MORE : IN MEMORIAM RICK WRIGHT II

Rick Wright

De dood van Pink Floyds Rick Wright heeft me letterlijk met verstomming geslagen. Ik kon er geen woord over kwijt. Ik was bedroefd, maar dacht ook meteen: weer schrijven over iemand die ik in mijn jeugd bewonderde en die nu dood is, iemand van mijn generatie, net iets ouder. Ik had er geen zin meer in. Straks doe ik niets anders meer dan over doden schrijven. En de levenden dan?

En toch. Samen met Syd Barrett, Brian Jones en Steve Marriott was Rick Wright een van mijn jeugdhelden, ik vond hem mooi, hield van zijn stijl en van zijn orgel- en pianospel. De rol van Rick Wright in Pink Floyd is altijd te weinig aan bod gekomen. Terecht werd Syd Barrett als de meest creatieve geest beschouwd. Sommigen noemen hem een genie, maar dat woord gebruik ik niet graag. Syd Barrett was Pink Floyd, de anderen begeleidden hem, Nick Mason op drums, Rick Wright op de hiervoor genoemde instrumenten, Roger Waters op bas. Toen Syd de band verliet, wellicht wegens een vertroebelde geest, zoniet waanzin, ontstond er een vacuüm: de jonge muzikanten wisten niet waarheen. Het was een goede zaak dat Syds vriend, David Gilmour, Syd verving. Niet alleen was hij een uitstekend gitarist, hij zong ook mooi, en schreef songs. Rick Wright was in die overgangsperiode van psychedelische undergroundgroep naar commercieel instituut het meest creatief. Hij zorgde ervoor dat de ruimtelijke sfeer in het geluid van de groep aanwezig bleef. Van de vier oorspronkelijke leden vind ik dat hij na Syd Barrett het meest ‘Pink Floyd’ was. Dat kun je ook horen op de songs die hij in die tijd schreef: ‘Paint Box’ (de b-kant van de single ‘Apples and Oranges’ uit 1967, nog geschreven door Syd) en de single A-kant ‘It Would Be So Nice’ uit 1968. Op de tweede elpee van Pink Floyd, ‘A Saucerful Of Secrets’, een werk vol ruimte, licht (en de woedeuitbarstingen van Roger Waters), stonden twee heerlijke composities van Rick Wright: het sublieme ‘Remember A Day’, helemaal in de sfeer van Syd Barretts meesterwerk ‘See Emily Play’, en ‘See-Saw’, dat ook weer bijzonder sprookjesachtig is.

In 1969 bracht Pink Floyd de soundtrack van Barbet Schroeders hippiefilm ‘More’ uit. Het is de mooiste plaat van de groep, na het debuut, ‘The Piper at  the Gates of Dawn’, uiteraard. Rick Wright schrijft mee aan de meeste songs van de soundtrack. De teksten zijn van Roger Waters. Na de interessante mislukking ‘Ummagumma’, een dubbel-elpee uit 1969, met één minder boeiende, experimentele kant gecomponeerd en geïmproviseerd door Rick Wright. Ik moet echter toegeven dat ik er in 1970 dol op was.  Ik moet er honderden keren naar hebben geluisterd, daar op mijn kamer in de Karmelietenstraat, die nu al lang afgebroken is. In plaats van de kapperszaak waarboven ik woonde staat nu een ministeriegebouw lelijk te wezen. Vervolgens krijgt het zogenaamde progresssieve aspect van de groep de bovenhand. Pink Floyd is geen undergroundband meer, wordt geaccepteerd door het grote publiek, brengt elpees uit die veertig miljoen exemplaren verkopen. Rick Wright schreef ook aan deze platen mee, maar ze werden beheerst door Roger Waters, en in mindere mate door David Gilmour. Ik kan er weinig over zeggen omdat ik ze nauwelijks beluisterd heb. Ik heb nooit van bombast gehouden.

