ERWIN: DE NAAM

1973-holsbeek24.JPG

In 1969 kwam ik als filmstudent in Brussel terecht. Na enkele eenzame weken trok mijn nieuwe vriend Erwin bij me in. Die jongeman wilde dringend van huis weg; hij dreigde daar te verstikken. Zijn vader was een overtuigd nazi, zo vertelde Erwin me, een man die ’s ochtends met genoegen zijn SS-laarzen aantrok en zijn kinderen bevelen toesnauwde. Ik heb de vader een keer ontmoet. Erwins woorden waren niet overdreven geweest. De man droomde nog steeds van de Endlösung; alle ellende in de wereld was de schuld van de joden.

In mijn gezelschap leek Erwin gelukkig. Vaak zaten we op mijn kamer in de Karmelietenstraat muziek te beluisteren van Led Zeppelin, Soft Machine, the Velvet Underground en vooral ‘Let It Bleed’ van the Rolling Stones. Een andere liefhebberij was film. Op het Ritcs (de toenmalige film- en toneelschool, waar we beiden ingeschreven waren) konden we elke dinsdagmiddag twee speelfilms zien. Soms gingen we ook naar de bioscoop, en zagen we films als ‘Easy Rider’, ‘Hell In The Pacific’ en ‘Yellow Submarine’. Meestal rookten we eerst een joint. Op weg naar huis herhaalden we hele stukken dialoog. It’s all in the mind, man! was onze geliefde uitspraak.

Erwin was pas hélemaal gelukkig als zijn Hollands liefje Josefien erbij was en zij zich in Breda van voldoende rode Libanon hadden voorzien. Hij kon buitensporig genieten van de boeken van Jan Wolkers en Henry Miller. Tegen het einde van het jaar begon ik een relatie met het mysterieuze meisje dat mijn eerste vrouw zou worden. Voor Erwin was er vanaf dan geen plaats meer op mijn kamer. Nog een paar dagen mocht hij op de sofa logeren, maar we vonden het niet prettig hem erbij te hebben als we vrijden.

Erwin heeft die laatste dagen toch nog gauw de dichtbundel ‘De val van de tandloze kanunnik’ geschreven, waarna hij naar Gent is verhuisd, waar hij in de gevangenis werd opgesloten vanwege een dagboeknotitie over hasjiesj. Nog later is Erwin in psychiatrische instellingen verder geestelijk verwoest.

Vijf jaar later belde hij onverwachts aan. Ik woonde toen in een appartementje in de buurt van de Leuvensesteenweg. Erwin zag er geestelijk verward uit en was van oordeel dat ik verantwoordelijk was voor zijn ‘schizofrenie’ (een ziekte waar ik niet in geloofde). Hij was eveneens van mening dat de mensheid in twee soorten kon ingedeeld worden, de ene soort had blauwe ogen en blonde haren, de andere bruine ogen en donkere haren. Het zal wel geen verbazing wekken dat de eerste soort uit louter goedheid was opgetrokken, de tweede was destructief, satanisch. Nog een geluk dat ik blauwe ogen en lichtbruine haren heb. Toch was Erwin niet echt boos op me. We gingen samen naar het Vossenplein, waar Erwin in een platenwinkel ‘Metal Machine Music’ beluisterde. Geweldig, zei hij, zijn ogen fonkelden. Ik luisterde ook even en vond er niets aan. Misschien is het een geniale plaat, ik heb ze nooit willen horen.

In 1977 heeft Erwin me nog geholpen bij mijn verhuizing naar Antwerpen. In die stad heb ik mijn banden met Brussel grotendeels verbroken, een stommiteit die ik nog altijd betreur. Van Erwin heb ik nooit meer iets gehoord. Het was een korte, intense, en tot mislukken gedoemde vriendschap. Zeer waarschijnlijk heb ik aan de dagen met Erwin wel mijn fascinatie voor het werk van Geerten Meijsing overgehouden.

1970-vossenplein14b.jpg

Foto’s uit mijn archief: Erwin, in Holsbeek, circa 1973; Vossenplein, Brussel, circa 1971.

