EEN MAGERE DROMER (INTERLUDIUM)

SPEELPLEINC

De voorbije weken schreef ik – in een reeks die ik ‘geestelijke genealogie’ noem – reeds korte beschouwingen over Edgar Allan Poe, Louis Paul Boon en Franz Kafka. Voor ik aan het vierde deel begin, over dichters en in het bijzonder over de dichter Lucebert, wil ik eerst enkele mogelijke misverstanden over het schoolse leren uit de weg ruimen, in het bijzonder over hoe ik dat ervaren heb. Of beter: hoe ik mij herinner dat ik het ervaren heb, want de werkelijkheid zelf is voor goed weg, tenzij in documenten en die zijn in mijn geval eerder schaars.

Het is niet helemaal waar dat ik op de middelbare school niets leerde. Ik ervoer het leven in een internaat als een vorm van gevangenschap. Naarmate het besef daarvan toenam ging ik me er meer en meer tegen verzetten. Het was echter een rebellie die zich, zeker aanvankelijk, vooral tot mijn hoofd beperkte. Ik werd een mijmeraar, een dagdromer, een wat vreemde jongen. Maar ook weer niet zo vreemd dat ik geen vrienden had. In deze context wil ik het evenwel niet over die vriendschappen hebben, behalve dit, dat je ook van vrienden veel kan leren. Zij maken deel uit van wat ik de geestelijke genealogie van een mens noem.
Omdat ik mager was had ik ook wel wat vijanden. Kennelijk hielden in die tijd de meeste jongens, misschien omdat ze te dik waren, niet van mager vlees. Dat ik ‘knookske’ werd genoemd volstond om me nog meer op mezelf terug te plooien. Zo kwam het dat ik in de klas vaak niet aanwezig was: ik zat er wel, maar mijn gedachten waren ergens anders. Van de leraar wiskunde moest ik het in bijna elke les horen: Martin is weer aan het dromen. Wat maakte dat ik me nog meer in mezelf terugtrok en er voor wiskunde, waar ik aanvankelijk zeer ingenomen mee was, geen interesse meer overbleef. Hetzelfde gebeurde met de vakken fysica, scheikunde en biologie. Ik onderging ze als vormen van dwang, als een reeks abstracte formules die me niets bijbrachten over hoe ik moest leven. Alleen in de lessen Nederlands en Engels was ik helemaal mee, ja, was ik zelfs de beste van de klas. In wat mindere mate was ik ook aandachtig bij Frans en Duits (jammer dat dat een keuzevak was) en bij wat toen zedenleer werd genoemd. Het is duidelijk dat ik een andere richting had moeten kiezen dan de Moderne en de Wetenschappelijke A, maar toen die beslissing werd genomen had ik geen flauw benul van wat de verschillen tussen de Moderne en Latijns-Griekse afdelingen waren. Wat er de voor- en nadelen van waren, wat er het nut en de zin van was. Over mijn studierichting werd zonder mijn inspraak beslist. Ik prees me al gelukkig dat ik mocht doorleren.

Mijn gevoelige snaren werden bijgevolg alleen maar op een positieve manier geraakt in de lessen Nederlands en Engels. Nederlands betekende voor mij in de eerste plaats zinsontleding. In de tweede plaats wekte het vak mijn belangstelling op voor poëzie, vooral die van Guido Gezelle en Hendrik Marsman.
Onze leraar Engels was geen inspirerende man maar mijn kennismaking met die taal betekende liefde op het eerste zicht. Wat was het een mooie, rijke, veelzijdige taal – en niet moeilijk om te leren (dacht ik toen). Engels werd mijn tweede taal, mogelijk wel mijn eerste. In notities uit die tijd vind ik talloze Engelse uitdrukkingen terug. Ik weet niet wat het was met Frans, maar ik was er bang voor. Ik durfde de welluidende woorden niet uit te spreken. Ik vond dat ik belachelijk klonk als ik Frans sprak. Nochtans kregen we veel poëzie te lezen, zelfs van Baudelaire. Terwijl de Nederlandse en Engelse poëzie echter een passie werd, bleef de Franse niet veel meer dan leerstof.

atheneum4 (2)

Afbeeldingen: op de speelplaats in het Koninklijk Atheneum Tongeren met een studiemeester; klasfoto van enkele klassen samen, omstreeks 1966 (ik herinner me alleen nog de namen van mijn toenmalige beste vrienden).