Ik heb er bovendien helemaal geen idee van wat Rick Wright van dit alles heeft gedacht. Hij was een stille, bescheiden man. In interviews nam hij zelden het woord. Vrienden van vroeger vonden dat ik – uiterlijk – op Rick Wright leek. Dat beschouwde ik als een compliment. Nu denk ik dat mijn karakter meer op het zijne lijkt: ik zou mijn stempel wel willen drukken op mijn omgeving, en in zekere zin op mijn tijd, maar ik beschik niet op de sociale vaardigheden om daarin te slagen.

Ik zag Pink Floyd drie keer live. Op 23 februari 1968 in Antwerpen in café Het Pannenhuis, ik had Rick Wright kunnen aanraken, maar zo gek was ik nu ook weer niet, op 26 september 1969 in théâtre 140 in Brussel (dag Marc, hoe gaat het met je?) en op 12 juli 1970 op een hippiefestival in Aken, waar mijn vrouw en ik, samen met Amerikaanse ‘soldaten’ en Duitse hippies, in een oude oorlogsbunker moesten overnachten. Het eerste en het tweede concert waren overweldigend mooi, met die zeer ruimtelijke muziek, het derde, in Aken, was weinig geïnspireerd. Ik ben erbij in slaap gevallen. De groep was op zoek naar iets anders. De muzikanten wisten ongetwijfeld nog niet dat ze enkele jaren later schatrijk zouden zijn.

Rick Wright cijferde zichzelf weg. En dat heb ik in deze tekst ook gedaan: Rick Wright weggecijferd. Rick Wright is definitief weg. Maar nog vaak zal de lieve man opduiken als we weer een keer ‘Paint Box’, ‘It Would Be So Nice’ en ‘Remember A Day’ beluisteren. En ‘More’.

in memory of rick wright II

De eerste single van Pink Floyd zonder Syd Barrett. Rick Wright schreef de A-kant, ‘It Would Be So Nice’.

“EEUWIGE ROEM”

lucebert verjaardagspartijtje

Het is geen toeval dat Hölderlin hier weer opduikt. Er is een duidelijk verband met Syd Barrett, zij het niet uitgesproken inhoudelijk. Wat beide mannen verbindt is de verbluffende uniciteit; zij sprongen uit de band, waren op artistiek vlak ver vooruit op hun tijd. Zij waren heldere sterren, onverschrokken in hun jeugd, overmoedige ontdekkers – maar wat doofden zij snel uit! Beiden gingen al op jonge leeftijd de nacht van de waanzin in, zij trokken zich terug in een soort van kunstmatige baarmoeder, de ene in een toren, de andere in het huis van zijn moeder, bij wie hij vaak in de tuin zat, zo wordt beweerd. Wellicht hebben zij het leven ervaren als een ballingschap uit het paradijs, dat gelegen is kort bij het hart van de moeder.

Hölderlin was in zijn tijd geen populaire dichter, maar hij oefende desondanks aantrekkingskracht uit op de jongere generatie. Hij kreeg heel wat bezoek, in weerwel van zijn weinig coherente monologen en zijn eentonig pianospel. Syd Barrett was een levende legende. Bekende en minder bekende, vooral Britse, popzangers volgden zijn voorbeeld, zoals David Bowie en Kevin Ayers. Hölderlins dood heeft weinigen beroerd, later is zijn aanzien gestegen, vooral bij filosofen als Nietzsche en Heidegger. Een van zijn voornaamste volgelingen in de Nederlandse taal was Lucebert, een van onze beste dichters. Syd Barretts dood heeft velen geraakt, zowel tijdgenoten, mensen van mijn leeftijd, als jongeren. Beide kunstenaars zullen zolang er mensen bestaan verder leven.

