WE MOGEN ONZE BELANGRIJKE MISSIE NIET UIT HET OOG VERLIEZEN

anita-pallenberg-02.jpg

Bij zonsopgang vertrekken Lana en ik met Paul voor een bijeenkomst van archivarissen naar Hasselt. Ik heb mij er zoals wel vaker niet op voorbereid, weet nauwelijks wat daar besproken zal worden. Zal er wel iets besproken worden? Onderweg praten heeft weinig zin; door het geronk van de motor hoor ik amper wat mijn medepassagiers zeggen. Dan knik ik ja als er neen van me wordt verwacht of zit ik te lachen als ik moet huilen. Zo van die dingen.
Ik probeer wat te lezen in Red Harvest van Dashiell Hammett, maar lezen maakt me ook nu weer autoziek. In de verte trekt een wonderlijk gebouwencomplex in futuristische stijl, ik denk meteen aan de gebouwen van Oscar Niemeyer in Brasilia, mijn aandacht. Het lijkt lang te duren eer we wat dichterbij komen. Dan zie ik dat de gebouwen die de architect vanuit de toekomst naar hier heeft gehaald worden overschaduwd door een glanzende, witte kathedraal in rococostijl. De reusachtige kerk weerkaatst het zonlicht zo sterk dat je er maar een seconde naar kunt kijken. Hoe heet deze plek, vraag ik aan Paul. Hij weet het niet, Diest misschien, zegt hij. Of Diepenbeek? Moet ik nu lachen of huilen?

Lana heeft honger, wat eerlijk gezegd zeldzaam is. Nu ja, ik heb ook honger. Paul wil liever in één ruk doorrijden naar onze bestemming maar kan moeilijk verbergen dat zijn maag rammelt. En Lana heeft een halfdoorzichtig jurkje aan. Hij parkeert zijn Fiat voor een fabriek van Fiat, of dat denk ik eerst toch. Het blijkt een immense kantine te zijn die herinneringen oproept aan mijn vele werkbezoeken aan de Sovjet-Unie. De klanten zitten er aan lange tafels en eten zuurkool met worst. Het ziet er werkelijk gezellig uit, vooral dank zij de neonverlichting. Over een uur treedt een plaatselijke rock & roll-band op. Op de affiche zien the Hip Stars, zo heten de jongens, er echt cool uit. Lana en ik willen graag blijven, we zijn nieuwsgierig, maar Paul vindt dat tijdverlies: we mogen onze belangrijke missie bij de archivarissen in Hasselt niet uit het oog verliezen. Laten we vertrekken, zegt hij. Ik heb nog niet eens de helft van mijn zuurkool op, maar ik geef toe dat ik een trage eter bent.

Teleurgesteld en nukkig loop ik achter Lana en Paul over een grasveld, groter dan een voetbalveld, naar de Fiat toe. Wat ver toch naar die auto van Paul, mompel ik. Wat gaan we daar in Hasselt doen, ik ben toch ook helemaal geen archivaris, denk ik nog. Daarop maak ik rechtsomkeert, in de richting van de communistenzaal en de coole band. Maar Lana houdt me tegen. Zo staan we daar dan midden op dat grasveld. Lana probeert me aan het verstand te brengen dat we met Paul mee moeten, we hebben geen keuze. Natuurlijk heeft ze gelijk, we hebben geen keuze. Er staan tranen in mijn ogen. Maar een blik op haar blauw jurkje kan wonderen doen.

Geheel onverwachts, zoals opeens een storm kan opsteken of iemand in een menigte kan neerzijgen, verander ik in iemand die ik nooit eerder in de spiegel zag. Ik loop zo hard ik kan weg van Lana en  Paul, die het portier van zijn auto al aan het openen is. Ik loop en loop tot ik een bus zie aankomen. De chauffeur is een van die hoffelijke types die om het even waar voor je stoppen. Na een tijdje zit ik nog alleen in de bus. Praten doen we niet, niet alleen vanwege de motor, mijn hoofd is even leeg als een voetbal. Aan de eindhalte komt de bus tot stilstand. De buschauffeur zegt “terminus”, laat me eruit en wuift me even na.

