Dan herkende ik nauwelijks de vriend en lieve buur met wie ik tot een stuk in de nacht over filosofische onderwerpen zat te praten of met wie ik, na het roken van een paar joints, in vrije vorm gitaar zat te spelen. Met weer een andere vriend, M. B., had ik een conflict over zijn mensbeeld. Het stoorde me dat hij de mensen in twee klassen indeelde. Aan de ene zijde liet hij de ‘slechten’ hun opwachting maken. Dat waren de bourgeois, onder wie ook de intellectuelen, de schrijvers en de kunstenaars. Aan de overzijde bevonden zich de ‘anderen’. Wie  waren dat, die anderen? Zij die niet in de eerste klasse thuishoorden? Het proletariaat of zelfs het lompenproletariaat? Ik vroeg me af wat daar dan zo voortreffelijk aan was, al zou ik ze nooit zoals Hillary Clinton vele jaren later deed a basket of deplorables [2] hebben genoemd.  Op een avond in het Pannenhuis noemde M.B. mij een intellectueel, iemand van de slechte klasse dus. L.S. deed dat ook wel eens, als ik het bijvoorbeeld over literaire theorieën van de Tel Quel-groep had, en achteraf gezien had hij daarin niet helemaal ongelijk. M.B. vond ik in zijn oordeel veel te radicaal. In mijn ogen nam hij standpunten in die ik al lang achter me gelaten had. Ik vond zijn veroordeling van de massamedia achterhaald. Zo wilde hij met nog enkele compagnons de route als performance een televisietoestel stukslaan. Dat had ik in 1968 de popgroep the Move op het podium van Jazz Bilzen al zien doen. [3] Toen had ik dat opwindend gevonden, maar nu, in 1979? Ik had het gevoel dat hij en zijn kompanen een beeld van mij imiteerden dat ik zelf al lang verworpen had. Ik vond het naïef: een TV is een ding, een middel. Hoe kan dat nu slecht zijn? Daar maakten we dan ruzie over. Maar een paar dagen later was dat allemaal weer vergeten en vergeven.

Ook mijn leven met Senga was in die dagen niet alleen maar een rijk der zinnen. Meer dan ons lief was maakten we ruzie. Vaak ging het om een kleinigheid maar als er jaloezie in het spel was kon het uit de hand lopen. Ons drankgebruik en de pillen die wij slikten verhevigden dat allemaal nog. Omdat ik me moeilijk kon concentreren had jaren tevoren toen ik filosofie studeerde een arts verbonden aan de VUB mij met enige regelmaat het middel Captagon voorgeschreven. Dat was regelrechte amfetamine, heel erg stimulerend en opwindend. Ik kon er inderdaad beter van studeren en na mijn studies bleef ik het nemen om mijn aandacht bij het schrijven te houden en aan onderzoek te doen. Geleidelijk aan moest ik er meer van nemen om hetzelfde effect te krijgen: ik wilde honderd procent concentratie. Mijn principe was dat ik de pillen alleen maar slikte om te werken, nooit voor het plezier. Maar dat was een theoretische indeling van dag en nacht en van werk en plezier. Als ik op vrijdag of zaterdag uitging waren die pillen natuurlijk niet uit mijn systeem verdwenen. Zonder dat spul had ik het waarschijnlijk nooit een hele nacht op de dansvloer van Cinderella’s Ballroom volgehouden. Overigens denk ik dat zowat iedereen daar aan de speed zat. Herman Brood voelde er zich in zijn nopjes. Captagon was op velerlei wijze een gevaarlijk goedje. Je kreeg er meer zelfvertrouwen van dan goed voor je was. De gekste dingen die ik schreef, en vanwege de paranoia – een andere nevenwerking van dat middel – werden mijn teksten hoe langer hoe gekker, begon ik nu haast geniaal te vinden. Al bleef mijn aangeboren twijfel gelukkig wel altijd op de achtergrond zeuren. Zolang ik aan mijn tafel bleef doorwerken, elke dag van negen uur ’s morgens tot ongeveer zes uur ’s avonds, was dat allemaal niet zo erg. Maar daarna kon dat in combinatie met tequila of bourbon wel eens uit de hand lopen. Van Captagon kun je immers agressief gedrag gaan vertonen. Senga en ik waren geen Sid Vicious en Nancy Spungen, verre van, maar soms begaven we ons op gevaarlijk terrein. Overigens heb ik Sid Vicious altijd een idioot gevonden, ik begreep helemaal niet waarom jongeren hem toen zo bewonderden. Had hij ooit iets goeds gedaan? Zich volgespoten met heroïne en zijn vriendin Nancy Spungen doodgeschoten in het Chelsea Hotel in New York City? In het najaar van 1979 begon ik te beseffen dat ik met die pillen moest ophouden en zoals ik enkele jaren tevoren van de ene dag op de andere was opgehouden met roken zo hield ik nu op met Captagon. Het was genoeg geweest. Het gevolg daarvan was echter dat ik het vanaf 1980 erg moeilijk kreeg met schrijven en geleidelijk aan in een zware depressie belandde. Gelukkig was er muziek, en waren er boeken. Zonder vrienden en zonder Senga, hoewel zij nog lange tijd daarna pillen is blijven slikken, had ik die immens donkere periode, die zo’n zes jaar aansleepte, mogelijk niet overleefd.

