NACHTEN AAN DE KANT 15 : IN HET PANNENHUIS

1980leoflortequila

De opening van Termen, de tentoonstelling van Leo Steculorum in het Pannenhuis, was een succes. Over Leo’s werk kan van mening worden verschild, maar over de sfeer en vooral het plezier dat we hadden, is dat moeilijker. De meeste van de vrienden die er waren leken, achteraf en nuchter beschouwd, op grote ernstig spelende kinderen. Het gebeurt nu wel vaker dat ik me in het café van Toulouse en Greta feestelijk begin te voelen. Het is een plek waar je elkaar ontmoet om te praten en te discussiëren, om van mening te verschillen. Om te zwijgen, te lezen. En om te drinken: dat is waar kunstenaars, dichters en schrijvers misschien nog het beste in zijn. Jazeker, wij excelleren in dronkenschap en euforie, mijnheer de minister, en soms in wanhoop.
Voor ik in de mist verdwaalde praatte ik met Paul Rigaumont over schilderen en kritiek. Het komt erop aan zelfvertrouwen te hebben, en door te gaan met het werk, zei Paul. Kunstkritiek leek ons eerder overbodig en in ieder geval voor wie zich ermee inlaat een hachelijke onderneming. We hadden het over Elias Canetti, die daar in Macht en Massa gevat over schrijft:
“’Een slecht boek’, zegt iemand, of ‘een slecht portret’, en hij neemt een air aan alsof hij iets ter zake kundigs zegt. In ieder geval verraadt zijn gezicht daarbij dat hij het graag zegt. Want de vorm van de uitlating is bedrieglijk, en ze gaat zeer spoedig in een persoonlijke over. ‘Een slecht dichter’ of ‘een slecht schilder’ wordt al gauw gezegd, en het klinkt alsof men zegt ‘een slecht mens’. Overal heeft men de gelegenheid bekenden, onbekenden en zichzelf bij dit proces van veroordelen te betrappen. Het plezier in negatieve beoordeling is altijd onmiskenbaar. Het is een hard en wreed plezier, dat zich door niets laat afschrikken.”
Ik denk dat ik nog veel van Kafka zou kunnen leren, zei ik. (Onze gesprekken verliepen vaak associatief. Elias Canetti heeft namelijk in Het andere proces over de brieven van Franz Kafka aan Felice Bauer geschreven.) Maar ik durf hem nu niet te lezen, ging ik verder, zeker zijn dagboeken en brieven niet. Veel te gevaarlijk. Waarom niet, vroeg Paul. Omdat hij me te zeer zou beïnvloeden. Je weet toch hoe ik ben? Daar moet je niet bang voor zijn, zei hij. Dat is bijgeloof. Je hebt je eigen stem.

Dominique was net terug uit Moskou. Daar was het pas koud, -45 graden. Hij heeft op straat mensen gezien van wie de neus afgevroren was. Dat kan niet, zei ik. Toch wel, zei Dominique. In Moskou is dat niet zo uitzonderlijk. Eerlijk gezegd kreeg ik het koud van naar hem te luisteren en ging daarom bij Greta nog een glas bier bestellen. Een van de voordelen van het Pannenhuis was dat je daar pas je rekening moest betalen als je er geld voor had. Meestal deed ik dat meteen nadat ik mijn uitkering getrokken had. Een dag of zo later was het daarvoor alweer te laat.

francis bacon 2

Ondanks zijn verlegenheid en zijn afkeer van vernissages is Giuseppe ook even komen kijken. Veel drukte om niets, leek hij te denken, maar als hij dat al deed zei hij er alvast niets over. Wel over Francis Bacon. Ik had hem een paar dagen tevoren voorbereidend werk voor een stuk over die schilder laten lezen. Dat heb ik geschreven toen ik nog in Sint-Joost woonde, in een periode dat ik ongeveer twee, drie uur per nacht sliep. Overdag werkte ik in een boekwinkel. Je stond op het punt waanzinnig te worden, denk ik, zei Giuseppe. Dat is zo, wat een paranoia was dat, zei ik. Daarom heb ik je die dingen laten lezen. Zo zie je dat wat ik nu schrijf lang zo gek niet meer is. Ik noem het studies voor een portret van Francis Bacon. Eigenlijk ging het tegelijk over de filosoof Francis Bacon. De Lord Chancellor, aan wie door sommigen het werk van Shakespeare wordt toegeschreven, vroeg Giuseppe. Precies, zei ik. Weet je hoe hij aan zijn eind kwam? Hij liep een longontsteking op toen hij een bevroren kip aan het bestuderen was. Kennelijk hadden nogal wat bacteriën het invriezen overleefd. Giuseppe lachte. Gooi dat voorbereidend werk van je maar in de vuilbak, zodat geen mens het te zien krijgt, zei hij. Ik kan niets weggooien, helemaal niets, zei ik. En zeker niet mijn beschrijving van de Stront-Man van Onan op het Drieluik van 1973. Het is allemaal even overdreven, vergezocht, nodeloos ingewikkeld en vooral bombastisch. Daar heb je gelijk in. Ik had slaap nodig, rust, rust, rust. Ik las wel enkel schitterende vondsten, zei Giuseppe. Ik herinner mij er nu twee, vervolgde hij: “De onschuldige grijns van Calabazas”, en “Een zevental schakeringen van amarant”. Haal de evenwichtige en bruikbare zinnen of paragrafen eruit en gooi de rest weg, zei Giuseppe. Nee, wie weet dat ik er later nog iets mee kan doen, zei ik. Later, later, er is alleen maar nu, zei hij, en met die woorden muisde hij er tussenuit. Er tussenuit muizen, dacht ik, dat moet ik onthouden.