Ik sta aan de rand van een maïsveld. Hoewel besluiteloos besluit ik verder te lopen over een asfaltweg met twee smalle rijstroken. Er is geen verkeer. Na vele kilometers kom ik aan de Zuid-Willemsvaart. Wat verderop zo’n oude, pittoreske sluis. Het beton overwoekerd door onkruid dat lekker ruikt. Braamstruiken, netels, varens, lisdodde. In groene overalls gehulde, zwijgende vissers op twee, drie meter afstand van elkaar. Hun gerei glinstert in de late middagzon. Gefascineerd door het water dat ongewoon helder is buig ik voorover, waardoor mijn bril in het kanaal valt. Ik kan hem duidelijk zien liggen op de bodem, maar het is te diep om hem zelfs maar aan te kunnen raken. Misschien kan de jongeman die net komt aangewandeld me helpen. Hij ziet er behulpzaam uit, dat merk ik meteen aan de blik in zijn ogen. Bovendien heeft hij van die hoge visserslaarzen aan. Hij negeert echter mijn verzoek en vraagt of ik mijn vakantiegeld al heb ontvangen. In diezelfde behulpzame ogen zie ik dat hij het antwoord op die vraag kent. Maar hoe kan hij wat dan ook over mijn vakantiegeld weten? Van Colombo, zegt hij. Ach zo. Ik doe mijn schoenen uit, rol met wat moeite mijn broekspijpen op en wil in het water stappen. Colombo staat nu glimlachend naast de blonde jongen. Dat hij blond was had ik nog niet gezien. Mooie schoenen, zegt Colombo, naar mijn versleten witte schoenen wijzend. Ja, zeg ik, het zijn Italiaanse. Siciliaanse eigenlijk, in Agrigento gekocht. In Italië maken ze de mooiste schoenen, voeg ik er nog aan toe. Je weet maar nooit met Colombo.

federico bahamontes.jpg

Ik ga aan boord van een schip, richting Charleroi. Onderweg praat ik met twee oude schoolkameraden; een van hen is Antoine, een jongen met wie ik bijna alle dagen ging fietsen toen mijn bijnaam nog Bahamontes was. Wat een mooie naam toch, daar moet ik ooit eens een gedicht over schrijven! Na een poos daagt het me dat ik op het verkeerde schip zit – het vaart precies in de tegenovergestelde richting, en nog wel naar Gent. Antoine lacht om mijn verstrooidheid. Dat is niet slecht bedoeld – hij weet immers niet welke afstand ik al heb afgelegd. Vanop het dek kijk ik aandachtig naar het kanaal, en vooral naar zijn ligging, hoe het in het landschap is ingebed. Er is iets dat niet klopt. Ik herken dit landschap niet. Deze waterweg werd verlegd, op zijn minst twee kilometer in westelijke richting. Daardoor heb ik me dus vergist. Ja, alles ziet er hier anders uit, het water, de populieren, zelfs het zonlicht.

Aan de Tolhuissluis in Gent ga ik aan boord van een ander schip, dit keer in de goede richting mag ik hopen. Ik strompel de trap af, ga op een bed liggen en val meteen in slaap. Tot we in Charleroi aankomen slaap ik door. Ik droom over een geheime zending naar Hasselt, over massale vissterfte, over een communistische invasie en over een hartelijke ontmoeting met Richard Nixon en zijn stafchef H.R. Haldeman, die een super-8-filmpje van me maakt. In Charleroi ontwaak ik uit die lange slaap als de aak aanmeert bij de Zieke Grond. Ik haast me naar het station, drink gauw twee koffies, en stap op de trein naar huis. Het is genoeg geweest.

Weer thuis krijg ik meteen het gevoel dat ik ga stikken. Wat gebeurt er toch met me! Ik waad door stapels reclame, brochures, folders, kranten en literaire bijlagen, omslagen, herfstbladeren, duivenveren, ijsschrapers, schoenveters en begeef me wankelend naar de keuken waar ik wat water wil drinken.  Daar stel ik vast dat twee knoppen van het gasfornuis open staan. Er moet al een grote hoeveelheid gas zijn ontsnapt. Bliksemsnel draai ik de knoppen toe en open de ramen.

