MEVROUW BLUE EN ANDERE KLEINE AVONTUREN

P1020297.JPG

Ik logeerde in een kamer op de zevende verdieping van het Markiesgebouw, waar ik in het echte leven tien jaar heb gewerkt. Na een verkennende wandeling door een geheimzinnige stad, waar vooral de grijze trolleybussen me opvielen, maar toch ook de in bonte kleuren geklede meisjes, drinkend van flessen Long Star Beer, vond ik eerst het Markieshotel en daarna mijn kamer niet meer terug. Toen het gebouw na een lange en chaotische zoektocht, met allerlei zeer tijdelijke gidsen (die ik stuk voor stuk van ergens in het verre verleden meende te kennen) die zich aan me opdrongen met soms goede en soms slechte raad, ergens in een schemerzone aan de rand van de stad voor mij opdoemde, telde het maar één verdieping meer. En die ene verdieping was dan nog zwaar beschadigd. Ik zag sporen van brand, kogelgaten, bloed. Onwillekeurig herinnerde ik me de lectuur van Alfred Kubins ‘Aan gene zijde’. Later op de dag, het was al donker geworden, liep ik op blote voeten over koude en vochtige kasseien. Ik ben mijn schoenen in de kamer vergeten, zei ik tegen A.

P1020248.JPG

Naast me in de canapé zit een opvallend elegante vrouw die ik mevrouw Blue moet noemen. Dat is niet mijn naam maar zo heet ik nu eenmaal, zegt ze. Ze trekt haar winterjas uit en gooit die achteloos op de houten vloer. We praten zomaar wat: small talk. Over treinvertragingen, bussen die omgeleid worden, welke wijnen bij welke gerechten passen, het leven van de truffelvarkens in de Périgord, de regen die al weken lang door de kieren van onze woningen dringt, samenzweringen, de verleidingen van de heilige Antonius. De sfeer is niet bepaald ongedwongen. Mevrouw Blue gaat al gauw wat verder weg van me zitten. Waarom? Heb ik iets verkeerds gezegd misschien? Als dezelfde maar een andere, even elegante mevrouw Blue, vermoedelijk een dubbelgangster, in onze rommelige kamer haar entrée maakt schuift de mevrouw Blue die naast me zit nog verder van me weg, alsof ze zich schaamt of bang is voor wat ik maar de indringster zal noemen. Vliegensvlug drink ik mijn glas Picon leeg. Mevrouw Blue, de dubbelgangster, blijft kaarsrecht als een kolonel op ongeveer een meter afstand voor ons staan. De mevrouw Blue die naast me zit bedenkt zich nu en vlijt zich tegen mij aan, alsof ze wil zeggen dat zij de echte is, of dat ik de hare ben en zeker niet die van de mevrouw Blue die nu aanstalten maakt om aan mijn rechterzijde plaats te nemen.

Met A. beleef ik gelukkige dagen in Stockholm. Op onze laatste dag gaan we eten in een eethuisje, waar we bediend worden door de hartelijke en gastvrije uitbaatster zelf. Ander personeel is er niet. Als we willen betalen blijkt dat A. in plaats van bankbiljetten niets dan strookjes en briefjes heeft waarop cijfers staan, bijvoorbeeld “waarde 23 euro”. Ik zeg haar dat die briefjes misschien wel bij de stomerij in de Westland Shopping maar niet in Stockholm geldig zijn en zoek in mijn jas- en broekzakken naar echt geld. Veel is het niet, zeker niet genoeg om de rekening te betalen. Maar de uitbaatster vindt het niet erg, we komen zeker wel terug, zegt ze. Ik zie nu dat er bloed over haar gezicht loopt, dat haar rechteroog gewond is. Toch blijft ze glimlachen. Dat is niets, zegt ze, een kleinigheid. Wel vindt ze het erg dat we nu al vertrekken. Waarom blijven we toch niet langer in Stockholm, het is zo’n mooie zomer, al weken heeft het niet geregend, en overal vogelgezang? We komen over twee of drie jaar zeker terug, beloof ik. In haar ogen, waarvan één bloedrood, misschien wel blind, zie ik dat ze mij niet gelooft.

