INFERNO, CANTO XXXIII

ugolino-2.jpg

Ruggieri degli Ubaldi, aartsbisschop van Pisa en leider van de Ghibellijnen in die stad, bracht graaf Ugolino della Gherardesca, uit dezelfde stad, verraderlijk ten val. In 1288 liet de aartsbisschop Ugolino met zijn twee zoons, Gaddo en Uguccione, en zijn twee kleinzoons, Brigata en Anselmo, opsluiten in de klokkentoren van het Palazzo dell’Orologio. Daar kwamen alle vijf van honger om. Deze tragische geschiedenis vertelt ons Dante in de drieëndertigste zang van ‘de hel’ in zijn ‘Goddelijke Komedie’. Kunnen we ons de eeuwigheid voorstellen? Zo lang kauwt in de tweede regio van de negende kring Ugolino aan de schedel en de nek van aartsbisschop Ruggieri:

Dante en zijn gids Vergilius

… gingen heen en zagen met ontzetting
twee schimmen, in een bijt zo vastgevroren,
dat de een z’n hoofd tot hoed voor ’t andere strekte.
En evenals men brood verslindt bij honger,
zo beet die boven lag gestaag in de andere,
waar nek en hersenpan zich samenvoegen.

Ik weet niet waar ik het vandaan haalde, maar vroeger dacht ik dat Ugolino van het levend vlees van zijn kinderen en kleinkinderen had gegeten. Waarom zat de graaf anders zo diep in de hel; was dat dan slechts de straf voor zijn wraakzucht?

Bij Dante vraagt een van de kinderen zelf om de vader tot voedsel te dienen:
‘O, vader, minder, minder werd ons lijden,
als ge at van ons; hebt gij ons eens omhangen
met dit armzalig vlees, neem gij ’t ook weder.’

De vader weigert daar uiteraard op in te gaan en ziet de kinderen vervolgens de een na de ander sterven. Daarna gebeurt dan toch het onuitsprekelijke, dat Dante desondanks onder woorden brengt:

En blind reeds, zocht ik ze één voor één te strelen
en riep ze nog drie dagen na hun scheiden.
En sterker dan de smart bleek toen de honger.

Kennelijk was mijn verbeelding gruwelijker dan de werkelijkheid, of toch zeker gruwelijker dan de verbeelding van Dante. Ruggieri had wel van het vlees van zijn kinderen en kleinkinderen gegeten, maar pas na hun dood en na dagen van diepe smart. Is dood vlees van je kinderen eten minder erg dan als het nog levend is? Wie zal daarover oordelen? Het is kannibalisme van de ergste soort, de overschrijding van een grens die niet eens zou mogen bestaan, het doorbreken van een taboe dat zwaarder weegt dan wat Oedipus deed.

In zijn gedicht ‘The Tower Of Famine’ verwijst Percy Bysshe Shelley, die samen met zijn vrouw Mary Godwin en Claire Clairmont enige tijd in Pisa woonde, zijdelings naar de gruwelen. In een voetnoot van Shelley (of van Mary, dat is onduidelijk) lezen we het volgende: “At Pisa there still exists the prison of Ugolino, which goes by the name of ‘La Torre della Fame’; in the adjoining building the galley-slaves are confined. It is situated near the Ponte al Mare on the Arno.”

De Shelleys en Claire Clairmont woonden aan de Lung’Arno Galileo Galilei op de bovenste verdieping van  wat Tre Palazzi di Chiesa heette, met uitzicht op de Ponte Fortezza. Door hun ramen konden ze Lord Byrons Palazzo Lanfranchi zien, aan de overkant van de Arno. Maar op die romantische geschiedenis, hoewel heel wat boeiender dan Witse, ga ik hier niet dieper in. Later misschien. Ik heb er veel notities over. In de jaren zeventig was ik verslingerd aan de romantische beweging en de vrije liefde. Meermaals ben ik in die dagen naar Pisa en Firenze gelift.