Ik zet de televisie aan voor het laatavondnieuws. In Hasselt is in de koffer van een Fiat een grijze plastieken zak met daarin het in stukken gezaagde lijk van een nog onbekende vrouw aangetroffen. De gangster Johnny Stampanato zou erbij betrokken zijn. Zijn naam klinkt vertrouwd, maar wie was het toch ook alweer? Ik zet de televisie af, slik een valium en probeer me voor te stellen hoe Brenda Lee er nu uitziet. Daarna komen de dromen.

mickey cohen johnny stampanato2.jpg

EENZAAMHEID (VOGELVLUCHT)

EENZAAMHEID.jpg
François Brouns, Neerharen, 1967.

Wat volgt kan op een autobiografische tekst lijken. Maar ook autobiografie is fictie, verzinsel. Iedereen verzint zijn eigen leven. En verzint de levens van anderen. Pascal Mercier heeft dat thema in zijn uitstekende roman ‘Perlmanns Zwijgen’ uitgewerkt.

Om eerlijk te zijn*: ik kan nog altijd niet goed alleen zijn. Ook al maak ik soms het wat sofistische onderscheid tussen (positieve) eenzaamheid en (negatief) alleenzijn, het is in beide gevallen een beproeving. Aan eenzaamheid wennen is een leerproces dat al in je prille kinderjaren een aanvang neemt.

Mijn ouders waren schippers op de binnenvaart, wat met zich meebracht dat ik het als kind vaak op mijn eentje moest zien te redden. Ik had liefhebbende ouders, mijn moeder wat warmer dan mijn vader, een broer door leerplicht en internaatsleven vaak afwezig. Zeker in de zomer vond ik het prettig om alleen te spelen, Cowboy of Indiaan, bankier, croupier, balletdanser. Mijn ouders namen me vaak mee naar de cinema. Ik zag het liefst westerns, mijn broer en mijn vader hadden een voorkeur voor oorlogsfilms. Soms gingen mijn moeder en ik naar een western, mijn vader en broer naar een oorlogsfilm. Uit westerns heb ik geleerd wat eer is, moed, plichtsbesef, en wellicht is mijn liefde voor landschappen – door god en mens verlaten – er ook uit voortgevloeid. De volgende dagen speelde ik de scènes – vooral met Alan Ladd, Burt Lancaster, Gregory Peck en Gary Cooper – dan na. Hoewel ik Indianen wel fascinerende wezens vond schoot ik ze soms toch een kogel door het hoofd.

Zoals elke matroos in elke grote haven een lief heeft had ik in elk dorp waar we aanmeerden een vriend of een vriendinnetje. Of ik zocht het gezelschap van andere schipperskinderen. Zulke vriendschappen bestonden vooral uit afscheid nemen. Alleen in Neerharen, het geboortedorp van mijn vader, had ik langdurigere vriendschappen, eerst met meisjes, Henriette, Mathilde, Marie-Louise en Denise, later met jongens, Valère, Jean-Pierre en Martin. Ik was zelden alleen. En als ik dan toch een keer geen gezelschap vond, las ik boeken. Als je een boek leest spreekt de schrijver je aan, er ontstaat een dialoog  – voor de zwaarte van de eenzaamheid is er weinig ruimte als je leest.

Op mijn achtste ging ik naar school, vanwege het beroep van mijn ouders een kostschool. Van mijn eerste schooljaar in de donkere bossen van Rekem tot mijn negentiende in het provinciale stadje Tongeren ben ik geen ogenblik alleen geweest, tenzij ’s nachts, maar dan droomde ik van meisjes en avonturen in de jungle. Me Tarzan, you Jane. Later van kunst en poëzie. Vooral in de periode in Tongeren had ik vrienden met wie ik veel van mijn gedachten en verzuchtingen kon delen.