Met Renée Strubbe had ik het over Proust lezen. Wat een ernstige gesprekken op zo’n feest, stel ik nu vast. Ik vertelde haar dat ik mij van de vroege ochtend tot de late avond niet meer inlaat met literatuur. Het zijn niets dan leugens, zei ik. Je overdrijft, Martin, zei Renée. Ja, dat komt door de drank, zei ik. Zodra de avond valt, ging ik verder, laat ik mij de letterkundige leugens weer welgevallen. Zeker als ik Proust lees voel ik nog een zeker welbehagen. Maar het gebeurt wel eens dat ik ’s avonds te uitgeput ben om nog te lezen. Dan leest Senga voor en dat doet ze zo goed. Vandaar dat welbehagen, zei Renée. Senga heeft een mooie stem, zei ze. Mijn nachtvoorlezeres, zei ik. Ik begin hoe langer hoe meer te geloven dat het lot onherroepelijk is, zei Renée. Enkele jaren geleden had ik me onmogelijk kunnen indenken dat ik ooit fatalist zou worden, nu vraag ik me af of ik dat al niet een hele tijd ben. Ik leg me neer bij de onvermijdelijke gang van zaken in de wereld, zei ze. Terwijl ze die woorden uitsprak lachte ze alsof ze iets heel grappigs vertelde. Je moet je daar tegen verzetten, zei ik. We zijn vrije mensen, en zelfs als we het niet zijn moeten we doen alsof we het zijn. Dat is listig, zegt Renée. Misschien wel, zei ik. Kom laten we nog iets bestellen.

Toen het termenfeestje in het Pannenhuis op zijn einde liep zijn Senga en ik met Leo Steculorum en Wout Vercammen kip met frieten gaan eten in het Kiekenkot. Het was mijn eerste kennismaking met Wout. We waren allemaal dronken maar ik was nog helder genoeg om vast te kunnen stellen hoe negatief en verbitterd hij was. Niets of niemand vond genade in zijn ogen. Hij leek mij de verpersoonlijking van het absolute nihilisme. Zijn woordenstroom, een aaneenschakeling van vervloekingen en verwensingen, liep echter over een bedding van gevoeligheid en kwetsbaarheid. Je ziet die bodem in zijn blik, ook als hij opeens iets vrolijks zegt, of diergeluiden maakt. Gaandeweg heb ik Wout leren kennen als een heel lieve man. Het is mede dank zij hem dat ik samen met Max Borka een programma ben gaan maken bij Radio Centraal, nu zevenendertig jaar geleden.

Afbeeldingen: Francis Bacon alias Baco van Verulam; Leo Steculorum en Flora Van Tendeloo circa 1980.

 

NACHTEN AAN DE KANT 13: VAN GROOT ONGENOEGEN EN GELUK

jos-matti1 (2)

6 augustus 1978. Vrijdagavond ging ik bij Giuseppe aanbellen. Er brandde licht maar voor de rest geen teken van leven. Opeens werd ik bang. Er was toch niets ergs gebeurd, met Giuseppe weet je maar nooit. Wat kon ik doen? Ik ben dan maar het hele eind tot bij Job gelopen. Het zal wel niets ergs zijn, zei hij, maar laten we toch nog maar eens gaan kijken. Giuseppe bleek nogal diep geslapen te hebben, nu was hij wakker. Job was moe en is naar huis teruggekeerd.
Hoe konden wij van deze avond nog iets maken? Naar de bioscoop? We waren nog net op tijd voor The Last Waltz, de film van Martin Scorsese over het afscheidsconcert van the Band, met onder meer Bob Dylan, the Staple Singers, Muddy Waters en Ronnie Hawkins. De eerste geslaagde film over rock-‘n-roll, vonden we. Neil Young heeft iets van een vampier en brengt een nagenoeg perfecte versie van Helpless. Van Morrison, klein van gestalte maar één brok dynamiet die elk ogenblik kan ontploffen. Wat deed Neil Diamond in deze film, Giuseppe? Daar vraag je mij iets, Martin.

