STEMMEN: ROOD EN GROEN

CONSTANT NIEUWENHUYS

Ik behoor tot die tachtig procent Brusselaars die zijn gaan stemmen. Het is mijn plicht om dat te doen en ik doe het met plezier. Er zijn heel wat landen waar je niet mag stemmen of waar de verkiezingen gemanipuleerd worden. Bovendien kom ik zo nog eens buiten, mooi meegenomen op zo’n heerlijke zomerse herfstdag.
Veel liever zou ik voor een écht stadsbestuur stemmen, met een échte burgemeester en échte schepenen. Ik voel mij een Brusselaar die in de wijk Anderlecht woont. Je zou het ook een district kunnen noemen. Elke wijk moet zijn eigen karakter, subcultuur en zo meer behouden, dat zal ik niet ontkennen. Maar de bestuurlijke indelingen die we nu kennen zijn achterhaald. Om een stad als Brussel, de hoofdstad van Vlaanderen, Wallonië, België en Europa [1], te besturen heb je eenheid nodig. Elke inwoner moet er dezelfde rechten en plichten hebben. De (spel)regels moeten voor elke inwoner van deze stad [2] gelijk zijn. Geen verschil inzake mobiliteit, onderwijs, wonen, sociale zaken, groenvoorzieningen en dergelijke meer.
Maar goed, ik leg me voorlopig bij deze bestuurlijke indeling neer en ga vooralsnog in Anderlecht stemmen.

Ik ben al heel mijn volwassen leven sociaaldemocraat. Ik heb altijd in een of andere vorm van socialisme geloofd. Toen ik nog weinig wist over het schrikbewind van Lenin en Stalin dweepte ik zelfs even met het communisme. Later had ik sympathie voor de Trotskisten. De Mao-verering heb ik altijd nogal lachwekkend gevonden. In onze ‘punkperiode’ hadden wij een poster van Mao aan de muur, maar wel met een wit strikje, the Stranglers met hun ‘No More Heroes’ indachtig. Elio Di Rupo heeft dat van ons afgekeken.

Ik hecht veel belang aan taal, aan woorden. Zolang Agalev Agalev heette heb ik er niet voor gestemd. Ik vond de naam afschuwelijk. Groen met een uitroepteken was al wat beter, maar ook daar had ik nog mijn bedenkingen bij. Ik ben allergisch voor uitroeptekens! Nu heet de partij gewoon Groen, en hier bij ons Ecolo-Groen, zoals het hoort. Een groene partij moet Groen heten, vind ik. Sindsdien gaat mijn sympathie uit naar de groene partij. (Ik overdrijf een beetje. Natuurlijk sta ik al langer achter een partij die werkt aan meer verkeersveiligheid en een kwaliteitsvollere leefomgeving en die echte burgerinspraak nastreeft.)