Op mijn negentiende verhuisde ik naar Brussel om er eerst film en daarna filosofie te gaan studeren. Van meet af aan was mijn kamer een ontmoetingsplaats voor een aantal vrienden en kameraden. Vegetariërs, bohemiens, dichters, nietsnutten, gekken, en na enkele maanden ook een meisje. In navolging van John en Yoko traden we in het huwelijk, en we kregen een zoon. Elke avond was er visite van andere studenten, dichters, muzikanten, jonge kunstenaars. Na de mislukking van het eerste huwelijk ging ik meteen met een andere vrouw samenwonen, mijn levensgezellin. Ik wilde geen dag alleen zijn met mijn verdriet, mijn schuldgevoelens, met het  idee zo erg mislukt te zijn in de liefde en het vaderschap.

In 1977 leek ik al een heel leven achter de rug te hebben. Ik was zevenentwintig, verhuisde naar Antwerpen, verzeilde er met mijn vriendin in de wereld van punk, anarchie en avant-gardekunst. Ik wijdde me voltijds aan het schrijven. ’s Avonds waren er de kroegen en nachtclubs. Altijd vrienden, zielsverwanten om me heen. Muziek, dansen, alle mogelijke vormen van extase. Tot ik uitgeput was, leeg geschreven en arm als de winter.

In 1991, omstreeks zwarte zondag, keerde ik naar Brussel terug om er carrière te maken op een departement van een ministerie. Aanvankelijk viel die loopbaan mee. Ik was niet de enige ambtenaar die kritisch ingesteld was en geïnteresseerd in andere dingen dan vergaderen en dossiers, stelde ik vast. Inmiddels hadden mijn vrienden Jos, Willy, Paul D. en Renée S. zelfmoord gepleegd, wellicht omdat ze de eenzaamheid niet aankonden na mislukte relaties. Echte vriendschap zou mij niet meer ten deel vallen, dacht ik. Maar desondanks was ik ook toen zelden alleen. Er werd veel samengewerkt, er waren studiereizen met kleine groepjes jongeren naar het buitenland, en er waren lunches, feesten en recepties.

Na een lang aanslepend conflict, dat zich misschien voornamelijk in mijn hoofd afspeelde, gaf ik mijn baan op. Eindelijk alleen. Ik ging op reis, naar Berlijn, naar Andalusië. Tijdens een concert van Mercury Rev in het Koninklijk Circus werd ik opeens zwaar ziek, vocht daarna drie maanden lang tegen de dood. De vrienden die me kwamen bezoeken herkende ik niet. In mijn hallucinaties had ik wrede vijanden maar ook mensen die me dierbaar waren. Zo zat ik een keer in een vliegtuig met Stephen Stills en Neil Young. We zongen samen een lied: zelden ben ik gelukkiger geweest. De laatste maand in het ziekenhuis, augustus 2011, begon het echte genezingsproces. Nooit heeft de eenzaamheid zo zwaar op me gewogen als toen. Als je wacht duurt de tijd lang, hoewel hij zich alleen in je verbeelding afspeelt. Als je wacht heb je alle tijd van de wereld om aan de tijd te denken. Elke seconde duurt.

Nu ben ik eindelijk thuis, op werkdagen overdag bijna altijd alleen. Ziekte, pijn en literatuur hebben mij met de eenzaamheid verzoend. Maar liever ben ik toch bij de weinige vrienden die ik heb. Want als ik alleen ben kan ik niet lachen. Slechts het lachen kan me met mezelf verzoenen.

Ω

*Zo eerlijk mogelijk zijn was mijn uitgangspunt toen ik aan het project ‘hoochiekoochie’ begon.

Ω

Oorspronkelijk gepubliceerd op 31-10-2012.

VOOR EN NA DE REGEN 4

jean-pierre

4.