OP ZOEK NAAR FRANZ KAFKA (EN FRANK ZAPPA)

slot romy 2

“Er blijft ons niets anders over dan de confrontatie met het eigen monochrome zwart aan te gaan. Wie het daarmee aan de stok krijgt, beseft al gauw dat het leven dieper is dan de autobiografie. Het geschreven woord dringt nooit ver genoeg door in het eigen zwart. We kunnen niet opschrijven wat we oorspronkelijk zijn.”
Peter Sloterdijk, Sferen (pag. 234-235)

Waarschijnlijk ontdekte ik Franz Kafka ongeveer in dezelfde periode als Louis Paul Boon. Wel zeker stond die ontdekking los van wat ik op school over literatuur te weten kwam. Mijn hele middelbare schooltijd lang heb ik nauwelijks iets gedenkwaardigs geleerd. Er waren weinig leraren die mij in wat dan ook gestimuleerd hebben, in lezen al zeker niet. Lezen werd op school eerder als een afwijking dan als een zegen beschouwd. Meermaals rukten studiemeesters, zogeheten opvoeders, mij brutaal een boek uit de handen als ik weer eens een keer op de speelplaats stond te lezen in plaats van tegen een bal of iemands schenen te schoppen. Lezen tijdens de lange uren studietijd ’s avonds was al helemaal taboe: er stond nog net geen lijfstraf op.
Sinds 1967 met het verschijnen van Absolutely Free was ik een bewonderaar van Frank Zappa en the Mothers Of Invention. Op de hoes van de conceptelpee We’re Only In It For the Money van the Mothers Of Invention, uitgebracht in 1968, las ik met veel aandacht de instructies bij de compositie The Chrome Plated Megaphone Of Destiny. Frank Zappa schreef het volgende:
1. If you have already worked your way through “In the Penal Colony” by Franz Kafka, skip instructions #2, #3, #4.
2. Everybody else: go dig up a book of short stories & read “In the Penal Colony”.
3. Do not listen to this piece until you have read the story.
4. Do not read and listen at the same time.

zappa money

We’re Only In It For The Money kocht ik op 1 juni 1968, de dag voor mijn achttiende verjaardag, in platenwinkel De harp in Maastricht. Ongetwijfeld was dat het vruchtbaarste cadeau dat ik mezelf ooit toestond. Wat heb ik veel geleerd van Frank Zappa, en meer bepaald van die langspeelplaat. Kritisch denken, satire, galgenhumor, vrolijke opstandigheid, dadaïstische geluidscollages, avant-garde cabaret, anti-establishment-attitude, Beatles-kritiek (the Beatles als een kapitalistisch fenomeen), ontluistering van de opkomende jeugdcultuur, analyse van de massamedia, verwerping van de consumptiemaatschappij, en wat niet nog allemaal. Alleen al de naam van de band, the Mothers Of Invention, was zo fascinerend dat ik er urenlang over kon zitten peinzen, een soort van mediteren zou je het kunnen noemen. Zoals zenboeddhisten mediteren door zich te concentreren op een of andere koan en zo tot een dieper inzicht hopen te komen, zo mediteerde ik over de moeders van de vindingrijkheid, of waren het de moeders van de uitvindingen? Hoewel ik helemaal geen zenboeddhist was, deed ik in die tijd toch aan een idiosyncratische vorm van meditatie. Meestal concentreerde ik me echter niet op the Mothers Of Invention, maar op het beeld van een Oranje Kat. Die Oranje Kat heeft me geruime tijd achtervolgd en is vervolgens in een stalker veranderd, een man met een vlezig kaal hoofd die me vanuit een raam in een zolderkamer aan de overkant van de Karmelietenstraat begluurde, en die ik Het Monster noemde. Na mijn verhuis een jaar later naar de Boomkwekerijstraat is dat akelig wezen uit mijn leven verdwenen.

Ik weet het niet zeker maar mogelijk heeft die hoestekst me ertoe aangespoord om op een zaterdag in mijn favoriete boekwinkel, eveneens in Maastricht, de roman ‘Het slot’ aan te schaffen. Dat zal dan een heel eind na de zomer geweest zijn, na drie onvergetelijke dagen op het legendarische festival dat Jazz Bilzen heette. Hippies die op een weide bijeenkwamen, nog zoiets waar Frank Zappa flink de spot mee dreef, luister maar eens naar Flower Punk. Een andere stimulus die mij deed overgaan tot aankoop van een boek van Franz Kafka was een kleine salamander die ik op de kaft ontwaarde, want ook toen al was ik verknocht aan reeksen. Ik had dankzij Louis Paul Boons Mijn kleine oorlog en De voorstad groeit al kennisgemaakt met de Salamander-reeks van Uitgeverij Querido in Amsterdam. Het was een mooie en handige pocketreeks en mogelijk ging ik ervan uit dat alles wat erin verscheen lezenswaardig was.