Om vorige zondag op een doordachte manier te kunnen gaan stemmen had ik mij naar behoren geïnformeerd over de partijstandpunten; ik kende de programma’s. Ik wist heel zeker dat ik voor één of meerdere vrouwen zou stemmen. Dat doe ik al tientallen jaren. Ik geloof dat vrouwen beter met macht kunnen omgaan dan mannen. Ze zijn ook veel beter tot mededogen in staat en denken meer aan de toekomst. Vrouwen zijn volwassen mensen, mannen blijven altijd een beetje kinderen, waar op zich niets mis mee is, maar kinderen kunnen niet zo goed aan politiek doen.
Tot zondagochtend had ik mij voorgenomen om hier in Anderlecht voor Groen te stemmen. Hoewel ik sympathiseer met PTB-PVDA had ik die partij al uitgesloten, om historische redenen, maar ook omdat ik geen arbeider ben. Ik zou het onoprecht vinden om vanuit mijn positie voor een arbeiderspartij te stemmen. Maar ik hoopte wel dat deze partij veel stemmen zou krijgen van de mensen voor wie zij zich voornamelijk inzet. Het programma van de PS-SPA had ik met instemming doorgenomen, en er waren enkele vrouwen bij die ik waardeerde.
(Voor ik het vergeet: ik stem hier zo veel mogelijk voor Nederlandstalige politici. Niet omdat ik iets tegen anderstaligen heb, maar omdat de Nederlandstaligen een kleine minderheid vormen. Het is goed dat die in het politieke landschap aan bod blijft komen.)
Ik had echter mijn twijfels over de integriteit van de socialistische partij, vooral vanwege de schandalen, in het bijzonder de Samusocial-affaire. Al wist ik dat de toestand verbeterd is sinds Yvan Mayeur als burgemeester van Brussel-stad is moeten opstappen. De parasieten zijn trouwens nooit in de meerderheid geweest en zijn dat nu al helemaal niet meer. Maar er is nog veel werk. Alles moet nog veel transparanter worden. En dat niet alleen bij de sociaaldemocraten.
Zondagochtend keek ik nog eens goed naar de folders van de twee favoriete partijen. Opeens viel mij op dat op de groepsfoto van de groenen maar één niet-blanke kandidaat te zien was. En ze zagen er allemaal toch zo keurig uit. Zo helemaal door en door vertegenwoordigers van de blanke middenklasse. Dat kon toch niet? In een wijk als Anderlecht, waar een groot deel van de bevolking niet wit is en al evenmin tot de middenklasse behoort. Hoewel ik al gekozen had voor wie ik zou gaan stemmen, bedacht ik me. Net voor ik de deur uitging nam ik nog even de folder van de PS-SPA door. Daar was de verhouding wel juist. Zo is het gekomen dat ik voor twee sociaaldemocratische vrouwen heb gestemd. Zal ik ze noemen? Waarom ook niet? Ik hoop dat jullie de kans krijgen om goede dingen te doen, Elke Roex en Bieke Comer.

Achteraf beschouwd is het ook niet zo erg dat ik noch voor PTB-PVDA noch voor Groen heb gestemd. Ze gaan er met reuzenschreden op vooruit. Mijn stem hebben ze daarvoor niet nodig. Sinds maandagochtend ben ik op politiek vlak een gelukkig mens. Nu de rest nog.

10035703896_145c8a2f92_o

10035648914_19860acb27_o

[1] Is het niet bizar dat Brussel in Vlaanderen maar zelden enige aandacht krijgt. Hoe komt het dat de Vlaamse media hun eigen hoofdstad de rug toekeren? Tenzij er een aanslag gebeurt of als er uit de rest van het land ontevreden burgers komen betogen? In Duitsland, toch ook een federale staat, is het ondenkbaar dat Berlijn doodgezwegen zou worden.

[2] En van een land en van de hele wereld.

Foto’s: Constant Nieuwenhuys, Symbolische voorstelling van New Babylon, 1969; Martin Pulaski, Anderlecht, 2013

STILTE

match factory girl 2.jpg

Een paar dagen geleden zag ik voor de zoveelste keer ‘Het meisje van de luciferfabriek’ (Tulitikkutehtaan tyttö) van Aki Kaurismäki, een film die niet verjaart, alsof hij buiten de tijd werd gemaakt. Wat mij dit keer bovenal opviel was de stilte, de vele scènes zonder dialoog. Misschien was ik vergeten dat ik die eigenschap vroeger ook al opgemerkt had.

Wat heerlijk toch, zulke stille mensen en bijna geen lawaai, alleen wat rommelige rockabilly en ‘zigeunermuziek’ – en af en toe een gebenedijd woord. Was het vroeger, toen ik nog een kleine jongen was, bij ons ook niet zo? Waren met name de Vlamingen geen in zichzelf gekeerde, zwijgzame mensen? Misschien vergis ik me, maar ik herinner me die oudere generaties zo. Ook mijn ouders spraken weinig; mijn moeder wat meer dan mijn vader. Die zwijgzaamheid is niet altijd een zegen. Zo heb ik met mijn vader nooit een gesprek gehad, waardoor ik nu bijna niets over hem weet. Als het in mijn psychoanalyse over mijn vader gaat moet ik er bijna altijd het zwijgen toe doen. Omdat er van mijn familie bijna niemand meer overblijft, zeker niet van de generatie van mijn ouders, kan ik ook aan niemand meer iets over hem vragen. Aan mijn oudere broer? Hij is al net zo zwijgzaam als mijn vader. En van het vele drinken zit zijn geheugen vol gaten. Ik kan bijvoorbeeld niemand vragen welke rol mijn vader gespeeld heeft in de weerstand. Waarom mijn ouders in Lanklaar gedomicilieerd waren, een gemeente waar ze nooit hebben gewoond. Of hoe mijn halfbroer heet – want dat ik een halfbroer heb, dat weet ik wel zeker.