Na The Last Waltz liepen we naar ’t Groot Ongenoegen, waar we rustig hebben zitten praten zonder dit keer al te veel te drinken. Giuseppe vindt mijn proza lang niet toegankelijk genoeg. Over een experimentele tekst als Stasis is hij niet te spreken. De titel alleen al… Wat betekent dat eigenlijk, Stasis. Het tegengestelde van Anastasis, zeg ik voor de grap. Stilstand, alles zit vast, je kunt niet vooruit en niet achteruit, voeg ik eraan toe. Flauwekul, Martin, je moet eenvoudiger gaan schrijven, man. Hoe vaak moet ik dat nog herhalen? Waarom luister je niet naar de raad van je beste vriend? Je bent toch een bewonderaar van Walt Whitman? Deze verzen uit The Sleepers vind ik heel mooi:
I go from bedside to bedside, I sleep close with the other sleepers each in turn,
I dream in my dream all the dreams of the other dreamers,
And I become the other dreamers.”
Heel mooi, Giuseppe, maar dat was in de negentiende eeuw. De wereld was toen nog niet zo ingewikkeld. En ik denk dat Whitman een evenwichtig man was. Hoe kan ik zo eenvoudig gaan schrijven, Giuseppe? Ik ben geen eenvoudig man. Ik ben een complex iemand. Mijn bestaan is problematisch en ronduit chaotisch, ook al leef ik een schijnbaar geordend bestaan. In mijn hoofd is het een gevecht van jewelste tussen dagdromen, verlangens, twijfels, angsten, noem maar op. Moet ik die chaos dan niet aanvaarden? Moet die geen uitdrukking vinden in wat ik schrijf? Giuseppe, ik besef dat mijn werk moeilijk te doorgronden valt, maar ik kan niet anders. Als maar weinigen het snappen is dat jammer. Natuurlijk zou ik wel een publiek willen bereiken, maar niet tegen elke prijs. Niet door mezelf te verraden. Ik wil mijn eigenheid niet opgeven – ook al is die niet vast omlijnd – om op die manier in de smaak te vallen bij een groter publiek en bij uitgeverijen. Bijgevolg schrijf ik voorlopig voor mijn vrienden, nee, voor al degenen die een inspanning willen doen om tot de kern van wat ik wil zeggen door te dringen. Zolang ik dat kan volhouden. Wie van mij schone letteren verwacht zal geduld moeten oefenen. Je loopt nog eens met je hoofd tegen de muur, Martin, zegt Giuseppe. Er zijn best wel wat hedendaagse auteurs die net zo goed in jouw complexe wereld leven en toch heldere verhalen schrijven. Ik denk nu aan Patrizio Canaponi. Maar er zijn er nog. Je weet hoe verknocht ik ben aan Jan Arends. Als dat niet eenvoudig is. Ik houd niet / van bloemen. // Ik heb nooit / een korrel aarde / bezeten. // Ik wortel niet / in de grond. // Mijn bestaan / is ontkend. // Hoe moet ik dan / van bloemen houden? Daar heb je gelijk in, zeg ik. En dan valt er een lange stilte.

2018-04-11-aurora 018

Later staan we in een hoek van Cinderella’s Ballroom recht onder een grote luidspreker en daar proberen we over onze lievelingsfilms te praten. We moeten in elkaars oor schreeuwen om iets te begrijpen. Jacques Rivette. Miklós Jancsó’s Rode Psalm. Repulsion. Sisters van Brian De Palma. She is watching the detectives / When they shoot, shoot, shoot, shoot /  They beat him up until the teardrops start / But he can’t be wounded ‘cause he’s got no heart. Johnny Guitar. Ja, geweldig, met Joan Crawford. When you boil it all down, what does a man really need? Just a smoke and a cup of coffee.. Sterling Hayden. Wat een sexy meisje daar! War amongs’ the rebels / Madness, madness, war. Hé, Linton Kwesi Johnson. Nee, ik dans niet. Napoléon van Abel Gance. Vampyr. De eerste vampierfilm. De vuisten in de zakken. Van wie? Marco Bellocchio. Le Père Noël à les yeux bleus. Jean Eustache. Wat mis ik het Filmmuseum, Giuseppe. Right outside the Rainbow / Inside James Brown was screamin soul / Outside the rebels were freezin’ cold / Babylonian tyrants descended / Bounced on the brothers who were bold. Luister, een Walt Whitman van vandaag, Giuseppe. Linton Kwesi Johnson. Im Lauf der Zeit zag ik pas op televisie. Meesterwerk. Ik kan niet nadenken met die dub. Laten we ergens anders gaan. Mouchette. Les enfants du paradis. Nee, het is te laat. Tijd voor bed. Naar die Garance van mij.