[1] De eerste notitie, met als titel Nachten in het Pannenhuis 1, dateert van 5 november 2019.

[2] “Basket of deplorables” is a phrase from a 2016 presidential election campaign speech delivered by Democratic nominee Hillary Clinton on September 9, 2016, at a campaign fundraising event, which she used to describe half of the supporters of her opponent, Republican nominee Donald Trump saying “They’re racist, sexist, homophobic, xenophobic”. The next day, she expressed regret for “saying half”, while insisting that Trump had deplorably amplified “hateful views and voices”.

[3] Het kan ook op televisie geweest zijn, mogelijk was het een optreden in Tienerklanken, Moef-Ga-Ga of Beat Club.


IS HET NU GENOEG GEWEEST?

IMG_0196 tom cruise.jpg

Uvi, een van de fijne vrienden die ik nooit heb gezien*, wees me op een opiniestuk van Luckas Vander Taelen. Het staat op de website van de VRT (DeRredactie.be), met als kop:  “Luckas Vander Taelen, houdt van Brussel, maar nu denkt hij: “Ça suffit, j’en ai marre.” Hij hoopt dat nu eindelijk iedereen de realiteit onder ogen durft te zien en ootmoedig toegeeft dat men de problemen heeft laten verrotten.”

Wat de groene politicus en ex-zanger van Lavvi Ebbel zegt komt min of meer overeen met wat ik in mijn vorig stukje ook al schreef:

“Vanaf de jaren zeventig zijn hele wijken leeg komen te staan. Daar kregen gangsters, afpersers, corrupte politici en politiecommissarissen vrij spel. Daar maakte eendracht wel macht. Daar bevond zich de val voor immigranten die nergens anders welkom waren. Daar ontstonden de getto’s. Terwijl andere Europese steden, denk aan Kopenhagen, Stockholm, Amsterdam, Berlijn, zich vernieuwden, open en speelse plekken werden, werd Brussel een – bewust gecreëerde – ruïne.”

Het is niet de eerste keer dat ik van Luckas Vander Taelen opiniestukken over dit onderwerp lees, met name over het dreigend gevaar van de islamisering van onze stad. Het komt er telkens op neer dat hij er nu genoeg van heeft, dat hij ons al jaren heeft gewaarschuwd voor wat er nu gebeurt. Maar wat heb je aan waarschuwen? Misschien heeft Vander Taelen ook werkelijk iets gedaan, dat weet ik niet zo goed. Hij is vermoed ik wel nog steeds politicus maar ik hoor weinig van hem. Dat lijkt me trouwens een typisch Brussels fenomeen: wij horen maar heel weinig van onze politici. Je moet al Le Soir lezen om een beetje op de hoogte te blijven, maar daar heb ik geen tijd voor.

De vraag is of het tij kon gekeerd worden. En indien dat kon, heeft Luckas Vander Taelen – of wie dan ook van de Brusselse** politici die in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw door ons zijn verkozen – een stap gezet om dat tij daadwerkelijk te doen keren? Die indruk heb ik niet. Hoewel er altijd uitzonderlijke mensen zijn, die wel iets doen. Waarschuwen is ook niet niets, natuurlijk. Maar hoe vaak is het geen loutere paniekzaaierij? Zelf denk ik niet dat het tij kan gekeerd worden. Tegen de gang van de geschiedenis staan wij min of meer machteloos, hoewel wij zelf toch ook de geschiedenis maken. Er maar wat op los leuteren, zoals ik nu in zekere zin doe (zou je kunnen opwerpen), opinies en meningen verkondigen, stelt niet veel voor. Grote stromingen bepalen ons leven. Wie kon de nazi’s stoppen, wie Stalin? Terwijl het uiteraard toch goed was dat, om maar een voorbeeld te geven, een groot deel van de bevolking protesteerde toen de Sovjets met hun tanks Praag binnenvielen. Maar het tij werd niet gekeerd. Dat gebeurde pas veel later, in 1989, met de val van de muur. Wie had dat zien aankomen?

Maar laat me terugkeren naar Brussel. In plaats van taalstrijd en verfransing en alle mogelijke vormen van corruptie – denk aan het Manhattanplan van VDB en Charly De Pauw – hadden we meertaligheid, verstandhouding, directe democratie, solidariteit moeten krijgen, moeten eisen.
We hadden komaf moeten maken met de typische Brusselse onvriendelijkheid, neerbuigendheid en onbeschoftheid. Zolang ik hier woon is vriendelijkheid ver te zoeken geweest. België is geen gastvrij land, Brussel is geen gastvrije stad, integendeel. Hoe behandelen wij al tientallen jaren onze gasten? We doen alsof ze niet bestaan, net als aan de bedelaars en de daklozen lopen we aan ze voorbij: ze zijn onzichtbaar.

Waarschuwen en blijven herhalen dat je gewaarschuwd hebt haalt niets uit. We moeten ons afvragen wat we kunnen doen. Welke goede daden onze stad en onze gemeenschap leefbaarder en zachtaardiger kunnen maken. Of is het daar nu te laat voor?

IMG_0119 zuidstation.jpg

*om Neil Young te parafraseren
**ik heb het over Groot-Brussel, de negentien gemeenten

Foto’s: Martin Pulaski, Brussel, 2013