Nicolas-de-STAEL.jpg

Al gaat er in het leven weinig boven een gesprek met een vriendin of een vriend houd ik van stilte. Van stille mensen, van stille schilderijen, zoals die van Giorgio Morandi en Nicolas De Staël, van stille muziek, zoals die van Claude Debussy, Karen Dalton en Nick Drake, van stille wegen en van straten op een zondagmiddag als de winkels toe zijn, van de stille geluiden in bossen. Ik heb een afkeer gekregen van bijna alle televisieprogramma’s, het inhoudsloos gekwetter en getetter en betweterig gebrabbel. Geef mij dan maar het getsjilp van de vogels of muziek die daar op lijkt, die van Olivier Messiaen bijvoorbeeld. Wat hebben die drukke mensen toch allemaal te vertellen? ‘Praatjesmakers’ noemde iemand hen onlangs terecht. De radio zet ik ook bijna nooit meer aan. Al dat gewauwel. Zelfs het nieuws maakt een neurotische wrak van me, zeker als het belangrijkste item de moeilijkheid betreft om met de auto van Geel in Brussel te geraken. Neem dan toch de trein. Af en toe luister ik nog wel eens naar Klara, omdat de stemmen daar wat zachter zijn, maar dan schrik ik opeens op van de deprimerende tonen van Vivaldi en draai ik vliegensvlug de knop om.

Maar vergis je niet: ik houd van stemmen, ik vind het fijn naar je te luisteren, naar je woorden, je lach, en niet één lied van Sam Amidon of Neko Case werkt me op de zenuwen. Ik mis alleen die zwijgende Vlaamse boeren uit mijn kinderjaren, toen ik geheel verdiept was in een of ander avontuur van Bob Morane of me liet meeslepen door de opzienbarende ontdekking van dr. Fleming. Daarom ben ik diep gelukkig met de films van regisseurs als Aki Kaurismäki. Wat hij toont is geen mooie wereld, maar alles bij hem straalt schoonheid uit. Hij schijnt geen lelijkheid te kennen. En is de ergste lelijkheid niet het lawaai?

match factory girl 3.png

Foto’s: Het meisje van de luciferfabriek; Nicolas de Staël; Het meisje van de luciferfabriek.

 

CARPE DIEM i

janebirkin3

Morgen reizen we voor de derde keer naar Umbrië. Op mijn verjaardag, de laatste die ik nog echt wil vieren, ben ik in Spoleto, een kleine, lieflijke stad, die me dierbaar is. Het zal er regenen, en kouder zijn dan hier, maar dat maakt niet uit. Het leven is er intenser; de natuur, die de stad lijkt te omhelzen, werkt dat in de hand. In die omgeving wil ik best wel ouder worden, come rain or shine. Ik zal over de Romeinse brug lopen, die Goethe in zijn ‘Italiaanse reis’ vol bewondering beschrijft, en aan de overkant waar kruiden en wilde bloemen groeien een heidens gebed bedenken. ’s Avonds wordt er goed gegeten, truffel is de specialiteit van de streek, en de wijn uit Montefalco lest bijzonder goed de dorst. Ja, na alle voorbije ellende, kijk ik er naar uit, zoals alle mensen die op reis gaan of vakantie nemen.

Meestal ben ik ziek alvorens ik op reis vertrek, maar nu niet. Nu is mijn zoon ziek en ligt hij in een hospitaal, met een onduidelijke aandoening. Maar het gaat beter met hem, bloedanalyses wijzen op niets kwaadaardigs, en hij eet weer. We houden contact en als zijn toestand toch zou verergeren ben ik vanuit Rome snel in Parijs. Maar zijn toestand zal niet verergeren, daar vertrouw ik op.