Omdat de zon al op is ga ik nog even in ons tuintje naar de bloemen kijken. Voor een keer dat ik niet dronken ben. De calendula’s ontluiken, de reukerwten ook; de korenbloemen zijn haast uitgebloeid; de zonnebloemen, de azalea’s en de asters laten op zich wachten. Als ik daar zo sta te kijken overvalt mij weer zo’n ongewoon en zeldzaam intens gevoel. Het is de zon. Ik kijk omhoog. Daar is de hemel die ons allemaal met elkaar verbindt. And I become the other dreamers. De lucht blauwer dan ooit. Delicaat licht blauw. Opeens zie ik de bloemen zoals ze werkelijk zijn, hun diepe, felle en toch ook zachte kleuren, hun wonderlijke vormen; gedichten van de aarde voor de hemel en de zon. Senga is inmiddels naar buiten gekomen en omhelst me nu. We kussen elkaar, ik ben gelukkig.

Afbeeldingen: Giuseppe (Jos D.) omstreeks 1982; Aurora, tijdschrift van de filosofische kring Aurora.

NACHTEN AAN DE KANT (10): BLOED

marc+ik-1974

Eind januari 1978. Marc Didden staat onaangekondigd voor de deur, wat niet ongewoon was: bijna niemand van ons had in die tijd telefoon. Toch was ik verrast, vooral omdat we elkaar al lange tijd niet meer hadden gezien. Ooit waren we de beste vrienden: we zaten middagen lang over muziek te praten en jasmijnthee te drinken, gingen samen naar concerten in Théâtre 140 en Vorst Nationaal, zongen liedjes van the Kinks, the Rolling Stones en Creedence Clearwater Revival wandelend in het Zoniënwoud. Nu staat Marc, ondertussen een gerespecteerd popjournalist, in mijn werkkamer met uitzicht op de winterse Zurenborgse tuintjes, nog wit van de nachtelijke vorst. Mooie kamer heb je hier, zegt hij. En waar ben je zoal mee bezig? Ik blijf het antwoord schuldig. Wat ik doe kan ik moeilijk in woorden vatten. Het is allemaal één lang onderzoek, één lang experiment, één lange droom van proza en poëzie. Met cesuren van dansen en alcohol, met uppers voor de concentratie en downers om te kunnen slapen. Hoe leg ik dat uit aan mijn oude vriend? Dit ontregelend werken op weg naar een uitweg uit het labyrint? De mythe van Theseus en Ariadne? Nee, dat is te hoogdravend. Te weinig Bo Diddley en Chubby Checker, te weinig Keep On Chooglin’.
Later zitten we op de begane grond in de immense, betegelde keuken die tegelijk ook living en dansvloer is. Deze ruimte is niet onderkelderd: je mag er met je voeten stampen en springen, dat maakt allemaal niet uit. Uit de luidsprekers Mink DeVille’s eerste langspeelplaat, Cabretta. De muziek van Willy DeVille en zijn band is zowel verleden als toekomst. Het is geen punk, het is geen new wave, maar het is zeker niet het gnoomachtig gepriegel van bands als Yes en Emerson, Lake & Palmer. Mink DeVille is rock-‘n’-roll van nu, soul van nu, rhythm and blues van nu. Hoor je die sound, Marc, dat is het werk van de onovertroffen Jack Nitzsche. Marc kent Jack Nitzsche nog van weleer, van de Phil Spector sound, van Crazy Horse. Hij was de man achter het betoverend mooie arrangement van Neil Young’s Expecting To Fly, terug te vinden op Buffalo Springfield Again. We praten over Talking Heads, Blondie, Sex Pistols, the Clash, wat we als hoopgevende ontwikkelingen in de popmuziek beschouwen. Ken je the Stranglers, vraag ik hem. Nee, zet eens op, zegt hij. Met songs als Hanging Around, Peaches en (Get A) Grip (On Yourself) vond ik Rattus Norvegicus toen geweldig. Sindsdien is mijn liefde voor dat album bekoeld. Ondertussen drinken Marc en ik Southern Comfort. Marc heeft me op een keer in een van de vele flatjes waar hij kortstondig verbleef van die zoete drank uit Louisiana laten proeven: ik was meteen verkocht. Wat hebben we toch veel van elkaar geleerd, het meeste toen we nog studenten waren aan de filmschool. Je hebt niet echt veel tijd nodig om je leven te veranderen, in goede of in slechte richting.

1978-1980-AURORA 1 001 (2) renee strubbe

Een dag later heb ik met mijn moeder Scrabble gespeeld. Ik ben nog gauw een spel gaan kopen in de boekwinkel op de Dageraadplaats. Terwijl we daar geconcentreerd zaten te spelen, de van Dale bij de hand, stonden Guillaume en Renée opeens in de kamer. Senga, die niet graag speelt, had hen binnengelaten. Als Guillaume er is lijkt de reusachtige ruimte minder groot. Hij heeft présence, zal ik maar zeggen. Guillaume is haast meteen familiair met mijn moeder. Moeders laten hem niet onberoerd. Hij is niet zo’n wereldvreemde kunstenaar, iemand die zich superieur voelt aan gewone mensen. Hij is zelf een gewone mens en tegelijk ook heel ongewoon. Hij neemt de mensen zoals ze zijn en behandelt iedereen gelijk. Zo werd het stilaan donker.