P1020340.JPG

Foto’s: Martin Pulaski, Brussel

 

AUGUST STRINDBERG EN KURT COBAIN

august-strindberg

“Op de vensterruit staan de initialen van mijn naam geschilderd: A.S., zwevend op een zilverwitte wolk, met daarboven een regenboog. Omen accipio want het doet mij denken aan Genesis waar geschreven staat: ‘Mijn boog stel ik in de wolken, opdat die tot een teken zij van het verbond tussen mij en de aarde.’” August Strindberg, Inferno 20-21.

Gisteren na de lunch lag ik wat te rusten. Opeens dacht ik dat het misschien een goed idee zou zijn om een soort van ‘geestelijke’ genealogie uit te werken. Autobiografisch werk dat op zoek gaat naar de wortels van een bestaan moet niet noodzakelijk het leven en de wederwaardigheden van ouders, grootouders (familie) behandelen. Iets wat auteurs als Amos Oz en, dichter bij huis, Stefan Hertmans, wel al voortreffelijk hebben gedaan. Naast tientallen, honderden andere schrijvers van autobiografische geschriften.

De eerste twee geestelijke voorouders die me voor de geest kwamen waren August Strindberg en Kurt Cobain, al is het woord ‘voorouder’ in het geval van de zanger-gitarist (1967-1994) wat misplaatst.

Omdat het om een vluchtig idee gaat, een idee dat ik zeer waarschijnlijk niet zal uitwerken, wat zo vaak bij mij het geval is – in mijn leven is veel gedoemd om voorlopig, om onafgewerkt te blijven -, wil ik het ook niet meteen uitdiepen.

In augustus dit jaar was ik voor een tweede keer in het prachtige August Strindberg Museum in Stockholm en werd er overweldigd door de aanwezigheid van de schrijver/dramaturg/schilder/alchimist. Overweldigd worden door een groot kunstenaar is natuurlijk niet voldoende om hem als geestelijke ‘voorouder’ uit te kiezen. Welke overeenkomsten zijn er dan? Dat is een moeilijk te beantwoorden vraag, omdat het meer om een aanvoelen gaat dan om een op feiten berustende zekerheid.

Strindberg werd honderd jaar voor mij geboren – alleen dat al schept een band. Hij was erg schuchter en tegelijk opstandig, hij was een atheïst die zich aangetrokken voelde door het religieuze en het mystieke. Zijn tegenstanders (en niet alleen zij) noemden hem een vrouwenhater, maar in werkelijkheid hield hij van vrouwen. Hij was drie keer getrouwd; in zijn werk komen heel wat ‘sterke’ vrouwen voor. Zelfs in een donker werk als ‘Inferno’, boordevol haat, zelfhaat en paranoia schrijft hij nog – hier en daar – met tederheid over zijn tweede echtgenote.

De schrijver werd geplaagd door periodes van diepe melancholie en verlammende paranoia. Hij schreef gedichten, verhalen, romans, toneelstukken, essays, wetenschappelijke en religieuze verhandelingen, politieke pamfletten, hij schilderde, speelde gitaar, deed aan alchimie en was een uitstekend fotograaf. (Nogmaals, ik wil me niet in de feiten met hem vergelijken.)

Het oeuvre van Strindberg speelde in mijn persoonlijk leven een grote rol. Mijn eerste echtgenote en ikzelf waren van toen we nog jong waren en filosofie studeerden bewonderaars van zijn werk, vooral vanwege zijn kijk op het huwelijk. Mijn echtgenote schreef een licentiaatsverhandeling over de schrijver. Dat had ik zelf ook graag gedaan, maar ik voelde me als halve hippie ook aangetrokken tot de denkbeelden van Henry David Thoreau, vooral bekend van ‘Walden’ en ‘On The Duty Of Civil Disobedience’. Toen ik echter zijn dagboeken doorbladerde viel ik al gauw in slaap van zijn geleuter over de kleurenpracht van bloemen en het gekwinkeleer van vogels. Ik koos dan maar voor een onderwerp dat in die dagen erg actueel was en aanleunde bij het werk van onze geliefkoosde Zweedse ‘vrouwenhater’: het einde van het gezin. Ik liet me daarbij vooral inspireren door ‘Antigone’ van Sofokles, de rechtsfilosofie van Hegel, ‘De oorsprong van het gezin, van de particuliere eigendom en van de staat’ van Friedrich Engels, het feminisme van Aleksandra Kollontaj en Germaine Greer, de antipsychiatrie van David Cooper en Ronald Laing,  en ‘L’anti-oedipe’ van Gilles Deleuze en Félix Guattari. En nog heel wat toen modieuze namen die ik me niet meer kan herinneren.