Mijn keuze viel op Het slot, zoals iedereen nu weet één van Kafka’s drie romans. Zeker, nu weet iedereen dat en wie het niet weet zoekt het op. Maar toen wisten we niets. Of liever, een jongen als ik wist niets. Het enige wat ik had was nieuwsgierigheid, verbeeldingskracht en ontluikende intelligentie (wat ongeveer hetzelfde is als de twee andere eigenschappen). Ik wist niets en ik kon ook niets opzoeken. Ik had geen encyclopedie, alleen enkele woordenboeken (waar ik verzot op was, ik kon uren achtereen zitten lezen in Kramers’ Nederlands Woordenboek, uitgegeven door Van Goor Zonen te Den Haag) en was te trots om aan iemand wat te vragen. Mogelijk ging ik van de veronderstelling uit dat niemand een antwoord zou geven op mijn vragen, die ik zelf nogal bizar vond. Mijn ouders waren eenvoudige mensen die niet veel meer dan de krant en wat tijdschriften lazen. De boeken in hun bezit betroffen bijna allemaal de oorlog. Die waren van mijn vader: de oorlog in het algemeen en zijn jaar krijgsgevangenschap in Oostenrijk in het bijzonder hadden hem diep getekend en met die eigenaardige fascinatie voor Der Krieg opgezadeld. Op die manier kende ik wel de kleinste details over de oorlog, maar weinig over de liefde en de schoonheid en nog minder over kunst en literatuur. Mijn moeder had als meisje wel veel gelezen, onder meer Abraham Hans, oprichter van de Vlaamse Vereniging voor Beschaafde Omgangstaal, maar was daar onder dwang van het alledaags geploeter mee opgehouden. Zij had zeker wel gevoel voor schoonheid en vond die oorlogsverhalen van haar echtgenoot maar niets. Zij heeft me leren lezen en schrijven. Toen ik ging studeren schaamde ik me voor de ongeletterdheid van mijn ouders, een schaamte die ik vorig jaar ook aantrof in het autobiografische ‘Terug naar Reims’ van Didier Eribon.

Franz_Kafka_1917

Waarom ik voor Het slot koos kan ik niet meer achterhalen. Het zal zoals zoveel van wat ik in mijn leven heb gedaan toeval geweest zijn. Hoe het ook zij, dit boek sprak nu eens echt tot mijn verbeelding.
Het is heel goed mogelijk dat ik mijn lectuur laat op een winteravond aanvatte, want dat was de tijd dat ik het liefste las, diep weggedoken onder mijn deken; een symbolische terugkeer naar de baarmoeder. Na het lezen van de eerste mysterieuze paragraaf kon ik niet anders dan door blijven lezen tot de laatste mysterieuze paragraaf. Wat lag er niet allemaal voor donkers verborgen onder die schijnbaar eenvoudige woorden. In dit boek staat namelijk niet één rommelige, onduidelijke, moeilijk te begrijpen zin. Tegelijk is Het slot een bizarre mengelmoes van diffuse intriges, ambiguïteit, erotiek, ambitie, ondoorgrondelijke verhoudingen, chaotische hiërarchieën, macht en machteloosheid, autoriteit, contradicties, eenzaamheid, pijn en allerlei vormen van uitsluiting.

Veel van wat ik in Het slot las was een voorafschaduwing van mijn eigen leven. Ook ik was een soort van landmeter, al was mijn naam niet K., en ook ik zou nooit het slot bereiken. Ik zou mijnheer Klamm zelfs nooit te zien krijgen. Net als K. ben ik altijd een outsider gebleven, door niemand erkend, een onzichtbaar iemand, een mens naar wie niet wordt geluisterd, en net als K. ben ik in weerwil van alle tegenwerking pogingen blijven ondernemen om mijn doel te bereiken. Soms op naïeve, soms op gewiekste wijze. Al had ik maar een vaag idee van wat dat doel was, al was het maar een kasteel dat in de mist gehuld bleef. Al was het maar het fabelachtige bezit van een kasteelheer wiens naam ik niet kende. Mogelijk was ik al ruimschoots tevreden als ik achter de bar wat kon liggen stoeien met mijn Frieda, make love not war indachtig – als verwerping van de wereld van mijn vader. Mogelijk was ik al ruimschoots tevreden om, lieflijk opgenomen in de schoot van een alternatieve elite, in een kleine club een rock-‘n-rollband te zien optreden die niemand kende. Mogelijk was mijn doel niet meer dan alles van Franz Kafka lezen. Of was het mijn hele leven lang op zoek gaan naar Salamanders, Zwarte Beertjes, Ooievaars, Bezige Bijen, Penguins, Vikings, Arbeiderspersboeken, City Lights pockets, Faber & Fabers, Insel taschenbucher, Ambos, Witte Gallimards, Pléiadedeeltjes, Bert Bakker Boeken, Van Oorschot-delen, Privé-Domein edities, Garnier-Flammarions, Meulenhoffs, stapels en stapels en stapels – een hele Wereldbibliotheek vol. Weet ik veel wat het doel was, wat het is – en maakt het een sikkepit uit?