Als ik worstel met mijn ideeën en denkbeelden, als ik mijn gedachten niet goed uitgedrukt krijg, zie ik soms plotsklaps Maldoror, het personage uit Lautréamont’s De zangen van Maldoror, voor me. Om middernacht duikt ergens in Parijs, aan de Bastille of de Madeleine, opeens een omnibus op. Het lijkt alsof hij van onder de grond tevoorschijn komt. Er zitten mensen bovenop met onbeweeglijke ogen als dode vissen. De omnibus, die zich haast om de eindhalte te bereiken, verslindt de afstand en ratelt over keien. Hij snelt voort. Maar hardnekkig achtervolgt hem een vormloze massa, te midden van wolken stof. Ik houd zo van die tekst, van zijn ritme, zijn beweging. Soms maakt hij me woedend, want staat hij daar niet te schitteren als wat? Als een perfecte metafoor van mijn, van onze machteloosheid? Die van ons allen hier aanwezig, wij die met onze bijna dode vissenogen door het lot worden meegesleept.

Een week later zitten we in de Lange Leemstraat in het appartement van Renée en Guillaume te praten en te drinken, één oog op de televisie gericht, soms twee ogen. Of acht. Sommigen noemen het de treurbuis, maar voor ons, Senga en mij, is het een magische doos: wij zullen ons pas in 1984, het jaar van Big Brother een toestel aanschaffen. Ook vanavond projecteert Guillaume weer enkele van zijn home movies. Na die goed gevulde en gemoedelijke avond wandel ik met Senga naar Cinderella’s Ballroom. Ik schrijf zoveel liever Cinderella’s Ballroom dan Cinderella, ook al moet ik er meer toetsen voor aanslaan en wordt zo de mogelijkheid groter om meer typefouten te maken. Om over de slijtage van het klavier van mijn laptop nog maar te zwijgen.

In Cinderella’s Ballroom tref ik opnieuw Marc, nu samen met zijn vriendin Denise. Hij bekijkt me nogal argwanend, vind ik. Wat doet hij hier? Waarom blijft hij niet in Brussel? Dit is toch ons territorium? Wij zijn die mensen met de bijna dode vissenogen. Ach, jongen toch, je wordt nu toch wel wat paranoïde. Dat zullen die pillen zijn. Rustig maar. We hebben allemaal van die ogen.
Een uur of zo later zie ik Luc Deleu een drankje bestellen. Dat is wel heel vreemd. Toen ik nog in Brussel woonde met mijn gezinnetje en filosofie studeerde was hij een goede vriend. Wat ziet hij er slecht uit. Vissenogen zo dood als een pier. Een schim van zijn vroegere zelf. Maar dat zal ook wel een vertekening zijn. Wat is er toch met me aan de hand? Te veel met mijn neus in moeilijke boeken gezeten en dan ook nog eens dat gezwoeg aan Stasis, die supermoeilijke tekst. Giuseppe blijft maar herhalen dat ik eenvoudiger moet schrijven. Met van die ingewikkelde teksten zal ik nooit succes hebben, zegt hij keer op keer. Je moet zo schrijven dat gewone mensen je ook kunnen lezen. Maar ik ga er tegen wil en dank mee door [1]. Luc Deleu is bij het leger. Dat verklaart veel over zijn uiterlijk. Waarom is hij geen gewetensbezwaarde? We moeten brullen om ons verstaanbaar te maken. De platen die Maryse draait brengen je in een roes maar maken verbale communicatie onmogelijk. Je komt hier niet om te praten. Bovendien lijkt het erop dat Luc en ik al vreemden voor elkaar zijn geworden. En waar zijn Marc en Denise nu? Al vertrokken, zegt Senga.

Op de dansvloer breekt een gevecht uit. Senga en ik moeten ingrijpen. Een punk is een andere punk aan het wurgen. Ondanks de luide muziek hoor ik de fijne botjes in zijn strot al kraken. Ik ga naar de twee jongens toe en probeer de wurger weg te trekken. De andere punks, allemaal in zwart leer (ik in wit pak in Firenze in de lente van 1976 ‘gekregen’ van een New Yorkse advocaat), gaan even opzij staan [2]. Maar dat duurt niet lang. Oppassen nu, of ik krijg zelf klop. In een oogwenk zijn er wel tien punks slaags geraakt. Rip him to shreds. Ze slaan elkaar in het gezicht. Het bloed spat tegen de vuile muren. Het is zo erg dat Maryse zelfs de muziek afzet. Vijf seconden ongeveer, waarna het helse ballet opnieuw in beweging komt. De omnibus ratelt voort over de keien, achtervolgd door een vormloze massa die nu opeens geluid voortbrengt, ik hoor duidelijk twee woorden: NO FUTURE.

lautreamont

[1] Tot ongeveer 1984. Dan wordt het op literair gebied enkele jaren heel stil, maar dat is een andere geschiedenis.
[2] Punk is een geestesgesteldheid, meer dan een imago. Je hoeft geen uniform te dragen om toch punk te zijn. Punks zijn individualistisch, niet communistisch, geen massamensen. The New York Dolls waren punks zonder zich in leer te hullen. Er zijn heel wat voorbeelden, ik ga ze hier niet opsommen. Alleen Blondie nog even noemen.