Dat is allemaal lang geleden, nu lijken alle minuten, alle dagen op elkaar. Borges echter, of zijn personage Villari, beweert in het verhaal ‘Het wachten’ “dat er geen dag is, zelfs niet in de gevangenis of het ziekenhuis, die geen verrassing brengt, die tegen het licht gehouden geen netwerk vol piepkleine verrassingen vormt.” Niet toevallig speelt ook in dat verhaal de ‘Divina Commedia’ een rol. Villari, die aan hevige tandpijn lijdt, begint “stelselmatig in dat kapitale werk te lezen; voor het eten las hij een canto en vervolgens, in strikte volgorde de noten. Hij achtte de helse pijnen niet onwaarschijnlijk of buitensporig en dacht niet dat Dante hem zou hebben veroordeeld tot de laatste kring, waar Ugolino’s tanden onophoudelijk knagen in Ruggieri’s nek.”

ugolino-doré.jpg

En zo blijkt weer dat alles met alles samenhangt en vooral dat het aantal verhalen eindeloos is. Maar de werkelijkheid? Net zoals er nog resten bestaan van Ugolini en zijn kinderen – ze werden opgegraven – bestaan er nog resten van de Gherardesca-familie. In 2002 voerde de paleoantropoloog Francesco Mallegni DNA-testen uit op de dode resten en vergeleek ze met het levende DNA van de nazaten. Het onderzoek leverde geen enkel bewijs voor kannibalisme. Het toont zelfs aan dat Ugolino in de maanden voor zijn dood helemaal geen vlees at. Bovendien was hij stokoud: hoe kon hij langer in leven blijven dan zijn kinderen en kleinkinderen?

Ω

Geraadpleegde werken:

Dante, De goddelijke komedie (vertalingen van Christinus Kops en Frans van Dooren), De Nederlandsche Boekhandel, Ambo Olympus

Dante, La divine comédie. Index. Avec une introduction à la Bibliographie Dantesque, par Alexandre Masseron, Editions Albin Michel

Shelley, Poetical Works, Oxford University Press

Richard Holmes, Footsteps: Adventures of a Romantic Biographer, Hodder and Stoughton

Jorge Luis Borges, ‘De Aleph en andere verhalen’, De bezige bij

IMG_9724.JPG

Tekeningen: Gustave Doré

Foto Pisa, Piazza dei Cavalieri, Palazzo dell’Orologio: Martin Pulaski, juli 2014

 

 

TERUG NAAR VERONA

Verona_Italy_San_Anastasia.JPG

“Schrik onttrekt de levenssappen aan het bloed.”
Giacomo Casanova

Vreemd is het je duizelig te voelen als je al in bed ligt. Het overkomt me vaker. Daarom hoeft het niet te verbazen dat ik de voorbije nacht in die gesteldheid lag te lezen in ‘Duizelingen’ van W.G. Sebald, alweer een magistraal boek. Mijn duizeligheid en koorts hebben niets te maken met de titel van het werk of de toestand van de verteller. Ik weet niet wat er met me aan de hand is en misschien wil ik het ook niet weten. Het is iets periodieks, zoals maanziekte, en begint met een koortsaanval, hoofdpijn en, na anderhalf uur slaap, overvloedig transpireren. Meestal duurt het een tweetal dagen, ik voel me dan zwak, moe en moet me erg inspannen om te kunnen lezen. Gelukkig ben ik al altijd hersteld van zulke toch enigszins beangstigende aanvallen.

Los daarvan is het werk van Sebald toch ook al duizelingwekkend. Ongeveer elk woord of toch elke zin die erin voorkomt geeft me zin in iets. Lees ik de naam van een Weense straat wil ik daar ook ronddolen of verdwalen; een nummer van een bepaalde tramlijn geeft me goesting om in die tram te zitten; ik wil opnieuw naar Venetië, niet zozeer uit nostalgie, bijvoorbeeld naar de hotels waar ik ooit verbleef, maar naar de plaatsen en vervoermiddelen die Sebald vermeldt, zoals een bar aan de Riva degli Schiavoni, of een boot die voorbij het eiland vaart waar de lijken worden verbrand, “een doodstil betonnen gebouw onder een rookpluim”, en later wil ik er de volledige memoires van Casanova herlezen, niet alleen het deel over zijn ontsnapping uit de Piombi*.