Het zal de eerste keer in mijn leven zijn dat ik niet ga stemmen. Maar lig ik er wakker van? Nee, niet echt. Ik lig van andere dingen wakker, onnoemelijke dingen, maar niet meer van de spektakelpolitiek. Politici willen ons almaar vrijheid verkopen, en andere leuke dingen, maar we weten heel goed dat we niet vrij zijn. Zelfs vogels zijn niet vrij, zong Bob Dylan al toen hij nog heel jong was. De enige vrijheid is de dood. Dat is geen pessimistische gedachte, integendeel: we zijn niet vrij, maar wel verantwoordelijk voor onze daden. Daarom zou ik, ondanks mijn wantrouwen en vaak zelfs afkeer van het politieke circus, zeker gaan stemmen. Mijn keuze was al gemaakt: ik zou voor de groenen stemmen, wellicht voor Ecolo hier in Brussel, of anders voor Groen!: het is het minste kwaad. Zij hebben een project voor de toekomst. De financiële belangen, die bij de andere partijen zo’n grote rol spelen, en het fascisme van de zwarte partijen zullen dat project natuurlijk proberen te dwarsbomen – maar we mogen niet berusten in hun donkere macht. Elke burger in dit land moet zich verzetten tegen het wilde kapitalisme, het ‘empire’, dat blind en boosaardig vernietigt wat mooi en kwetsbaar is. Er is niet veel verschil meer tussen de traditionele en de extreemrechtse partijen: zij hanteren stuk voor stuk een nationalistisch discours. ‘Eigen volk eerst’ is de onuitgesproken slogan geworden van bijna elke politicus die graag op televisie komt. Overigens blijven de media dit oprukkend nationalisme in de hand werken. Bijvoorbeeld in hun bewieroken van extreme nationalisten als Bart De Wever, de “intelligentste en meest geliefde politicus” van Vlaanderen. Ik geloof dat iemand als Bart De Wever nog schadelijker is voor dit land en voor onze toekomst dan om het even welke Vlaams Belang-politicus. Als je die mannen al politici mag noemen, demagogisch en demonisch als ze zijn.

Ik zou vooral voor de groenen stemmen, Nederlands- of Franstalig, omdat zij de solidariteit tussen alle bevolkingsgroepen belangrijk blijven vinden, en omdat zij begaan zijn met de toekomst van onze kleine planeet. Ik ben in een bepaald opzicht een voorstander van het Carpe Diem, maar niet tegen elke prijs. Doch ik ga niet stemmen, ik onttrek me aan mijn verantwoordelijkheid, ik ga de dagen plukken. De eerste keer in mijn leven.

Mogelijk bereik ik meer met deze tekst dan met het uitbrengen van alleen maar een eenzame stem? Hoochiekoochie is toch ongelooflijk populair! Ik heb over de hele wereld verspreid duizenden trouwe lezers! Laat me dat als troost, of excuus. En over veertien dagen ben ik terug om de mogelijke schade onder ogen te zien. De schade die extremisten mogelijk aan mijn dierbaar België hebben aangericht. Geniet alvast van de mooie, lange dagen! En vergeet eros niet, Dionysos, de liefde, het verlangen, de lust, de genoegens van de zomer. Carpe Diem!

Ω

Afbeelding: Jane Birkin plukt de dag. 

 

STEMMEN EN STEMMINGEN II

willem dafoe in light sleeper

Vreemd hoe de stem van de jonge John Cale bijna altijd gevoelens van euforie bij me weet op te wekken. Nu bijvoorbeeld met het nummer ‘Please’, een bonustrack op de onvolprezen eerste solo-elpee, ‘Vintage Violence’. Ik ben een stemmengek, daar heb ik al meermaals overgeschreven, maar ik besef nu dat het bij iemand als John Cale toch zeker ook om de melodie gaat, waar die euforie al in potentie in aanwezig is. Bij een andere stem, die mij ook telkens weer doet wegsmelten, die van Hope Sandoval, is het melodieuze even belangrijk.