Afbeeldingen: Met Marc Didden in Oostduinkerke, 1974; Renée Strubbe; Isidore Ducasse alias Comte de Lautréamont.

NACHTEN AAN DE KANT (9): OUTSIDE OF SOCIETY

 

1978-1980-AURORA 14 001 met wim meewis

In het Pannenhuis en de andere cafés die ik frequenteerde wisten maar weinig nachtraven dat ik dichter en schrijver was. Ook al zat ik vijf dagen per week van negen tot vijf, soms tot zeven en af en toe zelfs tot later, aan mijn schrijftafel, in de weer met dagboeknotities, gedichten en wat ander proza werd genoemd. Ik weet niet zo goed wat er anders aan was en hoewel ze experimenteel van aard waren noemde ik die dingen verhalen. Als Paul Rigaumont, Senga – aan wie ik ze als eerste voorlas – en ik ze goed vonden werden ze in het tijdschrift Aurora gepubliceerd. Betaald werd ik er niet voor. Ik ben haast nooit betaald voor mijn schrijfwerk. Als schrijver was ik toen voor de meeste mensen onzichtbaar en dat ben ik nog altijd, ook al heb ik al een hele tijd geleden in de hoop daarmee wat meer op te vallen een andere naam gekozen: Martin Pulaski. Ik ging ervan uit dat er op mijn oude naam een vloek rustte. Zoals dat met veel oude namen het geval is. Voorouders komen er ’s nachts in spoken, soms zelfs overdag. Wellicht omdat ik toen niet veel inspanningen heb gedaan om in de gratie van andere schrijvers – en uitgevers – te vallen, om in hun kringen te worden opgenomen, werd ik later, toen ik wel naar erkenning verlangde, over het hoofd gezien. Ik was een buitenbeentje, een outsider. Of speelde de rol van outsider. In de jaren zestig waren the Outsiders, de band van Wally Tax, een van mijn favoriete popgroepen. Ik ben een outsider gebleven. Maar goed, zien jullie mij niet, geen probleem, ik blijf toch in de wereld, ben deel van de wereld, bevat zelf werelden. Zoals alle mensen. Dat schreef Walt Whitman al in de negentiende eeuw en het is nog steeds geldig. Elke mens is een kosmos, of niet soms?

waterkracht3 001

Tussen de wereld van de filosofische kring Aurora in de Lange Leemstraat, van mijn schrijftafel, van mijn experimenteel proza en die van het Pannenhuis op het Conscienceplein, de Gnoe in de Wolstraat en Cinderella’s Ballroom op de Stadswaag gaapte een kloof die niet kon gedicht worden.. (Zie deze reeks teksten als een poging om dat alsnog te doen.) En toch was het één en dezelfde wereld. Elke mens, hoe verschillend ook, heeft dezelfde bestemming. We leven met zijn allen in een eigen en in een gemeenschappelijk labyrint waar we een uitweg uit zoeken. Onderweg treffen wij talloos veel hindernissen aan, de ene al meer dan de andere. Maar als wij elkaar ’s avonds, na de dagtaak, ontmoeten vergeten we die dingen. Er is zo’n groot verschil tussen hoe we zijn als we alleen zijn in onze kamers en als we ons tussen onze soortgenoten begeven.

Als ik aan die tijd terugdenk valt het mij op dat ik goed bevriend was met enkele beginnende, veelbelovende artiesten. Het valt mij eveneens op dat zij voor het merendeel conceptuele kunstenaars waren of, als zij schilderden, zoals mijn vriend Paul, voor abstractie kozen. Terwijl ik zelf van jongs af aan van figuratieve schilderkunst heb gehouden. Niemand heeft me voorgehouden welke kunst ik moest koesteren, niemand heeft me gezegd wat mooi was, wat lelijk, wat dom, wat verstandig. Of wat ik mooi, lelijk, dom, enzovoort moest vinden. Op een dag zag ik op televisie een documentaire over Salvador Dalí – een revelatie, het begin van een nieuw en blijvend avontuur en van een liefde-haatverhouding. Nog weken na de uitzending liep ik in een roes rond. Meteen bestelde ik de autobiografie van de meester, ‘Mijn leven als genie’, verschenen bij Privé-domein. Dat boek noemde ik eerder al eens een doos van Pandora. Vanaf dan werd alle kunst voor mij interessant en opwindend. Maar altijd met die lichte voorkeur voor figuratief werk en toch ook, denk ik, met een open geest. En nu telde ik onder mijn vrienden echte kunstenaars. Over deze bijzondere tijdgenoten zal ik het later in deze reeks nog hebben. Eerst moet ik nog een aantal hindernissen overwinnen en enkele spoken uit het verleden het hoofd bieden.