Afbeelding: Lucebert, verjaardagspartijtje

SYD BARRETT: WHEN I LIVE I DIE

Syd-Barrett

Syd Barrett is dood. De echte plaatsvervanger van Hölderlin. ‘Gekke pauzen’ worden niet verkozen, ze verkiezen elkaar en zichzelf en wij herkennen hen meteen. Heiligen. Ik heb voldoende geschreven over Syd Barrett. De man heeft mijn leven veranderd zoals niemand tevoren en niemand sindsdien, tenzij misschien Bob Dylan (waar Syd de spot mee dreef). Hoe heeft hij mijn leven veranderd? The Piper At the Gates of Dawn, is het antwoord. Ja, ik heb genoeg gepraat en geschreven over Syd Barrett. Ik was vaak in zijn nabijheid, in zeer verschillende situaties en levensomstandigheden. “I really love you and I mean you”. Talloze zinnen en fragmenten, in dat mooie Syd-Engels, dringen zich aan me op, en maken me duidelijk dat ik niet nog meer onzin moet neerschrijven dan hijzelf al deed. “When I live I die”, een bijna willekeurige zin uit No Man’s Land (The Madcap Laughs). “The wind blows in tropical heat”. Ik heb Syd Barretts teksten nooit willen lezen en zeker niet doorgronden. Zijn woorden, elk woord een afgrond, zijn ongeëvenaarde uitspraak ervan, volstonden. Hij was de eerste popzanger die uitgesproken, delicaat Engels zong, en niet een soort van ‘blues-Amerikaans’, wat in zijn tijd in Groot-Brittannië de gewoonte was. Niemand schreef songs zoals Syd Barrett, niemand bespeelde op zulke originele wijze de elektrische gitaar. Sprookjes, vuurwerkvonken, dromende subtiliteit, romantisch futurisme. Hybris en ‘waanzin’. Een nieuwe plaatsvervanger heeft zich nog niet aangediend. Er is geen Olympische medaille aan deze discipline verbonden.

“Oh where are you now
pussy willow that smiled on this leaf?
When I was alone you promised the stone from your heart
my head kissed the ground
I was half the way down, treading the sand
please, please, lift a hand
I’m only a person whose armbands beat
on his hands, hang tall
won’t you miss me?
Wouldn’t you miss me at all?”

“I tattooed my brain all the way.”

Goodbye Syd: my book is closed, I read no more.

VOOR EN NA DE REGEN 5

syd barrett by mick rock

Opgedragen aan Syd Barrett, in memoriam.

5.

Henry zit weer achterop mijn gele Garelli, we rijden door Sledderlo om de show te stelen. Niets is gelukzaliger dan de wind in je haren, vooral als je net East West hebt gekocht voor honderd frank, & zo de Chicago blues hebt ontdekt. Met geschaafde ellebogen & handen – want natuurlijk zijn we gevallen met die brommer – moeten we nu naar Bilzen. Als we tenminste geen tetanus krijgen, zegt Henry’s vader, die onze wonden grondig ontsmet. Bilzen, waar flower power, free jazz & orale poëzie de lucht verluchten, zoals in de middeleeuwen monniken met manuscripten deden. We drinken gin & slikken hoesttabletten. De kleine Johannes heeft een lief uit Holland. Ze legt me uit wat een knaak is. Eindelijk een heilig woord, denk ik, maar alleen uit haar mond, weet ik nu. Ook ontdekten we waarvoor scholen dienden. Om er in te breken, te roken, gin te drinken, op de tafels te slapen. & ’s morgens het hoofd te verfrissen onder een kraantje in de toiletten.
Ik heb aan zee een heerlijk meisje leren kennen. Pauline blijft me drie lange dagen kussen. & dan zegt ze opeeens, jij past meer bij hààr, dat kotsende meisje daar, een schoonheid, die luistert naar de naam Claudia Chauchat. Terwijl Zager & Evans hun sentimentele science-fiction spuien neemt ze plaats op mijn schoot en vult mijn mond met haar zure tong tot ik bijna overga tot ontbinding, klaar voor Gods Laatste Oordeel. Daarna vervloekte Claudia mijn ziel, omdat ik ’s avonds, als zij in een tapijtenwinkel moest werken Anny door de zee gezouten verhaaltjes vertelde. Anny’s ouders, een bakker & zijn vrouw, wilden mij in een Brusselse gevangenis zien zitten. Dank je Anny, je hebt me niet verraden. Een altijd boze Claudia Chauchat klom een paar jaar later ’s nachts uit het raam, om te gaan zuipen & zich aan mijn kameraden aan te bieden, maar ze viel, brak haar benen, en verdween uit het beeld. Claudia, alleen met jou sta ik op een foto met een stralend wit Levi’s jasje aan.