August Strindberg is samen met Sofokles de enige auteur uit die groep die ik nu nog lees. Bijna altijd als ik een boek van de Zweedse schrijver opsla denk ik terug aan die periode, waar ik onlangs ook al over schreef, waarvan ik nu denk dat ik toen gelukkig was, al weet ik dat uitgerekend dat pril huwelijksleven soms op een inferno leek. Ik kies er echter heel bewust voor om me de mooie momenten te herinneren en wat minder fraai was te vergeten. Zeker wil ik de donkerste momenten niet uit hun verband rukken en ze als hoofdtonen van die eerste grote liefde presenteren.

Net als Sofokles reikt Strindberg de woorden aan om het persoonlijke leed (of geluk) in een groter geheel te plaatsen, met andere woorden om het ego te transcenderen en zo in een oogwenk de stap te zetten van het bijzondere naar iets universeels.

En Kurt Cobain dan? Ik denk dat het best is hem te vergeten, ik bedoel in genealogisch opzicht. De naam zal me te binnen geschoten zijn omdat ik kort tevoren een interview met de tegendraadse muzikant had gelezen, hem afgenomen door de onvolprezen Jon Savage, auteur van onder meer ‘England’s Dreaming: Sex Pistols and Punk Rock’. Een aantal uitspraken van Cobain hadden mij diep geraakt, ik voelde me verwant met hem, ik zag verbanden tussen zijn jeugd en die van mij. Vooral zijn problematische omgang met jongens, met hun machogedrag, waardoor hij maar weinig vriendjes had en zich meer aangetrokken voelde tot meisjes, herkende ik goed. Maar ik zou te kwader trouw zijn mocht ik hem werkelijk als een verwante geest uitroepen. In dat geval zou ik een geheel ander leven leiden.

Ω

Uitverkoren van August Strindberg in Nederlandse vertaling:

De rode kamer
Apologie van een gek
Eenzaam
De zoon van een dienstbode
Tijd van gisting
Inferno
Droomspel
Freule Julie
De vader
De sterkste

STOCKHOLM 071.JPG

Foto onder: Martin Pulaski, Stockholm, Strindberg Museum, 18 augustus 2013.

KLEUREN VAN SAUL LEITER

saul leiter - taxi.jpg

Het onvolprezen museum Fotografiska in Stockholm heeft een uitstekende bookshop. Na een wat vermoeiend bezoek aan de drie tentoonstellingen die er liepen bleef ik er nog enkele uren rondhangen. Prachtige fotoboeken van heel bekende en minder bekende kunstfotografen, de meeste werken voor mij onbetaalbaar. Bovenal in verleiding bracht mij een fraai uitgegeven boek over Saul Leiter, de geweldige Amerikaanse fotograaf die zich vooral onderscheidt door zijn gebruik van kleur en zijn stadsbeelden – het boek was echter niet alleen duur maar ook zwaar. Met pijn in het hart heb ik het weer op de toonbank gelegd tussen Robert Frank en Gary Winogrand. Om mezelf en hopelijk ook de lezers van hoochiekoochie wat troost te bieden staan hier enkele reproducties van Leiters foto’s.

saul leiter harlem.jpg

Twee van de drie tentoonstellingen in Fotografiska konden mij maar matig boeien. Ik ben nooit gek geweest op Helmut Newtons werk (en evenmin op zijn ‘wereld’ van luxe en schijndecadentie); de foto’s van Hakan Elofson over Bombay gaven wel een beeld van het straatleven in die immense stad, maar ook niet meer dan dat. De tentoonstelling ‘Time Tomb’, werk van Motohiko Odani, was echter wel een revelatie. Hoe hij de Tohoku-catastrofe van 2011 in beeld brengt gaat door merg en been. Zijn beelden van brandende vinyl-elpees van onder meer Abba en Dolly Parton (‘Jolene’) zijn enigszins grappig maar vooral verontrustend.

saul leiter haircut.jpg

Foto’s: Saul Leiter, Taxi (1957), Harlem (1960) en Haircut (1957).