Clam-gallas paleis

Hoewel ik van Franz Kafka op vrij jonge leeftijd alles las wat in het Nederlands was vertaald, had hij denk ik niet veel invloed op mijn toenmalige stijl, in tegenstelling tot Louis Paul Boon, maar wel op mijn wereldbeeld. Ik heb het vermoeden dat ik nooit meer een van die drie onvoltooide romans van de Praagse schrijver zal lezen. Af en toe nog eens naar The Trial kijken, Orson Welles’ briljante verfilming van Het proces, zal moeten volstaan. In mijn verbeelding is Romy Schneider evenwel voor altijd Frieda uit Het slot. Ja, met haar lig ik te vrijen onder de toog van de gelagkamer in het zo ongastvrije dorp. “Een onaanzienlijk klein blond meisje, met trieste ogen en magere wangen, dat echter verraste door haar blik, een blik van buitengewone superioriteit.” In Kafka’s dagboeken zal ik zeker nog bladeren en lezen. Sommige van zijn verhalen zal ik herlezen: De gedaanteverwisseling, Een hongerkunstenaar, Voor de wet, en andere tijdloze fragmenten van de fabeltjeskrant voor de eeuwigheid.

kafka 1

“De voor andere mensen zeker ongelooflijke moeilijkheden die ik bij gesprekken met mensen heb, worden daardoor veroorzaakt dat mijn denken, of beter de inhoud van mijn bewustzijn, nevelig is, dat ik daarin, voor het zover het alleen op mij aankomt, ongestoord en dikwijls zelfvoldaan berust, maar dat een gesprek met mensen scherpte, bevestiging en blijvende samenhang nodig heeft, dingen die in mij niet aanwezig zijn. Geen mens zal met mij in nevelwolken willen liggen, en zelfs als hij dat wilde, kan ik de nevel niet uit mijn hoofd drijven, tussen twee mensen lost hij op en is niets.”
Franz Kafka, 24 januari 1915

Afbeeldingen: Romy Schneider en Anthony Perkins in The Trial van Orson Welles; binnenkant van de hoes van We’re Only In It For The Money van the Mothers Of Invention; Franz Kafka in 1917; Clam-Gallas Paleis in Praag; Franz Kafka.

HOE IK REMCO CAMPERT WERD

remco-verjaardag 001 (2).jpg

Lang geleden was ik gedurende enkele maanden Remco Campert. Wat mooi dat hij met de Prijs der Nederlandse Letteren werd vereerd en hoe blij het me maakt dat de schrijver van wie ik in mijn jongensjaren het meeste hield nog in leven is, in tegenstelling tot veel van zijn tijdgenoten. Zo zag ik in De Standaard een foto van Remco Campert drie jaar geleden wandelend in Amsterdam: zo wil ik er over twintig jaar ook uitzien.