Kijk daar op het schip, jij, kleine jongen alleen in de mist boven de Schelde, de Maas & het Albertkanaal. De gevaarlijke Schelde die je neef tot zich nam. Twee maanden later werd hij gevonden, een opgezwollen, rottende ledenpop. Door palingen aangevreten. Die palingen aten wij dan weer op. Als mama ze bakte in de pan bleven ze kronkelen van genot. De voedselketen was gesloten. By and by Lord, by and by.
De Maas, omgeven door groene heuvels, wilde mij dichter, schilder doen worden. Maar de Maas kreeg mij niet klein: ik was een cowboy, een eenzame cowboy, ver weg van mijn huis, hier in Brussel. Toch had je een vriend, trouwe Jimpy. Wat had je toch lange oren. Maar nu niet te sentimenteel worden, jongen. Jimpy was de eerste kankerpatiënt in je leven. Papa heeft hem doodgeschoten in Bocholt. Ik werd al lang ziek van dat beest, met zijn zieke adem & zijn schor geblaf. Goed gedaan papa, wilde jager!

Tintin, Margarita & Melinda’s vader was een rijkswachter, een zwaantje dat al voor zonsondergang te diep in het glas keek. Pierre’s vader was een verpleger in het gesticht in Rekem, een gebouw dat we nu bewonderen vanwege zijn onvolprezen architectuur. Als hij ’s avonds thuis kwam van z’n werk was in zijn blik iets van die gekken blijven haken. Trouwens, hij had zelf de geur van een zwetende zot. Pierre & ik speelden stratego tot we erbij neervielen. Ik was Napoleon XIV, hij was Napoleon Solo. They’re coming to take me away, aha. De vader van Omer werkt in de grintwasserij in Neerharen. Omers moeder heeft een winkel. Vandaar die dozen Jacques chocolade (bananen), die mij een kijk op Claire’s kuiten verbieden. Vaders. Die van de kleine Johannes een juwelier op de Botermarkt in Hasselt. Aan de wanden van de salon hangen foto’s van stierenvechters. De broer van de kleine Johannes heb ik nooit horen spreken.

Conny is al langer dood dan Ricky Nelson. Hello Marylou, Goodbye Heart. Het enige meisje in onze klas, Conny, altijd op de eerste rij. “Meneer Pulaski zit weer te dromen”, zei de Dog. Die man probeerde mij zeven uur per week te vermorzelen met zijn algebra & driehoeksmeting. Conny, ben jij opgegeten door de pieren, of vliegen je stofjes samen met die van Josse hier in het rond? M’n adem begint er van te piepen, van al dat verdomde, motherfucking stof.

Mama zat in Rekem, in een nieuw gesticht, glazen paviljoenen verborgen in het bos. In dat zeer morele concentratiekamp zat zij, lag zij haar laatste stripjes geheugen te verliezen, geen liefde meer op deze wereld. Geen liefde op enige andere wereld die zij had kunnen kennen. Rekem, het dorp van de kermis, de cinema tegenover het huis waar Aster & Lucia slapen en wakker worden. In de rups met Margarita, met Lucia, Hello Jim, luider dan ooit, She’s About A Mover het lied waardoor onbewust in mij Mexico ontstaat. Vijf frank voor een ritje. Vijf frank voor een kus. “Martin, ik kan niet met je gaan. Ik hou van je maar ik heb al een ander. Later misschien.” Dat schrijft me Lucia als ik van iedereen verlaten sta te kotsen in mijn kamer in de Karmelietenstraat. ’s Morgens nog kickend op Gimme Shelter, om middernacht met mijn kop in de nageboorte van mijn euforie. Abstractie op de rode linoleumvloer. De dag erna belt Mijl aan, afgepeigerd van die negerinnen, zegt hij, met Albert Aylers New Grass onder zijn arm.