Pink Floyd in 1968 in het Pannenhuis in Antwerpen met Lucas & de kleine Johannes. Belletjes hangen klingelend op onze borst. We hebben veelkleurige zijden sjaaltjes van onze moeders aan & roze & rode fluwelen jassen. Als we slapen eten we margrieten & tulpen en overdag kussen we de zomerregen.

Epiloog.

Overal waar ik kom breng ik de geur van de scheepvaart met mij mee en laat ik een spoor van jullie liefde, waanzin & doodsverachting achter. Om mijn hoofd blijft het klinken van koebellen in Zwitserse weiden & waarom is dat? Omdat niets heiliger & eenzamer kan klinken, een geluid uit de eeuwigheid, dat de eeuwigheid afzweert. Dat eeuwigheidsgeluid – en nog veel meer – hoor ik ook in The Piper At the Gates At Dawn en in de twee echte solo-elpees van Syd Barrett. Hij heeft zijn ‘toren’ nu voorgoed verlaten, op jongere leeftijd dan ‘Scardanelli’.

Foto: Syd Barrett door Mick Rock

VOOR EN NA DE REGEN 4

jean-pierre

4.

Kijk daar op het schip, jij, kleine jongen alleen in de mist boven de Schelde, de Maas & het Albertkanaal. De gevaarlijke Schelde die je neef tot zich nam. Twee maanden later werd hij gevonden, een opgezwollen, rottende ledenpop. Door palingen aangevreten. Die palingen aten wij dan weer op. Als mama ze bakte in de pan bleven ze kronkelen van genot. De voedselketen was gesloten. By and by Lord, by and by.
De Maas, omgeven door groene heuvels, wilde mij dichter, schilder doen worden. Maar de Maas kreeg mij niet klein: ik was een cowboy, een eenzame cowboy, ver weg van mijn huis, hier in Brussel. Toch had je een vriend, trouwe Jimpy. Wat had je toch lange oren. Maar nu niet te sentimenteel worden, jongen. Jimpy was de eerste kankerpatiënt in je leven. Papa heeft hem doodgeschoten in Bocholt. Ik werd al lang ziek van dat beest, met zijn zieke adem & zijn schor geblaf. Goed gedaan papa, wilde jager!

Tintin, Margarita & Melinda’s vader was een rijkswachter, een zwaantje dat al voor zonsondergang te diep in het glas keek. Pierre’s vader was een verpleger in het gesticht in Rekem, een gebouw dat we nu bewonderen vanwege zijn onvolprezen architectuur. Als hij ’s avonds thuis kwam van z’n werk was in zijn blik iets van die gekken blijven haken. Trouwens, hij had zelf de geur van een zwetende zot. Pierre & ik speelden stratego tot we erbij neervielen. Ik was Napoleon XIV, hij was Napoleon Solo. They’re coming to take me away, aha. De vader van Omer werkt in de grintwasserij in Neerharen. Omers moeder heeft een winkel. Vandaar die dozen Jacques chocolade (bananen), die mij een kijk op Claire’s kuiten verbieden. Vaders. Die van de kleine Johannes een juwelier op de Botermarkt in Hasselt. Aan de wanden van de salon hangen foto’s van stierenvechters. De broer van de kleine Johannes heb ik nooit horen spreken.