4-29-2013_079 (2)

Afbeeldingen: Wim Meewis en ik, omstreeks 1980 (dank zij Wim Meewis heb ik in Nieuw Vlaams Tijdschrif kunnen publiceren); romanticus omstreeks 1976 in de Waterkrachtstraat in Brussel; Aurora in de Lange Leemstraat in Antwerpen, omstreeks 1980, op de achtergrond Jesse en Vera.

IN DE ARMEN VAN DE RIJKE AARDE

kinderjaren 2 001 (5)_edited

Een ervaring is voor jou alleen maar echt als je ze in woorden hebt uitgedrukt. De ervaring moet op een wit blad of op een scherm bewezen worden. Als dat niet lukt ben je ongelukkig. Het lijkt er dan op dat je niet leeft, niet hebt geleefd. Maar als je schrijft leef je niet, dan schrijf je.

Er kunnen weken, zelfs maanden voorbij gaan zonder te schrijven. Wat hebben al die woorden nog voor zin? Elk argument is goed om de woorden uit de weg te gaan. Alleen al denken aan een zin, en dan ook nog eens aan een paragraaf, maakt je moe, geeft je goesting om weer te gaan liggen. Je wordt er moedeloos van. Je wordt moedeloos van het niet-schrijven dat niet-leven is, en je wordt moedeloos van het schrijven dat eveneens niet-leven is.

Je zou willen verdwijnen in het moment, in het daaropvolgende moment, in elk ogenblik van de tijd. Jezelf worden in wat je omringt en omvat. Zonder meer. Zonder woorden, zinnen, paragrafen. Zonder doelstellingen, ambities, zonder hunkering, zonder behoefte aan bijval. Het aaneenrijgen van woorden is altijd een vraag om liefde. Wat zou je graag door het leven gaan zonder naar liefde te verlangen. Is het mogelijk alleen maar liefde te geven? Is het mogelijk zonder liefde te krijgen en zonder liefde te geven te leven?

De bomen staan nu zo in de belangstelling. Je hebt kort na je begin vier jaar lang tussen de bomen geleefd. Je hebt er god gevonden en ook weer verloren. Je kende de namen van de bomen. Je was een gevangene van de bomen. Nog steeds ruik je hun geur, alle schakeringen ervan. De geuren die elk seizoen anders waren ruik je nog. Hoewel de bomen je gevangen hielden riepen ze dromen en verlangens bij je op. De bomen maakten je gelukkig. Ze waren de taal van de aarde, maar dat besefte je toen nog niet. Was er nog een andere, bedachte taal nodig? De bloemen in de lente waren gedichten. Als je terug zou keren naar de bomen, naar de bloemen in het bos, zou je wellicht gelukkig zijn. Weg van de woorden, weg van de vergezochte taal met al haar noodlottige stijlmiddelen. Voor altijd tussen de bomen. In de armen van de rijke aarde.

Afbeelding: Marina B. in de bossen van Rekem, omstreeks 1962

VERRAAD AAN HET LEVEN

TINTORETTO, Susanna en de ouderlingen, ca. 1555

Het interludium van 14 februari heeft wel erg lang geduurd. Dagen, weken, net geen twee maanden[1] . Ik was – niet voor de eerste keer – blijven steken in poëzie. Mijn grootste liefde en mijn hellehond. De enige minnares die mij nog overblijft, al verwaarloos ik haar nu al ongeveer negen jaar. Waarom ik dat doe weet ik niet. Wat ik wel weet is dat haar afwezigheid in mijn leven mij diep ongelukkig maakt. Haar afwezigheid, ja, ook al ben ik het die haar aan haar lot overlaat. Ik schrijf geen regel, geen woord poëzie en lees niet één gedicht, van niemand. Ik durf nauwelijks naar de rekken waar de dichtbundels staan te kijken. Nochtans zwijgen ze hier heel dicht bij mijn hart, aan mijn linkerzijde. Ik moet maar even een blik in die richting werpen en ik lees de namen en de titels. Shelley Poetical Works, zie ik. Slauerhoff. Tibullus Elegieën. Georg Trakl. Een plank lager de kleinere formaten. Nic. Beets Verzamelde Dichtwerken. Heinrich Heine Buch der Lieder. Paul Celan Die Niemandsrose. De mooiste van Ungaretti. De kleine formaten staan duidelijk niet alfabetisch geklasseerd. Dat moet toch ooit nog eens een keer gebeuren.
Waarom ik geen gedichten meer schrijf denk ik – na enig moeizaam gepeins – te weten: ik ben niet meer verliefd, ik ben de gave van het verliefd worden kwijtgespeeld. Mijn discours amoureux is uitgewist. De woorden van liefde, die zon en sterren in beweging brengen, dringen al lang niet meer tot me door. Tot mijn dorre ziel, tot mijn uitgedoofde verbeelding. Ik ben een van de ouderlingen die de dochter van Chelkia begluurt maar niet daarvoor krijg ik de doodstraf maar omdat ik niets voor haar voel. My sin is my lifelessness.