Toch is melodie geen sine qua non om de stem een diepe indruk op mij te laten maken. Ik denk nu bijvoorbeeld aan Willem Dafoe, en met name aan de film ‘Light Sleeper’ van Paul Schrader. Telkens als ik die vrij middelmatige film – met een buitengewone acteerprestatie van Willem Dafoe – bekijk, krijg ik tranen in de ogen als ik de eenzame John LeTour aan een waarzegster hoor vragen of zijn geluk nu werkelijk opgebruikt is. Die tranen komen er niet alleen door de inhoud van die vraag maar ongetwijfeld ook door het timbre van Dafoes stem.
Na een voorstelling zag ik Willem Dafoe eens aan de toog van het kaaitheatercafé staan. Wat had ik hem graag aangesproken om hem te zeggen hoezeer ik hem bewonderde, maar ook om hem daar in dat café het woord tot mij te horen richten. Ik was echter te schuchter en bleef zitten waar ik zat.  En heel vaak als ik Mark Lanegan hoor zingen denk ik aan die scène uit ‘Light Sleeper’ terug, en krijg ik weer een krop in de keel. Mark Lanegan lijkt mij een even eenzame man als de fictieve John LeTour, en zijn stem lijkt wat op die van Willem Dafoe.

Bij mij moet de televisie altijd erg luid staan, zodat ik de nuances in het spreken van actrices en acteurs heel goed kan horen. Iets absurders dan een acteur wiens stem gedubt wordt kan ik me niet voorstellen. De – kennelijk autobiografische – monoloog die Marlon Brando afsteekt in ‘De laatste tango in Parijs’ van Bertolucci is zo broos en nog veel unieker dan een vingerafdruk dat wie die stem door een andere laat vervangen gevangenisstraf verdient. Ja ik ben toch wel een stemmengek.

Foto: Light Sleeper, Paul Schrader.

CAT POWER IN HET KONINKLIJK CIRCUS

rock,bob dylan,cat power,soul,eigenzinnig,brussel,koninklijk circus,recensie

Gisteren beleefde ik het genoegen Cat Power aan het werk te zien in mijn favoriete Brusselse concertzaal, het Koninklijk Circus. De voorbije dagen heb ik het al meermaals over koningen gehad, reden waarom ik dat nu nalaat. Ik voel me bovendien allesbehalve koninklijk en Cat Power is evenmin een koningin. Al dat gedoe met die titels kan me gestolen worden. Vandaag nog meer dan anders. Mijn huidige toestand – waterzuchtig – is van katachtige oorsprong. Cat Power, die volgens de roddelrubrieken de drank heeft afgezworen, is dan weer een doodgewoon soulmeisje, dat zich heerlijk eigenzinnig op een podium beweegt, niet bepaald katachtig, meer menselijk al te menselijk. Sommige soortgenoten schijnen daar problemen mee te hebben, las ik de voorbije weken en maanden in sommige teksten en blogs. Dat begrijp ik helemaal niet. Als het over – om maar eens een voorbeeld te noemen – Ryan Adams gaat heeft niemand daar problemen mee, ook niet als hij stomdronken over het podium strompelt en glazen stukslaat. Als Cat Power haar armen in de lucht steekt, voor zichzelf applaudisseert – terecht – of wat aan haar hemdje friemelt, fulmineert de ‘schrijvende’ goegemeente. Uitermate dom, vind ik dat, en echt iets voor ‘mannen’.

Ik houd van stemmen. Voor de stem van Cat Power ben ik naar het Koninklijk Circus gegaan – en ze heeft me niet teleurgesteld. Voor mij is ze, zeker qua frasering, voortaan de jongere zus van Bob Dylan. Haar begeleidingsband, de Dirty Delta Blues, met Judah Bauer op gitaar, Jim White aan de drums, Gregg Forman aan de toetsen en Erik Paparozzi op basgitaar, deed me meermaals denken aan de band die Bob Dylan begeleidde op Bringing It All Back Home en Highway 61 Revisited (uit 1965!). Helemaal die sound, dat scherpe kwikzilveren geluid, met toch een stevige basis in de ritmesectie. Soms gingen mijn gedachten ook wel naar the Small Faces (de latere Faces) en veranderde Cat Power in een vrouwelijke versie van Steve Marriott, ook een unieke en onvoorspelbare blanke soulzanger, een van de beste. Judah Bauer had bovendien heel wat geleerd van de rifpiraat bij uitstek, Keith Richards.