Conny is al langer dood dan Ricky Nelson. Hello Marylou, Goodbye Heart. Het enige meisje in onze klas, Conny, altijd op de eerste rij. “Meneer Pulaski zit weer te dromen”, zei de Dog. Die man probeerde mij zeven uur per week te vermorzelen met zijn algebra & driehoeksmeting. Conny, ben jij opgegeten door de pieren, of vliegen je stofjes samen met die van Josse hier in het rond? M’n adem begint er van te piepen, van al dat verdomde, motherfucking stof.

Mama zat in Rekem, in een nieuw gesticht, glazen paviljoenen verborgen in het bos. In dat zeer morele concentratiekamp zat zij, lag zij haar laatste stripjes geheugen te verliezen, geen liefde meer op deze wereld. Geen liefde op enige andere wereld die zij had kunnen kennen. Rekem, het dorp van de kermis, de cinema tegenover het huis waar Aster & Lucia slapen en wakker worden. In de rups met Margarita, met Lucia, Hello Jim, luider dan ooit, She’s About A Mover het lied waardoor onbewust in mij Mexico ontstaat. Vijf frank voor een ritje. Vijf frank voor een kus. “Martin, ik kan niet met je gaan. Ik hou van je maar ik heb al een ander. Later misschien.” Dat schrijft me Lucia als ik van iedereen verlaten sta te kotsen in mijn kamer in de Karmelietenstraat. ’s Morgens nog kickend op Gimme Shelter, om middernacht met mijn kop in de nageboorte van mijn euforie. Abstractie op de rode linoleumvloer. De dag erna belt Mijl aan, afgepeigerd van die negerinnen, zegt hij, met Albert Aylers New Grass onder zijn arm.

Foto: Jean-Pierre, Neerharen

VOOR EN NA DE REGEN 1

sixties,meisjes,vrienden,vriendinnen,scheepvaart,flower power,pop,john fogerty,syd barrett,winkel,fietsen,dorp,jeugd,jeugdherinneringen,popcultuur

Opgedragen aan mijn jeugdvrienden & aan John Fogerty en Syd Barrett

Deze tekst over vriendschap en popcultuur – en het ontstaan van het ene uit het andere – verscheen hier al eerder – op 15 juni 2005 – maar er stonden te veel fouten in en de namen werden niet consequent gehanteerd. Mijn slordig gebruik van het ampersand behoud ik vrijwillig. Het is een speelse verwijzing naar de beat generation en naar de brieven en dagboeken van Virgina Woolf. Deze ‘herneming’ wijst niet op een gebrek aan inspiratie.

Waarin jeugd en volwassenheid aan bod komen en vooral de schakel tussen beide stadia, de vriendschap. Als de onschuld schuld wordt, dan blijft de vriendschap vanop een afstand toekijken, dan zijn vrienden engelbewaarders, zoals in Wim Wenders’ Der Engel über Berlin. Als wij – ook al geloven we niet in god en zijn geboden – onze dagelijkse zonden begaan zorgen wij er gelijkertijd ook voor dat onze vrienden iets heiligs krijgen. Elke vriend is vrij van zonde; zeker is dat zo in de herinnering. Wat klinkt dit allemaal plechtig. Maar dit is een intentieverklaring. De plechtigheid wordt in de uitvoering van het plan vanzelf ondergraven. Wie zonder humor is werpe de eerste steen.

1.

Was dat het hoogtepunt van mijn leven? Hello Mary Lou stroomde uit de mini-transistor. Ik reed achter Marie-Louise aan, uit het dorp weg, op het zadel van mijn glitterende fiets de prijs die mijn vader me waard vond, hij met zijn tedere, beminnende ogen. Over de veldwegen, langs korenbloemen en klaprozen. De blauwe ogen van Marie-Louise, als zij stil blijft staan in de Dorpstraat en ik haar langzaam voorbij rijd, openen mijn ogen voor een nieuwe religie. Geur van vers asfalt hangt om mijn hoofd, scherp en zoet parfum van de toekomst. Wat ik in je zocht was mijn eigen rosebud, mijn graal, vera icona achter sluiers verborgen.