1977-munchen 001.jpg

Soms komt er wel nostalgie naar boven. Als Sebald (of de verteller) zijn treinreis van Wenen naar Venetië beschrijft, meer hallucinatie dan waarneming, denk ik zelf terug aan een nacht op de trein van München naar Verona (op weg naar Rome via Pisa en San Giuliano). Veel details herinner ik er mij niet van, alleen dat het in juli 1977 was. Ook zie ik meteen de groene kaft van Aeschylus’ ‘Tragediën” voor me, waarin ik die nacht heb zitten lezen. Wacht, ik ga het boek even zoeken. Ik zie nu dat ik veel onderlijnd heb in ‘Prometheus geboeid’. Zoals

“Want in de tirannie zit deze ziektekiem
Dat zij zelfs in haar vrienden geen vertrouwen stelt.”

aeschylus 001.jpg

Nu herinner ik me eveneens dat Aeschylus in mijn rugzak zat omdat ik in die periode Shelleys ‘Prometheus Unbound’ aan het bestuderen was. Soms dommelde ik in en droomde van de mooie Antwerpse meisjes, waarbij het geschommel van de trein nogal wat lustgevoelens bij me opwekte. Eens de zon was opgekomen, omstreeks halfzes, zag ik voor het eerst het betoverende landschap van Noord-Italië; de wild stromende Adige liet mijn aandacht niet meer los tot de trein het station van Verona binnenreed. Het was nog vroeg toen ik mijn intrek nam in hotel Aurora. In die tijd reserveerde ik nog geen kamers maar ging op goed geluk op zoek naar een betaalbaar verblijf. Dit hotel, of misschien was het een albergo, trok me meteen aan omdat het dezelfde naam had als het filosofisch tijdschrift waar ik in die dagen voor werkte. Omdat de kamer nog niet vrij was maakte ik een wandeling naar het Palazzo Giusti, met de bijzonder mooie tuin in late renaissancestijl. Ik vermoed dat ik over de tuin gelezen had bij Goethe of het kan ook bij Nabokov geweest zijn (in wiens labyrint ik in die jaren opgesloten zat).

1977-verona 001.jpg

1977-verona2 001 (2).jpg

Het vreemde is dat ik bijna niets bewaard heb van dat verblijf in Verona en er ook niets over heb geschreven. Het enige** wat ik nog bezit is een stadsplan en toegangsbiljetten – van mij en mijn levensgezellin, met wie ik deze, en tientallen andere reizen maakte – voor de Giardino Giusti, identiek dezelfde als de kopie ervan in het boek van Sebald. Alleen de nummers verschillen – en alleen daaruit zou je kunnen afleiden dat ik er eerder geweest ben dan de Duitse auteur (of de verteller van het verhaal). En zo kom ik vanuit een nostalgische dagdroom toch weer bij de zinnen van de schrijver uit, die me zo’n zin geven in alles. En zo stel ik vast dat je nooit uit het labyrint ontsnapt, hoeveel je ook aan de Minotaurus offert, hoezeer ook Ariadne je genegen is.

Ω

*Deel vier van de uitstekende Nederlandse vertaling door Theo Kars.

** Alleen deze wat infantiele notitie, geschreven tijdens of na een bezoek aan Sant’Anastasia: “Marmer dat nog tot leven komt… Het is warm, de huizen schitteren, trillen als klinkers. Het volk is moe en lacht en hoest. In Sant’Anastasia gaat het bidden door, je hoort de echo van een oudere tijd, bijna zoals die van het water in de Adige. Maar in tegenstelling tot dat kalmerend geruis heeft het bidden een macabere klank. Niet eens de klank van wapengekletter, en zeker niet van stroomversnelling of waterval. Is het niet de klank van mensen die sterven gaan?”

PRETTY FRAULEIN – EEN GEDICHT IN PROZA

Opgedragen aan Townes Van Zandt

Het begon allemaal moeilijk. Je moest bewijzen dat je de woorden bezat. Ideeën reikten in de tijd tot voor Socrates. Boeddha’s volgelingen reden op hun rode motorfietsen naar Italië, tot helemaal in Rome, bezochten daar Caracalla’s baden, en Cinecittà in een vuile buitenwijk. Het hart van Percy Shelley rustte voor eeuwig in een boek van zand en zaad, lag begraven onder een maansteen in de Pisaanse heuvels, waarop je de liefde bedreef voor de mooie ogen van de soldaten. Pretty Fraulein!

Oog in oog met de vijand van het verdriet viel eenvoud over je land, hand en woordenschat. ‘Van een blik tot een moord’, (Zwart Beertje), kon hier nu in, net zo goed als ‘On the road (again)’, je Plechtige Communie en de hele mikmak van je uiteengespatte, verspilde leven.

Dat je er toch nog iets schoons van maakt! Dat je hogerop geraakt. Tussen zwervers, protestanten, goochelaars en beambten. Tussen komedianten die aangenaam je tijd verdrijven. En al het zachte dat er is zul je nog geduldig tot je nemen. Tot de laatste dag komt, tot de eindeloze en verblindend parelende nacht.