Laat ik dit zeggen: een zangeres die een concert inzet met Naked If I Want To, een song van de tweede beste Amerikaanse band uit de sixities, ik heb het over Moby Grapy, de beste was the Byrds, heeft niet alleen veel lef maar tevens een uitmuntende smaak. En dat eerste nummer zette de toon: gedurende het hele optreden waren de eigenzinnigheid en de pure emotie aan de macht. Aanstekelige grooves en een goed gevoel. Veel bekend werk uit The Greatest, oudere nummers, schitterende covers van ( I Can’t Get No) Satisfaction en These Arms Of Mine, een mix van soul en blues en luisterlied zoals alleen Cat Power die kan brengen. En daar bovenop die warme uitstraling en die heerlijke, eerlijke lichaamstaal van deze Southern Lady. Meer heb ik niet nodig om tot de zevende hemel te geraken. Koninklijker dan ik al was ben ik er echter niet door geworden. Aan degenen die zich storen aan het dansen van Cat Power raad ik een dansje aan in de stijl van Ian Curtis, dance dance dance to the radio!

Voetnoot (toegevoegd op 4 mei). Door een rare kronkel in mijn hersens (of ten gevolge van teveel pils) vergat ik in mijn korte lofzang van het Cat Power-concert het hoogtepunt te vermelden. Dat was zo goed als zeker haar doorleefde versie van Dark End Of the Street, een song van Dan Penn en Chips Moman. Haar versie was bijna even mooi als die van James Carr en overtrof die van the Flying Burrito Brothers, en dat wil veel zeggen.

STEMMEN, STEMMINGEN

huppert

In boeken, films, toneelstukken, ga ik zelden of nooit op zoek naar structuren. Ik laat me liever meeslepen door het narratieve, en betoveren door woorden, zinnen, beelden; af en toe zie ik een symbool en blijf dan even stilstaan bij de betekenis. Maar meestal glijd ik over de oppervlakte verder. Ik houd van originele uitdrukkingen en ‘echte’ dialogen. Ik houd van films waar (bijna) niets in gebeurt; een mooi voorbeeld is In The Mood For Love van Wong Kar Wai. Natuurlijk gebeuren er wel allerlei dingen in die film, maar ik bedoel: er wordt niet geschoten, gevochten, gemoord, men loopt niet met grote machinegeweren rond, er verschijnen geen groene monsters, niets van dat alles. En ik kan dat allemaal missen. De films van Rohmer zijn ook een mooi voorbeeld. Daar wordt vooral in gepraat, en, vaak via de woorden, verleid. La collectioneuse, Le genou de Claire. Of de vele uren durende films van Jacques Rivette, zoals La belle noiseuse, over een schilder en zijn model. De schilder blijft aan de oppervlakte van zijn model, haar huid, haar ogen. Ja, haar ogen, de ogen van Emmanuelle Béart, een van de mooiste vrouwen van de wereld.

Ja, ik blijf ook graag aan de oppervlakte. Ik ben geen intellectueel, wel een moreel mens. Ik denk en handel intuïtief. Ik hoef niet diep te graven om te weten wanneer iets verkeerd is, wanneer een mens slecht is. Is het een zesde zintuig? Alleszins weet ik meestal van een moreel slechte mens dat hij een moreel slechte mens is. Aan een kunstwerk zie ik ook vaak of het echt is of fake, zonder er eerst over te lezen. Het is wel prettig om er achteraf wat over te lezen. Om te vernemen wat ik nu eigenlijk heb gezien. Wat betekenden die rozen op de achtergrond, of die dode vogel op de voorgrond? Maar ik moet die betekenissen niet noodzakelijk allemaal kennen om van een werk te kunnen genieten. Ik ben geen intellectueel, ook al staat mijn kamer vol boeken en liggen ze nu al in stapels op de vloer en op de tafeltjes. Ik lees die boeken ook wel, maar louter voor het plezier van de tekst, voor het genot. Wijzer word ik er niet van, geloof ik. Ik blijf altijd dezelfde naïeve dromer. I don’t want to lose that teenage feeling. Het enthousiasme moet blijven, als dat er niet meer is, hoeft het voor mij niet meer. Ach, ik zal wel een hedonist zijn. Zou ik dat erg moeten vinden?