EROS EN DE DOOD

Paolo_Veronese,_The_Conversion_of_Mary_Magdalene

Met je haren van duizendguldenkruid streelde je mijn vermoeide voeten. Gedurende een enkel genadevol ogenblik meende ik in je gebukte houding die van de vrouw uit Magdala te herkennen. De vrouw die de heilige bijstond in het uur van zijn donkerste wanhoop en die getuige was van zijn opstanding. Iedereen die zo diep valt als ik staat toch ooit weer op – en op zo’n moment is er een vrouw bij je van wie het hart overstroomt van liefde, dacht ik. Een vrouw zoals jij. Maar het was allemaal veel profaner dan je zou kunnen denken na deze eerste woorden. Je haren waren zacht als ahimsazijde, of zachter. Je likte de zolen van mijn voeten en kuste mijn tenen, waardoor heel mijn lichaam ging tintelen en er kwikzilver door mijn aderen leek te stromen.

Nog half liefdevol me kussend en likkend keek je me opeens in de ogen. Ik zag meteen het afgrijzen van je ziel, de haat in je hart. Nee, riep je met schrille stem, ik zal nooit met je trouwen! Je weet toch dat ik je veracht.

Dat was gisteren. Vandaag liep ik door een museum voor moderne kunst. Ik keek naar beelden van beroemde en minder beroemde surrealisten, zag een film van Maya Deren, ‘Meshes Of The Afternoon’, en ‘L’âge d’or’, het meesterwerk van Luis Buñuel. De hele film is sinds 1975 in mijn geheugen gegrift, maar een scène in het bijzonder is me bijgebleven: Lya Lys, de ‘waanzinnig-amoureuze’ jonge vrouw, bevredigt haar verlangen naar haar minnaar Gaston Modot door fellatio uit te voeren op de teen van een religieus standbeeld.

Voor ik in mijn kamer kwam om dit neer te schrijven zag ik in de schaduw van het metrostation S:t Eriksplan een zwart gesluierde figuur staan wachten. Omdat ik me in de stad van Ingmar Bergman bevond –  een stad nochtans lichter dan sommige vlinders en met in de zomer een  klimaat zacht als de fijnste haartjes op de huid van jonge meisjes – dacht ik meteen aan de dood. Ik vroeg me af op wie hij of zij daar wachtte.

Ω

Beeld: De Bekering van Maria Magdalena, Paolo Veronese.

EEN ITALIAAN IN ZWEDEN

IMG_4471.JPG
“Bijna altijd is het juist de inspiratie (…) die de poëzie slechter maakt, verslapt, verspilt. Het beetje vormdiscipline dat men bezat stort ineen onder het onbestemde van het niet te beheersen sentiment. Zeldzaam zijn de scheppende kunstenaars bij wie de strenge vormeisen die besloten liggen in de neerslag van hun verste contact met de wereld samengaan met de uitdrukkingsmiddelen die de cultuur aan een hele generatie verschaft. Hun taak is een compromis, een gedeeltelijk verraad aan hun onbevangenheid, een poging om in de draaikolk van de mythe die hem in zijn greep heeft zo scherp mogelijk te zien, maar niet verder dan tot daar waar de mooie vertelling oplost in naturalisme. Hierdoor komt het dat sommigen zich redden door iets anders te doen dan ze verwachtten en wisten. Maar de sterksten, die op de meest duivelse wijze toegewijd en bewust zijn, doen wat ze willen, en ze boren de mythe de grond in en weten hem tegelijk, tot klaarheid gebracht, te bewaren. Zo werken zij op hun manier mee aan het unieke van het wonder.”
Cesare Pavese, Stilte in augustus.

Ja, ‘Stilte in augustus’, het boek dat ik in Stockholm ga herlezen. Een Italiaan in Zweden… Dat lijkt me een goede combinatie. Maar Pavese is universeel. Ik heb nog geen plek gevonden waar ik zijn werk niet zou kunnen lezen.

Ω

Foto: hotelkamer in Boedapest, 18 augustus 2006.

STOCKHOLM ii

P1060660.JPG
Stockholm, juni 2012.