Op school moesten we Ernest Claes, Felix Timmermans en vooral Ward Ruyslinck en Jos Vandeloo lezen. Geen buitenlandse auteurs, geen Nobelprijswinnaars, geen vrouwen, en vooral niets hedendaags. Ruyslinck en Vandeloo waren weliswaar uitzonderingen op die laatste regel, hoewel hun stijl toch al enigszins voorbijgestreefd was. Las ik hen graag? Ik kan het mij niet herinneren. Van Claes en Timmermans had ik enkele romans gelezen (onder meer ‘De witte’ en ‘Pallieter’) toen ik ongeveer dertien was. Ik hield er niet van. Hendrik Conscience en Alexandre Dumas spraken veel meer tot mijn verbeelding. Dat waren tot mijn veertiende mijn twee literaire helden. Misschien had ik ook al verhalen van Edgar Allan Poe gelezen? Met zekerheid kan ik het niet zeggen. Zo jong hield ik geen dagboek bij. De dagen duurden lang, de tijd bestond niet, of was alleen maar toekomstig. Zeker op saaie momenten in de klas – bijna altijd dus – en in het internaat droomde ik voornamelijk van wat ik in de toekomst zou doen. Dat alles wat ik in die jaren deed zo kostbaar en vergankelijk was, vermoedde ik zelfs niet. Geen dagboek, en in de pocket ‘Verhalen van mysterie en fantasie’, uitgegeven bij LJ Veen, staat geen datum. Wat maakt het uit: Poe is vanaf mijn vijftiende de schrijver die mijn verbeelding en dromen stimuleert. Andere schrijvers waar ik van hield waren Ian Fleming, Georges Simenon en, wat later, Dylan Thomas. Maar van hedendaagse Nederlandse literatuur kende ik haast niets. Het Koninklijk Atheneum in Tongeren, waar ik vijf jaar leerling en ‘geïnterneerde’ was, heeft me ook op dat gebied bijna niets bijgebracht.

Lange tijd heb ik graag catalogi gelezen. In 1967 ontstond in Vianen ECI, een boekenclub die, zo herinner ik mij, een aantrekkelijke catalogus had, waarin ik Hugo Claus, Simon Vinkenoog, Harry Mulisch, Louis Paul Boon en wonder boven wonder Remco Campert ontdekte. Van al die schrijvers bestelde ik boeken. Ik geloof dat er om de drie maanden een stapeltje bij mijn ouders aankwam. Een nieuwe, opwindende wereld ging open: (taal)spel, liefde en seks, wreedheid, huwelijk, dood, de echte wereld van echte mensen. Hugo Raes en Jerzy Kosinski vergat ik bijna. Maar vooral toch Remco Campert. Ik geloof dat ‘Een ellendige nietsnut’ het eerste boek was dat ik van hem las. Het was verschenen in 1960, maar in 1967 was het nog door en door modern. Wat vond ik er zo goed aan? Weet ik veel, na al die jaren… De speelsheid, nogmaals, de luchtigheid, maar ook de ernst, en zeker de eenvoud. Wat ironie was zal ik nog wel niet geweten hebben, hoewel we in de lessen Nederlands te horen kregen wat het verschil was tussen ironie, sarcasme en cynisme. Vervolgens las ik de prachtige verhalenbundel ‘De jongen met het mes’, die toen al bijna tien jaar oud was. ‘Liefdes schijnbewegingen’ en ‘Het gangstermeisje’ volgden. In 1968 verscheen ‘Tjeempie! Of Liesje in Luiletterland’, een grappige roman in ‘progressieve spelling’ en uitgegeven onder de naam Remko Kampurt. Er was verwantschap met ‘Candy’ van Terry Southern en ook wel een beetje met ‘Lolita’ van Vladimir Nabokov, maar die boeken waren toen nog buiten mijn bereik.
Van de ene dag op de andere werd ik zelf een Remko Kampurt. Niet uiterlijk, want daar had ik Brian Jones en Steve Marriott voor, en ook niet innerlijk, daar speelden mijn dagdromen en verlangensfantasieën zich af. Waar werd ik dan wel Remko? Ook dat weet ik niet met zekerheid. Wel weet ik dat hij zich meester maakte van mijn schrijfstijl en spelling. Voortaan schreef ik in de Tjeempie!-stijl. Of ik dat ook in mijn schoolopstellen deed kan ik niet achterhalen en evenmin hoe lang ik het volhield Ik vermoed tot mijn 21ste, toen ik filosofie ging studeren en wijs werd.

In 1970, in mijn kleine kamer in de Karmelietenstraat te Brussel, las ik ‘Tjeempie!’ opnieuw en opnieuw. Al mijn oude en nieuwe vrienden verplichtte ik ertoe het eveneens te lezen, zoniet ging ik ze als idioten beschouwen. Ook in 1970 kocht ik de verhalenbundel ‘hoe ik mijn verjaardag vierde’, met Remco – in rode blazer en bloemenstropdas – omringd door halfblote vrouwen, ongetwijfeld een wensdroom (ook van mij). Het werd een jaar lang de gids bij mijn reis door de dagen van films, wierook, hasjies en liefde.

remcocampert-het-leven-is-vurrukkulluk.jpg

Op de een of andere manier was ‘Het leven is vurrukkulluk’ aan mij voorbijgegaan. Dat las ik ook in 1970, maar het was al te laat. Het leven was lang niet meer zo vreugdevol en luchtig als het voor Remco Campert en zijn vrienden en vriendinnen in 1961 zal geweest zijn. Misschien vond ik het boek ook minder magisch omdat het zo’n goedkope herdruk met geel omslag was. (De tekening van Wout Muller was echter wel erg mooi, dat zie ik nu pas.) Bovendien was het niet in progressieve spelling.