Foto: Jean-Pierre, Neerharen

A PROPOS DE L’ATALANTE VAN JEAN VIGO

herinneringen,scheepvaart,holderlin,schippers,weemoed,atalante,jean vigo,film,meesterwerk,poezie

Enkele notities naar aanleiding van ‘L’Atalante’ van Jean Vigo. Een van de allermooiste films, met Michel Simon en Dita Parlo. Poëtisch, warm, humoristisch, vol eenvoud. Niets teveel en niets te weinig. Een troost voor de armen, de eenzamen, voor hen die naar verregaande schoonheid verlangen. Toch storend ook voor de tevreden burgers, de hypocrieten, de rijkgeworden parasieten. De film raakt me tevens persoonlijk, met zoveel thema’s uit mijn eigen kinderjaren. De kleine kanalen, de oude sluizen (die nog met de hand werden bediend) en de rust in de omgeving van die sluizen, de zwartrokende schoorstenen van mooie fabrieken, de schippersvrouwen met hun schorten aan, het altijd dicht bij elkaar zijn, wat zo op de zenuwen kan werken maar wat toch ook een gevoel van geborgenheid en veiligheid kan geven. De aantrekkingskracht van de grote stad: Antwerpen, Brussel, Luik, Parijs. Het gevaar dat daar rondwaart, de dreiging van het onbekende. De vreemdelingen die je aan het schrikken brengen, maar die je tegelijk fascineren en je hoofd op hol brengen van verlangen naar een andere wereld, waar het overal naar sinaasappels ruikt. De accordeondeuntjes, via een kier ontsnappend aan de ziel van mislukte dichters. Kun je deze film een ‘aandenken’ noemen, zoals een gedicht van Hölderlin heet? Neen, niet ‘aandenken’, dat is te nadrukkelijk enkelvoud. ‘Gedachtenisssen’ (een woord dat niet bestaat, ik weet het), ‘souvenirs’ aan andere tijden, verre landen, door een kennis of een familielid meegebracht of aan vader geschonken door een oude zeeman of een bevriende schipper, voor bewezen diensten. Het luisteren naar de radio ook: Hilversum, Beograd, Luxemburg, Boekarest. Al de rest: te zien op het grote of het kleine scherm.

FAMILY PLOT

neerharen sluis 2

Gisteravond had ik een gesprek met Laura over onder meer mijn vader en François, en toch, zoals zo vaak en tot vervelens toe, ook weer over mezelf.

Mijn broer heeft als hobby’s fietsen en vissen: dat is de jongere pa, zei ik. Zijn interesse voor vrouwen: de oudere pa.
Veel wisselende relaties met vrouwen? Waarschijnlijk niet, noch mijn pa, noch mijn broer. De enige buitenechtelijke relatie van mijn vader waar ik van op de hoogte ben is die met Jet. Maar dat was dan ook serieus. Jet was een dikke, levenslustige vrouw. Ze is overigens nogal jong gestorven. De wat jongere vrouw moet een compensatie geweest zijn voor mijn moeder, die tien jaar ouder was dan mijn vader en nogal melancholisch van aard. Wat dat betreft lijk ik wel wat op haar. Ook haar hypochondrie, haar eeuwig geklaag over pijnen en ziektes heb ik van haar geërfd. In weerwil van al dat geklaag is ze toch 91 geworden. Maar ze heeft nooit gerookt en nooit alcohol gedronken.

Mijn vader en Jet hadden een zoontje. Ik heb dat halfbroertje van mij nooit gezien. Ik weet zelfs niet hoe de jongen heet of wanneer hij precies geboren is. Het is ook de halfbroer van Daantje. Met Daantje heb ik eens een zomer doorgebracht. Ik vond het geen leuk kereltje, maar er was op dat ogenblik geen alternatief. Ik denk dat ik met mijn lange haren en mijn adoratie voor the Velvet Underground en the Doors een rolmodel voor hem ben geweest in 1967-68. Onze contacten speelden zich vooral af in mijn ‘kamer’, het vooronder van de spits Pulco genaamd (een samentrekking van Pulaski en Costers). Andere avonturen in het vooronder: hoe ik mijn verjaardag vierde met Jan D, Henri J, Luc V, Anita en nog een ander meisje van wie ik de naam vergeten ben.

De kapper Henri, zoon van Berb, die zelf ook al een kapsalon had, al was ze eigenlijk een boerin, en van Jang, die in de grindwasserij in Neerharen werkte. Een magere vent was dat, Jang, een man die niet veel zei. Henri was een wielrenner die graag peppillen slikte. François, eveneens bij de beginnelingen, deed daar niet aan mee. Die wilde het op eigen kracht proberen, maar dat lukte hem niet echt. Meestal gaf hij op of kwam hij als een van de laatsten over de meet, een paar keer kwam hij vrij ernstig ten val.