Weken later reed ik zij aan zij met Omer, een winkeljongen, en slagersdochter Claire. Nahijgend zaten we daarna op de canapé in de kamer. Achter het établissement, tussen kartonnen dozen vol chocolade van het merk Jacques – bananen vond ik het lekkerst – en unheimische parafernalia door Louise’s broer meegebracht uit Belgisch Congo. De fijne haartjes op Claire’s rechterarm deden de haartjes op mijn linkerarm rechtkomen. Maar ook haar geheim bleef onbereikbaar. Ik vond er slechts sporen van in het zingen in haar stem, in de manier waarop ze in haar reep chocolade beet.

Omer, Pierre, Tintin: de bende van James Bond. De bende van Illya Kuryakin, man van Uncle. Ik roep jullie, oudere kerels, op in mijn geteisterd en getreiterd hoofd. Ik wil jullie terstond zien. Ik wil jullie nog een allerlaatste keer voor de eerste keer laten horen: Jefferson Airplane’s Share a little joke with the world outside.
De oude geest van middernacht maakt zijn entree. Jullie staan stil, alles bevriest, er is weer oeverloos tijd, zoals toen wij liftend door Duitsland in Stuttgart stil stonden, auto’s, uren, minuten tellend. En zongen, altijd zongen:
Sweet hitchhiker.
Hitch hike baby.
Wish I was back on the bayou.
Wish I was a catfish swimmin’ in the deep blue sea.
Gonna find me a cajun queen, down on the bayou in New Orleans.
Elkaar gerimpeld, met zweethandjes, begroeten. Schrikken van die met grijs bespatte hoofden, die nog met moeite glanzende spiegels van de ziel, die mondenvol berusting: Pierre, Omer, Tintin.

Ja, Marie-Louise, Claire. Ja, Margarita. Salut les Copains! Ja, Brigitte met het kapsel van Françoise Hardy. Margarita’s zus Melinda is een lerares op wie ik echt verliefd ben. Zij ook op mij, zegt ze, maar ze is al verloofd, groot ongeluk is dat.
Op een zomermiddag in het zwembad in Rekem had Sylvia niets anders meer aan dan een bikini. Die avond in het clubhuis moest ik haar wel kussen en schreef ik een gedicht in assimilengels: Sylvia in the wood. Asters zus heet Lucia. Ze woont tegenover cinema Eden in Rekem. Kijk, daar lig ik met haar te dromen in het gras op de ‘kip’ tussen de zachte paarden die er zo gelukkig uitzien, wellicht omdat zij de hele wereld kunnen vergeten. Het echte leven, voor de langgerekte doodsstrijd.

Vissers vond ik vreemde mensen. Waar bijvoorbeeld haalden ze hun übermenschengeduld vandaan? Mijn eigen vader ging vissen in de kiezelputten. ’s Avonds kwam hij thuis met snoek & karper die naar modder, naar petroleum smaakte. Marcel Maris woonde aan de rand van het Bos. In de tuin van z’n ouders stond dat clubhuis waar Sylvia werd gekust en in verzen gegoten. Van die visser werd gezegd dat hij dom was. Een boerenzoon, met goede ogen, dat was hij zeker.

Ook mijn liefste vriend Josse was een visser. Josse, jij klootzak, in rook opgegaan, zonder nog een woord tegen mij te zeggen. Ik liep met Laura op het strand van Cadiz en jij stortte je op de Leuvense straatstenen. Mika’s ritueel in de Cinderella: “Heb jij Josse nog gezien?” “Nee, ik heb hem niet gezien.” “Waar zou hij zijn?” “Ik weet het niet, misschien in zijn stamcafé.”