Bij mijn tekst over Stockholm (of liever over een vergeten Stockholm) scheef Bernard het volgende:

“Ik las deze tekst enkele weken geleden, en ik wist niet zo goed wat er mee te doen. Denk ik daarover hetzelfde als jij? Moet men alle vorige steden vergeten om in een stad te kunnen leven? Ik denk dat je gelijk hebt. Hoe meer steden men ziet, hoe meer je merkt dat ze op elkaar lijken. Het komt er dus op neer de ‘illusie van het nieuwe’ te koesteren, een soort van zelfbedrog, opdat men van een nieuwe stad kan genieten. Ik ga hier niet het lijstje herhalen dat je zo mooi weergeeft: gebouwen, trams, bedelaars, kerken, cafés, etc. Elke stad gaat meer en meer op alle vorige lijken. Ik denk ook aan een aforisme van Nietzsche, waarin hij zegt dat de last, de ballast van de eeuwen en eeuwen te groot geworden is om nog echt gefascineerd te zijn door het ‘nieuwe’ Vandaar de nood – dat zeg ik – van zelfillusie, het vergeten van het verleden, de eindeloze reeks van steden die men gezien heeft.”

Bernard, ik weet niet of we er hetzelfde over denken. Ik weet ook niet of alle steden op elkaar gaan lijken. Natuurlijk treffen we overal dezelfde merken, trends en popmuziek aan. Maar er zijn ook altijd verschillen, de mensen zien er een beetje anders uit, hun gebaren verschillen van de ‘onze’, ze spreken andere talen. Wat mij betreft heeft het vergeten met heimwee te maken, en tegelijk met zwerven, je nergens kunnen hechten, je nergens thuisvoelen. Om die reden voel je je al gauw op veel plaatsen thuis. Je hecht je aan al die dingen die ik in mijn tekst opsomde en aan nog veel andere. Als je weer thuiskomt moet je die plaatsen vergeten, zoniet ben je de hele tijd ongelukkig, zit je met dat heimwee naar die andere plaatsen. Alleen al de namen van sommige steden kunnen je ernaar doen hunkeren (wat Proust zo mooi en juist heeft beschreven). Je moet vergeten en jezelf ervan overtuigen dat de plaats waar je woont mooi is, je moet er de positieve kanten van bekijken, de mensen zijn er zo slecht nog niet, de sociale voorzieningen, et cetera, vallen er best mee… Bij mij heeft het daarom heel veel met overleven in mijn eigen stad te maken. Als ik voortdurend opgezadeld zit met beelden van, herinneringen aan New Orleans, Arles, Cadiz, Porto, Berlijn, New York, Essaouira, noem maar op, kan ik hier niet meer leven. Vroeger was ik daar erg radicaal in: ik maakte geen foto’s als ik reisde. De illusie waar jij het over hebt heeft dus met de stad waarin ik leef te maken, en niet zozeer met de schrik dat een volgende stad die ik zal bezoeken er als een vorige uit zal zien.

Mijn korte tekst drukt – niet expliciet – nog iets anders uit: de huivering die het besef dat je al zoveel bent vergeten teweeg brengt. De vergetelheid is dus niet alleen maar een illusie om te koesteren, het is het object van wellicht mijn grootste angst, die samenhangt met een diepe angst voor de dood. Maar daar wil ik het nu liever niet over hebben.

BESTSELLERS

IMG_5147.JPG
Lissabon, 2007

Een paar dagen geleden dacht ik terug aan een aangenaam verblijf in Palermo. Dat kwam door het toevallig terugvinden van een oude foto, waarop ik sta afgebeeld in een bus met een boek van James Ellroy. Dat was het begin van een lange reeks herinneringen aan andere oorden, vooral Europese steden waar ik ooit verbleef, bijna altijd voor meerdere dagen. Het duurt bij mij lang eer ik wen aan een nieuwe stad. Eens gewend raak ik er moeilijk weg. Ik heb veel tijd nodig.

Ik zal niet ontkennen dat ik een toerist ben: we zijn allemaal toeristen. Toch denk ik dat ik al die steden op een niet zo voor de hand liggende manier heb bezocht, niet op een door en door toeristische wijze. Zo heb ik altijd plaatsen vermeden waar de massa op afkomt. Om een voorbeeld te geven: ik ben maar een keer in het Louvre geweest, en dat was dan nog tijdens een schoolreis. Als mijn nieuwsgierigheid naar een bepaald gebouw, museum, tentoonstelling of kunstwerk erg groot is, zorg ik ervoor dat ik ga kijken als er bijna niemand is, ’s morgens vroeg, of ’s avond kort voor het sluitingsuur.