DON’T LOOK BACK: BRUSSEL IN 1969 (1)

de droom 1968

In 1968 kreeg ik een tweede ‘roeping’: ik wilde toneelregisseur worden. Dat was nu mijn grote droom. Ik had al een stuk geschreven en geregisseerd en dat heette ook ‘De droom’. Moeilijk te realiseren, omdat ik niet met meisjes mocht repeteren aan het Koninklijk Atheneum Tongeren, terwijl meisjes in de gedaante van witgeklede elfjes net zo’n belangrijke rol speelden in het stuk, met name om de vrede op de wereld te stichten. Er kwam een prins in voor en een slechte held die ik Avantokani had genoemd. Later, op een reünie van de klassen van 1969, ontmoette ik de jongen die de rol had gespeeld, hij was inmiddels burgemeester van Peer of een van die bijzondere plekken in Limburg, waar zulke voortreffelijke festivals worden georganiseerd. Een andere medeleerling van me, uit de Wetenschappelijke A, deed iets met de crematoria in Oost- en West-Vlaanderen. De zoon van de leraar fysica had, meen ik, de rol van zijn vader overgenomen. Spijbelaars waren nu dronkaards. Van al mijn vroegere leraars was alleen de leraar wiskunde, die ik zo had gehaat, nog aanwezig, de anderen waren dood en begraven.

De film- en toneelschool, het Ritcs in Brussel – nu Rits – was een geheel andere zaak. Ik dacht dat mijn studietijd daar een soort van hemelse ervaring zou worden. Toneelregisseur, bevelhebber, god! Geloof het maar… De meeste jongens (meisjes waren er nauwelijks) die meededen aan de toegangstests waren weg van kleinkunst. Weet je wat kleinkunst was? Vlamingen die Vlaamse liedjes zongen en drie akkoorden konden spelen op een goedkope gitaar. Punks eigenlijk, met een afzichtelijke ringbaard, pijprokers die zichzelf zeer au sérieux namen.

palaver emile degelin (2)

Desalniettemin waren die toegangstests voor het Ritcs een aangename ervaring. We moesten iets schrijven over een film van een Vlaamse regisseur, ‘Palaver’ van Emile Degelin, een man die later ook enkele romans zou schrijven. Een oude vriend van me uit Tongeren had me gezegd dat ik iets over de slechte techniek moest vermelden in mijn kritiek, een onbedoeld optisch effect of iets dergelijks. Misschien heb ik dat ook gedaan, maar ik heb zeker ook opgemerkt dat ik het een mooie film vond. Een dag later moesten we een toneelstuk bespreken. Ik weet niet meer precies welk stuk het was, alleszins een Griekse tragedie. Ik herinner me nog dat ik heel vlot geschreven heb over een van de heldinnen, Klytaemnestra, gespeeld door een actrice die een diepe indruk op me had gemaakt.

Een zwaardere opdracht was het filmpje dat we moesten maken. Dat moest meteen een afgewerkt product zijn; het mocht niet gemonteerd worden, daar was geen tijd en geen geld voor. We werden in ploegjes ingedeeld. Ik werd tot regisseur uitgeroepen, waarschijnlijk omdat ik het langste haar had. Een verwante ziel die ik nog maar pas had leren kennen, Leo Steculorum (nog altijd een goede vriend), wilde graag de hoofdrol spelen; dan waren er ook nog een cameraman en een scenarist. Het scenario hebben we, als ik me nog goed herinner, samen geschreven, vooral Leo en ik. De titel was ‘Nowhere Man’; het ging over een schilder die zijn levenswerk ging offeren aan de onbekende soldaat. Het feit dat we daar het mooiste zicht op Brussel hadden, had zeker bijgedragen tot de keuze van de locatie. Toen de tests afgelopen waren werden de filmpjes aan ons vertoond. De profs waren tevreden over ‘Nowhere Man’, wij vonden het echter een mislukking. Maar we hadden er hoe dan ook veel plezier aan beleefd.

Tijdens de zomer die vooraf ging aan de ingangstests hadden we een ‘werkstuk’ moeten klaarstomen. Voor mij was dat een dichtbundel geworden, waar ik echt wel op gezwoegd had (nu durf ik die gedichten niet meer lezen), getiteld ‘Vechtende Kinderen’.

Op die twee elementen, werkstuk en tests, werden we beoordeeld om toegelaten te worden tot de toch wel wat elitaire school. Velen waren niet geslaagd. Ik was en ben er nog steeds trots op dat ik wel met glans geslaagd was. Het onrechtvaardige van die hele zaak was dat die tests en die uitslagen niet bindend waren, het kwam neer op aanbevelingen. Zelfs de allerdomste idioten mochten aan de studies beginnen en een groot aantal van hen zijn ook afgestudeerd. Waarmee ik niet wil zeggen dat alleen dommeriken zijn afgestudeerd. Eigenlijk kwam het er niet zozeer op aan of je een visie had, of je creatief was, of je een kunstenaar was, maar wel dat je hard werkte.