SYD BARRETT EN JAMES JOYCE

madcap-laughs

Gisteren verwees ik terloops naar de waanzinnige stem die “my book is closed, i read no more” zingt. Ik had het over de antiheld par excellence, Syd Barrett, de oprichter van Pink Floyd, een band die maar één geslaagde lp maakte: de eerste en meteen ook de enige met Syd, het meesterwerk van de psychedelica, The Piper At the Gates Of Dawn. Het dromerige, feeërieke en hallucinante van de muziek die daarop te horen, te beleven valt, heeft mijn jonge jaren diep beïnvloed. Na Syds vertrek in 1968 maakte de groep nog wel aangename achtergrondmuziek, geschikt om jasmijnthee bij te drinken of te blowen en wat te zitten dromen, met de nadruk op zitten. Liggen kon ook nog wel. Bij The Piper At the Gates Of Dawn kon je echter niet zomaar wat zitten wegdromen. De ongewone muziek, de vreemde gitaarsolo’s, de bizarre verhalen, de door en door Britse stem van Syd Barret, namen je mee naar een andere wereld, heel ver weg en toch heel dichtbij, waar je gedurende ongeveer een half uur – hoewel tijd in werkelijkheid ophield te bestaan – een ander leven leidde, vol vuur, interstellaire blauwe regen en eigenzinnige aardmannetjes. Ik ga echter niet de geschiedenis van Pink Floyd of van Syd Barrett schrijven, die vind je op talloze websites en in slecht geschreven boekjes. Ooit, als ik meer tijd heb, en mijn Ome Wim-gehalte nog zal zijn toegenomen, zal ik over mijn eigen avonturen met Syd Barret en Pink Floyd vertellen.

Over het optreden van Pink Floyd in het Pannenhuis in Antwerpen (toen een van de hipste steden van Europa), op 23 feburari 1968, toen Syd Barrett de groep net had verlaten, heb ik het hier waarschijnlijk al gehad. Ik zou het eens moeten opzoeken. Vaak als ik dat verhaal vertel geloven mijn toehoorders me niet. Hoe kan dat nu, zulke ‘supergroep’ n zo’n klein café! En toch is het waar, ik heb getuigen en een dagboek of wat daar in die tijd moest voor doorgaan.

Syd Barrett leed helaas aan wat toen nog schizofrenie werd genoemd. Eigenlijk wist niemand precies wat het was waar hij aan leed. Zelfs Ronald Laing, de beroemde anti-psychiater, schrijver van The Politicis of Experience And the Bird of Paradise, wist het niet. In die toestand heeft Syd twee met niets vergelijkbare elpees gemaakt, The Madcap Laughs en Barrett. Er is ook nog Opel, een samenraapsel van restjes, waar de platenmaatschappij hoopte munt uit te slaan, toen Syd Barrett bekend was geworden bij een nieuwe generatie. Mijn generatie vrat haar kinderen op en spuwde ze weer uit, zeker als ze wat vreemd of eigenzinnig deden.
Op The Madcap Laughs staat een hemelsmooi gezongen gedicht van James Joyce, Goldenhair. Voor mij zegt het alles over de geestesgesteldheid van Syd en over zijn beslissing om zich terug te trekken uit het publieke leven. Voor James Joyce is het een eenvoudig gedicht; gezongen door Syd Barrett wordt het een epifanie die je telkens weer naar de keel grijpt.

Golden Hair

Lean out your window, golden hair
I heard you singing in the midnight air
my book is closed, I read no more
watching the fire dance, on the floor
I’ve left my book, I’ve left my room

For I heard you singing through the gloom
singing and singing, a merry air
lean out the window, golden hair…

Mag ik hier de volledige Piper At the Gates Of Dawn, Madcaps Laugh, Barrett en ook nog ‘Jugband Blues’, het enige lied van Syds hand op ‘A Saucerful Of Secrets, de tweede elpee van Pink Floyd (als geheel zeer beluisterbaar omdat de geest van onze antiheld er nog in rondwaart), sterk aanbevelen? Of heeft iedereen dit allemaal al?