Inmiddels had mijn missionariswerk vruchten afgeworpen. De meesten van mijn toenmalige vrienden hadden op z’n minst één werk van Remco gelezen.  Boeken uitlenen deed ik met enige tegenzin. Maar voor de werken van mijn lichtvoetige held maakte ik een uitzondering. Zo raakte ik eerst ‘Tjeempie!’ kwijt. Erwin, aan wie ik het uitleende, belandde in een gevangenis en later in een psychiatrische instelling. In een van die twee lugubere oorden zal Liesje wel op de brandstapel zijn beland. Ik ben niet vergeten hoe Erwin en ik en als we weer een keer stoned waren zaten te schaterlachen als we elkaar een stukje voorlazen uit ‘Het paard van Ome Loeks’. Mijn vriend Jos D. stapte in 1991 uit het leven. Het stapeltje boeken dat hij nog van me had zag ik nooit meer terug. Maar dat geeft niet. Hij gaf me tientallen kostbare boeken, die ik nog altijd koester.

Nu het leven niet langer verrukkelijk was kon ik Remco Campert voorlopig de rug toekeren en me met ernstiger dingen gaan bezig houden: huwelijk, Hegel en bluegrass. De rest is niet om over naar huis te schrijven.

tjeempie1.jpg

 

EENZAAMHEID (VOGELVLUCHT)

EENZAAMHEID.jpg
François Brouns, Neerharen, 1967.

Wat volgt kan op een autobiografische tekst lijken. Maar ook autobiografie is fictie, verzinsel. Iedereen verzint zijn eigen leven. En verzint de levens van anderen. Pascal Mercier heeft dat thema in zijn uitstekende roman ‘Perlmanns Zwijgen’ uitgewerkt.

Om eerlijk te zijn*: ik kan nog altijd niet goed alleen zijn. Ook al maak ik soms het wat sofistische onderscheid tussen (positieve) eenzaamheid en (negatief) alleenzijn, het is in beide gevallen een beproeving. Aan eenzaamheid wennen is een leerproces dat al in je prille kinderjaren een aanvang neemt.

Mijn ouders waren schippers op de binnenvaart, wat met zich meebracht dat ik het als kind vaak op mijn eentje moest zien te redden. Ik had liefhebbende ouders, mijn moeder wat warmer dan mijn vader, een broer door leerplicht en internaatsleven vaak afwezig. Zeker in de zomer vond ik het prettig om alleen te spelen, Cowboy of Indiaan, bankier, croupier, balletdanser. Mijn ouders namen me vaak mee naar de cinema. Ik zag het liefst westerns, mijn broer en mijn vader hadden een voorkeur voor oorlogsfilms. Soms gingen mijn moeder en ik naar een western, mijn vader en broer naar een oorlogsfilm. Uit westerns heb ik geleerd wat eer is, moed, plichtsbesef, en wellicht is mijn liefde voor landschappen – door god en mens verlaten – er ook uit voortgevloeid. De volgende dagen speelde ik de scènes – vooral met Alan Ladd, Burt Lancaster, Gregory Peck en Gary Cooper – dan na. Hoewel ik Indianen wel fascinerende wezens vond schoot ik ze soms toch een kogel door het hoofd.

Zoals elke matroos in elke grote haven een lief heeft had ik in elk dorp waar we aanmeerden een vriend of een vriendinnetje. Of ik zocht het gezelschap van andere schipperskinderen. Zulke vriendschappen bestonden vooral uit afscheid nemen. Alleen in Neerharen, het geboortedorp van mijn vader, had ik langdurigere vriendschappen, eerst met meisjes, Henriette, Mathilde, Marie-Louise en Denise, later met jongens, Valère, Jean-Pierre en Martin. Ik was zelden alleen. En als ik dan toch een keer geen gezelschap vond, las ik boeken. Als je een boek leest spreekt de schrijver je aan, er ontstaat een dialoog  – voor de zwaarte van de eenzaamheid is er weinig ruimte als je leest.