Het vierde deel van mijn korte beschouwingen over boeken die een beslissende rol speelden in mijn jonge leven zou over poëzie en dichters gaan. Ik zou het onder meer over die dichters hebben die mij er op mijn vijftiende toe aangezet hebben om zelf gedichten te gaan schrijven: Guido Gezelle en wat later Hendrik Marsman. Maar ook over Lucebert en Hölderlin en T.S. Eliot (met zijn sonore stem) en Rilke en Rimbaud en William Blake (van wie ik in de jaren zeventig liedjes zong) en Shelley en Keats en Allen Ginsberg en Walt Whitman en Herman ter Balkt.
Helaas moet ik dit vierde hoofdstukje met namedroppen afsluiten. Zelfs nadenken over poëzie, over dichters maakt me onrustig en bang. Hölderlins umnachtung komt dan naderbij. Het verdriet van Marsman krijgt me in zijn greep. Verraad aan het leven, en dat wil ik niet. Laat mij liever nog wat mijmeren over de mooie dagen in Sanlucar de Barrameda, Cadiz en Conil de la Frontera. Waar van de vroege ochtend tot de late middag de zon me toesprak: ik ben het licht, ik ben het canto jondo én het canto general, ik ben de bron van je leven en lust.

[1] De voorbije weken schreef ik – in een reeks die ik ‘geestelijke genealogie’ noem – reeds korte beschouwingen over Edgar Allan Poe, Louis Paul Boon en Franz Kafka. Dit is in die reeks het manke vierde deel. Daarna keer ik terug naar het veel veiligere proza.

Afbeelding: Tintoretto, Suzanna en de ouderlingen, ca. 1555

HET COMPARTIMENT

“For a moment, Myers had the impression of the landscape shooting away from him. He was going somewhere, he knew that. And if it was in the wrong direction, sooner or later he’d find out.”
Raymond Carver, The Compartment

In de trein naar hier las ik een verhaal van Raymond Carver, The Compartment. Over een man die met de trein reist. Om het even waar naartoe, als hij zijn zoon maar niet hoeft te zien. Alles vergeten wil hij. Herinneringen doen hem teveel pijn. Raymond Carver verwoordt telkens weer erg genuanceerd en helder menselijke gevoelens en emoties. Met verve maar toch in een sobere stijl beschrijft hij de banale triestheid van verknoeide en verspilde dagen. Je herkent je in veel van zijn verhalen. Hoe beter je je als lezer herkent in een verhaal of roman hoe meer de auteur ervan onze bijval verdient.

Veel te snel moet ik hier alles noteren, hier op de dertiende verdieping van de AG-building. Ik wil niet dat iemand ziet wat ik aan het doen ben. Niemand mag weten dat ik een ‘schrijver’ ben. Hoewel ik geen werk krijg moet ik doen alsof ik toch heel druk bezig ben. Waar blijft toch dat werk? Elke dag vertrek ik in de Lamorinièrestraat hopend dat mevrouw Verstraeten mij iets interessants zal voorstellen. Maar dat gebeurt niet. Niet alleen stelt ze mij niets interessants voor: ze stelt me helemaal niets voor. Ondertussen zit ik hier gemaskerd. Het is zoals destijds op de middelbare school in Tongeren tijdens de uren verplichte studie. Ik moest dan stiekem zitten lezen of de studiemeester nam mijn boek in beslag en ik zag het nooit meer terug. Lezen was verboden.

Vandaag werd me gevraagd enkele dossiers te klasseren. Om de tijd toch een beetje te doden en tegelijk de indruk te geven dat ik aan het werk was, las ik er eerst wat in.
“Dhr. Maeckelmans is sedert verscheidene jaren technisch raadgever (en feitelijk verantwoordelijke) voor de presidentiële bloemendienst. Praktisch komt dat erop neer dat deze expert instaat voor de bloemenleveringen voor het presidentieel hofhouden. De vakkennis van technieker Maeckelmans wordt door ieder naar waarde geschat.”
De expert die door de hoge ambtenaren van Ontwikkelingssamenwerking zo naar waarde geschat en met die waardering evenredig geremunereerd wordt, is eenvoudigweg de bloemist van Mobutu.

Gisteren was er niet veel volk in de bureaus. De collega’s maakten de brug. Ik had dat zelf ook beter gedaan. Maar na nog maar enkele weken ervaring weet ik nog niet goed hoe je dat doet, zo’n brug maken.

[Dagboeknotities november 1988.]

atheneum tongeren

Afbeeldingen: Raymond Carver; Latijn-Wiskunde en Wetenschappelijke-A, Tongeren, 1967