Foto: De droom, Tongeren, 1968

EENZAAM OF ALLEEN

damaged

Soms kom ik terug op thema’s die me bezig houden. Waarom zou ik ook niet? Het is geen herhalingsdwang. Als puntje bij paaltje komt zijn er niet zo gek veel onderwerpen om over te praten. Eenzaamheid is er wel een. Eenzame mensen hebben altijd nogal veel indruk op mij gemaakt. Er is ongetwijfeld een – wellicht subtiel – verschil tussen eenzaamheid en alleen zijn. Eenzaamheid lijkt mij iets positiefs; je kiest er zelf voor. Alleen zijn impliceert verdriet en lijden, je kunt je niet herkennen in iemand anders, je maakt geen deel uit van een gemeenschap, je bent ‘alleen op de wereld’.

Ik kan niet tegen alleen zijn. Ik ben in vroeger dagen nooit alleen geweest. In 1969 ben ik als filmstudent in Brussel komen wonen. Al na een paar weken logeerde Reinhard bij me. Die jongeman wilde dringend van huis weg, want hij dreigde daar te verstikken. Zijn vader was een ex-nazi, die nog steeds zijn zwarte laarzen droeg en Reinhard ’s morgens bevelen toesnauwde. Geen ex-nazi maar een volbloed 1969-nazi… Voor hem was ’69 geen ‘année érotique’ maar een (imaginaire) tijd van definitieve Endlösung.
In mijn gezelschap leek Reinhard gelukkig, zeker als zijn Hollands liefje Josefien erbij was en zij zich in Breda van voldoende rode Libanon hadden voorzien. Hij kon buitensporig genieten van de boeken van Jan Wolkers en Henry Miller. Tegen het einde van het jaar begon ik een relatie met Sarah, die mijn eerste vrouw zou worden, moeder van mijn zoon, mijn enig kind. Voor Reinhard was er vanaf dan geen plaats meer op mijn kamer. Nog een paar dagen mocht hij op de sofa logeren, maar we vonden het niet leuk hem erbij te hebben als we vrijden. Reinhard heeft die laatste dagen toch nog gauw de dichtbundel ‘De val van de tandenloze kanunnik’ geschreven, waarna hij naar Gent is verhuisd, waar hij in de gevangenis werd opgesloten vanwege een dagboeknotitie over hasjiesj. Een dagboeknotitie, kun je je dat voorstellen? Je moet nu al een container vol shit laten aankomen in de haven van Antwerpen om nog gerechtelijk vervolgd te worden. Nog later is Reinhard in psychiatrische instellingen verder geestelijk verwoest. Zijn zus Reinhilde is op het einde van de jaren ’70 verongelukt op de weg. Een broer van hem is tijdens zijn legerdienst in een keuken ontploft. Wat er met Reinhard uiteindelijk is gebeurd, weet ik niet, ik vermoed dat hij nog wat leeft.

Met Sarah heb ik het vijf jaar volgehouden, tot mijn studie filosofie was voltooid. In mijn thesis behandelde ik het einde van het burgerlijke gezin. (Ik ben een licentiaat in de geschiedenis van de filosofie. Wat betekent dat nu nog? Ik ben niet eens een master…)
Op eigen initiatief, zonder de aantrekkingskracht van iemand anders, zou ik nooit van mijn eerste echtgenote weg zijn gegaan, denk ik, hoe hard het er tussen ons soms ook aan toe ging. Sarah was een lieve, intelligente en sterke vrouw, maar onze karakters pasten niet bij elkaar. Wij waren nog veel te jong toen we trouwden, onze ouders hadden ons daar voor gewaarschuwd, maar natuurlijk hadden wij niet willen luisteren naar hun raad, integendeel, het was veeleer een stimulans geweest voor ons. Wij spiegelden ons aan John en Yoko. Gelukkig ben ik verliefd geworden op Laura, wat het vertrek minder zwaar heeft gemaakt.

Nee, ik ben nooit echt alleen geweest. De jongste jaren begin ik er wel last van te krijgen, maar daar wil ik nu niet dieper op ingaan. Ben je niet altijd eenzaam uit vrije keuze? Is het geen (gemoeds)toestand die je moet koesteren, iets wat je zolang het duurt enige vrijheid schenkt?

Foto: Martin Pulaski, Holsbeek.