Op mijn achtste ging ik naar school, vanwege het beroep van mijn ouders een kostschool. Van mijn eerste schooljaar in de donkere bossen van Rekem tot mijn negentiende in het provinciale stadje Tongeren ben ik geen ogenblik alleen geweest, tenzij ’s nachts, maar dan droomde ik van meisjes en avonturen in de jungle. Me Tarzan, you Jane. Later van kunst en poëzie. Vooral in de periode in Tongeren had ik vrienden met wie ik veel van mijn gedachten en verzuchtingen kon delen.

Op mijn negentiende verhuisde ik naar Brussel om er eerst film en daarna filosofie te gaan studeren. Van meet af aan was mijn kamer een ontmoetingsplaats voor een aantal vrienden en kameraden. Vegetariërs, bohemiens, dichters, nietsnutten, gekken, en na enkele maanden ook een meisje. In navolging van John en Yoko traden we in het huwelijk, en we kregen een zoon. Elke avond was er visite van andere studenten, dichters, muzikanten, jonge kunstenaars. Na de mislukking van het eerste huwelijk ging ik meteen met een andere vrouw samenwonen, mijn levensgezellin. Ik wilde geen dag alleen zijn met mijn verdriet, mijn schuldgevoelens, met het  idee zo erg mislukt te zijn in de liefde en het vaderschap.

In 1977 leek ik al een heel leven achter de rug te hebben. Ik was zevenentwintig, verhuisde naar Antwerpen, verzeilde er met mijn vriendin in de wereld van punk, anarchie en avant-gardekunst. Ik wijdde me voltijds aan het schrijven. ’s Avonds waren er de kroegen en nachtclubs. Altijd vrienden, zielsverwanten om me heen. Muziek, dansen, alle mogelijke vormen van extase. Tot ik uitgeput was, leeg geschreven en arm als de winter.

In 1991, omstreeks zwarte zondag, keerde ik naar Brussel terug om er carrière te maken op een departement van een ministerie. Aanvankelijk viel die loopbaan mee. Ik was niet de enige ambtenaar die kritisch ingesteld was en geïnteresseerd in andere dingen dan vergaderen en dossiers, stelde ik vast. Inmiddels hadden mijn vrienden Jos, Willy, Paul D. en Renée S. zelfmoord gepleegd, wellicht omdat ze de eenzaamheid niet aankonden na mislukte relaties. Echte vriendschap zou mij niet meer ten deel vallen, dacht ik. Maar desondanks was ik ook toen zelden alleen. Er werd veel samengewerkt, er waren studiereizen met kleine groepjes jongeren naar het buitenland, en er waren lunches, feesten en recepties.

Na een lang aanslepend conflict, dat zich misschien voornamelijk in mijn hoofd afspeelde, gaf ik mijn baan op. Eindelijk alleen. Ik ging op reis, naar Berlijn, naar Andalusië. Tijdens een concert van Mercury Rev in het Koninklijk Circus werd ik opeens zwaar ziek, vocht daarna drie maanden lang tegen de dood. De vrienden die me kwamen bezoeken herkende ik niet. In mijn hallucinaties had ik wrede vijanden maar ook mensen die me dierbaar waren. Zo zat ik een keer in een vliegtuig met Stephen Stills en Neil Young. We zongen samen een lied: zelden ben ik gelukkiger geweest. De laatste maand in het ziekenhuis, augustus 2011, begon het echte genezingsproces. Nooit heeft de eenzaamheid zo zwaar op me gewogen als toen. Als je wacht duurt de tijd lang, hoewel hij zich alleen in je verbeelding afspeelt. Als je wacht heb je alle tijd van de wereld om aan de tijd te denken. Elke seconde duurt.

Nu ben ik eindelijk thuis, op werkdagen overdag bijna altijd alleen. Ziekte, pijn en literatuur hebben mij met de eenzaamheid verzoend. Maar liever ben ik toch bij de weinige vrienden die ik heb. Want als ik alleen ben kan ik niet lachen. Slechts het lachen kan me met mezelf verzoenen.

Ω

*Zo eerlijk mogelijk zijn was mijn uitgangspunt toen ik aan het project ‘hoochiekoochie’ begon.

Ω

Oorspronkelijk gepubliceerd op 31-10-2012.

EEN VERBLUFFENDE COMBINATIE VAN WOORDEN


boeken 9

Toen ik vijftien was werd ik dichter, wilde schrijver worden en filosofie studeren. Ik maakte rijmpjes, schreef een paar toneelstukken die op school werden opgevoerd, een fantastisch verhaal getiteld ‘Psychische ontbinding’ waarmee ik de hoofden van enkele schoolvrienden op hol bracht. Ik verhuisde naar Brussel, ging – in plaats van filosofie te studeren – leren hoe je foto’s en films moet maken. Dat mislukte: foto’s maken was eenvoudig, maar voor films had je heel veel geld nodig, discipline en overtuigingskracht. Ik was met niet een van die drie kwaliteiten geboren en zou ze ook nooit verwerven.