Ik houd ook zo van stemmen. Stemmen van actrices en acteurs in films. Delphine Seyrig in Le jardin qui bascule, die van Sami Frey in dezelfde film, de stemmen van Caroll Baker en Jean Simmons in The Big Country, de stem van Jean-Pierre Léaud in de Antoine Doinel-films van Truffaut. De stem van Arletty in Les Enfants du Paradis. De stem van Isabelle Huppert in La pianiste (en in alle andere films waar ze in meespeelt). De stem van Bruno Ganz in Der Amerikanische Freund. De stem van Willem Dafoe in Light Sleeper. De kinderstem van Brandon DeWilde in Shane. (Brandon DeWilde was later een goede vriend van Gram Parsons, en stierf net zoals zijn vriend op jonge leeftijd, zij het in zijn geval niet van de drugs maar in een auto-ongeval). Marlon Brando’s stem in Last Tango In Paris, in On The Waterfront. Sissy Spaceks verhalende stem in Badlands, die van Linda Manz in Days Of Heaven. Wat zou er met Linda Manz gebeurd zijn? Nooit meer iets van gehoord. Sam Shepard – in Days Of Heaven een man van weinig woorden – leeft alleszins nog. Hij speelt zelfs mee op de nieuwe cd van Patti Smith, nog zon’ bijzondere stem. Ja, natuurlijk ook de stemmen van zangers en zangeressen. De stem van Bob Dylan in Just Like Tom Thumb’s Blues. Die van Kris Kristofferson in Me And Bobbie McGee. De stemmen van The Be Good Tanyas. De stem van Chan Marshall. De stem van Eleni Mandell, de mooie stem van Françoise Hardy. De stem van Aretha Franklin in Try Matty’s, die van Billie Holiday in I Cover The Waterfront. De fictieve stemmen van Tess, Madame Bovary en Anna Karenina. De goddelijke stem van Teresa Salgueiro. Goddelijk bij wijze van spreken. Duizenden stemmen, miljoenen stemmen. Een oneindig aards en hemels koor dat over de aardse en hemelse liefde zingt en over een eeuwigdurend Pasen, een eeuwigdurende Summer of Love.

Foto: Isabelle Huppert.

WAAROM KIEZEN MENSEN ERVOOR OM VERBLIND EN ONDERDRUKT TE WORDEN?

De politieke wereld heeft het graag over anti-politiek in verband met burgers die op extreemse-rechtse partijen zoals Vlaams Blok en Front National stemmen. Maar zou je van mensen die anti-politiek denken niet verwachten dat ze reikhalzen naar echte politiek, naar meer politiek, gemeenschap, gemeenschapszin, een werkelijke ‘polis’, etcetera, dat ze vooral behoefte hebben aan een uitgesproken, duidelijke, transparante democratie? Dat ze verlangen naar politici en politiek met een menselijk gezicht. Mensen met ogen in en oren aan hun hoofd.

Waarom zouden mensen die zich afkeren van de traditionele partijen (inderdaad traditioneel, ook al hebben ze, zoals de banken, hun namen veranderd) stemmen voor anti-politieke partijen bij uitstek? Partijen waarbij het alleen maar om negativiteit en naakte macht gaat, partijen bevolkt door anti-politici, heerschappen die nog nooit naar de woorden van een ‘gewone’ – en zeker niet van een ‘ongewone’ – mens hebben geluisterd en die geen enkel besef hebben van wat het is in de wereld te zijn en zorgen te hebben. Waarom zouden zulke zogeheten anti-politieke burgers hun stem geven aan degenen die precies belichamen wat zij vrezen, aan degenen die hen een ‘ideologie’ willen opdringen van wreedheid, haat, afgunst en een absoluut onbehagen in de cultuur?