Ons gesprek gisteravond, op het terrasje, met uitzicht op de verwilderde tuin, die me vaak aan tuinen in romans van Virginia Woolf doet denken, begon met de haarperikelen van Agnes. Ik zei: ik had een neef, Henri, die kapper was, enfin, een achterneef eigenlijk. Hij was ook coureur, nam peppillen, met twee rode strepen op de verpakking. Zo’n verpakking heb ik de eerste keer in mijn leven gezien bij Henri Welkenhuijzen, in de Ladderstraat 142 in Neerharen. Hij of Berb, dat weet ik niet meer precies, heeft mijn haar gedaan voor mijn plechtige communie. Met van die fantastische bekken, zo noemden wij dat, golven waren het eigenlijk. Bij Berb en Jang rook het altijd naar varkens. We kregen soms een kom kop, als ze weer eens een varken hadden geslacht.

In de keuken bij Berb, waar zoals bij veel eenvoudige mensen alles gebeurde – echt veel kan dat niet geweest zijn – zat mijn vaders tante, Moe werd ze genoemd. Ze zat er altijd in de zetel, met een zakdoek in haar hand. Ik heb haar nooit een woord horen zeggen. Als zus van mijn grootmoeder (ze heette ook Pulaski), moet ze geweten hebben wie de echte vader van mijn vader was. Wellicht was het daarom dat ze zweeg. Of was ze echt stom? Ik zal het eens aan François moeten vragen. Maar die zal het zich ook wel niet meer herinneren, met de weinige hersencellen die hij nog heeft.

Ik ben eens met pa, toen ik nog heel klein was, over een paadje gestapt, door een bos. Het pad liep van aan het kanaal tot helemaal in het dorp. Het is de eerste herinnering die ik heb van een bos en van een dorp. Ik kwam recht van het schip, een geïsoleerde microkosmos die niets natuurlijks heeft, liep door een bos, en kwam in een dorp waar een sterke geur van graan en varkens en koeien hing. Het was midden in de zomer, heel warm, zelfs in het bos. Het was een nieuwe wereld, dat bos met al zijn groen, de struiken dicht bij de grond, de bloemen, het zachte gezoem van insecten, en aan mijn hand mijn vader, heel groot en sterk naast me, mijn vader die me tegen elk gevaar kon beschermen. En het dorp was al net zozeer een nieuwe wereld: er was geen lawaai van machines, het rook er niet naar teer of naar diesel, niet naar steenkool of chemische industrie. Neerharen.

Met de stad, althans de randstad, met name Merksem, waar mijn moeders twee zussen en enige broer – tante Ellie, tante Jos en nonkel Frans – en hun moeder, Honorine, woonden, was ik meer vertrouwd. Maar daarover heb ik het gisteravond niet gehad. Mijn tante Jos heeft zich al vaak genoeg opgehangen. Mijn tante Ellie is al vaak genoeg als zenuwzieke zwerfster van de straat geplukt en in een asiel gestopt. Rusthuis noemde mijn moeder een dergelijke instelling.

Wel maakte ik die avond een sprong naar het geweld in mij, en hoe het zich is blijven herhalen. Het geweld tegenover anderen, vroeger, maar ook het geweld dat zich tegen mezelf keerde en het geweld dat ik uitlokte. Wellicht houdt het verband met de angst om in de steek gelaten te worden, waar ik extreem gevoelig voor ben. Gerrit heeft aan dat gevoel voor het eerst een naam gegeven: verlatingsneurose. Je wilt niet uit het paradijs verdreven worden. Niet opnieuw. Natuurlijk weet je dat je al in de hel zit. Maar dat tracht je nu precies te vergeten door te drinken, joints te roken, pillen te slikken en te vrijen…Toen ik met die dingen gestopt ben, in 1980 (behalve met vrijen en soms drinken), is de agressie ook verdwenen. Wordt vervolgd?