Ik trouwde, werd vader, studeerde alsnog filosofie en scheidde.

Toen ik vijfentwintig was dacht ik dat ik een schrijver was. Ik gebruikte bijvoorbeeld nooit het woord ‘toen’ aan het begin van een zin. Daar hadden ze mij voor gewaarschuwd. Ik schreef experimentele verhalen, publiceerde in tijdschriften, maakte met een groep ‘amateurs’ (gewoon mijn vrienden) twee toneelstukken, hield een dagboek bij en sliep niet. Al gauw voelde ik mij mislukken.

Maar ik volhardde. Wim Meewis had me dat gezegd: als je wil schrijven moet je hard zijn, jezelf hard maken, een rotsformatie, steenkool, diamant. Van wat echter moest ik leven? “Van de hemelse dauw kunt ge niet leven”, zei mijn vader altijd. Ik ging talen studeren, Frans, Engels, Duits; liet me inwijden in de opkomende informatica. WordPerfect, Dbase, flow-charts, de hele santenkraam. Ik schreef niet veel meer. Mijn dagboeknotities beperkten zich tot de films die ik had gezien. Wel verzond ik een honderdtal sollicitatiebrieven, zonder resultaat. Waarom werd ik niet aangeworven? Zelfs niet uitgenodigd voor een gesprek? Ik weet het nog altijd niet. Ik droeg een yuppiebril, mijn haren waren kort geknipt, mijn baard was verzorgd. Ik leek op iemand anders. Bij de overheid slaagde ik met glans in een toegangsexamen. Ik was 64ste op ongeveer 4000 deelnemers. Inmiddels was ik eveneens in psychoanalyse gegaan. Nee, ik was niet op zoek naar mezelf. Ik had meer dan genoeg van mezelf, wilde daar liever een punt achter zetten. Die verdomde ik-geschiedenis. Toch dacht ik dat ik nog steeds wilde schrijven. Maar ik was wanhopig. Ik was letterlijk ten einde raad. Ik had niet alleen veel films gezien en veel muziek gehoord, maar ik had ongeveer de hele wereldliteratuur gelezen. Wanhopig maakten mij dichters, toneelauteurs, romanschrijvers, filosofen.

Hoe kon ik een gedicht schrijven na Hölderlin, een verhaal na Kafka, een toneelstuk na Shakespeare, Kleist en O’Neil, een roman na Proust, Musil en Nabokov. Hoe kon ik me met filosofie bezighouden na Nietzsche en Heidegger. Met psychologie na Freud en Lacan? Met de geheimen van de taal en de mythologie na Roland Barthes, Michel Foucault en Jacques Derrida? Ik wist het niet. Was ik niet waardeloos? Woordenloos? Een volstrekte loser, down and out in Antwerpen?

Er waren natuurlijk mijn vrienden, vriendinnen, kennissen, mensen die ik toevallig ontmoette in cafés – allen op hun eigen manier mislukt. Ze deden niet waar ze ooit van gedroomd hadden, ze moesten overleven, en daarom veel van hun idealen opgeven. Dat was geen troost, maar zorgde er wel voor dat ik me minder eenzaam voelde.

Ik las Borges opnieuw en ontdekte dat ik me ook op een boeiende manier kon beperken tot het schrijven van voetnoten bij de grote literatuur. Ik maakte kennis met de ontregelde poëzie van Ezra Pound en e.e. cummings. Zo leek mijn onzinnige poëzie ook zin te krijgen. Verhalen van Toergenjev en Raymond Carver maakten duidelijk dat je niet op zoek moet gaan naar het verhevene maar dat het dagelijks leven voldoende stof biedt om ontzagwekkend over te schrijven. 

Er waren echter enkele belangrijke stelregels. Je moest discipline hebben, je moest heel veel moed hebben, je mocht verdwalen mits je altijd terugkeerde naar het begane pad, je moest je inspannen, niet om je grote voorbeelden te overtreffen, maar om op je eigen wijze even sterk en even authentiek te zijn, of te worden. Je moest jezelf uitvinden in je eigen taal en op die manier respect afdwingen. R.E.S.P.E.C.T! moest je afdwingen voor een verbluffende combinatie van woorden.

Ω

Foto: copyright Martin Pulaski.