Ik ben geen beter mens dan iemand anders. Toch schrikt de massa mij af. Mijn schrik voor de massa lijkt op pleinvrees of claustrofobie. Ik ga nooit naar festivals – nog liever een dag in de hel (hoewel dat wellicht ook een massafenomeen is), heb een afkeer van blockbusters (populaire Hollywood-films dus), van bestsellers, van mega-hits. Het kan echter wel eens gebeuren dat ik me op den duur toch aangetrokken voel tot een succesroman. Twee voorbeelden: ‘In de naam van de roos’ van Umberto Eco en ‘Het verdriet van België’ van Hugo Claus. Ongeveer tien jaar na publicatie van die werken heb ik ze dan toch gelezen. Of ik er plezier aan heb beleefd kan ik me niet meer herinneren. Alleszins niet zoveel als aan de verhalen van Borges, of de gedichten van Rilke.

Onlangs in Stockholm en de dagen erna heb ik een andere bestseller gelezen, ‘Nachttrein naar Lissabon’ van Pascal Mercier. Ik vind het verdacht dat ik van dat boek enorm heb genoten. Is de seniliteit dan toch ingetreden? Of is het werkelijk een goed boek? Alleszins herkende ik mezelf in meerdere passages. Zoals in deze, over het hoofdpersonage Raimund Gregorius:
“Hij was niet iemand die dol was op bezienswaardigheden. Als hij zag dat mensen elkaar ergens stonden te verdringen, bleef hij halsstarrig buiten staan; dat kwam overeen met zijn gewoonte bestsellers pas jaren later te lezen.”
Dat had ik net zo goed zelf kunnen geschreven hebben. Waarom lees ik het dan eigenlijk. Zou ik niet veel beter zelf een bestseller schrijven? Een hedendaagse versie van ‘A Tale Of Two Cities’ bijvoorbeeld. Bij mij zou dat dan over Brussel en Antwerpen gaan, maar met als hoofdthema verveling in plaats van revolutie. Zou ik er tweehonderd miljoen exemplaren van kunnen verkopen? Wat denk je?

steden, boeken, reizen, tijd, massa, toerisme, herinneringen, bestsellers,

Lissabon, 2007.

 

 

STOCKHOLM

P1060210.JPG
Stockholm, juni 2012.

Om te kunnen leven in je stad wordt je herinnering aan een vorige stad uitgewist. De ene stad na de andere verdwijnt uit je geheugen. Hoe meer steden je bezoekt, hoe meer je er vergeet. Kerken, kathedralen, kapellen, bibliotheken, musea, rivieroevers, kanalen, pleinen, straten, stranden, cafés, restaurants, spelende kinderen in voor jou ongewone klederdracht, fabrieken, minaretten, duiven, halfdronken tooghangers die traag met hun hoofden bewegen op het droeve tempo van ‘Caroline, No’, vermoeide stierenvechters, kaartspelers, meisjes in hun blote kont, roze flamingo’s, straatmuzikanten, cocktails, busritten, hittegolven, zomerfestivals, afbladderende gevels, vleermuizen, kakkerlakken, kampvuren in barokke parken, zonsondergangen, getijden, sterrenbeelden, dat alles vergeet je. Dat alles ben je vergeten. Om te kunnen leven in je stad wordt je herinnering aan een vorige stad uitgewist. Van Stockholm blijft niets over. Helemaal niets.

REFLECTIES iii

Wie van jullie een vrouw in een blauwe jurk voorbijloopt
Die nooit lang blijft en daarin op wolken en rendieren gelijkt
Die snel weer vertrekt, niet omkijkt, zoals in de mythe,
Het oude lied, waarin niemand terugkeert naar zijn bron
Die gelukkig is in vergeten en zich herinnert wat de regen
Fluisterde; de wind in de haartjes op haar geschaafde knie.

Zeg me wat jullie in haar ogen zagen en wat ze jullie zei.
Had ze pleisters op haar tenen, op andere tere plekken
Van haar lichaam en haar geest, met elkaar verstrengeld
als leven en dood, afgrond en grond, rode wijn en brood?
Was ze gewond als de sperwer die ik verzorgen moest –
Toen ik een jongen was – opdat hij weer vliegen kon?

Zag je hem aarzelen voor hij terugvloog naar zijn bron?

(Züla Kök & Bar, Stockholm)